Wilders moet tot zeven tellen

Gisteren bezocht Marine Le Pen Geert Wilders in Den Haag. Ze kwamen bij elkaar om te werken aan een Europese beweging die een vuist moest maken tegen Brussel.

Naast het Front National, is Wilders langs geweest bij het Vlaams Belang, die al langer goede contacten onderhoudt met zowel de FN als de PVV. Eerder bezocht Widers Heinz-Christian Strache van de Freiheitliche Partei Österreichs en Robert Maroni van de Italiaanse Lega Nord. Deze rechts-populistische partijen hebben allebei al eerder geregeerd. Het meest opvallende bezoek tot nu toe was dat aan Jimmie Åkesson van de Sverigedemokraterna. Deze partij heeft namelijk tot midden jaren ’90 banden gehad met nazistische organisaties.

Dit lijkt een veel belovend begin van een extreem-rechtse fractie in het Europees Parlement. Er is alleen één probleem: de regels van het Europees Parlement vereisen dat een fractie bestaat uit ten ten minste vijfentwintig leden uit ten minste zeven deelstaten.

Dat eerste is waarschijnlijk geen probleem: Het Front National zou volgens de laatste peilingen misschien wel 24% van de Franse stemmen halen voor het Europees Parlement. Dat betekent ongeveer 18 zetels. Tel daarbij de zetels op van Wilders op: die volgens de laatste landelijke peilingen genoeg stemmen zou halen voor vijf zetels. De FPÖ laatste landelijke uitslag vorige maand zou doorvertaald vier zetels opleveren. Het Vlaams Belang heeft het wat lastiger maar hun 7% in de laatste landelijke peilingen levert één zetel op. De 4% die de Lega Nord in peilingen haalt is goed voor drie zetels. De SD halen ongeveer 9% in de laatste landelijke peilingen: genoeg voor twee zetels. Samen is dat 33 zetels.

Het probleem zit hem in de zevende partij. Niet dat er niet genoeg rechtse Euroskeptische partijen in Europa zijn, maar het is de vraag of zij met Wilders en Le Pen in een groep willen. Naast de groep van de PVV en FN zal er namelijk ten minste een andere groep op zoek zijn naar leden: de Europese Conservatieven en Hervormers rondom de Britse Conservatieve Partij. Deze Euroskeptische club moet ook uit zeven landen leden halen -dat haalde ze in 2009 ook, maar een aantal van die deelnemende partijen zal nu uit het EP verdwijnen. De ECR is voor veel partijen aantrekkelijker omdat deze groep bestaat uit gevestigde regeringspartijen. Welke mogelijkheden zijn er voor Le Pen en Wilders? Laten we eens kijken:

  • De Dansk Folkeparti is de meest waarschijnlijke zevende partij. De Denen zijn waarschijnlijk goed voor twee zetels. Deze partij is al jarenlang een voorbeeld voor de PVV maar ook voor de Sverigedemokraterna. De Nederlandse gedoogconstructie was ‘made in Denmark’. In het verleden speelde de PVV al eerder met ideeën over samenwerking met deze partij. Tegelijkertijd hebben de Denen wel afstand gehouden van radicaal-rechtse partijen: ze weigerden om hun Zweedse zusterpartij te steunen. Wil deze Deense partij zich definitief vestigen in het centrum van de politieke macht dan kan zij geen band met extreem-rechts hebben.
  • Dan zijn er de Perussuomalaiset, de Ware Finnen, die waarschijnlijk kunnen rekenen op 2 of 3 zetels. Deze populistische partij heeft in de laatste jaren sterk geprofiteerd van de weerstand in Finland tegen de steun aan de Griekse economie. Deze partij deelt echter de anti-Islam en anti-immigratiestandpunten van de PVV en FN niet.
  • De Duitse anti-Europartij Alternative für Deutschland stond bij de Duitse parlementsverkiezingen op de drempel van het Duitse parlement. Ook bij de Europese verkiezingen hanteert Duitsland een 5% kiesdrempel, maar die zou de AfD bij Europese verkiezingen nog best kunnen doorbreken. Het taboe op extreem-rechts is in Duitsland alleen zo groot dat ik het onwaarschijnlijk acht dat deze fractie zich bij een fractie aansluit die rechtser is dan de ECR.
  • Net als Duitsland heeft ook Griekenland een partij die ontstond door de Griekse begrotingscrisis. De rechtse anti-bezuinigingspartij, Ανεξάρτητοι Έλληνες, onafhankelijke Grieken. Het is lastig voor te stellen dat de PVV zou gaan samenwerken met een club die juist de Griekse belangen verdedigt.
  • De Britse UK Independence Party, die door gisteren door Wilders en Le Pen genoemd werden, profileert zich expliciet als een libertaire anti-racistische partij. Op basis van nationale peilingen zou de partij 8 zetels halen; dit kunnen er waarschijnlijk meer worden. Deze Euroskeptische club wil zich verre houden van alles wat rechts-extremistisch is. Immers willen zij in het Britse stelsel zetels winnen dan moeten ze een meerderheid in een district overtuigen. Een alliantie met extreem rechts zou kiezers kunnen afschrikken.
  • Groot-Brittannië biedt ook de British National Party. Deze partij was tot recent expliciet racistisch en beperkte het lidmaatschap van de partij tot ‘echte’ Britten. De vraag is of het voor de PVV en het Front National nodig is om zo ver rechts te gaan om twee zetels op te halen. Datzelfde geldt voor de expliciet antisemitische partij Jobbik uit Hongarije (waarschijnlijk 3 zetels) en Ataka uit Bulgarije (waarschijnlijk één zetel) en de Gouden Dageraad uit Griekenland (mogelijk twee zetels), waarvan leden verdacht worden van geweld met dodelijke afloop.

Het kan er net op hangen: een Euroskeptische fractie in het Europees Parlement. De meeste logische variant is FN-PVV-FPÖ-Vlaams Belang-Sverigedemokraterna-Lega Nord-Dansk Folkeparti. Maar als de Denen weigeren, dan zijn eigenlijk alleen de Waren Finnen een optie. Het zou nog wel eens kunnen dat ‘regeltjes van een miezerige Brusselse Eurocraat’ Wilders’ droom in de weg zit.

 

Waarom 50+ moet blijven bestaan

De Volkskrant het lijfblad van progressief Nederland heeft haar pijlen gericht op 50+. Eerst gaven ze uitgebreid de ruimte aan Yvonne Hofs om de inhoudelijke boodschap van 50+ te fileren: ouderen zijn niet arm en zielig. Vorige week richten ze zich op 50+-voorman Krol: zijn bedrijf zou geen pensioenpremie hebben afgedragen. Dat is op zijn minst hypocriet voor iemand die zich nu zo begaan toont met de oudere medeburgers. De partij maakt nu een scherpe val in de peilingen. Ik denk dat de race nog niet gelopen is: een politieke overlever als Jan Nagel zal zijn partij niet onderuit laten gaan.

In mijn omgeving van politiek geëngageerde linkse jongeren wordt er meewarig gekeken naar 50+. Zo’n belangen partij voor ouderen is overbodig. Volgens mij is dat alles behalve waar: 50+ speelt een cruciale rol in het verkrijgen van een linkse meerderheid.

Laten we uitgaan van twee simpele feiten: 50+ stemt mee met links en haalt stemmen bij rechts. Daarmee is 50+ een onmisbare schakel in een linkse meerderheidsstrategie.

Een linkse meerderheid zou het hoofdstreven moeten zijn van linkse politieke partijen. Bedenk maar wat een linkse meerderheid voor een verschil maakt voor asielkinderen die in Nederland geworteld zijn. Toen CDA-PVV-VVD 76 zetels hadden waren ze kansloos.

Het is een lastig spel om een linkse meerderheid te krijgen. Alhoewel de meest kiezers inhoudelijk wel links zijn op sociaaleconomische thema’s, identificeert maar een minderheid zich met de term links. De kern van links (PvdA, SP en GroenLinks) haalt in de laatste tien jaar zo’n 55 tot 65 zetels. Niet genoeg voor een meerderheid. Daar kunnen we een aantal centrumlinkse partijen bij optellen: D66, ChristenUnie, de Partij voor de Dieren en 50+. De beste manier om een linkse meerderheid te halen is door onafhankelijk van elkaar op te trekken. Wouter Bos had dat door: hij hield in 2006 een verbond met SP en GroenLinks af. Zijn argument: alleen halen we meer stemmen dan samen. In 2006 en 2012 haalden deze partijen zeven partijen een meerderheid.

Dat kwam omdat ze in verschillende electoraten konden inbreken. Gerrit Duits vergeleek het met een prijsvechter. Veel grote merken hebben een goedkoper zusterbedrijf: het goedkope automerk Skoda en het dure automerk Audi komen uit dezelfde stal (Volkswagen). Met verschillende merken kan een bedrijf verschillende marktsegmenten bespelen. Het zelfde geldt in de politiek. In 2006 haalde links een meerderheid omdat de SP scoorde onder ontevreden kiezers, die ook naar de PVV zouden kunnen gaan; de ChristenUnie inbrak op het CDA electoraat; en De Partij voor de Dieren apolitieke stemmers mobiliseerde die anders thuis waren gebleven. De meerderheid in 2012 is gerealiseerd omdat D66 stemmen in het midden wist te winnen, en kreeg 50+ grip kreeg op een groep ontevreden ouderen die daarvoor anders CDA of PVV gestemd hadden. Als er één Progressieve Volkspartij was geweest die zowel ontevreden ouderen als het hipster D66-electoraat had moeten aanspreken dan was dat nooit gelukt.

50+ is een cruciale schakel. Deze partij scoort goed onder kiezers die anders naar rechts zouden gaan. Concrete cijfers heb ik niet maar er zijn wel een aantal indicaties dat dit zo is.

figure 2 copyIn de figuur hieronder staat een analyse van stemgedrag in gemeenten uit 2012. Gemeenten waar dezelfde partijen sterk staan staan dichter bij elkaar (grijze cirkels). Partijen die in dezelfde gemeenten sterk staan staan ook dicht bij elkaar (zwarte cirkels). 50+ scoort goed in dezelfde gemeenten als VVD en PVV.  En niet in de gemeenten waar PvdA, PvdD en D66 scoorden.

Een zelfde beeld is te zien in de peilingen: in week 10 haalde 50+ haar beste score: 12% van de stemmen. De linkse en centrumlinkse partijen haalden een meerderheid van 57% van de stemmen in de peiling. In de huidige peilingen is daar nog 51% van over (-6%). 50+ is ondertussen teruggevallen naar 6% (-6%). Wat we hier in elk geval uit kunnen concluderen is dat linkse partijen niet geprofiteerd hebben van het leeglopen van 50+. Als we 50% buiten beschouwing laten zou links aan het begin van het jaar 44% van de stemmen hebben gehaald en nu 44%.

Deze gegevens duiden erop dat 50+ met name stemmen bij rechts weghaalt. Tegelijkertijd stemt ze in de Tweede Kamer mee als een linkse partij. De volgende figuur van Tom Louwerse (afkomstig van Stuk Rood Vlees) mooi zien.Untitled 50+ stemt mee met de linkse oppositie. Ze staat het dichtst bij GroenLinks en D66. Ze staat het verst af van de PVV. Dat komt omdat de partij ook niet mee stemt met weinig constructieve voorstellen: zoals de motie van wantrouwen van Wilders bij de Algemene Beschouwingen. 50+ toont zich een linkse, constructieve oppositiepartij met een eigen thema (pensioenen). De verschillen met GroenLinks zijn niet heel groot: dat is ook een linkse, constructieve oppositiepartij met een eigen thema (klimaat). GroenLinks-denker Dick Pels noemde het programma van 50+ de spreekbuis van het collectieve egoïsme en materialisme van verwende babyboomers.‘ En die partij staat nu in de Tweede Kamer het dichtst bij GroenLinks.

Ik ben daarom niet blij dat Nagel en de zijnen stemmen verliezen: ze halen stemmen weg bij de PVV en stemmen vervolgens ook op veiligheid, immigratie en integratie mee met GroenLinks. Dat Nagel uiteindelijk zijn principes boven electorale argumenten laat gaan weten we uit 2002, toen liet Nagel Fortuyn gaan omdat er tussen Fortuyn de partij een fundamenteel verschil van inzicht was over immigratie.

De 50+ die PVV, VVD en CDA-stemmers trekt en vervolgens stemt als GroenLinks in de Tweede Kamer is een progressieve politieke prijsvechter. Dat is zou een blijvende speler in de landelijke politiek moeten zijn. Ten minste als u net als ik droomt van een kabinet-Samsom I.

Een kat met negen levens. De politieke carrière van Jan Nagel.

Vanwege de val van Henk Krol en de voortdurende onrust in 50+ is hij weer in het nieuws: Jan Nagel. Nagel’s politieke carrière toont een uitzonderlijk overlevingsvermogen.

Jan Nagel komt uit de sociaaldemocratische politieke familie: hij was redacteur bij de ‘rode’ VARA en voorzitter van een NVV-bond voor omroeppersoneel. Hij bedacht het populaire programma De Rode Haan en daar bracht hij samen met Maurice de Hond de maandelijkse zetelpeiling naar de Nederlandse radio.

Nagel was tegelijkertijd actief in de PvdA: vanaf 1965 zat hij in het partijbestuur. Daar toonde hij al een dwarse en democratische inslag: hij sprak zich uit tegen de kabinetsdeelname van de PvdA aan het kabinet-Cals, omdat er geen nieuwe verkiezingen waren geweest. Hij verzette zich tegen het regenteske optreden van sociaaldemocratische voormannen van de vorige generatie. Hij sloot zich aan bij Nieuw Links. Nieuw Links was een verjongingsbeweging in de PvdA. Het was een generatiebeweging die een nieuwe generatie sociaaldemocraten aan de macht wil helpen. Een generatie die meer oog had voor democratische verhoudingen.

Nagel bleef tot 1977 lid van het partijbestuur.  In 1977 werd hij lid van de Eerste Kamer voor de PvdA. Hij bleef dat zes jaar. Hij stelde zich onafhankelijk op en stemde vaak met een minderheid van zijn fractie tegen wetsvoorstellen. Tegelijkertijd klom hij op in de VARA en schopte het tot hoofd radio en televisie. Bij de VARA richtte hij zich op de kloof tussen burger en politiek met het programma De Kloof. De relatie tussen Nagel en zijn collega’s bij de VARA was lastig: hij kwam in conflict met VARA-voorzitters André Kloos en Marcel van Dam.

Begin jaren ’90 was hij nog actief in de PvdA. Er was veel onvrede over de koers van de partij, die onder Kok een hardvochtig bezuinigingsbeleid voerde. Samen met oud-Nieuw Linkser André van der Louw zocht Nagel naar een manier om de achterban en de partijtop bij elkaar te brengen. De partijleiding zag dit als een coup.

In 1993 richtte Nagel Leefbaar Hilversum op. De partij boekt in de jaren ’90 grote successen en zo wordt Nagel het gezicht van een nieuwe politieke stroming die een grote onvrede in de maatschappij weet aan te spreken. Een stroming die zich verzette tegen de arrogantie van ambitieuze bestuurders, die geen oog hadden voor de leefbaarheid van de stad en met grote infrastructurele problemen slechts wilden bijdragen aan de prestige van de gemeente. Nagel moest wel er zijn PvdA-lidmaatschap voor inleveren. In 1998 had Leefbaar Hilversum één derde van de raadszetels in Hilversum. En kwam ze in het college, kortstondig want al binnen een half jaar ontstonden er conflicten binnen de coalitie. In 2001 wordt Nagel als nog wethouder voor Leefbaar Hilversum.

In 1999 bundelen deze lokale leefbaarheidspartijen zich in Leefbaar Nederland. Nagel werd voorzitter. De partij kwam eerst in een electorale stroomversnelling maar even later evenzeer in zwaar water als  Pim Fortuyn aantrad en aftrad als lijsttrekker. Het bestuur, geleid door Nagel, zette uiteindelijk Fortuyn de wacht aan vanwege zijn extreme uitspraken over de Islam.

Leefbaar Nederland koos crime fighter Fred Teeven tot lijsttrekker. In de verkiezingen werd Leefbaar Nederland overvleugelt door de LPF die dezelfde populistische retoriek koppelde aan een anti-Islam-sentiment. Leefbaar Nederland haalde twee zetels en ging vervolgens ten onder aan interne conflicten: de afwezigheid van een bindende leider, van een gedeelde ideologie of van een gemeenschappelijke partijcultuur brak de partij op.

Nagel, die raadslid in Hilversum bleef, laat zijn idee van een politieke partij die stem kan geven aan de onvrede van mensen, niet varen. In 2005 experimenteerde hij met een populistische middenpartij rondom om misdaadjournalist Peter R. de Vries, de Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang. Die club kwam niet tot de grond. De partij moest de steun halen van 41% van de leden van het opiniepanel van Maurice de Hond. In 2009 volgde er een nieuw experiment, de Onafhankelijke Ouderen en Kinderunie (Ooku), een ouderenpartij. Formeel was dit een rechtsopvolger van de PRDV. Ooku werd op haar beurt omgevormd tot 50+. Deze partij raakte een sentiment onder ouderen die vanwege bezuinigingen (zoals de verhoging van de AOW-leeftijd) zich in hun financiële zekerheid  gepakt voelen. Net als Nieuw Links is 50+ een generatiebeweging: ze vertegenwoordigden dezelfde generatie die met Nieuw Links een nieuwe positie voor zichzelf moest bevechten.

In 2011 deed de partij mee aan de provinciale statenverkiezingen. In Noord-Brabant was oud-VVD’er en oud-homojournalist Henk Krol lijsttrekker. Veel andere 50+’ers waren afkomstig uit andere middenpartijen: CDA, PvdA en VVD. Ze wonnen genoeg zetels voor één senaatszetel. Via een slimme samenwerking met een aantal lokale partijen werden het er twee. Nagel raakte echter als snel gebrouilleerd met zijn collega senator De Lange. Ook binnen 50+ ontstonden er conflicten oud-PPR staatssecretaris (en politiek zwerver) Michel van Hulten verliet al snel de partij over de politieke koers. Nagel bleef de machtigste speler in 50+: het congres, dat hij als enige politieke vertegenwoordiger en partijvoorzitter ook nog eens zelf voorzat, bespeelde hij als een viool. In 2012 won Krol twee zetels. Na de vorming van het kabinet schoot de partij in de peilingen omhoog. Het wetenschappelijk bureau van de partij laat met name Maurice de Hond kiezersonderzoek doen.

In 2013 ontstonden er conflicten. Hoofdvraag was of de partij zou deelnemen aan gemeenteraadsverkiezingen. Nagel, die veel banden heeft met lokale partijen zag daar weinig in. Andere 50+ leden wilden dit wel: politieke zwerver Dick Schouw (ex-VVD, ex-Piraat, ex-DS70, ex-Trots) wil met lokale OPA’s aan de slag. Dit leidde tot een conflict. Parallel daaraan werd de positie van Krol vorige week onhoudbaar vanwege het niet-betalen van pensioenpremies.

Er zijn drie thema’s die voortdurend terugkomen in het politieke leven van Nagel. Het eerste thema is zijn anti-autoritaire houding. Hij verzet zich tegen paternalisme: ‘een houding van stil maar we weten wel wat goed voor u is’, aldus Nagel in een interview in 1999. Die houding tekende hem als Nieuw Linkser die zich verzette tegen de regenteske sociaaldemocraten, als VARA-journalist die de burger een stem wou geven, maar ook als oprichter van lokale en landelijke protestpartijen. Nagel behoorde nooit tot de inner circle van de Nederlandse politiek maar was voortdurend de outsider die stem vergeten groepen wou vertegenwoordigen. Een opvallende bondgenoot in deze is de opiniepeiler Maurice de Hond, die ook afkomstig was uit de rode familie maar die zich sindsdien tot geluidsversterker van de gewone man heeft gemaakt.

De tweede hoofdlijn is ruzie. Nagel is eigenzinnig en strategisch. Hij wordt wel de ‘Raspoetin van Hiversum’ genoemd. Bij de VARA, de PvdA, Leefbaar Nederland en 50+ waren er in de tijd dat Nagel er zat conflicten. Soms vanwege Nagel maar vaak ook buiten hem om. Politiek is voor Nagel, een getalenteerd schaker een spel van confrontatie. Een spel dat je speelt om te winnen. Maar nieuwe partijen en vernieuwingsbewegingen trekken ook een bepaald soort mensen aan.

Het derde thema is het politieke overlevingsinstinct van Nagel. In die zin lijkt het ook op Raspoetin die volgens de overlevering verschillende moordaanslagen overleefde. Als hij bij de PvdA definitief aan de zijkant geschoven is, vindt hij zichzelf opnieuw uit: de oud-senator en -partijbestuurder gaat als outsider de strijd voor de gemeenteraad van Hilversum aan. Daar blijft hij twaalf jaar lid van. Als Fortuyn hem Leefbaar Nederland uit zijn handen dreigt te slaan komt er een nieuwe lijsttrekker. Vlak na de uiteindelijke ondergang van Leefbaar Nederland in 2006 werkt hij zes jaar aan een nieuwe protestpartij van het midden. Die dreigt het tot twee keer toe niet te redden, maar Nagel geeft zich niet gewonnen: hij geeft nooit op.

Is de piratenpartij populistisch?

Donderdag was ik bij een bijeenkomst van de Raad voor Openbaar Bestuur over de toekomst van de politieke partij. De Piratenpartij had een grote delegatie gestuurd. Een oudere collega vroeg me na de bijeenkomst of de Piratenpartij populistisch was. Een vraag die niet gemakkelijk te beantwoorden, is.

Populisme
In de politieke wetenschap is er levendig debat over wat populisme. Er is min-of-meer overeenstemming dat populisme bestaat uit deze drie claims:  ten eerste, populisten richten zich op het volk. Dat volk is homogeen en deugdzaam. Ten tweede, dit volk zou soeverein moeten zijn maar de huidige politieke elite is corrupt en vertegenwoordigt het volk niet langer.  En ten derde, het is de rol van de populisten om ervoor te zorgen dat de overheid weer ten dienste staat van het volk.

Populisme kan met alles vermengd worden: het volk kan de arbeider zijn maar ook de kleine ondernemer. De elite kan gekaapt zijn door ambtenaren maar ook door lobbyisten van het bedrijfsleven. Een populist kan zich ergeren aan een teveel aan regels, maar ook aan tekort aan regels. De populist kan dus een links of een rechts programma voorstellen om het land terug te geven aan het volk.

Zweedse Piratenpartij
De eerste Piratenpartij komt uit Zweden. In de lente van 2012 hebben ze een nieuw beginselprogramma aangenomen. Een fundamentele verandering in de houding van machtshebbers is nodig om een vrije informatiesamenleving te realiseren: ‘de staat moet medeburgers vertrouwen, respect tonen en hen meer vrijheid geven.’ Deze piraten menen dus dat de huidige elite het niet goed doet. Maar het volk is hun ogen niet deugdzaam, het reageert op stimuli: ‘mensen die met argwaan tegemoet getreden worden, zullen reageren met argwaan. Mensen die met vertrouwen tegemoet getreden worden, zullen reageren met vertrouwen.’ Bovendien ligt er geen zware nadruk op een wisseling van de wacht maar op de belofte van technologie: ‘het vermogen van mensen vrij met elkaar te communiceren versterkt vrijheid, participatie en democratie.’

Het programma heeft een duidelijke anti-elitaire toon, maar het volk wordt niet gezien als deugdzaam maar als reactie, en bovendien ligt de oplossing niet in een wisseling van de wacht maar in het gebruik van technologie.

De Nederlandse Piratenpartij
In het programma van de Nederlandse Piratenpartij zijn we deze drie elementen terug. Ten eerste, het anti-elitisme: Het schetst een cynisch beeld van de politiek: ministers zijn afhankelijk van topambtenaren en lobbygroepen. Terwijl ministers wisselen, vormen ambtenaren en lobbyisten een constante factor, die hebben daarom een grote kennisvoorsprong. Kamerleden missen de kennis en het netwerk om de voorstellen goed te beoordelen, daarom worden miljarden verspild, bijvoorbeeld aan dure ICT-projecten. De afstand tussen burger en bestuur is volgens de Piraten de reden voor het probleem: hierdoor zijn, volgens de Piraten, populisme en private belangen dominant geworden in de politiek.

De oplossing die de Nederlandse Piraten bieden, heet Liquid Feedback. Dit geeft burgers de mogelijkheid om hun kennis te delen met beleidsmakers ‘Een democratisch systeem voor de 21ste eeuw’:  De kern hiervan is dat iedereen met oplossingen kan komen, iedereen daarover mee kan praten, en iedereen daarover kan stemmen. Als hij dat wil ten minste. Als mensen dat niet willen kunnen ze vertegenwoordigers aan wijzen die op specifieke onderwerpen hen representeren. Het internet biedt hier een mooi platform voor: iedereen kan op een willekeurig moment zoveel of zo weinig invloed uitoefenen als hij zelf wenst. De Piratenpartij past dit principe zelf in haar eigen organisatie toe: het bestuur wordt permanent gevoed en gevolgd door de leden.

One out of three
Dit programma heeft dus een duidelijk anti-elitaire ondertoon: de huidige politiek is ontransparant en luistert niet naar de burger. Het programma van de Piratenpartij heeft duidelijk radicaal democratische trekken: in hun opvatting is ‘democratie de heerschappij van iedereen over iedereen’ en niet van ambtenaren en lobbyisten. Maar nergens in het programma wordt het volk voorgesteld als een eenheid of als bijzonder deugdzaam. Het enige wat duidelijk wordt in het programma is dat de Piraten vinden dat er mensen zijn in het volk met kennis, inzicht en expertise die nu missen in de elite: de piraten willen van de macht van de incrowd naar de wijsheid van de crowd.
De Piratenpartij stelt niet zoals een klassieke populisten dat zij het volk zullen vertegenwoordigen, maar dat nieuwe informatietechnologische tools een brug kunnen vormen over de kloof tussen burgers en bestuur. Een luidspreker voor mondige burgers.

Welkom in Nederland

“Welkom in Nederland” zei een vrouw tamelijk luid toen de conducteur omriep dat de trein vanwege een ongeval met een persoon niet verder zou rijden dan Zwolle. De toon waarop ze haar ongenoegen kenbaar maakte, was die van Amerikaanse negatieve campagnespots: “welcome to Obama-ville“. Nederland is verworden tot een soort Centraal-Amerikaanse bananenrepubliek waar alles misgaat door de incompetentie van de in en in corrupte, in zichzelf gekeerde en incestueuze elite. Een land waar treinen in de herfst uitvallen als bladeren van een boom, omdat de monopolistische spoorwegmaatschappij bestuurd wordt door hoge heren die er een heimelijk genoegen in scheppen om de strakke planningen van de kleine man in de war te schoppen, gewoon om te laten merken wie in Nederland bovenaan de maatschappelijke ladder staat en wie niet.

Problemen met de trein zijn allemaal natuurlijk erg frustrerend, omdat een systeem waar je op rekent niet goed functioneert. Tegelijkertijd, lijken we wel eens vergeten te zijn hoe bijzonder het Nederlandse spoornet is. Nederland heeft drukste spoornet van Europa. Nergens anders in Europa gaat er zoveel treinverkeer over zo weinig spoor. Bovendien is dit grotendeels personenverkeer. Nergens in Europa reizen er, per kilometer spoor, zoveel mensen. En toch: Nederland heeft een van de meest fijnmazige spoorwegnetten op de wereld.

Meer dan één miljoen passagiers reizen dagelijks met de NS, op een heel drukbezet spoornetwerk. Dat betekent dat een kleine verstoring kan leiden tot overlast voor een grote groep. Eén bevroren stukje spoor, betekent een vertraagde sprinter, betekent dat de fyra die er achteraan rijdt op het enkel spoor ook niet verder kan, dat de intercity met veel overstappers op die fyra wacht, maar daardoor komt hij net achter een goederentrein terecht etc. etc., voor je het weet staan door zo’n hele cascade honderden mensen stil. En desondanks is er geen land in de Europese Unie waar treinen zo punctueel rijden.

Mijn stelling zou zijn: hoe minder vertragingen, des te meer mensen zich ergeren aan vertragingen. Als treinen niet op tijd rijden, dan verwacht je er ook niets van. In Afrika gaan bussen rijden als ze vol zijn. Iedereen wacht gewoon geduldig tot de bus vol zit. Niemand kijkt ongeduldig naar zijn horloge. Maar als je weet dat de trein iedere dag om 15u46 aankomt, en het wordt één keer 15u56, dan is dat schokkend.

Mensen verwachten dus een heel hoog niveau van dienstverlening, juist omdat er een hoog niveau van dienstverlening is: natuurlijk moet ik op tijd op mijn werk kunnen zijn als ik ‘s ochtends vroeg, vanuit mijn woonplaats 225 km daarvandaan vertrek, zonder rekening te houden met een foutmarge.
Als er weer een groepje jongeren klaagt dat zij vanuit de Randstad tot diep in de nacht naar hun woonplaats moeten komen -een of ander gehucht in de provincie- dan komt dat omdat er voor hun leeftijdsgenoten uit het schamele gehucht drie huizen verder wel vrij betrouwbare nachttreinen zijn.
We hebben verwachtingen over ons interstedelijk spoornet dat veel mensen in andere landen niet eens koesteren over hun binnenstedelijk metronet. Om het kwartier moet een trein gaan van ‘s ochtends vroeg tot diep in de nacht. Als je in landen als Duitsland, Amerika of Italië een reis met de trein wil maken, dan lijkt het meer op vliegen dan op de metro, met vaste plekken, geadviseerde wachttijden en bureaucratische reserveringen.

Welkom in Nederland met het beste spoornet van Europa, met de meest punctuele treinen, die met de regelmaat van metro’s tot diep in de nacht rijden. Welkom in Nederland waar u met gemak van volslagen irrelevante provinciale dorpjes als Schagen in een paar uur in bruisende steden als Groningen kan komen. Welkom in Nederland waar we met één miljoen mensen ons zo afhankelijk hebben gemaakt van een dienst juist omdat die doorgaans perfect functioneert, dat we luid vloeken als we in een door de NS gecharterde bus stappen.

Stelling 8: sociaaldemocraten en Christendemocraten zijn populisten

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de achtste: over de wortels van het populisme.

Stelling 8: “De sociaaldemocratie en de Christendemocratie zijn ontstaan als populistische bewegingen.”

Bij het proefschrift mag je ook vier stellingen leveren die wel over het vak gaan, maar niet over het boek. Dat geeft de mogelijkheid om mijn eigen favoriete verhalen te vertellen. Zo ook de notie dat populisme niet nieuws is, maar terug te zien is in het vroege socialisme en Christendemocratie. Je hoort dit soms wel in het debat over populisme. Historici Van de Velde, Vossen en Lucassen heb ik dit wel horen stellen, maar niet systematisch zien uitwerken. Ik heb er zelf twee kleine blogjes aangewijd.

Het idee is simpel: populisme maakt twee onderscheiden: tussen het pure volk en het corrupte elite, en tussen het goede volk en gevaarlijke anderen. Socialisten waren in hun beginperiode een zeer anti-elitaire beweging, de grote meerderheid van het volk, het proletariaat, wordt eronder gehouden door de elite, de bourgeoisie. In de elite zijn economische en politieke deelbelangen met elkaar gefuseerd: kerk, kapitaal, kroon, kazerne en kroeg vormen een vijfeenheid. Het socialisme wil dat de staat het belang van heel het volk vertegenwoordigt.

De deling tussen het volk en de ander vinden we terug in de vroege Christendemocratie, in het bijzonder in de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk-Historische Unie. Ze verzetten zich tegen het Katholicisme Dit geloof strookte niet met de Nederlandse volksaard, het totalitaire trekjes, maar was bovenal onbetrouwbaar omdat Katholieken niet loyaal waren aan de Nederlandse kroon maar aan een buitenlandse mogendheid. De gelijkenissen met de hedendaagse populistische partijen zijn treffend: tegen de elite en tegen een vreemd, buitenlands geloof.

Het opvallende is dat de Anti-Revolutionairen en Christelijk Historici al snel gingen samenwerken met de Katholieken, en de Socialisten met de Liberalen. Het laat zien dat in Nederland populistische retoriek slechts betrekkelijk is en dat de politieke realiteit partijen inschikkelijk maakt. Ik heb wel eens gesteld dat Wilders zo vice-premier kan worden onder premier Marcouch, zoals de Anti-Revolutionaire Heemskerk minister was onder de Katholieke Ruijs de Beerenbrouck. Onder de druk van de politieke realiteit worden alle populisten realistisch.

Populisten, progressieven en de verzorgingsstaat

De aankomende verkiezingen zullen over twee onderwerpen gaan: hervormingen van de verzorgingsstaat en de Europese Unie. Dit geeft populistische partijen, die zich hier altijd tegen verzetten een rol. Daarom is Populisten in de Polder van Lucardie en Voerman een tijdig boek.

In hun boek beschrijven de historicus Voerman en de politicoloog Lucardie (verbonden aan het Documentatiecentrum Politieke Partijen) de geschiedenis van het Nederlands populisme tot 2012. Alle grote populisten komen langs: Boer Koekoek, Janmaat, de Leefbaren (zoals Westbroek en Nagel), Marijnissen, Fortuyn, Verdonk en Wilders. Interessant zijn ook de reflecties over het vroege populisme dat te vinden is bij de anti-revolutionair Abraham Kuyper en socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Deze vroeg-twintigste eeuwse politici zijn geen volledige populisten, maar hun gedachtegoed had wel populistische trekjes. Zo verzetten socialisten en anti-revolutionairen zich tegen de liberale elite. Ook het gedachtegoed van de andere partij en partijleiders wordt gewogen: is het echt populistisch? Hierbij wordt er gekeken naar standpunten over de partij over democratische vernieuwing, de reactie van partijleiders op de term populisme en de mens- en maatschappijvisie. Het meest pure populisme vinden Lucardie en Voerman bij Verdonk: zij stelde als geen ander het deugdzame verenigde volk tegenover de kwaadaardige elite, die hen zelfs het Sinterklaasfeest wou ontnemen. Verdonk nam het populisme ook als geuzennaam op.

Lucardie en Voerman vatten het populisme nauw op: centraal staat de roep om meer invloed van het volk. Radicale democraten verschillen van populisten in hun opvatting van dat volk. Zij zien een veelkleurig geheel van burgers, terwijl populisten een homogeen, verenigd volk zien. In deze definitie volgen de auteurs, klassieke politicologische auteurs als Paul Taggart en Cas Mudde. Hiermee verdwijnen echter andere eigenschappen die veel populisten delen uit het oog: Euroskepsis bijvoorbeeld, maar ook verzet tegen sociaal-economische hervormingen.

Lucardie en Voerman hanteren het onderscheid tussen linkse en rechtse populisten, waarbij de SP in het linkerkamp valt en de PVV in het rechterkamp. Echter gezien de verenigde opstelling van deze partijen wat betreft de zorg, de pensioenen en recent het lenteakkoord is het maar zeer de vraag of deze tweedeling nog standhoudt. De gelijkende standpunten van PVV en SP op deze onderwerpen lijkt namelijk meer te zijn dan toeval of strategie. Hieronder ligt een gemeenschappelijke visie: de Haagse elite wil u uw baan en uw pensioen afnemen. Het gaat de populisten dan niet alleen maar om inspraak maar om economische belangen. Bij de verkiezingen van 2006 en 2010 werd al duidelijk dat er naast de klassieke links/rechts-tegenstelling een tweede tegenstelling in de Nederlandse politiek is. Namelijk die tussen hervormers die ervoor kiezen om de verzorgingstaat te hervormen om eerlijker en duurzamer te maken en behoudende partijen die zich verzetten tegen hervorming. Je kan dit zien waar het gaat om de arbeidsmarkt, de pensioenen en de zorg. De partijen die zich hiertegen verzetten zijn ook de meest felle Euroskeptische partijen. Immers de Haagse elite levert ons over aan de Brusselse Eurocraten, die niet het belang van ons volk dienen. Tegelijkterijd zijn het voortdurend twee progressieve partijen die stelling kiezen tegen de populisten: D66 en GroenLinks. Zij verzetten zich tegen de xenofobe opvatting van populistisch rechts, de populistische politieke stijl, maar bovendien tegen het sociaal-economisch conservatisme van de populisten.

De vraag die Lucardie en Voermans onbeantwoord laten in hun boek is of deze gelijkenis in de sociaal-economische koers van SP of PVV meer is dan toeval: de aartsvader van het Nederlandse populisme (Fortuyn), bijvoorbeeld, lijkt bijvoorbeeld niet helemaal in dit plaatje te passen. Aan de ene kant was ook hij Euroskeptisch en wou hij de AOW’tjes van oudere sparen, juist hij pleitte voor verregaande hervorming van de zorg.

Ontstaat er in Nederland naast de bestaande sociaal-economische tegenstellng een nieuwe tegenstelling tussen progressieven en populisten? Een tegenstelling die niet gaat over politieke stijl of bestuurlijke hervormingen als het referendum, maar gaat over de grote economische vragen waar Nederland nu voor staat en Europese integratie? In het boek van Lucardie en Voerman blijft deze vraag onbeantwoord. Met de vrij nauwe definitie van populisme en de strakke verdeling tussen linkse en rechtse populisten missen Lucardie en Voerman een belangrijke gelijkenis tussen populisten van links en rechts.

Dit artikel verscheen ook in verkorte vorm in het GroenLinks Magazine van Juni 2012.

Het einde van de autoriteit

De fouten van klimaatwetenschappers bij het IPCC worden breed uitgemeten in de Tweede Kamer. Progressieve politici worden bij GeenStijl voor gek gezet. Als een rechter iemand vrij spreekt vanwege vormfouten volgen dikke koppen in de Telegraaf. Rechts valt steeds vaker autoriteiten aan, omdat deze te links zouden zijn.

Nog geen veertig jaar geleden was het andersom: toen was het links die met veel enthousiasme begon te zagen aan de poten van traditionele rechtse autoriteiten, zoals de kerk, het koningshuis, het leger. Tot midden jaren ’60 stonden de leraar en de arts  in het dorp op de sokkel. Het land werd bestuurd door staatslieden, geadviseerd door professoren, bisschoppen en vakbondsleiders. De jaren ’70 vormden anti-autoritaire revolutie. Een nieuwe generatie geloofde niet meer in de autoriteit van de oude instituties. Nu zien we die periode als een van bevrijding en emancipatie: ze vormde het einde van knellende verbanden. Vrouwen hoefden niet meer naar de dominee te luisteren, maar mochten zelf beslissen over hun eigen lichaam.

In de jaren ’00 ontstond een nieuwe anti-autoritaire revolte, in de vorm van het populisme. Veel van de anti-autoritaire progressieven hadden zelf de lange mars door de instituties gemaakt en waren nu autoriteiten in their own right geworden. Rechts-populisten vielen deze nieuwe autoriteiten aan: in de politiek, bij de publieke omroep en in de rechterlijke macht. Maar ook andere maatschappelijke autoriteiten kwamen onder aanval: de wetenschap in het bijzonder.

Het is een wonderlijke ontwikkeling: in de jaren ’50 waren alle autoriteiten nog onbetwijfeld. Links wilde af van de autoriteiten die in de weg stonden van hun visie op een eerlijker en vrijer land. En nu trekt populistisch rechts de laatste linkse autoriteiten van hun sokkel. Welke autoriteit blijft erover?

Het is voor weldenkende linkse mensen schokkend om te zien hoe rechts de autoriteit van onze argumenten in twijfel trekt: het is wetenschappelijk bewezen dat het klimaat verandert omdat we teveel koolstofdioxide produceren. Nederland wordt veiliger en harder straffen heeft geen zin: law & order politiek slaat dus nergens op. Het is frusterend dat zulke feiten er niet meer te doen, omdat rechts steeds minder in feitelijke politiek gelooft.

Maar bedenk eens hoe het is geweest voor een predikant om te zien dat zijn kerk leegliep omdat niemand meer in zijn argumenten geloofde. Abortus en euthanasie zijn overal geaccepteerd, terwijl dat recht tegen het vijfde gebod in gaat. Natuurlijk, ik vind het als linkse atheist veel minder erg dat mensen niet meer in God geloven, dan dat ze niet in de wetenschap geloven, maar helaas dat is de maatschappelijke realiteit.

Het is onderdeel van de vrije samenleving die in de jaren ’70 werd gevormd, dat er aan autoriteit getwijfeld kan worden. Als links het recht wil om aan rechtse autoriteiten te twijfelen, zal ze moeten accepteren dat rechts aan haar autoriteiten zal twijfelen. Het heeft geen zin om terug te verlangen naar een tijd waar professoren en rechters nog als onbetwijfelbare autoriteiten golden: er zijn eeuwenlang autoriteiten geweest die geloofden dat homoseksualiteit fout was en vrouwen inferieur. Dat linkse autoriteiten niet meer worden vertrouwd is, in mijn ogen, de prijs die we betalen om ervoor te zorgen dat rechtse autoriteiten ook niet meer klakkeloos worden geloofd.