Het Kabinet-Rutte II

Nu de eerste tekenen van het tweede kabinet-Rutte duidelijk worden wil ik toch nog wat speculeren over de samenstelling.
De laatste berichten zijn dat de PvdA en de VVD samen een kabinet vormen, zonder andere partijen. De PvdA en de VVD zullen een gelijk aantal ministers en staatssecretarissen leveren. 6 ministers beiden en 5 staatssecretarissen.

De samenstelling van het kabinet is vrij simpel. De huidige minsitersposten blijven, uitgezonderd de minister voor Integratie, die wordt geruild voor een minister van Ontwikkelingssamenwerking.
De VVD levert de premier. Dat betekent dat de PvdA de minister van Financien zal leveren en de minister van Binnenlandse Zaken. Dat laat Veiligheid & Justitie voor de VVD. Vaak zijn de minister van Buitenlandse Zaken en de premier van dezelfde kleur. De PvdA wil de minister van Ontwikkelingssamenwerking, die ze dan ook zullen leveren. De VVD maakt de buitenland driehoek af en krijgt Defensie. Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is natuurlijk voor de VVD; en Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de PvdA. Als ELI voor de VVD is, dan is Infrastructuur en Milieu voor de PvdA. Dan blijven over Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De VVD zal VWS willen blijven leveren, en dan blijft OCW over voor de PvdA.
Alle ministers krijgen een staatssecretaris, behalve de premier, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking. De staatssecretariaten zijn van tegenovergestelde kleur als de ministers, om ieder departement uit te balanceren. Er is dan een staatssecretariaat te weinig. De oplossing die voor de hand zou liggen is het staatssecretariaat voor buitenlandse handel dat de VVD nu voorstelt. Dan is het simpel: Financien (VVD/belastingen); Binnenlandse Zaken (VVD/Integratie en Immigratie); Buitenlandse Zaken (PvdA/Europa); SZW (VVD/arbeidsmarkt & werkgeversverzekeringen); I&M (VVD/Verkeer); OCW (VVD/Cultuur & Hoger Onderwijs); VWS (PvdA/Care). Op ELI komen dan twee PvdA’ers voor handel en voor landbouw.
De personele invulling voor de VVD is dan gemakkelijk. Bij het vorige kabinet kon de VVD haar meest rechtse ministers naar voren schuiven omdat het zo’n rechts kabinet was. In dit centrumkabinet moet de VVD om haar profiel te houden haar rechtse bewindslieden houden. Rutte is grotendeels tevreden over de huidige ministersploeg behalve over Rosenthal. Die komen zoveel mogelijk terug.

  • AZ – Rutte
  • BuZa – Kamp (gepromoveerd, was eerder minister van Defensie)
  • V&J – Opstelten (oude rot)
  • ELI – Schultz (vertrouweling van Rutte, wordt gepromoveerd)
  • VWS – Schippers (#2 van de VVD)
  • Def. – Van Baalen (zwaargewicht wil al jaren het kabinet in)
  • Staatssecretaris Fin: Weekers
  • Staatssecretaris BiZa: Teeven (van Justitie naar Immigratie)
  • Staatssecretaris SZW: De Krom
  • Staatssecretaris I&M: Jeannette Baljeu (nu wethouder havenzaken in het brede Paarse college in Rotterdam)
  • Staatssecretaris OCW: Zijlstra

De PvdA invulling is lastiger, want de PvdA kiest vaak voor vernieuwing en wil voor de helft vrouwen leveren.

  • Fin.: Plasterk (is financieel woordvoerder van de PvdA en was eerder minister)
  • BiZa: Ter Horst (senator en prima minister)
  • SZW: Klijnsma (was daar eerder staatssecretaris en heeft goede banden met de vakbond)
  • OCW: Dijsselbloem (vertrouweling van Samsom)
  • I&M: Adri Duivesteijn (senator voor de PvdA en wethouder Stedelijke Ontwikkeling in het brede Paarse college in Almere)
  • OS: Ploumen (oud-voorzitter van de PvdA uit de OS-hoek)
  • Staatssecretaris BuZa: Timmermans (zwaargewicht in de PvdA-fractie, eerder al met veel plezier Euro-staatssecretaris)
  • Staatssecretaris ELI (natuur): Lutz Jacobi (dit is geen grap, ze wordt heel goed gewaardeerd in de PvdA en is een van de groenste Kamerleden)
  • Staassecretaris OCW (handel): Carolien Gehrels (wethouder Economie in het Paars+ college in Amsterdam)
  • Staatssecretaris VWS: Hamer (zwaargewicht)
  • Staatssecretaris V&J: Marcouch (nog zo’n zware PvdA’er)

Nobelprijswinnaar? Reken maar!

Zaterdagochtend stond er een interessant stuk in de wetenschapsbijlage van de Volkskrant: wat voor’n mensen winnnen er wel of geen Nobelprijs. In het stuk zat een veelgemaakte wiskundige redeneringsfout, die te maken heeft met voorwaardelijke kansen en rekenen met ordes van grootte.

De centrale vraag van het stuk was wanneer je wel of geen Nobelprijs wint: het stuk stelde dat als je vrouw, niet-Amerikaans, Afrikaans, jong, zwart, getrouwd met een Nobelprijswinnaar, al eerder winnaar of ondergeschikt was je geen Nobelprijs (meer) zou winnen. Sommige van deze kenmerken zijn inderdaad gekoppeld aan een veel kleinere kans om een Nobelprijs te winnen. Maar voor anderen geldt het tegenovergestelde.

Er zijn 826 Nobelprijswinnaars geweest sinds 1901. Het is voor het rekenen gemakkelijk om dit uit te drukken in een orde van grootte. Laten we dus zeggen dat er 1000 Nobelprijswinnaars zijn geweest daarmee bedoel ik dat dit aantal veel groter dan 100 is en veel kleiner dan 10,000. Sinds 1901 zijn er orde van grootte 10 miljard mensen op de wereld. Er waren ongeveer 2 miljard mensen in 1900 en nu zijn dat er 7 miljard. Misschien er zijn we 14-15 miljard mensen geweest, maar we kunnen gewoon rekenen met de orde van grootte van 10 miljard.

De redenering bij het eerste kenmerk geslacht is correct: 50% van de wereldbevolking is vrouw en 5% van de Nobelprijslaureaten. Vrouwen zijn dus sterk ondervertegenwoordigd tussen de laureaten.

De redenering bij nationaliteit is al wat ingewikkelder. Er zijn 244 Nobelprijswinnaars in Amerika geboren. Dat is ongeveer 30% van de laureaten. Ongeveer 3% van de wereldbevolking woont in de VS. Dat is dus een grote oververtegenwoordiging; 10 keer zoveel Amerikanen wonnen de Nobelprijs dan je zou verwachten als ze proportioneel naar bevolking werden uitgedeeld. Maar andere landen zijn even sterk oververtegenwoordigd: 2% van de laureaten is Nederlander, tegenover zo’n 0.2% van de wereldbevolking. Dat betekent dat overtegenwoordiging van Nederlanders van dezelfde orde van grootte is als de oververtegenwoordiging van Amerikanen.

Een bovenmatig veel voorkomend achtergrondskenmerk van Nobelprijswinnaars is over hoofd gezien: 20% van de Nobelprijswinnaars is Joods en maar 0.2% van de wereldbevolking. De oververtegenwoordiging van Joden is een orde van grootte groter, dan de oververtegenwoordiging van Amerikanen of Nederlanders.

De grote redeneerfout zit bij de mensen die getrouwd zijn met Nobelprijswinnaars. De claim is dat als je trouwt met een Nobelprijswinnaar je minder kans hebt om te winnen. Acht Nobelprijswinnaars zijn getrouwd met een andere Nobelprijswinnaar. Dat is in beide gevallen orde van grootte een op de honderd. Van de rest van de wereldbevolking (orde van grootte 10 miljard) is, zelfs als we het heel grof rekenen, orde van grootte 1000 mensen getrouwd met een Nobelprijswinnaar. Een op de 10 miljoen. Mensen die met een Nobelprijswinnaar getrouwd zijn, zijn dus sterk oververtegenwoordigd op de lijst. Precies dezelfde redenering geldt voor de vier dubbele winnaars. Tussen de twee verhoudingen zitten enkele orde van grootten: 1:100 versus 1:10,000,000.

Met medewerking van Erik Woldhuis.

Alleenvrouwschappij

Nederland lijkt uitgeëmancipeerd. Mannen en vrouwen hebben dezelfde rechten en dezelfde plichten. Voor de wet zijn man en vrouw gelijk. Maar in de politiek ook? Zijn er verschillen in stemgedrag tussen mannen en vrouwen? En in politieke opvattingen?

Verschillen in politieke opvattingen

Vrouwen zijn op sociaal-economisch terrein socialer dan mannen: zij zijn voor een gelijkere inkomensverdeling dan mannen. Ze willen dat de overheid meer doet om een sociale rechtvaardigheid te verzekeren.  Vrouwen zijn op een aantal culturele thema’s progressiever: zij zijn vaker voorstander van het toelaten van asielzoekers. Dat geldt niet alleen voor asielzoekers maar ook voor homo’s:  vrouwen zijn voorstander van een meer omvattende gemeenschap. Ook zijn ze een groter tegenstander van kernenergie dan mannen. Vrouwen zijn een sceptischer over ingrijpende veranderingen, niet alleen over technologische verandering, maar ook over bijvoorbeeld Europese integratie. Vrouwen zijn niet per se softer dan mannen: vrouwen zijn over het algemeen vaker voorstander van strengere straffen. Wat het grote verschil lijkt te zijn is dat vrouwen voorstander zijn van gemeenschapszin (sociaal, inclusief maar ook conservatief) en dat mannen een meer individualistische politieke instelling hebben (economisch liberaal, uitsluitend maar ook voorstander van innovatie en vernieuwing).

Verschillen in stemgedrag

If women were the only voters, the Democrats would win in a landslide every time. If men were the only voters, the GOP would be the left-wing party” stelt Amy Gardner in The West Wing. Maar is altijd waar? Het is inderdaad zo dat bij de verkiezingen vrouwen vaak anders stemden dan mannen. Echter, de manier waarop de verschillen in stemgedrag tussen mannen en vrouwen zich uiten is contextafhankelijk: vrouwenstemrecht werd in Nederland ingevoerd in 1922. In 1918 waren er verkiezingen gehouden met algemeen stemrecht voor mannen. Er werd verwacht dat met name de seculiere linkse partijen (SDAP, CPH) die voorstander waren geweest van vrouwenkiesrecht van de invoering daarvan zouden profiteren. Echter, zij verloren drie zetels (was 25 werd 22). Ook de seculiere rechtse partijen (LP, LSP, VDB) verloren vier zetels (was 20 werd 16). Dat gold ook voor de categorie overig (was 5 werd 2 – ook gevolg van kleine verandering in het kiesstelsel). Het waren de Christen-Democratische partijen (CHU, ARP en RKSP) die er op vooruitgingen (van 50 naar 60). Ceteris paribus lijkt dit er op te duiden dat vrouwen niet in grote mate op linkse partijen hebben gestemd bij deze verkiezingen.

En nu? Als alleen vrouwen zouden stemmen, zou de PvdA de grootste partij zijn. De sociaal-democraten zouden 28 zetels halen als alleen vrouwen zouden stemmen. Daarop volgt de VVD (25) en het CDA (24). En dan pas de PVV (21) met op de voet de SP (18). GroenLinks (13) ligt voor op D66 (10). Onder de kleine partijen staat de CU sterk (6) en de PvdD (3). De heren van het SGP zouden ook twee zetels krijgen in het vrouwelijke parlement. Er is dus een linkse meerderheid onder de vrouwen van 78 zetels. Maar ook de Christen-democraten doen het nog relatief goed onder vrouwen ze halen hier nog 32 zetels.  Het zijn de verschillende liberale partijen van Nederland (D66-VVD-PVV) die slecht scoren onder vrouwen. Er is groen licht voor een links vrouwenkabinet van PvdA-CDA-SP-GL.

Als alleen mannen het stemrecht hadden dan zag de Tweede Kamer er anders uit.  De VVD ligt met 36 zetels ruim voor op de PvdA (31). De PVV haalt 26 zetels, ruim meer dan het CDA (17). De SP (12) ligt vlak bij D66 (11). GroenLinks ligt daar ver onder (8). De ChristenUnie haalt even veel zetels als de SGP (4). Een zetel is over voor een mannelijke PvdD’er. Seculier links haalt 52 zetels, de liberalen (VVD-D66-PVV) 73 en de Christen-Democraten maar 25. Een kabinet CDA-VVD-PVV haalt een meerderheid onder de mannen (81).

In de politieke opvattingen zijn er nu verschillen tussen en mannen en vrouwen: vrouwen zijn voorzichtiger en meer gericht op de gemeenschap, mannen willen verandering en zijn meer gericht op het individu. Het mag dan ook niemand verbazen dat mannen in het verleden en op dit moment liberale partijen verkiezen. Vrouwen kiezen voor sociaal-democratische en Christen-democratische partijen, die een communotaire orientatie hebben.

Deze analyse is gebaseerd op het NKO 2010.