Is politicologie een linkse hobby?

Op een politicologencongres viel het met laatst op: de meeste politicologen hebben een linkse oriëntatie. Eén van de meest prominente Leidse politicologen, Ruud Koole, is ook senator voor de PvdA. Als ik voor GroenLinks advies zoek van politicologen willen ze graag meedenken. Nog een opvallend patroon: ik ken zo vier Nederlandse academische politicologen wiens partner een functie binnen GroenLinks heeft.

Is politicologie een linkse hobby? Hebben alle politicologen in de jaren ’60 een klap van de Marxistische mallemolen gekregen?

Alhoewel sociale wetenschappers specialisten zijn op het gebied van opinieonderzoek, wordt er maar weinig opinieonderzoek gedaan naar de meningen van politicologen. In een grote expertsurvey van de Ierse politicologen Benoit en Laver naar partijposities werden politicologen ondervraagd naar de sympathie die ze hebben voor bepaalde partijen.

Dat drukken we uit in een gevoelsthermometer waar 0 betekent veel sympathie en 20 betekent weinig sympathie. Als we kijken naar de Nederlandse data dan zie we het volgende: politicologen hebben de warmste gevoelens voor GroenLinks en de koudste gevoelens voor de LPF. De linkse partijen SP, GL, PvdA en D66 scoren gemiddeld beter dan de rechtse partijen.

Ook in de hele data set met politicologen uit Oost- en West-Europa, Israël, de VS, Australië, Nieuw Zeeland en Japan zien we dit patroon. Het mooie is dat dezelfde politicologen een links/rechts waarde hebben toegekend aan de partijen. De gemiddelde sympathie voor een partij die men als links bestempeld is ongeveer 1.5 punt (op een schaal van 1 tot 20) warmer dan voor een rechtse partij. Maar als we naar een scatterplot kijken zien we dat deze relatie lang niet alles verklaard. Sterker nog: maar 12% van de gemiddelde sympathiescore voor een partij is te verklaren met de gemiddelde links-rechts positie.

We kunnen ook kijken naar een aantal dimensies die samen de links-rechts dimensie vormen. We kijken hier naar drie invulling van links/rechts: links als seculier en rechts als religieus; links als een grote overheid en rechts als een kleine overheid; en links als progressief en rechts als conservatief op nieuwe culturele waarden. Helaas kunnen we voor die laatste alleen de milieudimensie gebruiken, omdat passendere schalen, bv. over migratie maar in een deel van de landen gebruikt wordt. In de landen waar allebei deze items zaten vormen ze een zeer sterke schaal.

Op deze milieu-dimensie zien we een heldere relatie: de groenere partijen zijn sympathieker volgens de politicologen dan de grijze partijen. Nou zijn er wel maar een beperkt aantal partijen dat aan de groene kant van het spectrum wordt geplaatst. Daarom wordt maar 20% van de sympathiescores hierdoor verklaard.

Op de sociaaleconomische dimensie is er praktisch gezien geen relatie: er is een zeer zwakke relatie positieve tussen economische standpunten en sympathie, maar dit verklaart slechts 1% van de sympathiescores. Als we daarentegen een onderscheid maken tussen Oost- en West dan ontstaat er interessant beeld: in de West-Europese landen is er een redelijk sterke positieve relatie (rood). Hoe meer partijen willen uitgeven in de publieke sector, hoe meer sympathie de partijen krijgen. Dit is ook wel logisch: immers rechtse partijen willen vaak meer bezuinigen op academisch onderwijs en onderzoek. In Oost-Europa (groen) is de relatie omgekeerd: hoe meer partijen een kleine overheid willen. Dit kom misschien omdat de sociaaleconomisch rechtse partijen ook de anticommunistische partijen waren. De rechtse partijen staan voor democratie en internationale openheid.  Dit model doet het overigens nog steeds niet schokkend goed (11% van de sympathiescores wordt verklaard).

Op de morele thema’s is het onderscheid het sterkst: hoe vrijzinniger een partij op sociale thema’s, hoe meer sympathie politicologen voor die partij hebben. Dit verklaart alleen al zo’n 38% van de sympathiescores.

Als we de factoren samen nemen, de sociaaleconomische, sociaalculturele, milieudimensie en het onderscheid tussen Oost en West, dan ontstaat het volgende beeld: in Oost en West Europa is de morele dimensie de belangrijkste verklaring. In beide gebieden is de milieudimensie een goede tweede. In West-Europa is er geen effect meer van de economische dimensie. Het is dus niet zo dat in West-Europa politicologen sympathie hebben voor die partijen omdat die sociaaleconomisch links, maar die de sociaaleconomisch linkse partijen zijn vaak ook vrijzinnig en groen en passen daarom bij het profiel van de politicologen. In Oost-Europa is er nog wel een effect van economie: de favoriete partijen van politicologen zijn hier economisch rechtser, zelfs als we controleren voor het feit dat deze partijen progressief en groen georiënteerd zijn.

Uit de data blijkt wel dat politicologen vaak een vrijzinnige, groene gezindheid hebben. Dit duidt op progressieve waarden, maar niet per se op een linkse oriëntatie: de positie van partijen op economische thema’s is geen verklaring in West-Europa en de relatie lijkt omgekeerd in Oost-Europa.

Uiteindelijk zegt dit natuurlijk iets over de afwijking, de bias, van de politicologengemeenschap. Er is namelijk geen sympathie voor de grote mainstreampartijen (sterker nog er lijkt een kleine negatieve relatie te zijn tussen het aantal stemmen en de gemiddelde sympathiescores). Maar ook niet voor populistische rechtse partijen. Groene partijen en andere progressieve seculiere partijen, zoals sociaaldemocraten lijken de primaire sympathie te hebben van de politicologen. Milieu is volgens veel politicologen wel een probleem terwijl immigratie en abortus dat minder zijn. De focus in het huidige politicologische onderzoek op populisme is misschien wel een uitdrukking van een echt onbegrip van de politicologen waarom mensen op een partij stemmen die zo ver van hen weg staat.

Links en de Moraal III: Onderwijs is geen markt

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om de publieke sector te beschermen tegen bezuinigingen. Filosoferen over vrijheid weert geen rechtse bezuinigingsdrift af. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

Het was een simpele tweet van een SP-aanhanger: ‘Onderwijs is geen markt’. Het was een fascinerende combinatie van stelligheid en morele verontwaardiging. De stelligheid is onterecht. Het Nederlands onderwijs, en dan in het bijzonder het hoger onderwijs is georganiseerd als een markt: een markt is het geheel aan omstandigheden waarbij in vrijheid een bepaalde dienst of goed worden uitgewisseld voor geld.

Er zijn in Nederland twintig universiteiten waar studenten collegegeld kunnen betalen om een opleiding te krijgen. Studenten kunnen zelf hun eigen universiteit kiezen. De prijsvorming is niet vrij: het collegegeld wordt vastgesteld door regering. Dat zorgt voor concurrentie op kwaliteit. Studenten kiezen die universiteiten en opleidingen die een goede reputatie hebben of goed scoren in onderzoek over onderwijskwaliteit en toekomstperspectieven. Een student betaalt niet de volledige kosten van zijn opleiding, een groot deel daarvan wordt gesubsidieerd door de overheid, maar wel op basis van studentenaantallen. Opleidingen worden gestimuleerd om veel studenten te krijgen en studenten kunnen een vrije keuze maken voor wat zij de beste opleidingen vinden. Dat is een markt, misschien geen ideaaltypische vrije markt, maar wel een markt.

Wat is het fundamentele bezwaar tegen een markt? Ik denk dat er twee centrale bezwaren zijn tegen het marktmechanisme: ten eerste is er het Marxistische bezwaar van vervreemding. Ten tweede is er het egalitaire bezwaar van ongelijke toegang. Laten we naar het eerste kijken: Marx maakte bezwaar tegen de verkoop van arbeid door werknemers aan werkgevers. Omdat het werk werd opgedeeld in taken (‘arbeidsdeling’) werd het saai en repetitief. Voor mensen zou arbeid een vorm van zelfactualisatie moeten zijn en niet menial labour waarvoor men onderbetaald wordt. Mensen moeten zelf beschikken over hun eigen productieproces, dan zijn ze niet vervreemd.

Er wordt op universiteiten veel geklaagd over hoe het onderwijs zwaar is en het verkrijgen van publicaties en onderzoeksgeld een tombola. Maar iedereen moet toegeven dat van alle mensen in Nederland medewerkers van de universiteit de grootste vrijheid genieten: tijd om zelf onderzoek te doen over datgene wat ze interessant vinden; en de ruimte om zelf hun eigen onderwijs vorm te geven. Academische vrijheid is een groot goed. Het werk aan de universiteit is niet saai en repetitief; het is niet opgedeeld in taakjes.
Maar belangrijker: in deze zin verschilt een universiteit niet van welke andere instelling in Nederland, overheid, markt of maatschappelijk. Alle kopen hun arbeid op de vrije markt. Ik kan het me ook niet anders voorstellen: zorg voor gezin en vrijwilligerswerk worden niet op een vrije markt verhandeld. Maar dat is geen reëel model voor het onderwijs. Zolang professoren en universitaire docenten academische vrijheid blijven genieten, lijkt het me overdreven te klagen over onderwijs als markt.

Het tweede bezwaar tegen de vrije markt is ongelijke toegang. Als mensen in vrijheid goederen en diensten uitwisselen ontstaat de mogelijkheid dat sommige personen meer geld krijgen dan anderen. Daarmee kunnen ze meer goederen en diensten kopen. Dat is geen bezwaar zolang de goederen of diensten niet van levensbelang zijn. Voor zorg bijvoorbeeld zou dit een bezwaar kunnen zijn: we willen niet dat de kans dat mensen overlijden aan een ziekte afhangt van hun inkomen. Evenzeer zouden we bijvoorbeeld niet kunnen willen dat onderwijs toegankelijk is voor iedereen. Maar dan is het argument geen levensbelang maar gelijke kansen. Onderwijs is een factor die zo sterk invloed heeft op toekomstige verdiencapaciteit dat we mensen hier gelijke toegang toe willen geven. Daarom is het goed dat het collegegeld voor iedereen gelijk is. Daardoor ontstaat er concurrentie op kwaliteit en is het voor iedereen toegankelijk. De huidige imperfecte marktwerking sluit daar prima bij aan.

U vindt dit misschien een ideaalbeeld: competitie is kwaliteit. Studenten kiezen niet op kwaliteit en massaliteit is niet hetzelfde als kwaliteit. De vraag is wat het alternatief is: als studenten niet meer kunnen kiezen naar welke universiteit ze kunnen maar dat bijvoorbeeld regionaal verdeeld wordt (‘u komt uit Alphen dan moet u naar de Universiteit Leiden’) wordt het onderwijs dan beter? Natuurlijk zijn er ook andere waarborgen van kwaliteit (visitaties, inspraak): maar als blijkt dat een school als InHolland waardeloze diploma’s geeft dan zijn studenten weg en moet die school zichzelf opnieuw uitvinden.

Kortom:

  1. het onderwijs is wel een markt;
  2. medewerkers van universiteiten zijn lastig als van hun arbeid vervreemde loonslaaf te zien;
  3. en de beheerste markt zorgt voor gelijke toegang en concurrentie op kwaliteit.

Machtsrelaties in het parlement

Waarom heeft de Nederlandse Tweede Kamer 150 leden? En waarom heeft San Marinese parlement (met ongeveer 2% van de inwoners) er 60? Het lijkt af te hangen van historisch toeval: in Nederland hebben we 150 Tweede Kamerleden. In 1956 is dat gewijzigd omdat er aantal leden regelmatig in Straatsburg zaten. Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden heeft 435 leden. Dat is in 1911 toevallig vastgesteld.

En toch, ik heb er al eerder over geschreven, is er een opvallend patroon: hoe groter het land, des te groter het parlement. De meest voor de hand liggende verklaring is het aantal inwoners van een land. Grotere landen hebben grotere parlementen. Een land als Palau (21 duizend inwoners) heeft een Tweede Kamer met 16 leden. China (1,3 miljard inwoners) heeft een Nationaal Volkscongres met drie duizend leden.

Lineaire relatie
In figuur 1 kunnen we de relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal leden van het lager huis in alle 190 lidstaten van de Interparlementaire Unie. We kunnen hier een lineaire relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal Kamerleden. Ieder parlement heeft 150 leden en voor iedere 700 duizend inwoners komt er een Kamerlid bij. Met 16 miljoen inwoners zou Nederland dus ongeveer 175 Kamerleden hebben. 55% van de Kamerzetels wordt correct voorspeld. Maar de relatie wordt vrij zwaar gedomineerd door India en China die outliers zijn. Want eigenlijk liggen alle andere landen in het gebied ‘klein & weinig Kamerleden’.

Vijf lineaire verbanden
We kunnen deze logica, waarbij we de data opsplitsen in verschillende gebieden verder toepassen: ik heb alle landen opgesplitst in vijf segmenten naar aantal inwoners. Als we van micro-staten naar de grootste landen gaat neemt iedere keer de hellingsgraad van de lijn af: 3.7 Kamerleden per inwoner voor de micro-staten (onder 2 miljoen inwoners); 1.5 Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder 7.5 miljoen inwoners); 0.75 Kamerleden per inwoner in de middengroep (onder 25 miljoen inwoners); een half Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder de 100 miljoen inwoners); en een tiende Kamerlid per inwoner. Een land als Nederland heeft 100 Kamerleden en krijgt er dus 0.75 per Kamerlid bij: samen 225.
Er lijkt dus een convex curvilineair verband te zijn: naar mate het aantal inwoners toeneemt, daalt het effect van inwoners op het aantal Kamerleden.
Deze figuur 2 ziet er mooi en kleurrijk uit, maar er zijn twee problemen met deze methode: ten eerste zijn er wel erg weinig landen per blok om een analyse op te baseren, daardoor wordt de analyse onzeker. Ten tweede, verschilt de verklarende kracht van de modellen sterk, omdat sommige gebieden diverser zijn dan anderen.

Curvilineair verband
Een manier om in de sociale wetenschappen een curvilineair verband te modelleren is met een polynominale relatie. Deze is weergegeven in figuur 3. Deze lijn verklaard 86% van de Kamerzetels. Volgens dit model zou een land als Nederland 185 Kamerleden moeten hebben. Dat lijkt dus mooi. Maar volgens dit model zouden landen met meer dan 400 miljoen inwoners, een negatief aantal Kamerleden moeten hebben. Boven de 1.2 miljard inwoners schiet de lijn plotseling weer boven de nul, toevallig ongeveer evenveel inwoners als India en China hebben. Dus deze relatie heeft veel verklarende kracht, maar is eigenlijk in een absurdistische jojo.

Machtsrelatie
We kunnen een curvilineaire relatie ook benaderen als een power law of een machtsrelatie. Dit wordt vaak gebruikt in de natuurkunde als de data over verschillende ordes van grootte heen omvat. In figuur 4 is een curvilineaire relatie geplot in een figuur met twee logaritmische schalen, met twee logaritmische schalen lijkt een curvilineaire relatie lineair. De relatie is vrij simpel: Kamerleden = (Inwoneraantal ^ 0.4)/3
Dit model omvat de data mooi: 80% van het aantal Kamerleden kan hierdoor verklaard worden. Bovendien zitten er geen contra-intuitieve elementen aan: alle datapunten ligt in een band om deze lijn. Een land als Nederland zou 200 Kamerleden hebben.

Andere factoren
Nu we een passend model hebben, kunnen we wat toeters en bellen toevoegen aan ons model. De oplettende lezer dacht misschien al: waarom hebben we het alleen over leden van lager huizen en niet over leden van het hoger huis? Zijn die parlementen kleiner? En hoe zit het met dictaturen? Of federaties?
Als een land een hoger huis heeft, is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 14% lager. De extra Kamerleden in het hogere huis, zorgt dus voor minder Tweede Kamerleden. Als een land een democratie is (een land met een Freedom House score ‘Free’), is het aantal Kamerleden gemiddeld 13% lager. Dat lijkt raar, maar als er in een parlement echt belangrijke beslissingen neemt, dan moet er wel efficient vergaderd kunnen worden. Een working parliament kan niet te groot zijn. In een federatie is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 10% lager: als er minder in de hoofdstad besloten hoeft te worden, dan zijn er minder mensen nodig. Nederland als democratische eenheidsstaat met een tweekamerstels en 16 miljoen inwoners heeft gemiddeld ongeveer 175 Kamerleden.
Al met al, hebben deze factoren wel een effect, maar het valt in het niet met het effect van aantal inwoners.

Concluderend
De relatie tussen burgers en Kamerleden is een machtsrelatie. Dat is de relatie kan beschreven als een power law: voor iedere inwoner komt er aantal Kamerleden bij, maar het effect van inwoner per inwoner neemt af naar mate het aantal inwoners toeneemt.
Als u dit hele stuk heeft doorgeploegd, vraagt u zich misschien af: so what? Laat ik daar drie dingen over zeggen: ten eerste, zegt het aantal Kamerleden dat er per burger is iets over de kwaliteit van de democratie. Wouter Veenendaal heeft in een recent proefschrift laten zien dat een te kleine kloof tussen burger en politiek ook niet goed is. Maar naar mate het aantal inwoners toeneemt, wordt de kloof ook groter.
Ten tweede, de reden dat er een grens ligt aan het aantal Kamerleden is efficiency. Je kan maar met zoveel mensen efficient vergaderen. Er lijkt een harde bovengrens te zijn: alleen China heeft meer dan 800 Kamerleden.
Ten derde, ik vond de recente brief van minister Plasterk (… en Koninkrijksrelaties/PvdA) waarin hij het voorstel om het aantal Tweede Kamerleden terug te brengen naar 100, terug trekt, wat summier. Bij deze dus: als je in internationaal vergelijkend verband kijkt, dan zou het aantal Kamerleden in Nederland niet teruggebracht moeten worden maar met 25 tot 75 Kamerleden uitgebreid.

Stelling 11: Het is niet genoeg de wereld te begrijpen, we moeten haar veranderen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tiende: over het ambacht van de politieke wetenschap.

Stelling 11: “Het is niet genoeg de wereld te begrijpen, we moeten haar veranderen.”

Gedurende mijn hele universitaire opleiding ben ik politiek actief geweest.  Want het is voor mij nooit genoeg geweest om te leren hoe de politieke wereld in elkaar zat, ik heb me altijd ingezet voor maatschappelijke verandering. Mijn studie was lange tijd mijn voornaamste bezigheid en politiek een hobby, maar in het laatste jaar heb ik gezocht naar een nieuwe balans door zowel te werken in de politiek, bij Bureau de Helling, als in de wetenschap, bij de Universiteit Leiden.

Het is een precaire balans omdat in de wetenschap objectiviteit en integriteit centraal staan. Een partijgebonden partijonderzoeker heeft een lastige positie. Hij kan voor zich zelf waarde en waarheid misschien wel scheiden, maar voor anderen is het lastig om dat te zien. Overigens juist als kiezersonderzoeker moet je bij een partij niet geleid worden door wat jezelf belangrijk vindt, maar door wat uit kiezersonderzoek blijkt belangrijk te zijn voor kiezers. Ik zou bijvoorbeeld zelf het liefst Nederland morgen onderdeel maken van een Europese federatie, het minimumloon afschaffen en alle panda’s over de kling jagen, maar ik realiseer me dat die standpunten electoraal lastig liggen. Het is mijn rol geweest binnen GroenLinks om matiging te adviseren over ons pro-Europese programma, een meer herkenbaar linkse koers te adviseren en vol in te zetten op groen. Mijn neutraliteit en objectiviteit heb ik nooit opgegeven.

Even zo zeer heb ik het laatste jaar gemerkt dat als je onderzoek doet naar iets waar je niet 100% vol voor gaat, dat de drive om urenlang zelfstandig te werken niet heel groot is. Ik rond daar nu mijn onderzoek naar belangengroeperingen af. Dat is grotendeels dezelfde theorie en dezelfde methoden als in mijn partijenonderzoek, maar het onderwerp kan mij veel minder motiveren. Ik ben daarom bijzonder blij dat ik de mogelijkheid krijgen om bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen me in te zetten voor mijn grote passie, het onderzoek naar politieke partijen. In mijn onderzoek naar bijvoorbeeld de Partij voor de Dieren probeer ik erachter te komen hoe zelfs kleine partijen een grote invloed hebben op de aandacht voor hun onderwerp. Daarmee hoop ik niet alleen bij te dragen aan een beter begrip van de politiek, maar ook mensen aan te moedigen om zich in te zetten voor maatschappelijke verandering, want zelfs met twee zetels kan je een grote verandering inzetten.

En zo zie je: als partijgebonden kiezersonderzoeker heb je de kille neutraliteit nodig van de empirist, want anders wordt je advies gekleurd door je eigen standpunt; en als neutrale partijenonderzoeker heb je de passie nodig van de partijactivist, want anders heb je de motivatie niet om iedere dag onderzoek te doen. Ik ben bijzonder blij dat ik de komend jaren deze precaire balans mag door zetten, als onderzoeker bij het DNPP en als bij Bureau de Helling.

Stelling 10: Politicoloog, computerprogrammeur, journalist en filosoof

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tiende: over het ambacht van de politieke wetenschap.

Stelling 10: “Een politicoloog is een computerprogrammeur in de ochtend, een journalist in de middag en een filosoof in de avond.”

Politicologie is een bijzondere discipline. Een politicoloog combineert veel verschillende perspectieven. In mijn proefschrift heb ik verschillende perspectieven gecombineerd: kwantitatief onderzoeker, kwalitatief onderzoeker en theoreticus.

Een belangrijk deel van mijn proefschrift bestaat uit een statistische analyse. Dit is gebaseerd op data over parlementaire stemmingen die ik samen met mijn collega heb verzameld uit online bestanden. In dat werk ben je eigenlijk meer een computerprogrammeur dan een politiek wetenschapper. Websites geautomatiseerd downloaden, de gedownloadde bestanden parsen, data bestanden maken en statistische analyse draaien. Dat hadden ze me allemaal niet tijdens de bachelor geleerd. Ik had me veel nieuwe methoden eigen moeten maken, waaronder het statistische programma R. R is meer dan een statistiekprogramma, het is een computertaal. Je bent bezig met for-loops, if … else statements etc. Zo krijg je uiteindelijk cijfers, die je kan analysere en mooi als figuur weer kan geven.

Daarmee was met mij betreft het onderzoek af, maar mijn promotor wees me er terecht op dat al die statistiek wel leuk is maar betekenisloos is zonder context. Dus moest ik ook een historische analyse schrijven. Het effect van nieuwe partijen in context plaatsen. Waar het werk van een kwantitatief politicoloog steeds meer lijkt op een computerprogrammeur zonder formele training, lijkt het werk van een kwalitatief politicoloog nog steeds op een journalist zonder deadline. Uiteindelijk heeft dat een mooie historische beschrijving van alle nieuwe partijen in Nederland opgeleverd in de context van de Nederlandse politieke geschiedenis: de democratisering van de jaren ’60, de debatten over abortus in de jaren ’70, de kernwapendebatten van de jaren ’80.

De laatste rol van de politicoloog is de filosoof. Los van de data en de context een theoretisch argument maken. Mij lag de rol het minst omdat ik een vrij platte empiricus ben en een gediplomeerd filosoof. Rollen die ik altijd gescheiden had. Meer dan de theorievorming over nieuwe partijen (alhoewel ik ook wel gestoeid heb met de klassieke definities en schema’s van nieuwe partijen) heb ik proberen bij te dragen aan het begrip van de arena’s waarin partijen opereren, de parlementaire arena en de electorale arena. Toen ik er achter kwam dat nieuwe partijen geen effect hebben in de electorale arena, maar wel in de parlementaire arena, was dat voor mij eerst een teleurstellende uitkomst, maar uiteindelijk een waardevolle uitkomst.

En zo ben je als politicoloog een computerprogrammeur, een journalist en een filosoof. Bezig met for loops, bronnenonderzoek en grote verhalen.

Stelling 2: Bestaande partijen zijn conservatief

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tweede: wat te doen met onbevredigende resultaten.

Stelling 2: “In de electorale arena zijn politieke partijen conservatieve organisaties die alleen reageren op nieuwe partijen als ze verkiezingen hebben verloren.”

Een van de minst bevredigende uitkomst van mijn onderzoek was dat ik voor verkiezingsprogramma’s geen of nauwelijks een effect heb kunnen vinden voor nieuwe partijen. Het lijkt erop dat bestaande partijen nieuwe partijen grotendeels negeren. Ze focussen op hun eigen thema’s. Onder beperkte voorwaarden kunnen nieuwe partijen een effect hebben op bestaande partijen in de electorale arena. Alleen als we kijken naar anticipatie in plaats van reactie. En vervolgens kijken naar partijen die de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Alleen dan ontstaat er een effect van nieuwe partijen. Dat wil zeggen nieuwe partijen hebben alleen een effect in de verkiezingen waarin ze waarin ze in de Tweede Kamer komen en alleen op partijen die de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Het idee is dat het verliezen van verkiezingen een wake-up call is voor bestaande partijen die vervolgens meer letten op de politieke omgeving.

Dat nieuwe partijen alleen effect zouden hebben op programma’s in de verkiezingen dat ze in de Kamer komen, zet wel vraagtekens bij het effect. Want immers het kan zo zijn dat zowel de bestaande partij die de verkiezingen heeft verloren en dat succesvolle nieuwe partijen allebei bij het schrijven van hun programma onafhankelijk vaan elkaar dezelfde maatschappelijke onderstroom hebben geraakt?

Dat laat zien dat waar zover het nieuwe partijen betreft bestaande partijen in de electorale arena bijzonder non-responsief zijn. Bestaande partijen focussen op hun eigen thema’s, bij verkiezingen laten zich niet van de wijs brengen door nieuwe partijen. Een onbevredigend resultaat, maar een niet te min een resultaat.

De Nieuwkomer Nadoen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Hieronder de volledige Nederlandstalige samenvatting.

Nieuwe politieke partijen hebben mogelijk een bijzondere rol in de politiek. Ze zouden invloed kunnen hebben op hoeveel aandacht bestaande politieke partijen besteden aan thema’s en de posities die ze innemen op thema’s. Sommige nieuwe partijen, zoals de dierenwelzijnspartij Partij voor de Dieren en de ouderenpartij Unie 55+ stelden dit doel expliciet voor zichzelf: ze gaven in interviews en programma’s aan dat ze niet verwachten dat ze meteen een grote kiezersschare zullen krijgen, maar dat ze door hun aanwezigheid bestaande partijen willen dwingen om meer aandacht te besteden aan hun thema’s of hun standpunten over te nemen. Andere partijen tonen grotere ambities. Zo wilde D66 het bestaande politieke stelsel opblazen. Nieuwe partijen kunnen op allerlei manieren indirect invloed uitoefenen op de bestaande partijen en het partijensysteem. Ze kunnen nieuwe onderwerpen op de agenda zetten, bestaande partijen dwingen om hun posities te veranderen, of de structuur van het partijensysteem veranderen. Dit onderzoek richt zich op deze indirecte effecten van nieuwe partijen.

Natuurlijk zijn er ook partijen die nog grotere verwachtingen hebben. Pim Fortuyn, de leider van de Lijst Pim Fortuyn zei ooit: “Ik word de volgende premier. Let maar op!”[1] Door toe te treden tot de regering kunnen nieuwe partijen direct invloed uitoefenen op beleid. Er zijn echter goede redenen van uit de politicologische theorie om een onderzoek te richten op het indirecte effect van nieuwe politieke partijen. Een aantal voorname politicologen, zoals Downs, Daalder, Lijphart en Mair hebben voorgesteld dat nieuwe politieke partijen indirect effect kunnen hebben op het partijensysteem. Downs, bijvoorbeeld, stelde dat nieuwe partijen gevormd kunnen worden met het expliciete doel om de bestaande partijen te dwingen hun posities aan te passen. Hun hypothesen zijn echter nooit uitgebreid onderzocht. Dat is het doel van dit onderzoek.

Politieke partijen zijn conservatieve organisaties, die niet snel geneigd zijn om hun politieke posities te veranderen, behalve als ze zich daartoe voelen gedwongen vanuit electorale overwegingen. Iedere zetel die een nieuwe partij wint, is afkomstig van een bestaande partij. Dus zelfs als nieuwe partijen kleine oppositiepartijen blijven, kunnen ze invloed uit oefenen op de beleidsposities van bestaande partijen, en daarmee op het overheidsbeleid. Zo kunnen nieuwe partij invloedrijke actoren zijn – zij het indirect door hun invloed op bestaande partijen.

Maar nieuwe partijen kunnen niet alleen invloed uitoefenen door stemmen te winnen van bestaande partijen. In het parlement kunnen andere mechanismen een rol spelen. De besluitvorming in het parlement volgt vaak vaste paden: de aard van het politieke conflict staat vast, de conflictslijnen zijn getrokken, daarom staan de meerderheden ook al vast en dus ook de uitkomsten van besluitvorming. De geïnstitutionaliseerde, gestructureerde besluitvorming in het parlement kan nieuwe politieke partijen marginaliseren. Het is echter ook mogelijk dat nieuwe partijen deze mechanisme uitbuiten en een grote invloed kunnen hebben op besluitvorming. Nieuwe politieke partijen kunnen een externe schok zijn die de geïnstitutionaliseerde parlementaire besluitvorming ontregelen. Zo kunnen ze nieuwe onderwerpen op de parlementaire agenda zetten en de aard van het politieke conflict veranderen.

Volgens Mair hebben nieuwe partijen een bijzondere rol in politieke competitie. Mair dat de politieke competitie tussen nieuwe en bestaande partijen even belangrijk is als de competitie tussen bestaande partijen. Bestaande partijen hebben er belang bij om de bestaande conflictslijnen in stand te houden: de bestaande linkse en rechtse partijen ontlenen hun posities in het partijenstelsel en hun legitimiteit aan deze conflictslijn. Nieuwe partijen hebben er belang bij om nieuwe conflictslijnen te introduceren en daarmee het politieke conflict te herdefiniëren. Dit betekent echter ook dat bestaande partijen er een bijzonder belang bij hebben om nieuwe partijen op te nemen in politieke bondgenootschappen. Mair en Bale stellen dat de coöptatie van nieuwe partijen in linkse of rechtse politieke allianties de bestaande links-rechts-dimensie versterken. Hierdoor zou het aantal dimensies in het politieke systeem zelfs kunnen verminderen.

Nieuwe politieke partijen kunnen dus politieke verandering teweeg brengen. Het onderzoek in dit veld is beperkt, zo stelde Harmel. Sindsdien zijn er een aantal studies naar het effect van nieuwe partijen geweest. Norris noemt de case-study van Harmel and Svåsand het meest systematische onderzoek. Er zijn een aantal studies gepubliceerd daarna maar deze richten zich op specifieke nieuwe partijen of specifieke partijfamilies.[2] Dit onderzoek is uniek omdat het zich richt op alle nieuwe partijen, die een parlement binnen treden.

Dit onderzoek probeert een antwoord te geven op de vraag in welke mate en onder welke voorwaarden nieuwe partijen invloed uitoefenen op bestaande partijen en partijsystemen. Dit onderzoek kijkt naar alle reacties van bestaande partijen, zowel in termen van aandacht voor onderwerpen als de positie op die onderwerpen. Het richt zich zowel op de parlementaire arena, als op de electorale arena. Ten slotte, kijkt het zowel naar het effect van nieuwe partijen op bestaande partijen en op het partijenstelsel.

Dit onderzoek richt zich op de reacties van alle bestaande partijen op alle nieuwe partijen in één land, Nederland, sinds 1946. De reden om een enkel land te onderzoeken is dat op deze manier eigenschappen van het politieke stelsel die invloed kunnen hebben op de mate nieuwe partijen invloed kunnen hebben op bestaande partijen, constant worden gehouden. Omdat Nederland zo’n open politieke systeem heeft, zeker in termen van het kiesstelsel is er een groot aantal nieuwe en bestaande partijen om te onderzoeken. Nieuwe partijen zijn in dit onderzoek gedefinieerd als organisaties die verkozen vertegenwoordigers in het parlement hebben voor de eerste keer en niet gevormd zijn als een transformatie van een bestaande partij of als een fusie van twee bestaande partijen. Dit onderzoek richt zich op de invloed van negentien nieuwe partijen op gemiddeld negen bestaande partijen. De uitkomsten van dit onderzoek hebben ook betekenis buiten de grenzen van Nederland. Nederland is geselecteerd als een meest waarschijnlijke casus om effecten te zien van nieuwe partijen. Met het grote aantal en zeer diverse aanbod van nieuwe partijen is het waarschijnlijk dat als nieuwe partijen invloed hebben op bestaande partijen, men dat hier kan zien. Als er geen effect van nieuwe partijen wordt waargenomen in Nederland, dan is het onwaarschijnlijk dat dit buiten Nederland wel gevonden kan worden.

De belangrijkste uitkomst van dit onderzoek is dat er een groot verschil is tussen de parlementaire en de electorale arena. Terwijl in de parlementaire arena de binnenkomst van een nieuwe partij over het algemeen leidt tot een reactie van de bestaande partijen, is dit minder duidelijk voor de electorale arena. Waar het gaat om aandacht voor onderwerpen kan er een directe vergelijking gemaakt worden tussen beide arena’s. In de parlementaire arena leidt de aanwezigheid van een nieuwe partij tot een verandering van de aandacht voor het onderwerp van die partij. In de electorale arena gaat dit niet op: er kan wel voor sommige nieuwe partijen een effect gevonden worden voor sommige bestaande partijen. Het verschil in de reacties tussen deze twee arena’s heeft te maken met de aard van deze twee arena’s. In de parlementaire arena is er een parlementaire agenda waar bestaande partijen zich aan moeten houden, terwijl in de electorale arena bestaande partijen er belang bij hebben om zich te richten op hun eigen onderwerpen.

De aard van de politieke arena heeft effect op de manier waarop bestaande partijen reageren op nieuwe partijen. De parlementaire agenda is een bijzonder politiek construct: aan de ene kant, geven politieke partijen zelf vorm aan de parlamentaire agenda door hun eigen initiatieven. Aan de andere kant beperkt de parlementaire agenda waar nieuwe partijen over kunnen spreken. Door de parlementaire agenda te veranderen, kunnen nieuwe partijen de activiteiten van individuele partijen beïnvloeden. Door bijvoorbeeld zelf actief te zijn op het eigen onderwerp, kunnen nieuwe partijen de definitie van het politieke conflict beïnvloeden. Om controle te houden over de definitie van het conflict op dat onderwerp, moeten bestaande partijen zelf actief worden op dat onderwerpen. Door zich zelf los te maken van de parlementaire agenda kunnen nieuwe partijen de parlementaire agenda beïnvloeden.

In de parlementaire arena hebben de eigenschappen van nieuwe partijen een effect hebben op de reacties van bestaande partijen: sterker georganiseerde nieuwe partijen, nieuwe partij die meer zetels hebben gehaald en nieuwe partijen die meer aandacht besteden aan hun eigen onderwerpen, veroorzaken meer reacties dan nieuwe partijen die slechter zijn georganiseerd, kleiner zijn en minder aandacht besteden aan hun eigen onderwerpen. Ook kan er een onderscheid gemaakt worden tussen mobiliserende en uitdagende nieuwe partijen. Mobiliserende nieuwe partijen proberen een nieuw onderwerp op de agenda te brengen, terwijl uitdagende nieuwe partijen een bestaande partij uitdagen op zijn eigen onderwerp. Dit onderzoek laat zien dat mobiliserende nieuwe partijen inderdaad nieuwe onderwerpen op de agenda zetten: er is meer aandacht voor die onderwerpen en er wordt vaker verdeeld overgestemd over deze onderwerpen. Voor uitdagende partijen is er geen verandering in aandacht zichtbaar. Noch is het zo dat de partijen die ze uitdagen van positie veranderen. Wel is het zo dat grote partijen aan de overkant van het politieke spectrum een extremere positie innemen. Dit kan begrepen worden vanuit het strategisch perspectief van Meguid: deze grote partijen proberen de uitgedaagde partij in het nauw te brengen door het conflict aan te gaan met diens uitdager.

Waar het gaat om de posities van bestaande partijen op vraagstukken, zien we dat de binnenkomst een nieuwe partij in de parlementaire arena samenhangt met de polarisatie van eerder nog niet-gepolariseerde vraagstukken en het versterken van het politieke conflict op dat onderwerp. Nieuwe partijen creëren geen nieuwe conflicten, maar brengen nieuw leven in bestaande conflicten.

Er is geen bewijs dat de aanwezigheid van nieuwe partijen per se ertoe doet voor de aandacht die nieuwe partijen besteden aan onderwerpen in hun verkiezingsprogramma’s na hun binnenkomst. Voor zo ver we betekenisvolle patronen vinden, lijken bestaande partijen nieuwe partijen sterker te anticiperen, dan dat ze op nieuwe partijen reageren na hun binnenkomst. Zowel voor aandacht als voor posities geldt dat er meer betekenisvolle relaties gevonden zijn voor anticiperend gedrag dan voor reactief gedrag. Bij het schrijven van verkiezingsprogramma’s zijn nieuwe partijen niet zo zeer bezig met het winnen van de laatste slag, maar -onder specifieke voorwaarden- zijn nieuw partijen zeer bewust van het conflict dat ze die verkiezingen aan zullen gaan. Bestaande politieke partijen zijn conservatieve organisaties die alleen op hun omgeving reageren als ze verkiezingen hebben verloren: Als bestaande partijen de verkiezingen hebben verloren hebben ze een reden om op hun omgeving te reageren. Het meest consistente patroon dat is gevonden in de electorale arena is dat nieuwe partijen het sterkst reageren en anticiperen op nieuwe partijen, als ze de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Dit geldt zowel voor aandacht als voor positie.

Het effect van nieuwe partijen op het partijsysteem is onderzocht in het parlement, waar op het niveau van de individuele partij de sterkste reacties zijn waargenomen. Als nieuwe partijen effect zouden hebben op de conflictslijnen dan is het hier. Voor zo ver als veranderingen van conflictslijnen teruggebracht kunnen worden naar nieuwe partijen, duidt de data erop dat nieuwe partijen geassocieerd worden met het verminderen van de dimensionaliteit van partijsystemen. Dit is in tegenstelling met de verwachtingen die op basis van het werk van Mair, Schattschneider en Pellikaan et al. geformuleerd zijn. Dit kan verklaard worden door twee mechanismen: op de onderwerpen die nieuwe partijen introduceren, volgen partijposities de links-rechts-dimensie; en omdat nieuwe partijen worden gecoöpteerd in linkse of rechtse bondgenootschappen wordt de links-rechts-dimensie versterkt. Dit laatste is eerder voorgesteld door Mair en Bale: de integratie van nieuwe partijen in linkse en rechtse allianties versterkt de bimodale competitie. Dat de bestaande politieke partijen zo succesvol zijn geweest in het uitschakelen van nieuwe politieke partijen, versterkt het belang van het conflict dat Mair heeft beschreven: in het conflict tussen zij die een belang hebben bij het in stand houden van de bestaande conflictslijn, en zij die de bestaande conflictslijn willen vervangen door een nieuwe conflictslijn, heeft de eerste groep vrij consistent gewonnen.

Dit onderzoek toetst de bestaande theorieën over het effect van nieuwe partijen en de ambities die nieuwe partijen zelf hebben uitgesproken in een enkele casus. De uitkomsten van het onderzoek moeten daarom voorzichtig geïnterpreteerd worden worden: specifieke nieuwe partijen hebben effect op specifeke bestaande partijen. Over het algemeen, is het effect van nieuwe partijen afhankelijk van de politieke arena. Het is de vraag of de resultaten van dit onderzoek relevantie hebben buiten de grenzen van de Nederlandse casus. Nederland is geselecteerd als een meest waarschijnlijk casus. Als nieuwe partijen effect hebben, dan is het hier. Positieve resultaten betekenen niet dat de mechanismen en patronen die gevonden zijn noodzakelijkerwijs in andere landen voorkomen. In meer gesloten systemen, kunnen er nog steeds mechanismen zijn die ervoor zorgen dat bestaande partijen geen rekening hoeven te houden met nieuwe partijen. De negatieve resultaten van dit onderzoek zijn daarom des te betekenisvoller: als zelfs in Nederland, met een open kiestelsel de aanwezigheid van nieuwe partijen in de electorale arena niet leidt tot reacties van bestaande partijen, is het niet waarschijnlijk dat dit in andere landen wel zo is. Noch is het waarschijnlijk dat de binnenkomst van nieuwe partijen in deze systemen zal leiden tot nieuwe conflictslijnen. Ook hier zullen de nieuwe conflictslijnen zwak blijven of geïntegreerd worden in de bestaande links-rechts-tegenstelling. Het is de vraag of Nederland een meest waarschijnlijke casus is: door de openheid van het politieke systeem kunnen bestaande partijen geïmmuniseerd zijn voor nieuwe partijen. Terwijl in andere systemen de binnenkomst van een nieuwe partij een schok voor het systeem is, hoort het in Nederland bij een verkiezing dat in de marge van het systeem een nieuwe partij ontstaat. Bestaande partijen kijken daar niet meer van op. Alleen als nieuwe partijen door hun eigen activiteit de parlementaire agenda beïnvloeden, dan moeten bestaande partijen wel reageren. Daarnaast kan de openheid van de kabinetsformatie, waar een aantal nieuwe partijen al snel bij betrokken raakten, het vermogen van nieuwe partijen om in het parlement nieuwe conflictslijnen te introduceren ernstig belemmeren. Dit onderzoek in dit ene land vormt geen finale ontkrachting van de Schattschneider-Mair thesis, maar het vormt wel een ondersteuning van de Mair-Bale thesis.



[1] Pels, D. (2009) Mei 6 “Pim Leeft! Zeven jaar na de moord op Pim Fortuyn” De Groene Amsterdammer

[2] Er is mij maar een onderzoek bekend dat naar nieuwe partijen in het algemeen kijkt. Het onderzoek van Huibregts (2006).

Links, Rechts en Het Huis van de Vrijheid

Het Huis van de Vrijheid, het nieuwe boek van Leidse filosoof Rutger Claassen is een van de meest moedige filosofische poging die ik ken: het uitwerken van een consistent politieke filosofie gebaseerd op autonomie, aan de hand van actuele casussen. Het is daarmee een filosofisch werk dat zich relevant maakt voor de politiek van vandaag. Ik wil in de komende blogs naar dit boek kijken.

Het Is filosofisch een fascinerend boek: boek bestaat uit vier delen. In het eerste deel werkt Claassen het idee van liberalisme uit. Hij laat zien dat liberalen uiteindelijk allemaal een ideaal van autonomie delen, maar dat zij zijn verdeeld over linkse en rechtse liberalen. In de overige drie delen werkt hij onderwerpen uit vanuit liberaal perspectief die zich niet per se verhouden tot die links/rechts tegenstelling: de rol van de overheid in het beperken vrijheid vanwege schade (aan jezelf of anderen), de rol van de overheid in de economie en vraagstukken rond identiteit immigratie en integratie.

Links en Rechts als Filosofische Begrippen

Claassen stelt dat liberalen allemaal een ideaal van autonomie delen (mensen moeten zelf vorm kunnen geven aan hun eigen leven). Ze zijn echter verdeeld over een ander vraagstuk. Rechtse liberale filosofen geloven sterk in individuele verantwoordelijkheid. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen succes en voor hun eigen falen. Linkse liberalen denken dat talenten ongelijk verdeeld zijn: het inkomen dat ik verdien wordt gedeeltelijk bepaald door mijn intelligentie. Dat is aangeboren. Daar ben ik verantwoordelijk voor en heb ik dus geen recht op. Maar het tegenovergestelde geldt ook: als ik misdaden pleeg, ben ik daar in rechts liberaal perspectief zelf verantwoordelijk voor en moet ik dus de straf dragen. Volgens linkse liberalen ben ik geneigd misdaden te plegen door dingen waar ik zelf niet verantwoordelijk voor ben (slechte jeugd). En dus ben ik daar niet verantwoordelijk voor. Rechts staat voor individuele verantwoordelijkheid voor goede en slechte keuzes, links staat voor collectieve verantwoordelijkheid, omdat niet alles onze eigen keuze is. De andere onderwerpen vallen volgens Claassen daarbuiten: vraagstukken van nationale identiteit, economische groei en paternalisme vallen volgens hem buiten de links/rechts tegenstelling.

Links en Rechts als Politicologische Begrippen

Dit is in politicologisch opzicht een curieuze opinie. We weten dat links en rechts niet altijd hetzelfde betekent hebben: in Nederland betekende links en rechts aan het eind van de negentiende eeuw seculier en religieus. Links was seculier en rechts was religieus. Claassen heeft wel oog voor deze tegenstelling maar noemt dit filosofieën die een autonomie-ideaal centraal stellen (mensen moeten zelf keuzes maken en de overheid moet zo neutraal mogelijk zijn) en filosofieën die een welzijnideaal centraal stellen (de overheid weet wat het goede leven is en moet dit uitdragen). Sinds de Tweede Wereldoorlog betekent links in de eerste plaats voorstander van overheidsingrijpen in de economie en rechts de overheid grijpt niet in. Dit volgt de tegenstelling die Claassen links en rechts noemt. Vanaf de jaren ’70 komt daar de discussie over economische groei bij. Rechts kiest steeds voor economische groei en links voor andere maatschappelijke waarden zoals een ecologische balans en een balans tussen werk en zorg. Na 2002 komen tegenstelling rond immigratie, integratie en identiteit prominent op de politieke agenda. Links betekent hier erkent een multiculturele realiteit en rechts streeft naar een monoculturele samenleving. Links en rechts zijn dus in voortdurende ontwikkeling. Claassen stelt een links/rechts-tegenstelling centraal die in het huidige publieke debat steeds minder prominent wordt: als we kijken naar de posities van kiezers dan is hun positie op culturele vraagstukken steeds belangrijker voor hun positie op de links/rechts-as dan hun positie op economische vraagstukken.

Het interessante is dat als we kijken naar de meningen van kiezers al deze links-rechts assen niet samen vallen: de meeste kiezers zijn voor herverdeling (‘links’) maar ook voor een sterke overheid die optreedt tegen criminaliteit (‘rechts’). Volgens de filosoof Claassen zijn kiezers hier dan niet consequent op zijn. Links en rechts zijn in zijn analyse zulke heldere begrippen, als dit niet de lijnen van competitie zijn hebben kiezers dat schijnbaar verkeerd begrepen.

Ik denk niet dat dit terecht is. Als we het perspectief een klein beetje kantelen dan wordt het volgens mij duidelijk dat je best voor overheid kan zijn die hard optreedt tegen criminaliteit en armoede. Je kan de overheid zien als het schild van de zwakkeren, tegenover de sterkeren. Als een oud omaatje bestolen wordt op straat door een potige crimineel, dan lijkt het mij duidelijk wie de zwakkere en wie de sterkere partij is. Criminelen kiezen vaak de zwaksten in de maatschappij uit: het is gemakkelijker om te stelen van een vrouw of een bejaarde dan van een man en een jongeren. Als je als centrale principe neemt: de overheid moet de zwakkeren beschermen, dan moet de overheid optreden tegen criminelen om zo de slachtoffers te beschermen. Maar laten we nu eens kijken naar de arbeidsmarkt: wie is hier de zwakke en sterke partij? In de arbeidsmarkt zijn er verhoudingsgewijs veel minder bedrijven die om arbeid vragen, dan dat er aanbieders van arbeid zijn. De enkele grote bedrijven hebben ten opzichte van velen werkzoekende een monopoliepositie. Daarnaast hebben zij een hele afdelingspersoneelszaken die arbeidscontracten opstelt en loonschalen bepaalt. Een werkzoekende heeft niet de specialistische kennis om de nuances van het arbeidscontract te begrijpen. De overheid moet als schild van de zwakkeren optreden om de werkzoekende te beschermen tegen de mogelijke uitbuiting door de werkgever. De overheid moet er dus voor zorgen dat lonen eerlijk zijn en contracten niet alleen begrijpelijk zijn maar ook gebonden aan arbeidswetgeving die er voor zorgt dat een werkzoekende zich geen zorgen hoeft te maken over uitbuiting: het is altijd min-of-meer eerlijk geregeld. En als schild van de zwakkeren kan de overheid ook meer belasting vragen van de sterkste om zo regelingen in stand te houden waar zwakkeren voordeel van hebben: een klassiek sociaal-democratisch principe is de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.

In dit perspectief is overheidsingrijpen in de markt ten opzichte van bedrijven en in de samenleving ten opzichte van criminelen gerechtvaardigd omdat er een zwakkere partij en is een sterkere partij. De overheid moet als schild van de zwakkeren het opnemen voor de zwakkere partij. Het kan dus best consistent zijn om ‘rechts’ te staan om veiligheid en ‘links’ op sociaal-economische onderwerpen.

Links en rechts zijn flexibele begrippen die over tijd en tussen groepen sterk kunnen verschillen in betekenis. Voor filosofen zijn dit soort termen in gewikkeld. Ze proberen ze te vangen in definities, maar als wetenschapper weet ik maar al te goed dat de politieke werkelijkheid veel complexer is dan de definities van de filosoof toe laten.

Mood Board: Simon Otjes in 2011

Gisteren was ik bij een interessante training georganiseerd door GroenLinks Leiden en Manu Busschots (van Manu Vooru) over jezelf presenteren. Als voorbereiding moest je een mood board maken waarmee je een beeld gaf van wie je bent. Een mooi beeld van mijzelf nu ik net 27 ben geworden.
De basis van het beeld is de sky line van New York vanuit Central Park. Aan de meest linkerkant zie je een aantal dingen die te maken hebben met filosofie. Een grote stapel van filosofische boeken. Daarnaast staat het vrijheidsbeeld (ook uit New York) en een beeld van Marx (uit Berlijn). Filosofisch sta ik een vrijheidslievende linkse traditie. Dat betekent dat ik schatplichting ben aan de Amerikaanse liberale traditie en de Europese socialistische traditie.

In het midden staan een aantal dingen die te maken hebben met een politieke interesse. De grote poster van GroenLinks, de partij waar ik nu het bijzonder geluk voor heb om te mogen werken. De PSP-poster staat voor mijn interesse in politieke en partijgeschiedenis. The United States House of Congress voor mijn interesse in vergelijkende en parlementaire politiek. Het Europese vlaggetje voor Europese politiek.

Aan de rechterkant staat het academiegebouw van de Universiteit Leiden. Ik heb de laatste drie jaar aan een proefschrift gewerkt dat ik hoop daar volgend jaar te mogen verdedigen. Boven het academiegebouw staat een Mac: veel van mijn wetenschappelijk werk speelt zich af op een computer. Gelukkig is dat vaak een mac.

In de skyline zijn nog drie andere dingen te zien waar ik me mee bezig hou. Het kleine windmolentje staat voor het zelf verantwoordelijk nemen voor mijn groene idealen door iedere dag na te denken over de keuzes die je maakt voor eerste levensbehoeften als eten en energie. Het kleine ruimtescheepje (de USS Defiant uit Star Trek Deep Space Nine) staat voor mijn interesse in science fiction. De andere gebouwen uit de New Yorkse sky line voor mijn fascinatie voor architectuur, industrial design en moderne kunst.

De skyline van New York is niet willekeurig gekozen. Ik was hier een jaar geleden op huwelijksreis met mijn man. We wilden graag naar New York omdat dit een echte wereldstad is. Een stad die altijd leeft, nooit slaapt, waar altijd wat gebeurt. Zo is mijn leven ook: ik kan niet stoppen met nadenken, nieuwe dingen beginnen, lezen en schrijven. Gelukkig is er New York Central Park, een prachtig rustpunt in die levendige stad. Tijdens ons verblijf in New York lagen we graag in het gras Central Park. En zo voelt mijn relatie met mijn man ook. Een rustpunt in mijn altijd hectische leven.

Nobelprijswinnaar? Reken maar!

Zaterdagochtend stond er een interessant stuk in de wetenschapsbijlage van de Volkskrant: wat voor’n mensen winnnen er wel of geen Nobelprijs. In het stuk zat een veelgemaakte wiskundige redeneringsfout, die te maken heeft met voorwaardelijke kansen en rekenen met ordes van grootte.

De centrale vraag van het stuk was wanneer je wel of geen Nobelprijs wint: het stuk stelde dat als je vrouw, niet-Amerikaans, Afrikaans, jong, zwart, getrouwd met een Nobelprijswinnaar, al eerder winnaar of ondergeschikt was je geen Nobelprijs (meer) zou winnen. Sommige van deze kenmerken zijn inderdaad gekoppeld aan een veel kleinere kans om een Nobelprijs te winnen. Maar voor anderen geldt het tegenovergestelde.

Er zijn 826 Nobelprijswinnaars geweest sinds 1901. Het is voor het rekenen gemakkelijk om dit uit te drukken in een orde van grootte. Laten we dus zeggen dat er 1000 Nobelprijswinnaars zijn geweest daarmee bedoel ik dat dit aantal veel groter dan 100 is en veel kleiner dan 10,000. Sinds 1901 zijn er orde van grootte 10 miljard mensen op de wereld. Er waren ongeveer 2 miljard mensen in 1900 en nu zijn dat er 7 miljard. Misschien er zijn we 14-15 miljard mensen geweest, maar we kunnen gewoon rekenen met de orde van grootte van 10 miljard.

De redenering bij het eerste kenmerk geslacht is correct: 50% van de wereldbevolking is vrouw en 5% van de Nobelprijslaureaten. Vrouwen zijn dus sterk ondervertegenwoordigd tussen de laureaten.

De redenering bij nationaliteit is al wat ingewikkelder. Er zijn 244 Nobelprijswinnaars in Amerika geboren. Dat is ongeveer 30% van de laureaten. Ongeveer 3% van de wereldbevolking woont in de VS. Dat is dus een grote oververtegenwoordiging; 10 keer zoveel Amerikanen wonnen de Nobelprijs dan je zou verwachten als ze proportioneel naar bevolking werden uitgedeeld. Maar andere landen zijn even sterk oververtegenwoordigd: 2% van de laureaten is Nederlander, tegenover zo’n 0.2% van de wereldbevolking. Dat betekent dat overtegenwoordiging van Nederlanders van dezelfde orde van grootte is als de oververtegenwoordiging van Amerikanen.

Een bovenmatig veel voorkomend achtergrondskenmerk van Nobelprijswinnaars is over hoofd gezien: 20% van de Nobelprijswinnaars is Joods en maar 0.2% van de wereldbevolking. De oververtegenwoordiging van Joden is een orde van grootte groter, dan de oververtegenwoordiging van Amerikanen of Nederlanders.

De grote redeneerfout zit bij de mensen die getrouwd zijn met Nobelprijswinnaars. De claim is dat als je trouwt met een Nobelprijswinnaar je minder kans hebt om te winnen. Acht Nobelprijswinnaars zijn getrouwd met een andere Nobelprijswinnaar. Dat is in beide gevallen orde van grootte een op de honderd. Van de rest van de wereldbevolking (orde van grootte 10 miljard) is, zelfs als we het heel grof rekenen, orde van grootte 1000 mensen getrouwd met een Nobelprijswinnaar. Een op de 10 miljoen. Mensen die met een Nobelprijswinnaar getrouwd zijn, zijn dus sterk oververtegenwoordigd op de lijst. Precies dezelfde redenering geldt voor de vier dubbele winnaars. Tussen de twee verhoudingen zitten enkele orde van grootten: 1:100 versus 1:10,000,000.

Met medewerking van Erik Woldhuis.