Groene dilemma’s

“Groen” twitterde Liesbeth van Tongeren op mijn vraag of GroenLinks een groene, rode of blauwe koers moest varen. Maar de vraag is of groen een eenduidige koers inhoudt.

Recente uitspraken van Louise Fresco over “vanuit het milieu gezien is er niets mis met plofkip en megastal” en nieuws dat elektrische auto’s “allerminst duurzaam” zijn, laten zien dat groene doelen (klimaat, dierenwelzijn, grondstoffen) lang niet altijd hand in hand gaan. Ik wil hier een aantal verschillende groene doelen bekijken en afwegen in hoeverre deze doelen hand in hand gaan.

Instrumentele waarde van natuur: inputs en outputs
Niets is economisch verstandig wat ecologisch onverstandig is, stelde Kathalijne Buitenweg. We kunnen onze natuur zien als een onderdeel van ons economische systeem. Het stelt grenzen aan wat we kunnen doen: wat we kunnen verbruiken, vervuilen en verspillen. In deze visie is natuur instrumenteel, waardevol voor menselijk leven. Wij mensen produceren, verplaatsen en consumeren en dat kost grondstoffen, die door de natuur geleverd worden en levert vervuiling op, die door de natuur wordt afgebroken. Ons economisch systeem heeft inputs nodig en levert outputs op die uiteindelijk uit de natuur komen of naar de natuur toegaan. De vraag is dan hoe we zo efficient mogelijk omgaan met grondstoffen en zo weinig mogelijk vervuiling maken, zodat menselijk leven duurzaam door kan gaan. Technologische innovaties of beprijzingsmechanismen liggen hierbij voor de hand. Een belangrijke vraag is of onze economisch systeem kan blijven groeien gegeven de ecologische grenzen. Het is in deze context, zoals ik daar net al heb gedaan een onderscheid te maken tussen grondstofproblemen (oprakende inputs) en vervuilingsproblemen (te veel negatieve externaliteiten of outputs). Het meest prominente vervuilingsprobleem is op dit moment CO2-uitstoot. We stoten met z’n allen zoveel broeikasgassen uit dat de natuur dit niet meer kan verwerken. De broeikasgassen blijven hangen in de lucht en veroorzaken klimaatverandering.

Intrinsieke waarde van natuur: dierenwelzijn en natuurbehoud
Maar er zijn dingen in de natuur die waarde op zichzelf hebben. Maar ook hier kunnen we onderscheid maken tussen dieren (wiens welzijn waardevol is, ten minste voor het dier zelf) en hele eco-systemen. Dierenwelzijn richt zich op individuen; natuurbehoud richt zich op hele systemen. Dat dierenwelzijn intrinsiek waardevol is, lijkt me self evident, maar gezien het feit dat nog niet iedereen vegetarier is, vereist dat misschien wat verklaring. Een dier heeft waarde op zich, net als mensen. Het is voor een koe niet fijn om te lijden, net als het voor mens niet fijn is om te lijden. De reacties van koeien en mensen op pijn zijn redelijk vergelijkbaar. Als je een koe een schok geeft als ze te dicht bij het rand van het veld komt, dan gaat ze niet meer aan de rand staan.
Waarom is een natuurgebied dat veel soorten heeft (zoals een oerwoud) op zich zelf waardvoller dan een landbouwgebied dat weinig soorten heeft (zoals een grasveld). Komt het omdat deze gebieden mooier zijn om in te ontspannen, of omdat daar meer dieren leven? Dan is natuurbehoud niet intrinsiek waardevol maar mensen- of dierenwelzijn. Of komt omdat we denken dat het voortbestaan van een natuurgebied waardevol is. Het voortbestaan van natuur die er al was voordat deĀ  mens bestond en ook zal bestaan nadat mensen zijn uitgestorven waarde heeft, is waardevol op zich. Gewoon omdat het altijd is geweest.[1]
Als we erkennen dat dingen intrinsiek waardevol zijn, dan voldoet het niet om er efficienter mee om te gaan of er door prijsmechanisme minder van te gebruiken. We zullen moeten stoppen. Als het moreel onjuist is om dieren te eten of bomen te kappen. Dan moeten we onze leven veranderen. Mensen mogen geen vlees meer eten en samenlevingen mogen geen natuurgebieden meer aantasten.

Conflicten tussen verschillende groene doelen
Nu kunnen we in beeld brengen in hoeverre deze doelen hand in hand gaan:

  • Inputs vs. outputs: onze fossiele brandstoffen hebben zowel een inputprobleem (want er is te weinig om op lange termijn door te gaan met olieconsumptie) en een outputprobleem (want door fossiele brandstoffen te verbranden veroorzaken klimaatverandering). Omdat elektrische auto’s grote batterijen nodig hebben waar heel zeldzame metalen in moeten, leveren ze als ze op windenergie rijden (outputprobleem opgelost) weer een nieuw inputprobleem op.
  • Inputs vs. dierenwelzijn: land is een schaarse grondstof. Onze vleesconsumptie kost een boel land (voor dierenvoeder). Minder vlees betekent meer dierenwelzijn en minder land. Maar door mest te vergisten en te verbranden kunnen we een deel van onze olieconsumptie verminderen. Goed voor de inputproblemen maar niet voor dierenwelzijnsproblemen.
  • Inputs vs. natuurbehoud: als we efficienter met onze grondstoffen omgaan hoeven we geen grondstoffen uit natuurgebieden te halen: gas boren onder de Waddenzee, olie boren in de Artic National Wildlife Reserve. Maar schone energie is geen natuurvriendelijke energie. Windmolens tasten natuurgebieden aan. En als we de hele Sahara vol leggen met zonnepanelen blijft er weinig van dat natuurgebied over.
  • Outputs vs. dierenwelzijn: in Meat the Truth laat Marianne Thieme vakkundig zien dat klimaatverandering deels veroorzaakt wordt door intensieve veehouderij. Maar als we vee houden in luchtdichte stallen waar we de door hen geproduceerde broeikasgassen afvangen en onder de grond opslaan, dan is dat niet goed voor het welzijn van de dieren.
  • Outputs vs. natuurbehoud: dat het produceren van vervuiling slecht is voor natuurgebieden lijkt me evident. Maar oplossing voor outputproblemen hoeven niet goed te zijn voor natuurbehoud. Als we de Sahara volplanten met bossen (om CO2 op te slaan), dan tasten we dat originele natuurgebied aan.
  • Dierenwelzijn vs. natuurbehoud: het lijkt alsof dierenwelzijn en natuurbehoud hand in hand gaan. Immers als er geen regenwoud was dan zouden ook allerlei dieren geen huis meer hebben. Echter in de natuur lijden dieren ook. Wolven eten herten. Dat is niet fijn voor het hert. Als mensen ze niet bijvoederen dan gaan in een harde winter een boel herten dood. Dat is de “manier” van het hele ecosysteem om de populatie herten niet te groot te laten groeien. En als we het regenwoud kappen voor sojavelden om koeien te voeden, dan is dat slecht voor die natuurgebieden. En als we de koeien voeden, niet melken en niet op eten, dan is dat niet slecht voor die dieren.

Het oplossen van input en outputproblemen, het zorgen voor dierenwelzijn of natuurbehoud zijn niet per se hetzelfde. Voor GroenLinks staat de laatste jaren klimaat bovenaan en voor de Partij voor de Dieren dierenwelzijn. In Australie is er een partij “Liberals for the Forest”. In het spectrum van de mogelijke groene problemen die je centraal zou kunnen zetten, hebben deze allemaal bestaansrecht, omdat dit onderscheiden problemen zijn.

[1] Hierbij breken we dus de is/ought-distinctie. Iets is waardevol op zichzelf omdat het er altijd is geweest. U begrijpt, ik geloof niet helemaal in de intrinsieke waarde van natuur.

Leave a Reply