Liberalisme: empirisch, moreel en epistemisch

Er zijn verschillende redenen om liberale politiek te bedrijven, om mensen vrij te laten zelf inrichting te geven aan hun eigen leven, om mensen te bevrijden uit staatsbemoeienis, gemeenschapsdwang en achterstelling. Ik zal hier drie verschillende rechtvaardiging van het liberalisme weergeven: een epistemische, een empirische en een morele. Eerst zal ik kort proberen weer te geven welke definitie van de liberale praktijk deze drie rechtvaardigingsgronden ondersteunen. Vervolgens zal ik deze drie rechtvaardigingsgronden bespreken.

De liberale praktijk die al deze rechtvaardigingsgronden ondersteunen is de volgende: de liberale overheid is een overheid die neutraal is ten opzichte van opvattingen van het goede leven van haar burgers. Dit uit zich door het wettelijke rechten die de overheid aan de burgers geeft die erop gericht zijn de individuele vrijheid van burgers te beschermen en hen de middelen geeft om gebruik te maken van hun rechten. Dit betreft primair rechten die burgers de vrijheid geven om zelf vorm te geven aan hun leven, waar het zingeving door geloof of levensbeschouwing betreft, waar het handelingen en uitingen betreft en waar het tijdbesteding in arbeid, vrije tijd, zorg, kunst, wetenschap en opleiding betreft.

Ik zal drie verschillende concurrerende rechtvaardigingen hierover presenteren:

  • Empirisch liberalisme: het empirisch liberalisme stelt dat er een groot onderscheid is in de huidige samenleving van verschillende opvattingen van het goede leven. Er zijn verschillende (sub)culturele en religieuze groepen. De overheid moet de bestaande diversiteit respecteren. Dit liberalisme is helder te zien in het werk van Rawls (we kiezen voor religieuze vrijheid achter de Veil of Ignorance omdat we de kans hebben om niet tot de meerderheidsreligie te behoren) maar is ook helder te zien in het werk van de hedendaagse communitaristen en multiculturalisten, als Taylor. Met name voor de laatste groep wordt de individuele vrijheid begrensd en heeft de overheid een rol in het beschermen van de opvattingen van het goede leven van groepen. Overigens heeft dit liberalisme een rijke historische traditie en spelen dit soort opvatting van tolerantie tussen groepen als sinds de reformatie.
  • Moreel liberalisme: Moreel liberalisme gaat terug op  Kant (en in zekere zin op Locke) Voor moreel liberalen is er namelijk wel een idee van het goede leven: het goede leven is een leven geleid in vrijheid en autonomie. Zelf meester zijn van je eigen lot is de beste manier om te leven. De overheid moet de vrijheid van burgers bevorderen en beschermen omdat dat op zichzelf waardevol is. Veel tegenstanders van het liberalisme (Sandel) vallen dit liberalisme vaak aan omdat zij menen dat deze opvatting verre gaande assumpties maakt over hoe mensen beslissingen kunnen nemen (helemaal autonoom) en of dat wenselijk is.
  • Epistemisch liberalisme: Epistemisch liberalen behandelen van de vraag "hoe te leven" op een wetenschappelijke manier. Zij menen dat deze vraag nog niet beantwoord is. Zij willen de samenleving zo organiseren dat we daarachter kunnen komen. Liberalen als J.S. Mill pleiten voor een samenleving waarin individuen radicaal experimenteren om er achter te komen wat het goede leven is. De neutraliteit van de overheid is een middel om ruimte te maken voor individuele vrijheid om verschillende ideeen van het goede leven te testen. Er zijn sterke aanknopingspunten in het werk van Popper die deze denktrant ook volgen en hij formuleert een staatsopvatting die hierbij past ("piece meal social engineering").

Leave a Reply