Links en de Moraal III: Onderwijs is geen markt

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om de publieke sector te beschermen tegen bezuinigingen. Filosoferen over vrijheid weert geen rechtse bezuinigingsdrift af. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

Het was een simpele tweet van een SP-aanhanger: ‘Onderwijs is geen markt’. Het was een fascinerende combinatie van stelligheid en morele verontwaardiging. De stelligheid is onterecht. Het Nederlands onderwijs, en dan in het bijzonder het hoger onderwijs is georganiseerd als een markt: een markt is het geheel aan omstandigheden waarbij in vrijheid een bepaalde dienst of goed worden uitgewisseld voor geld.

Er zijn in Nederland twintig universiteiten waar studenten collegegeld kunnen betalen om een opleiding te krijgen. Studenten kunnen zelf hun eigen universiteit kiezen. De prijsvorming is niet vrij: het collegegeld wordt vastgesteld door regering. Dat zorgt voor concurrentie op kwaliteit. Studenten kiezen die universiteiten en opleidingen die een goede reputatie hebben of goed scoren in onderzoek over onderwijskwaliteit en toekomstperspectieven. Een student betaalt niet de volledige kosten van zijn opleiding, een groot deel daarvan wordt gesubsidieerd door de overheid, maar wel op basis van studentenaantallen. Opleidingen worden gestimuleerd om veel studenten te krijgen en studenten kunnen een vrije keuze maken voor wat zij de beste opleidingen vinden. Dat is een markt, misschien geen ideaaltypische vrije markt, maar wel een markt.

Wat is het fundamentele bezwaar tegen een markt? Ik denk dat er twee centrale bezwaren zijn tegen het marktmechanisme: ten eerste is er het Marxistische bezwaar van vervreemding. Ten tweede is er het egalitaire bezwaar van ongelijke toegang. Laten we naar het eerste kijken: Marx maakte bezwaar tegen de verkoop van arbeid door werknemers aan werkgevers. Omdat het werk werd opgedeeld in taken (‘arbeidsdeling’) werd het saai en repetitief. Voor mensen zou arbeid een vorm van zelfactualisatie moeten zijn en niet menial labour waarvoor men onderbetaald wordt. Mensen moeten zelf beschikken over hun eigen productieproces, dan zijn ze niet vervreemd.

Er wordt op universiteiten veel geklaagd over hoe het onderwijs zwaar is en het verkrijgen van publicaties en onderzoeksgeld een tombola. Maar iedereen moet toegeven dat van alle mensen in Nederland medewerkers van de universiteit de grootste vrijheid genieten: tijd om zelf onderzoek te doen over datgene wat ze interessant vinden; en de ruimte om zelf hun eigen onderwijs vorm te geven. Academische vrijheid is een groot goed. Het werk aan de universiteit is niet saai en repetitief; het is niet opgedeeld in taakjes.
Maar belangrijker: in deze zin verschilt een universiteit niet van welke andere instelling in Nederland, overheid, markt of maatschappelijk. Alle kopen hun arbeid op de vrije markt. Ik kan het me ook niet anders voorstellen: zorg voor gezin en vrijwilligerswerk worden niet op een vrije markt verhandeld. Maar dat is geen reƫel model voor het onderwijs. Zolang professoren en universitaire docenten academische vrijheid blijven genieten, lijkt het me overdreven te klagen over onderwijs als markt.

Het tweede bezwaar tegen de vrije markt is ongelijke toegang. Als mensen in vrijheid goederen en diensten uitwisselen ontstaat de mogelijkheid dat sommige personen meer geld krijgen dan anderen. Daarmee kunnen ze meer goederen en diensten kopen. Dat is geen bezwaar zolang de goederen of diensten niet van levensbelang zijn. Voor zorg bijvoorbeeld zou dit een bezwaar kunnen zijn: we willen niet dat de kans dat mensen overlijden aan een ziekte afhangt van hun inkomen. Evenzeer zouden we bijvoorbeeld niet kunnen willen dat onderwijs toegankelijk is voor iedereen. Maar dan is het argument geen levensbelang maar gelijke kansen. Onderwijs is een factor die zo sterk invloed heeft op toekomstige verdiencapaciteit dat we mensen hier gelijke toegang toe willen geven. Daarom is het goed dat het collegegeld voor iedereen gelijk is. Daardoor ontstaat er concurrentie op kwaliteit en is het voor iedereen toegankelijk. De huidige imperfecte marktwerking sluit daar prima bij aan.

U vindt dit misschien een ideaalbeeld: competitie is kwaliteit. Studenten kiezen niet op kwaliteit en massaliteit is niet hetzelfde als kwaliteit. De vraag is wat het alternatief is: als studenten niet meer kunnen kiezen naar welke universiteit ze kunnen maar dat bijvoorbeeld regionaal verdeeld wordt (‘u komt uit Alphen dan moet u naar de Universiteit Leiden’) wordt het onderwijs dan beter? Natuurlijk zijn er ook andere waarborgen van kwaliteit (visitaties, inspraak): maar als blijkt dat een school als InHolland waardeloze diploma’s geeft dan zijn studenten weg en moet die school zichzelf opnieuw uitvinden.

Kortom:

  1. het onderwijs is wel een markt;
  2. medewerkers van universiteiten zijn lastig als van hun arbeid vervreemde loonslaaf te zien;
  3. en de beheerste markt zorgt voor gelijke toegang en concurrentie op kwaliteit.

Leave a Reply