Sinds een aantal recente discussies over godsdienstvrijheid begon het bij mij toch de knagen: Waarom hebben we in Nederland eigenlijk godsdienstvrijheid? Wat houdt dat precies in? En met name houdt het bestaan van godsdienstvrijheid in dat gelovigen uitzondering kunnen krijgen op bepaalde wetten?
Binnen de politieke filosofie, zijn er twee verschillende visies op godsdienstvrijheid de liberale visie van John Locke en de multiculturele visie van Kymlicka en Taylor.
De visie van John Locke is ongeveer de volgende: vroomheid is een innerlijke gesteldheid. Daartoe kan niemand je dwingen. De uiterlijke vertoningen van religie hebben alleen maar betekenis als je er in gelooft. Dus kan een overheid die vroomheid wil bevorderen weinig doen. Ze kan mensen niet dwingen om bepaalde religieuze opvattingen te hebben. Ze kan slechts religieuze handelingen reguleren. Maar dat heeft alleen maar zin als je er in gelooft, en die handeling dus vroom is. Waarom zou je religieuze handelingen verbieden als ze betekenisloos zijn? Als je normaal iemand wel brood laat eten en wijn laat drinken waarom zou je dat verbieden als het in een kader van een Katholieke eucharistieviering is? De kern van Locke’s liberale betoog is dat de overheid bepaalde handelingen of bijeenkomsten niet moet verbieden om het enkele feit dat ze religieus zijn. Daarmee staat het de overheid vrij om allerlei handelingen te verbieden als zij wenselijk acht voor de samenleving. Maar het enkele feit dat ze een bepaalde religieuze betekenis hebben is geen reden om het te verbieden. Deze constructie is dus gericht tegen religieuze vervolging. Het berust op een conceptie van van negatieve vrijheid: de overheid mag geen beperkingen op leggen aan religieuze handelingen.
Tegenover deze puur negatieve constructie stellen multiculturalisten een positievere constructie. Taylor stelt dat een overheid actief moet ingrijpen als een culturele of religieuze gemeenschap onder druk komt: omdat religie zo’n belangrijk onderdeel is van de identiteit van sommige mensen moet de overheid soms actief ingrijpen om gemeenschappen te ondersteunen. Homogeniserende trends die ervoor zorgen dat minderheidsculturen verdwijnen moeten soms gestopt worden door overheidsingrijpen. Will Kymlicka benadrukt dat religieuze gemeenschappen ook beschermd moeten worden. Denk hierbij aan bijzondere eigen religieuze rechtbanken voor civiele kwesties, subsidies voor culturele instellingen en uitzonderingen op wetgeving waardoor ze om arbitraire reden benadeeld worden. Het voorbeeld van de uitzonderingen op wetgeving is een controversiele kwestie. Veel wetgeving in Nederland is expliciet of impliciet gebaseerd op Christelijke normen. De zondagssluiting is daar een goed voorbeeld van. Deze regeling is origineel ingesteld omdat de Christelijke meerderheid hier het vierde gebod tot wetgeving maakte. Een Joods of een Islamitische winkel moet volgens de wet ook dicht op zondag, terwijl zij liever zaterdag of vrijdag dicht zouden gaan. Als religieuze groeperingen van zulke wetgeving nadeel ondervinden zouden ze hier tegen beschermd moeten worden omdat de overheid niet een religie mag bevoordelen.
Laten we eens kijken naar de Nederlandse werkelijkheid. In de grondwet staat het recht op godsdienstvrijheid als volgt beschreven:
6.1 Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging,
individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens
ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
Past deze stelling in de liberale of in de multiculturele traditie? De vraag is waarom je dit artikel nodig hebt vanuit de liberale traditie. In het liberalisme volstaat het anti-discriminatiebeginsel: net als bij homo’s op een religieuze school, kan het enkele feit dat een handeling religieus is geen reden zijn om een handelingen te verbieden. Artikel 1 zou dan volstaan. Het feit dat er een expliciet artikel is over vrijheid van godsdienst duidt er op dat omdat religie een bijzondere waarde heeft voor mensen dit bijzondere bescherming van de overheid vereist. Een multicultureel standpunt misschien? Echter als je naar de bewoording kijkt gaat het om een negatief recht. Mensen hebben het recht om hun godsdienst in vrijheid te belijden. Dat vereist geen extra bemoeienis van de overheid of uitzonderingen op bepaalde wetten. Sterker nog het artikel wijst mensen expliciet op hun verantwoordelijkheden voor de wet. Eerlijk gezegd is het artikel vrij Lockeaans: religie neemt een bijzondere plek (zekere voor een gematigde verlichter als Locke) maar vereist slechts negatieve bescherming tegen religieuze vervolging. Dat is mijn constitutionele interpretatie. De Nederlandse rechters maken echter veel sneller uitzonderingen juist op basis van multiculturele interpretaties denk bijvoorbeeld aan het halal of koosjer slachten waarbij de wet gebroken wordt om religieuze slachting toe te staan.
Alhoewel ik een groot deel van de multiculturele redenatie deel (religie is een bijzonder onderdeel van de identiteit van veel mensen en kan bijzondere positieve ondersteuning krijgen als het een zwakke minderheidspositie heeft), en ik een deel van de redenatie zou willen usurperen om bijvoorbeeld subsidie voor tolerantie en acceptatiecampagnes voor homosexualiteit te rechtvaardigen (is sexualiteit ook niet een belangrijk onderdeel van je identiteit?) schuurt het bij mij op een punt: het voorstel om een uitzondering op wetten te maken voor religieuze groeperingen. Jebben religieuze groeperingen niet godsdiensvrijheid behoudens hun verantwoordelijkheid voor de wet? Gaat godsdienstvrijheid niet erom dat wetten niet bepaalde religies bevoordelen of benadelen? En als een wet dan een bepaalde religie bevoordeeld om arbitraire redenen moeten we daar dan niet gewoon vanaf? Weg op Christendom gebaseerde wetgeving als de zondagssluiting?