Bestaat er zo iets als momentum in de Nederlandse politiek?

In de Amerikaanse primary verkiezingen hoor je er vaak over: momentum. “The Big Mo”. Als een kandidaat in een vroege voorverkiezingsstaat als Iowa of New Hampshire wint dan zal hij het in volgende voorverkiezingen ook goed doen. Sterker nog hij zal het beter doen.

Bestaat er zo iets als momentum in de Nederlandse politiek? Dat is kan er een politieke dynamiek ontstaan waarbij een partij die een verkiezing wint en daarna het nog beter doet bij de volgende verkiezingen?

In Nederland vinden recent regelmatig gemeenteraads- en Tweede Kamerverkiezingen plaats in het zelfde jaar: namelijk in 1994, 1998, 2002, 2006 en 2010. De gemeenteraadsverkiezingen voortdurend in maart en de Tweede Kamerverkiezingen bijna altijd in mei.[1] Is er een relatie tussen de uitslagen van die lokale en nationale verkiezingen? Dat is niet genoeg voor momentum: een partij moet sterker winnen bij de parlementsverkiezingen dan hij bij de voorgaande gemeentelijke verkiezingen heeft gedaan.

We rekenen hier met de verschuivingen van partijen bij gemeenteraads- en Tweede Kamerverkiezingen. We kijken naar landelijke partijen die de hele periode 1994-2010 meer dan 1% van de stemmen krijgen: SP, GL, D66, PvdA, CDA en VVD.[2]

Als we kijken naar de relatie tussen absolute verschuivingen bij de gemeenteraadsverkiezingen en de Tweede Kamerverkiezingen in hetzelfde jaar. Die relatie is in de juiste relatie, significant en sterk. De verandering bij de gemeenteraadsverkiezingen verklaart 51% van de verschuivingen bij Tweede Kamerverkiezingen. Dus de verschuiving in maart is een heel aardige voorspelling van de verschuiving in mei. Maar moet is er sprake van momentum, dan moet een partij meer winnen (of verliezen) in maart dan in mei. Statistisch gezien betekent dat de hellingshoek van de regressielijn hoger boven de 45 graden moet liggen. Als de hellingshoek 45 graden is dan is de uitslag in maart een op een de uitslag in mei. De hellingshoek, te zien, is 54 graden.

Dus dat is mooi. Momentum bestaat. Of niet? De gemiddelde, absolute verschuiving in stempercentage van een partij bij de gemeenteraadsverkiezingen is 2.5% (en het maximum is 7.8%, verloren door de PvdA in 2010). De gemiddelde, absolute verschuiving in stempercentage van een partij bij de Tweede Kamerverkiezingen is 5.3% (en het maximum is 13.9%, verloren door de PvdA in 2002). Verschuiving zijn gemiddeld dus groter bij gemeenteraadsverkiezingen dan bij Tweede Kamerverkiezingen. Volatiliteit in mei is groter dan mei. Hiervoor zijn een aantal verklaringen: ten eerste zijn de uitslagen van gemeenteraadsverkiezingen gemiddeld 30% lager dan Tweede Kamerverkiezingen omdat er lokale partijen mee doen. Lagere absolute uitslagen betekent lager, gemiddeld absoluut verlies.

Maar de grotere verschuivingen kunnen ook verklaard worden door het fenomeen momentum zelf.

Hoe dan ook. We kunnen hier rekening mee houden, want anders is het geen momentum dat we verklaren maar gewoon een structureel verschil in absolute verschuivingen bij verkiezingsuitslagen. Daarom maximeren we de uitslagen bij verkiezingen in de volgende analyse per verkiezing. De relatie is dan nog steeds sterk, significant en in de juiste richting. Het verklaart meer variantie (62%). Maar de hellingshoek is slechts 42 graden. Lager dan 45 graden. Dat betekent dat partijen, als we controleren voor het feit dat bij Tweede Kamerverkiezingen kiezers volatieler zijn dan bij gemeenteraadsverkiezingen, geen momentum opbouwen. Sterker nog: de verschuiving, rekeninghoudend met het bewegelijkere electoraat is bijna precies even groot in mei als deze is in maart.

Als we naar de absolute ontwikkelingen kijken, is er een zo danig sterke relatie tussen de uitslag van gemeenteraads- en Tweede Kamerverkiezingen, dat we kunnen spreken van momentum, een zelfversterkend effect. Maar als we controleren voor het feit dat verschuivingen groter zijn in maart dan in mei, dan verdwijnt de relatie. Maar … de grotere verschuivingen in mei kan verklaard worden door het fenomeen momentum zelf. Dus, is er zo iets als momentum, als je niet streng bent wel, maar als je heel streng bent niet.

tussen gemeenteraads- en Tweede Kamerverkiezingen lijkt er niet zo iets te zijn als momentum. De winst of verlies op het lokale niveau is een zeer aardige voorspeller van de winst of verlies op het landelijke niveau, maar het is niet zo dat er sprake is van een zelfversterkend effect.

[1] Behalve in 2006, namelijk, in november.

[2] De ChristenUnie, SGP, RPF en GPV rekenen we niet mee vanwege het fenomeen lokale Christelijke lijst, die wel kandidaten van deze partijen heeft maar niet specifiek aan een van deze kan worden toegeschreven. We kijken naar de relatie tussen uitslagen in de verkiezingsjaren en vier jaar daarvoor. Dat betekent met name dat we de verkiezingen van 2003 negeren.

 

 

Waar wonen de overgebleven GroenLinks-kiezers?

Waar werd het meest op GroenLinks gestemd bij de afgelopen verkiezingen? Een electoraal-geografische analyse.

Electorale geografie

In 2010 haalde GroenLinks meer dan 600.000 stemmen, in 2012 was dat net meer dan 200.000 stemmen. Is er een verschil tussen de kiezers die blijven en de kiezers die zijn vertrokken? Hier kijken we naar de spreiding van GroenLinks kiezers over Nederland: in welke gebieden wonen GroenLinks-stemmers? Waar verliest GroenLinks meer en waar minder? En met welke kiezersgroepen overlapt GroenLinks?

Electorale geografie is een ingewikkeld vakgebied: we kunnen zien in welke gemeenten partijen sterk staan en sterk blijven staan. Dit hoeven echter niet dezelfde kiezers te zijn: het is mogelijk dat alle kiezers van partij wisselen met hun buurman, dan blijft de uitslag hetzelfde, blijft de partij sterk in dezelfde gebieden maar is 100% van de kiezers gewisseld. Bovendien, als we vinden dat in zeg gemeenten met veel D66-kiezers mensen ook veel GroenLinks stemmen, hoeft niet te betekenen dat deze electoraten overlappen. Het kan, zeg, mogelijk zijn dat alle mannen D66 stemmen en alle vrouwen D66. Toch kunnen we zo inzicht krijgen in welke kiezers GroenLinks stemmen.

Concentratie

In 2010 konden we vaststellen dat GroenLinks 50% van haar stemmen ophaalde in 38 van de 416 Nederlandse gemeenten. GroenLinks kiezers zijn bijzonder geconcentreerd. Dit zijn onder anderen vier grootste gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) en universiteitssteden als Groningen, Leiden en Maastricht. In 2012 kreeg GroenLinks 50% van haar stemmen in slechts 30 gemeenten. De kiezers van GroenLinks die nog over zijn, zijn sterker geconcentreerd dan het electoraat uit 2010. De gemeenten die nu niet meer in de top staan, zijn Randstad slaapsteden als Zoetermeer, maar ook grote provincieplaatsen als Emmen.

Het GroenLinks electoraat is dus sterker geconcentreerd. Dit betekent dat GroenLinks meer zou verliezen in de gebieden waar ze al niet sterk was; en minder in de gebieden waar ze sterker stond. We kunnen deze hypothesen toetsen: wat is de relatie tussen de steun voor GroenLinks in 2010 en het relatieve verlies van GroenLinks in 2012? We zien dat hier een relatie tussen is. Deze relatie is niet bijzonder sterk, maar in Utrecht is het relatieve verlies minder groot dan in plaatsen waar GroenLinks heel zwak stond als Bunschoten.

Geconcentreerd en progressief

Wat kunnen we zeggen over de gemeenten waar GroenLinks sterk scoort: zijn deze meer links-liberaal of klassiek-socialistisch georiënteerd? Hiervoor gebruiken we een ruimtelijk model van stemgedrag: Gemeenten waar hetzelfde gestemd wordt, clusteren en partijen die in dezelfde gemeenten stemmen krijgen, clusteren. Er ontstaat dan een driehoek: in de eerste plaats zijn de SGP en CU sterk in een aantal kleinere gemeenten, daarnaast zien we een onderscheid tussen de grote steden waar een aantal progressieve partijen als GroenLinks, D66, de PvdD en de PvdA sterk staan, een een aantal kleinere provincieplaatsen waar conservatieve CDA, de VVD, de PVV en 50+ sterk staan. De SP neemt een middenpartij in tussen het progressieve blok en het conservatieve blok. GroenLinks staat extreem aan de progressieve kant van het model. Dit bevestigt dat GroenLinks geconcentreerd is een beperkt aantal gemeenten waar progressief gestemd wordt.

Komen deze patronen ook terug in de voorkeursstemmen? Is er samenhang tussen stemgedrag en regio? Wij kijken hiervoor naar de stemmen in de twintig kieskringen. Veel van de kandidaten scoren inderdaad goed in een bepaalde kieskring. In laatste figuur zijn een aantal patronen weergegeven. We zien hier dat er drie gebieden clusteren: in het Noorden krijgen bepaalde (namelijk noordelijke kandidaten) meer stemmen. In het Zuiden (en dan met name in Limburg) krijgen andere kandidaten meer stemmen. De rest van de kieskringen clustert samen. Met name Amsterdam en Rotterdam vallen hier op: in het Westen scoren de rest van de kandidaten goed. Overigens is deze analyse gecorrigeerd omdat er een gebied is waar één kandidaat bijzonder goed scoort: de Zeeuwse kandidaat in Zeeland. Echter Zeeland legt voor GroenLinks weinig gewicht in de schaal.

Kortom

Het GroenLinks-electoraat is sterk geconcentreerd in de grote steden van Nederland, zowel in de Randstad, als in grote provincieplaatsen buiten de Randstad. Dit zijn plaatsen waar GroenLinks ook eerder al sterk stond. Ook de PvdA, D66 en de PvdD scoren sterk in deze gemeenten. Bij de voorkeursstemmen zien we echter een veel sterker onderscheid tussen de Randstad, het Noorden en het Zuiden die in de andere patronen in het stemgedrag niet evident zijn.

GroenLinks is geen Randstadpartij. GroenLinks staat sterk in de Randstad, maar ook in universiteitssteden in het zuiden en het noorden van Nederland. Het is verstandig hier rekening mee te houden in verkiezingstijd. Verkiezingscampagnes ‘op de grond’ gaan over het mobiliseren van de eigen kiezer en het overtuigen van twijfelaars. De GroenLinks-kiezer is sterk geconcentreerd. In 30 gemeentes halen we nu 50% van de stemmen. Het is goed dat er kandidaten op de lijst staan die niet in Den Haag, Amsterdam of Utrecht wonen. Zoek dus gericht naar regiokandidaten die aansluiten bij gemeenten en gebieden waar je sterk staat. Kiezers in het noorden en het zuiden willen immers graag een kandidaat uit de omgeving. Een lijstduwer uit Groningen stad of Den Bosch – gebieden waar GroenLinks sterk staat – past dus beter dan een lijstduwer uit Zeeland.

Nobelprijswinnaar? Reken maar!

Zaterdagochtend stond er een interessant stuk in de wetenschapsbijlage van de Volkskrant: wat voor’n mensen winnnen er wel of geen Nobelprijs. In het stuk zat een veelgemaakte wiskundige redeneringsfout, die te maken heeft met voorwaardelijke kansen en rekenen met ordes van grootte.

De centrale vraag van het stuk was wanneer je wel of geen Nobelprijs wint: het stuk stelde dat als je vrouw, niet-Amerikaans, Afrikaans, jong, zwart, getrouwd met een Nobelprijswinnaar, al eerder winnaar of ondergeschikt was je geen Nobelprijs (meer) zou winnen. Sommige van deze kenmerken zijn inderdaad gekoppeld aan een veel kleinere kans om een Nobelprijs te winnen. Maar voor anderen geldt het tegenovergestelde.

Er zijn 826 Nobelprijswinnaars geweest sinds 1901. Het is voor het rekenen gemakkelijk om dit uit te drukken in een orde van grootte. Laten we dus zeggen dat er 1000 Nobelprijswinnaars zijn geweest daarmee bedoel ik dat dit aantal veel groter dan 100 is en veel kleiner dan 10,000. Sinds 1901 zijn er orde van grootte 10 miljard mensen op de wereld. Er waren ongeveer 2 miljard mensen in 1900 en nu zijn dat er 7 miljard. Misschien er zijn we 14-15 miljard mensen geweest, maar we kunnen gewoon rekenen met de orde van grootte van 10 miljard.

De redenering bij het eerste kenmerk geslacht is correct: 50% van de wereldbevolking is vrouw en 5% van de Nobelprijslaureaten. Vrouwen zijn dus sterk ondervertegenwoordigd tussen de laureaten.

De redenering bij nationaliteit is al wat ingewikkelder. Er zijn 244 Nobelprijswinnaars in Amerika geboren. Dat is ongeveer 30% van de laureaten. Ongeveer 3% van de wereldbevolking woont in de VS. Dat is dus een grote oververtegenwoordiging; 10 keer zoveel Amerikanen wonnen de Nobelprijs dan je zou verwachten als ze proportioneel naar bevolking werden uitgedeeld. Maar andere landen zijn even sterk oververtegenwoordigd: 2% van de laureaten is Nederlander, tegenover zo’n 0.2% van de wereldbevolking. Dat betekent dat overtegenwoordiging van Nederlanders van dezelfde orde van grootte is als de oververtegenwoordiging van Amerikanen.

Een bovenmatig veel voorkomend achtergrondskenmerk van Nobelprijswinnaars is over hoofd gezien: 20% van de Nobelprijswinnaars is Joods en maar 0.2% van de wereldbevolking. De oververtegenwoordiging van Joden is een orde van grootte groter, dan de oververtegenwoordiging van Amerikanen of Nederlanders.

De grote redeneerfout zit bij de mensen die getrouwd zijn met Nobelprijswinnaars. De claim is dat als je trouwt met een Nobelprijswinnaar je minder kans hebt om te winnen. Acht Nobelprijswinnaars zijn getrouwd met een andere Nobelprijswinnaar. Dat is in beide gevallen orde van grootte een op de honderd. Van de rest van de wereldbevolking (orde van grootte 10 miljard) is, zelfs als we het heel grof rekenen, orde van grootte 1000 mensen getrouwd met een Nobelprijswinnaar. Een op de 10 miljoen. Mensen die met een Nobelprijswinnaar getrouwd zijn, zijn dus sterk oververtegenwoordigd op de lijst. Precies dezelfde redenering geldt voor de vier dubbele winnaars. Tussen de twee verhoudingen zitten enkele orde van grootten: 1:100 versus 1:10,000,000.

Met medewerking van Erik Woldhuis.