Commissievoorzitters & Consensusdemocratie

Een belangrijke onderdeel van een working parliament als het Nederlandse zijn de commissies. In het Nederlandse parlement zijn er ongeveer 20 commissies met beleidsmakende functies. Hoe functioneren die? En wat zegt dat over de Nederlandse democratie? Hier kijken we naar de verdeling van commissievoorzitterschappen.

Ieder ministerie heeft een commissie, maar in de Tweede Kamer zijn er daarnaast aparte commissies voor bijvoorbeeld Europese Zaken en Koninkrijksrelaties. Commissies zijn de plek waar het echte werk gebeurt. In commissies komt zowel de controlerende als de beleidsmakende functie van de Tweede Kamer naar voren: hier worden minister en experts aan de tand gevoeld en commissies bereiden wetgeving en beleid voor.

De voorzitter van een commissie heeft een belangrijke functie in het zetten van de agenda en het leiden van de commissievergaderingen.

Bijna alle partijen leveren een of meer commissievoorzitters. Tussen 1998 en 2002 leidde Paul Rosenmöller de commissie Nederlandse Antilliaanse en Arubaanse Zaken, tussen 2010 en 2012 leidde Hero Brinkman de commissie Immigratie en Integratie. Wat is de logica hierachter? Hoe worden commissievoorzitterschappen verdeeld?

In de figuur hiernaast kan je zien wat de relatie is tussen het percentage zetels dat een partij heeft en het percentage van de commissievoorzitterschappen dat ze levert. Dit heb ik gedaan voor de periode 1999-2013 waarbij ik heb gekeken naar welke partij het langste deel van dat jaar de commissievoorzitter levert. Er is een lineaire relatie: hoe meer zetels, hoe meer commissievoorzitterschappen. In cirkels en vierkanten is bovendien weergegeven of een partij in de oppositie (vierkant) of in de coalitie (cirkel) zit. Cirkels liggen vaker boven de lijn dan onder de lijn. Coalitiepartijen leveren vaker commissievoorzitters. Een zwakkere relatie die wel in de data aanwezig is maar die ik niet heb weergegeven is tussen de leeftijd van een partij een het aantal voorzitters. Iedere vijf jaar dat een partij in de Tweede Kamer zit, levert hen een commissievoorzitter op: dit betekent effectief dat PvdA, VVD, D66 en CDA meer commissievoorzitters leveren dan LPF, PVV en SP.

Wat betekent dit? Grotendeels wordt de traditie van consensusdemocratie gereflecteerd in de data: proportionaliteit is daarbij een belangrijk principe. Eerlijk delen betekent in die traditie dat iedereen een deel krijgt evenredig aan haar maatschappelijke achterban. In de Amerikaanse Senaat en Huis van Afgevaardigden bijvoorbeeld worden alle commissievoorzitters geleverd door de meerderheidspartij, zelfs als die partij maar een meerderheid heeft van een zetel (of geen meerderheid van de stemmen maar door een raar kiesstelsel wel van de zetels). Dat voelt oneerlijk vanuit een Nederlands perspectief.

Dit winner takes all systeem is een klein beetje zichtbaar in de data: het zijn van een regeringspartij levert gemiddeld 0.7 commissievoorzitterschappen op. Maar bovendien lijken oudere partijen samen te werken om nieuwe partijen uit de bedeling te houden. Dit heeft mogelijkerwijs er mee te maken dat nieuwe partijen vaak geen Kamerleden hebben met de parlementaire ervaring om commissievoorzitter te zijn. Dat vereist kennis van het reglement van orde en ongeschreven mores.

Houden ze bij de verdeling van commissievoorzitterschappen rekening met of de partij de minister met die portefeuille levert? Je zou verwachten van wel, omdat de controlerende functie van de Tweede Kamercommissies aangetast wordt als er partijbelangen spelen. Toch is het niet zo. Een op vier commissievoorzitters is van dezelfde partij is als de minister. De kans dat dit zou gebeuren als de commissievoorzitters at random zouden zijn toegedeeld aan commissies niet rekening houdend met de partij van de minister of de voorzitter is 27%. Dat verschilt dus niet sterk.

Opvallend is daarbij dat vrij veel commissievoorzitters later ministers worden of eerder minister zijn geweest. Vaak zelfs op het zelfde onderwerp: Michiel Patijn trad in 1998 af als staatssecretaris van Europese Zaken en werd voorzitter van die commissie.

We kunnen dus twee conclusies trekken: in grote lijnen gaat het principe van proportionaliteit uit de consensusdemocratie nog steeds op: de grote partijen verdelen onderling evenredig de voorzitterschappen. Tegelijkertijd is er een vorm van samenwerking zichtbaar: de gevestigde partijen CDA, VVD en PvdA het leeuwendeel van de commissievoorzitters. Regeringspartijen leveren meer commissievoorzitters dan oppositiepartijen en veel commissievoorzitters gaan het kabinet in of komen er vandaan. Dat duidt op de negatieve kant van de consensusdemocratie, een sterke samenwerking onder elites, zonder te reageren op de omgeving.

Leave a Reply