Is kunstsubsidie rechtvaardig?

Ik ga met een groep vrienden op vakantie. En voor mij liggen er een aantal simpele vereisten aan de locatie. Ik wil naar een plek waar cultuur is. En dat is meer dan een dorpje waar je van terrasje naar terrasje loopt. Voor mij bestaan vakanties uit het beleven van moderne kunst. Ik kan me totaal verliezen in architectuur van rond de eeuwwisseling (deze of de vorige). Ik ben dol op toegepaste kunst, in het bijzonder Jugendstil. Ik krijg steeds meer waardering voor moderne beeldhouwkunst en vroeg-expressionistische schilderkunst. Maar mijn vrienden, die wilden fietsen, en dus gaan we naar een of ander godvergeten dorpje in de bergen. De vraag rijst waarom de overheid wel mijn fascinatie voor moderne architectuur zou moeten financieren, maar de fietsen van mijn vrienden niet zou moeten betalen? Is kunstsubsidie eigenlijk wel rechtvaardig? Of is het een linkse hobby?

 Laat ik in de eerste plaats stellen dat ik, als ik geen liberaal zou zijn, dit allemaal aanzienlijk makkelijker zou worden. De kern van het liberalisme is neutraliteit ten opzichte van ideeen van het goede leven. Maar ik zou me ook minder liberaal kunnen positioneren: dan zou ik, als een soort Martha Nussbaum, kunnen zeggen wat wel en niet waardevol is een mensenleven. Dan zou de overheid meer geld moeten steken in het bewaren van architectuur uit het interbellum, want dat is pas echt mooi, maar ook alternatieve rock muziek zou kunnen rekenen op een flinke donatie van de staat en  dan zou iedere schilder na 1945 verplicht extra belasting moeten betalen voor de lelijk troep die ze produceren.

Zo werkt het dus gelukkig niet: dat mijn leven verrijkt wordt door de schilderijen van Schiele betekent niet dat dat voor iedereen waardevol is. Voor een liberaal moet overheidsingrijpen, zoals kunstsubsidies gerechtvaardigd worden door iets anders dan persoonlijke voorkeur, hoe diep dat dan ook zit. De centrale vraag is dus: waarom zijn kunstsubsidies wel gerechtvaardigd voor liberalen maar subsidies op race-fietsen niet?

Gelukkig heeft GroenLinks Leiden, onder bezielende leiding van cultuurjournalist Robbert van Heuven,  een cultuurvisie uitgebracht met daarin een aantal argumenten voor -een specifiek Leids- cultuurbeleid. De waarde van cultuur werd daarin als volgt verdedigd:

"Kunst en cultuur spelen volgens GroenLinks dan ook een belangrijke rol in een open samenleving. Ze stellen het individu in staat zijn positie te bepalen in de wereld, om zich te ontwikkelen, om te worden wie hij wil zijn. Daarbij heeft kunst ook een democratische waarde. Kunst geeft afwijkende meningen, ideeën of beelden de ruimte. Het stelt vragen bij dat wat we dachten zeker te weten, het verbeeldt werelden die er (nog) niet zijn, gedachten die nog niet eerder gedacht waren."

Klinkt mooi en inspirerend maar is dit een rechtvaardiging om gemeenschapsgeld uit te trekken? De centrale rol die Van Heuven hier geeft aan de kunsten is om kritische vragen te stellen, afwijkende meningen te uiten, te krabben aan de korst van het geaccepteerde en normale. De waarde daarvan ligt denk ik echter nog een laag dieper: de vrije samenleving die Van Heuven hier voorstaat is niet alleen maar een samenleving waarin individuen (op een negatieve manier) vrij, ongebonden, zijn om te doen wat ze willen, maar ze zijn ook (op een positieve manier) vrij, autonoom: vrije individuen zijn kritisch, reflectief. Ze leggen zich niet neer bij tradities of conventies, maar proberen altijd na te blijven denken. Ze beslissen echt over hun eigen lot en luisteren niet naar autoriteiten. Kortom: Van Heuven streeft niet zo zeer naar een vrije samenleving, maar naar een samenleving van vrije individuen. Van Heuven wil met hun culturele agenda proberen een bepaald ideaal van burgerschap propageren.

Laat ik daar meteen twee opmerkingen over maken: ten eerste, dit beperkt welke kunst gesubsidieerd wordt. Onkritische, onreflectieve kunst wordt niet gewaardeerd. Kunst die niet bedoeld is om mensen aan het denken te zetten, maar die slechts bedoeld is om mooi te zijn die wordt niet gesubsidieerd. Kunstsubsidiecommissies zullen dus niet alleen de artistieke waarde van werken moeten beoordelen, maar ook het doel.

Het is, ten tweede zeer de vraag of het opleggen van een ideaal van de goede burger, te verenigen is met het liberalisme. A priori zou ik zeggen: nee. Liberalisme probeert neutraal te zijn ten opzichte van ideeen van het goede leven. Als iemand een onkritisch, conventioneel leven wil leiden, waarom is dat slechter dan als iemand een kritisch, onconventioneel leven wil leiden? Maar laten we, for the sake of the argument, proberen om Van Heuven ruimte te gunnen. Je zou kunnen zeggen dat het voor liberalen verkieslijk is als mensen zelf kiezen voor hun eigen leven, in plaats van anderen te volgen, dat dit ervoor kan zorgen dat mensen kunnen worden ze zelf echt willen, dat er een waarde is als mensen echt zelf kiezen en dat een kritische en reflectieve opstelling ook voor de rest de samenleving vooruit kan helpen.

 Als we deze basale intuitie delen, dan heeft dat volgens mij implicaties voor je opvatting van liberalisme. Je zou kunnen stellen dat in het traditionele links-liberale beeld de overheid voor twee dingen moet zorgen: ten eerste (en dat is het belangrijkst) moet de overheid ervoor zorgen dat de rechten van alle burgers worden beschermd. De overheid moet ervoor zorgen dat inbreuken op vrijheden worden voorkomen en waar het toch gebeurt dat er een passende straf tegenover staat. Het gaat hier om de klassieke rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst. Echter een links-liberaal zal moeten erkennen dat dat niet genoeg is: om mensen vrij te maken zijn formele rechten niet genoeg, mensen moeten ook de middelen krijgen om zich echt vrij te zijn. Daarom pleit ik voor herverdeling van inkomen: mensen hebben niet alleen het recht om vorm te geven aan het eigen leven, ze moeten daar ook de middelen voor krijgen.

Wat Van Heuven in principe voorstelt is dat naast het recht om en de middelen om vorm te geven aan het eigen leven: mensen hebben ook het vermogen nodig om zelfstandig te zijn: je moet kritisch zijn over wat er om je heen gebeurt en reflectief over je eigen opstelling en gedrag. Dat zijn de vermogens die Van Heuven sterk waardeert. Ik denk dat er nog wel een aantal andere dingen aan het lijstje kunnen worden toegevoegd: bescheidenheid en zelfrelativering, want anders stel je jezelf doelen die je niet kan waar maken, en discipline en zelfbeheersing bijvoorbeeld, want je kan wel allerlei idealen hebben, maar zonder discipline zal daar weinig van komen.

 Het klassieke liberale ideaal gaat ervanit dat iedereen vrijheid aan kan, en heeft te weinig oog voor die mensen die het 'culturele' kapitaal missen om gebruik te maken van hun vrijheid. Waar sociaal-democraten zich de laatste vijftig jaar hebben ingezet om mensen naast de rechten ook de middelen te geven om gebruik te maken van die vrijheid, is er altijd een traditie van cultuursocialisme geweest, die gericht was op het verheffen van mensen.

Liberalen sidderen traditioneel bij verheffing, moralisme of paternalisme: het opleggen van een ideaal van het goede leven verhoudt zich slecht tot liberale noties over pluralisme, autonomie en neutraliteit. Maar het gaat hier -vrij naar Jacques de Kadt- om paternalisme omwille van het liberalisme. Centraal hierbij staat dat mensen de vermogens moeten krijgen vrij te zijn: dat is om kritisch te zijn over de tradities waarin men opgroeit en om reflectief te zijn over de eigen opstelling, om de zelfkennis te hebben om een levenspad te kiezen dat echt bij je past en om de discipline te hebben om dat waar te maken.  En dus rechtvaardigt dat overheidsingrijpen op culturele thema's juist waar liberalen daar traditioneel huiverig over zijn.

Dat vereist een brede cultuurpolitieke agenda: mensen worden niet als reflectieve, kritische, bescheiden, gedisciplineerde burgers geboren. Dat moet mensen worden aangeleerd. Dat vereist een onderwijsstelsel dat mensen niet alleen maar leert lezen en schrijven en gelijke kansen biedt op de arbeidsmark maar dat hen opvoedt tot een ideaal van burgerschap. Dan moeten we kleinere klassen hebben omdat we jongeren individueel moeten begeleiden, vaak zelfs één-op-één. Dat vereist docenten die naast hun vak beheersen en het onderwijzen zelf, ook een filosofische en psychologische achtergrond hebben.

En kunstsubsidies? Laten we eerlijk zijn: zoals we boven al observeerde, zet lang niet alle kunst aan tot denken. Sommige kunst is gewoon mooi – of spuuglelijk. Het gaat dus niet om kunstsubsidies maar om het subsidieren van dingen die mensen kritisch maken. En dan is een laag schouwburgbezoek inderdaad een probleem: omdat de lage bezoekersaantallen van de schouwburg meer mensen kritisch maken dan er bij die hele voorstelling in de zaal zitten. Maar sterker nog: als je serieus gecommiteerd bent aan een ideaal van paternalisme omwille van het liberalisme, dan gaat het in de eerste plaats om een radicale onderwijsagenda die jongeren niet alleen moet leren te lezen en te schrijven, klaar moet maken voor een beroep, maar ook kritische, zelfreflectieve, bescheiden en beheerste burgers moet smeden. En dat vereist zo'n investering in het onderwijs, dat we het geld niet over hebben voor kunstsubsidies. Helaas.

Leave a Reply