Nieuwe Politiek: van vertrouwde consensus naar gecodificeerd wantrouwen

We vergeten wel eens dat er een tijd was waarin formaties een paar weken duurden, waarin moties sporadisch werden gebruikt en waarin verkiezingsprogramma's uit een paar pagina's bestonden. Een andere manier van politiek bedrijven waarbij minder hoefde te worden vastgelegd, waar vertrouwen en consensus het politieke smeermiddel waren. 

Lengte-verkiezingsprogramma
Het moment voor verandering is in de jaren '70. In het figuur hierboven kan je de gemiddelde lengte van verkiezingsprogramma's zien: voor 1971 zijn er weinig programma's langer dan 5000 woorden, en na 1981 ligt het gemiddelde boven de 25000 woorden. Wat is het cruciale verschil in die periode? Wat is er gebeurd? In de jaren '70 vond een radicale verschuiving in de Nederlandse politiek plaats: vertrouwen tussen kiezers en gekozenen die verbnden waren zuilen, werd vervangen door een nieuwe politieke verhouding tussen kiezers en gekozenen, maar ook tussen partijleden en partijtop. In de nieuwe verhoudingen was vertrouwen niet meer genoeg, en moesten er afspraken gemaakt worden. Met een veel uitgebreider programma probeerden partijen kiezers, waar ze vroeger op konden rekenen, te binden. Maar met een veel uitgebreider programma werden ook partijleden en de partijtop gebonden. In de nieuwe verhoudingen werden kamerleden niet gekozen om hun eigen ideeen uit te voeren, maar om het partijprogramma uit te voeren. In deze periode neemt ook bijvoorbeeld de partijdiscipline dramatische toe. Individuele kamerleden zijn geen vrije volksvertegenwoordigers maar vertegenwoordigers van een partij met een partijprogramma en partijdiscipline.

Aantal-moties
Maar ook de verhouding tussen parlementariers en ministers verandert radicaal, in bijna dezelfde periode. Zoals is te zien in het figuur hierboven, waarin het gemiddeld aantal moties per jaar per parlementaire periode is weergegeven, is tussen 1972 en 1982 het aantal moties radicaal gegroeid. Daarna neemt het af om langszaam verder te groeien, maar het keert nooit terug naar het niveau van voor 1972 toen het gemiddelde aantal moties ver onder de 100 ligt. Sinds 2002 ligt het niveau hoger van in de jaren '70. In 2010 ligt het aantal moties boven de 2000. Wat verklaart dit patroon? Op nieuw speelt denk ik wantrouwen een grote rol: de jaren '70 is de periode van polarisatie tussen links en rechts. Parlementariers proberen net als partijleden, ministers (natuurlijk die van andere partijen) te binden om bepaalde plannen uit te voeren. Ministers kunnen niet langer in vrijheid hun eigen plan uit voeren, maar worden geacht om zich aan de wil van de kamer te houden. In de periode 1986-2002 lijkt het vertrouwen hervonden, het aantal moties ligt lager en groeit gestaag. Maar vanaf 2002 neemt het aantal moties sterker toe: is het de polarisatie? De groeiende rol van de media? Een nieuwe, dualistische verhouding tussen kamer en kabinet? Het lijkt er in elk geval op dat meer en meer kamerleden proberen ministers te binden.

Lengte-formatie
In de lengte van kabinetsformaties (het figuur hierboven) is er een ander, maar vergelijkbaar patroon: in de periode 1946-1956 neemt de lengte van formaties toe: van minder dan 40 dagen naar meer dan 100 dagen. Dan valt dat naar beneden van 100 dagen naar minder dan 40 dagen. Tussen 1972 en 1981 is er een sterke piek in de lengte van de formaties: het jaar 1977 met bijna 200 dagen is natuurlijk een grote piek. Daarna stabiliseert de lengte van formties tot tussen de 60 (jaren '80) en de 100 dagen (jaren '90-'00). In dit patroon speelt het vertrouwen en wantrouwen een grote rol: tussen '48 en '71 is het vertrouwen tussen de grote partijen sterk. In de periode van polarisatie groeit het wantrouwen en daarmee de lengte van formaties. Het wordt steeds minder makkelijk voor partijen om compromissen te sluiten. In de jaren '80 lijkt het vertrouwen hervonden, maar sindsdien neemt de lengte van formaties weer gestaag toe, omdat het vanwege de partijpolitieke polarisatie steeds moeilijker wordt? Omdat het voor partijen steeds moeilijker is om afspraken te maken met lange programma's? Of omdat er steeds meer op detail niveau geregeld moet worden?

Je zou de groei van het aantal moties, de lengte van formaties en de lengte van programma's proberen te kunnen verklaren aan de hand van de groei van de verantwoordelijkheden van de overheid. Maar opvallend genoeg is het de jaren '50 en  '60 waarin de overheid meer is gaan doen: aan maatschappelijk werk, industriebeleid en de volkgezondheid. Het was juist in de jaren '80, '90 en '00 dat de overheid taken afstoot en aan de markt overlaat. Maar de lengte van programma's neemt niet af. En, na een kleine val in de lengte van formaties en het aantal moties neemt het gestaag toe: terwijl de overheid minder gaat doen. Een verandering van de politieke cultuur lijkt me een redelijke verandering: met meer moties, langere programma's en langere formaties proberen burgers, politici en partijleden elkaar te binden in een tijd dat de politiek van vertrouwen en consensus niet langer geldt en is vervangen door het gecodificeerde wantrouwen van programma's, formaties en moties.

Leave a Reply