Right For all the Wrong Reasons

Ik luister graag naar Philosophy Bites, een heel interessante podcast met interview met zeer prominente filosofen over allerlei filosofische onderwerpen. Vaak bieden de interviews interessante inzichten, mooie samenvattingen of heldere betogen.

Maar soms gaat het ook mis, dan zit er een filosoof die gewoon onzin beweert. Een geval daarvan is dit interview met Jeff McMahan, over het eten van vlees. McMahan en ik zijn het over een aantal dingen eens, zoals dat het eten van vlees moreel niet te rechtvaardigen is, maar daar houdt het ook wel zo'n beetje op.

McMahan is, alhoewel hij dat aan het einde van het interview ontkent, een echte utilist. Zijn redenering is gebaseerd op een afweging tussen geluk en leed van dieren en mensen: hoe groot is het geluk dat mensen krijgen van het eten van dieren? En welk leed van dieren staat daar tegenover? En hoeveel geluk hebben we voorkomen door die dieren om te brengen? In preciezere termen als het extra geluk dat wij krijgen van het eten van het dier (in plaats van het eten van een vleesvervanger) groter is dan het leed van het dier omdat het geslacht werd plus het niet gerealiseerde potentiele geluk van het dier als het zou door leven, dan mogen we het dier eten.

Deze redenering is denk ik, in grote mate, pervers. Dieren in de bio-industrie zijn verschrikkelijk ongelukkig. Als we ze dood maken dan betekent dat het voorkomen van toekomstig leed. Iedereen die zou beweren dat alhoewel die dieren lijden dit beter is dan dood zijn, moeten echt op passen: maximalisatie van geluk zou dan betekenen dat het juist zou zijn om heel veel dieren in de bio-industrie te maken: met minimale kosten extra geluk. Als we, zoals McMahan verdedigt (geheel tegen zijn theorie in overigens), vrij levende vissen dood zouden mogen maken om dat op te eten dan voorkomen we juist toekomstig geluk: deze dieren zijn juist heel gelukkig. In die zin zou een utilist er voor moeten kiezen om bio-industrie vlees te eten boven vlees uit de biologische landbouw of de jacht: het potentiele geluk dat voorkomen wordt is veel kleiner.

McMahan maakt een onderscheid tussen verschillende dieren en de mate waarin zij "moreel relevant" zijn, dat is opgegeten mogen worden. Mensen zijn moreel relevanter dan zoogdieren, die weer relevanter zijn dan vissen en garnalen. De morele relevantie van wezens is volgens McMahan gebaseerd op hun vermogen om gelukkig te zijn, waardevolle ervaring te hebben en te kunnen lijden. Hiermee komt McMahan bij een typisch probleem van het utilisme. We weten niet of iemand anders gelukkig(er) is: we kunnen niet in zijn of haar hoofd kijken. Geluksniveau's zijn "incommensurabel": niet te vergelijken tussen mensen en al zeker niet tussen verschillende dierensoorten door. Alles wat hij hier doet is speculatie, over wat er bij mensen en dieren intern gebeurd.

Wat ik daarnaast mis van een complete utilitische overweging, maar dat kan McMahan met zijn ambigue utilisme misschien niet aangerekend worden, is een argument vanuit de ecologische gevolgen van de veeteelt en de visserij: overbevissing, de kap van bos voor landbouwgrond, de voedselcrisis. Allemaal het gevolg van de (over)consumptie van vlees. Op de lange termijn is het eten van vlees gewoon niet vol te houden. We putten de planeet uit, en brengen zo mensen en dieren in gevaar. Denk maar eens na over het potentiele geluk van mensen en dieren dat op die manier geschaad wordt door vleesconsumptie.

2 thoughts on “Right For all the Wrong Reasons

  1. Pingback: Utilisten, liberalen en dieren | Geen Vrijheid zonder Gelijkheid

  2. Pingback: Simon FAQ 1: Vlees, Vis of Vegetarisch? | Geen Vrijheid zonder Gelijkheid

Leave a Reply