In weinig landen is de fractiediscipline zo sterk als in Nederland. In de Tweede Kamer is het zo sterk dat de kamervoorzitter partijen telt bij het stemmen en geen kamerleden. Alleen als kamerleden zich onttrekken van hun fractie worden ze geteld. Dat is bij minder dan 1% van de stemmen het geval.
Je zou verwachtte dat fractiediscipline het laatste redmiddel is van de machteloze kamerleden is. Mensen die het in de fractie verloren hebben kunnen dan niet anders doen dan anders stemmen. Backbanchers zonder macht, zonder invloed, zonder overredingskracht zouden dat dus moeten zijn. Van de fractiediscipline afwijken wordt, zo verwacht je dan bij de partij niet in dank afgenomen. Je bent toch verkozen om het partijprogramma uit te voeren niet om een beetje op je eigen houtje at random je hand op te steken! Einzelgaengers, solisten, die niet kunnen functioneren in de groep, de fractie, maken het maar moeilijk voor zich zelf.
Ik ben nu bezig om stemmingen in de Tweede Kamer te bestuderen. En wat blijkt, wie wijken af van fractiediscipline? Kamerleden als Rouvoet, Halsema, Wijn, Verburg. Dat zijn kamerleden die veel voorkeursstemmen binnen haalden, hoog op de lijst stonden en een zeker aan zien genieten. Mensen van wie je kan verwachten dat ze de fractie achter zich kunnen krijgen. Waarom stemmen deze eminente kamerleden nou juist afwijkend? Omdat zij het zich kunnen veroorloven. Onafhankelijkheid is niet het teken van een zwak kamerlid, maar van een sterk kamerlid. Ook worden ze niet afgestraft voor hun eigenzinnigheid, maar gepromoveerd: het fractievoorzitterschap, ministerschappen dat krijg je als je je onafhankelijk op stelt.
Overigens het zijn ook soms de Singh Varma‘s, Van Gijzels en natuurlijk de leden van de ouderenpartij die rebels stemmen. Toch ook de zwakkere kamerleden met een kleinere machtsbasis in de fractie, die niets anders kunnen. Hier worden mensen de fractie uitgezet, of op een lagere plaats op de lijst, of vertrekken mensen uit de kamer.
Er zijn dus twee type kamerleden die zich onttrekken van de fractiediscipline: de machtigen, die het zich kunnen veroorloven en de machtelozen, die niets anders kunnen. Alleen als je van alle gedisciplineerde kamerleden en alle onafhankelijken een beeld kan krijgen van hun machtsbasis (voorkeursstemmen, plaats op de lijst) dan kan je zeggen of in het algemeen de relatie de ene of de andere kant uitslaat. Maar in zo’n gemengde groep zouden de machtigen en de machtelozen elkaar nog wel eens in balans kunnen houden.
Toch zegt dit al iets over de fractiediscipline in de Tweede Kamer: alleen de allermachtigsten en de allerzwakste onttrekken zich van de fractiediscipline. De allermachtigsten zullen toch wel vaak hun zin krijgen, dus is het beperkte afwijkend stemgedrag een teken dat de macht in fracties relatief gelijk verdeeld is: veel kamerleden zitten in de middenmoot en stemmen met de mainstream. Iedereen krijgt wel eens zijn zin, en soms niet. Daar zit geven en nemen in. Fractiediscipline is geen teken van hierarchisch parlement maar van een traditie van polderen en consensus.