Onder Filosofen

Vandaag was ik bij de North Sea Workshop in Early Modern Philosophy. Ik was uitgenodigd door een van mijn voormalige filosofie docenten, de intellectuele duizendpoot, Eric Schliesser, die mij zo de kans gaf om up-to-date te blijven met de laatste ontwikkelingen in de geschiedenis van de filosofie. Twee papers vielen mij vandaag in het bijzonder op.

Leids professor Pauline Kleingeld, die al jaren bezig is met Kant’s kosmopolitisme, liet nu haar licht schijnen over hoe Kant gedacht zou hebben over economische globalisering. Ze liet een kant van Kant zien die ik niet eerder kende: Kant’s filosofie van verdelende rechtvaardigheid. Ze had aan een aantal zinnen over hulp aan de armen ergens weg gestopt in een van Kant’s doorwrochte filosofische werken genoeg om een heel bouwwerk op te zetten van werkeloosheidsuitkeringen tot overheidsbezit van cruciale economische sectoren. Traditioneel worden Kant’s visie op sociale rechtvaardigheid afgeleid van zijn ethiek. Libertariers menen dat omdat Kant vindt dat je mensen altijd als doel op zich moet behandelen en niet als middel, dat je geen belasting mag heffen voor een bijstandsregeling. Immers dan gebruiken de armen de rijken slechts als middel. Egalitariers menen dat omdat Kant vindt dat mensen op een bepaald niveau allemaal gelijkwaardig zijn, dat we juist mensen gelijke kansen moeten geven, door herverdeling. Twee diametraal tegenover gestelde posities: Kant als libertarier en Kant als egalitarier. Kleingeld toonde de ongeloofwaardigheid van beide posities. Wat Kant vond van armoede en ongelijkheid hoeven we niet af te leiden van zijn ethiek, maar dat staat gewoon in zijn politieke filosofie!

Miriam McCormick van de Universiteit van Richmond probeerde Hume‘s epistemologie te verenigen met zijn politieke gedachtegoed. Wij kennen Hume nu met name vanwege zijn skeptische ideeen over kennis, maar hij was in het verleden juist bekend voor zijn politieke pamfletten. Hume gelooft, grofweg, niet dat mensen over veel onderwerpen zekere kennis kunnen hebben. Dat heeft grote gevolgen voor je politieke gedachtegoed. Politiek gezien is Hume een pragmatic, prudent conservative die niet gelooft in grote blauwdrukken voor de toekomst, maar hecht aan wat in het verleden in elk geval gewerkt heeft. Maar hij is boven alles een onafhankelijk politiek denker die zich niet in een ideologisch kamp laat drukken.

Hume lijkt in zekere zin op Karl Popper. Ze delen dezelfde basic opvatting over menselijke kennis maar hebben ook een zelfde idee over de rol van de politiek. Popper maakt een iets andere keuze tussen behoud van het huidige en utopische maatschappelijke vooruitgang. Popper stelt voor dat er een middenweg is tussen conservatisme en revolutie. In piece meal social engineering probeer je door kleine veranderingen bepaalde maatschappelijke problemen op te lossen. Piece meal social engineering heeft wel wat van Hume’s prudent conservatism: beide geloven in kleine, wel overwogen, stappen gericht op praktisch nut.

Een radicale conclusie van de gebrekkige menselijke kennis miste ik echter wel: ik zou stellen dat omdat we niet zeker zijn over wat goed of slechts is, en wat waar en onwaar is, we een vrijzinnige cultuur van tolerantie moeten koesteren moeten. Min of meer in de lijn van J.S. Mill en wat ik eerder hier eerder "epistemological liberalism" heb genoemd. Een nadruk op vrijheid van gedachten, geloof en levensstijlen omdat we niet weten wat goed en waar is. Uit epistemologische onzekerheid, volgen, mijn inziens, juist radicale politieke eisen.

Leave a Reply