Stel dat ik geboren was in 1895 in plaats van 1984 wat zou ik dan hebben gestemd bij de verkiezingen van 1918? Een zeer hypothetische vraag, maar wel een interessante.
Laat ik als uitgangspunt nemen dat ik, onafhankelijk van welke omstandigheid dan ook, zal stemmen op een partij die op komt voor echte vrijheid voor allen.
Bij de verkiezingen van 1918 waren er zeventien partijen, die een zetel haalden. Vijf daarvan zijn, anders dan ik, christelijk. Twaalf to go. Acht andere partijen zijn rechts-liberaal, dat houdt in dat ze opdat moment tegen de verstrekkende hervorming van het nachtwakersstaat waren. Blijven er vier over: de vrijzinnig-democratische VDB, democratisch socialistische SDAP, de revolutionair socialistische (later communistische) SDP en de libertarisch socialistische SP. Het is een keuze tussen pragmatisch en idealistisch. Dus wordt het SP. De SP is echter geen lang leven beschoren. Bij de verkiezingen van 1922 is zij door een strenge kieswet kansloos. De VDB, de SDAP en de CPH blijven over. Je ziet mij niet snel de CPH steunen. De VDB is weinig radicaal, SDAP dus.
In 1932 breekt de marxistische oppositie uit de SDAP, onder leiding van Jacques de Kadt. Zij vormende Onafhankelijke Socialistische Partij. Een groep die zeker mijn sympathie zal hebben met name omdat zij zich zeer verzetten tegen het fascisme en het oorlogsgevaar. Helaas redt deze partij in 1933 de kiesdrempel net niet. In 1935 fuseren ze met de trotskistische Revolutionair Socialistisch Partij tot de Revolutionair Socialistische Arbeiderspartij. Ik denk niet dat ik me had thuis gevoeld bij deze nieuwe organisatie, die onder andere een eigen knokploeg heeft. En ik zal in 1937 terugkeren tot de SDAP. De VDB, die in de crisisjaren in het kabinet heeft gezeten en rechts bezuinigingsbeleid heeft gesteund heeft dan allang af gedaan.
Na de Tweede Wereldoorlog is het Nederlandse politieke landschap radicaal veranderd. Veel oude partijen zijn opgeheven en nieuwe ontstaan. Met name wederopbouw en de onafhankelijkheid van Indonesie zijn belangrijke thema’s. Bij de verkiezingen van 1946 halen slechts zeven partijen de kiesdrempel. Vier daarvan zijn christelijk en een is rechts-liberaal. Blijven de CPN en de PvdA over. Het Indie-standpunt van de PvdA, die later ook de politionele acties zal gaan steunen, vind ik te laf. Indonesie moet zo snel mogelijk onafhankelijk en dus stem ik, met zekere tegen zin, communisten. In 1948 waarschijnlijk ook. Dan blijf ik tot 1959 PvdA stemmen, met tegen zin, maar die stalinisten zijn ook niet alles.
Dan vormt zich in 1959 een nieuwe partij rond nucleaire ontwapening, solidariteit en vrijheid: de PSP. Een echt progressief linkse partij. Zeker tot 1971 een goede keuze. Dan twijfel ik toch even. Onder Nieuw Links veranderd de PvdA: met Joop den Uyl als een inspirerend leider naar een nieuwe wereld. Daarnaast stelt de PSP zich weigerachtig op waar het gaat om progressieve samenwerking. Misschien dat ik een of twee keer toch PvdA stem in 1971, 1972 of 1977. Mijn hart blijft echter bij de PSP en zeker na 1982 (na het beschamende kabinet Van Agt II en de anti-kernwapenmanifestaties).
In 1989 fuseert de PSP met CPN en de progressief-christelijke PPR en EVP tot GroenLinks, die opnieuw progressieve met linkse idealen combineert met een nieuw besef dat de aarde eindig is. Dat GroenLinks sinds 2004 de laatste links-liberale partij van Nederland schijnt te zijn, doet hier geen afbreuk aan: we blijven op komen voor duurzaamheid, diversiteit, democratie, vrede en solidariteit.