Those Americans … They Have No Culture

Naast politieke en historische locaties, hebben ook de vele moderne kunstmusea in de VS mijn aandacht getrokken, zoals de National Gallery of Art in DC en het Guggenheim en het Museum of Modern Art in New York. Daar kwam ik tot de wonderbaarlijke conclusie dat er bijna geen, echt Amerikaanse kunst is. Zo weinig dat je zou kunnen stellen dat er geen Amerikaanse cultuur is.

De centrale onderliggende vraag is wat kunst is. Ik zou willen stellen dat kunst het maken van voorwerpen is die in de eerste plaats bedoeld zijn mooi te zijn. De intentie van de kunstenaar staat hierbij dus centraal. Het zijn of haar doel om iets te maken dat mooi is: dat dus voldoet aan esthethische eisen over harmonie, in compositie, toon, kleurgebruik etcetera. Religieuze, politieke of functionele doeleinden staan dus op een tweede plaats in de kunst.

Veel van de Amerikaanse musea hangen vol met collecties van Europese schilders. Hierbij ontwikkelde schoonheid zich langszaam van het zo-realistisch mogelijk weer geven van (geidealiseerde) landschappen, stillevens en portretten naar stijlen als impressionisme, expressionisme en abstracte kunst waarbij realisme werd ingeruild voor mooie kleurtegenstellingen en composities. Ik heb denk ik niet andere periodes van drie weken zoveel Renoirs, Seurats, Van Goghs, Manets, Picassos, Braques, Legers, Monets, Rodins, Gaugains, Matisses en Cezannes gezien als in de VS.

Zoals vroeger de Britten uit hun Griekse en Egyptische veroveringen hele tempels met beelden al mee namen, kochten de Amerikanen in de gebieden die zij hebben bevrijd hele schilderijcollecties op om in Amerika ten toon te stellen. Eerder waren de Amerikaanse schilders bijzonder geinteresseerd in Europese schilderkunst. Ze kopieerde Europese stijlen, en ze bezochten Europa tijdens een Grand Tour om daar te schilderen. Er dus wel kunst uit de periode voor grofweg 1950 van Amerikanen maar dat is vaak nauwelijks te onderscheiden van hun Europese tijdgenoten.

Edward_Hicks_-_Peaceable_Kingdom
Er zijn een aantal uitzonderingen. Die zijn te vinden in twee wegen: er zijn kunstenaars die expliciet een Amerikaanse methode gebruiken, zoals Edward Hicks in de vroege 19e eeuw die in tegenstelling tot het academisch realisme naief te werk ging. Maar eerlijk gezegd is dat zo slecht geschilderd dat we nauwelijks van kunst kunnen spreken.

Nighthawks MacDonaldWright_AirplaneSynchYelOrng
Amoskeag_Canal,_Sheeler O'Keeffe_Georgia_Ram's_Head

De tweede weg zijn kunstenaars die specifiek Amerikaanse te werk gaan: ten eerste zijn er kunstenaars die afreisden naar de Indianen, die Founding Fathers als Washington schilderden, die het Amerikaanse landschap weergaven, of met name sinds 1920 die ontwikkelingen als het kapitalisme, industrialisatie of de massa-maatschappij weergaven. Stanton McDonald-Wright en Charles Sheeler gaven op geheel eigen wijze de ontwikkeling van de techniek weer. Georgia O'Keeffe gaf het  landschap van het Amerikaanse Zuid-Westen weer. En Edward Hopper probeerde de vervreemding van de massa-maatschappij weer te geven.

Warhol-Campbell_Soup-1-screenprint-1968

Echter na de Tweede Wereldoorlog ontstaat er, onder de invloed van Europese ontwikkelingen twee opmerkelijke stromingen: het abstracte expressionisme aan de ene kant, waar de chaotische, bijna toevallige schilderijen van Jackson Pollock het meest van opvallen. En de anti-kunst, geinspireerd op de Dada, zoals bijvoorbeeld de Pop Art van Andy Warhol. Dada, ontstaan in Europa na de Eerste Wereldoorlog, probeerde niet meer mooie kunst te maken, maar veroordeelde de nadruk op schoonheid van de "bourgeoise" kunstenaars voor hen. Duchamp wilde bijvoorbeeld WC-potten als kunst in gallerij uitstallen. Warhol volgt hem door een schilderij van een kan soep als kunst te zien. Sindsdien is min-of-meer het eind zoek.

  No._5,_1948

Aan de ene, de abstract-expressionistische kant, telt iedere verfkladder op een doek als kunst. Aan de andere, Dadaistische kant, telt alles als kunst: van een verzameling verfrommelde bierviltjes, een stapel stenen, tot een "performance" waarbij er hard in een microfoon gegild wordt (alle drie gezien echt). Het idee dat kunst draait om schoonheid is niet meer zichtbaar. Kunstenaars willen bepaalde ideeen communiceren, bestaande academische regels schenden, of zich zelf uitdrukken in hun eigen kunst. De individuele beleving van de kunstenaar staat centraal: hij of zij bepaalt wat kunst is, hij of zij drukt zich zelf uit via het voorwerp of brengt zijn of haar individuele visie naar voren. Maar er wordt niet meer gestreeft naar een (universele, toegankelijke) notie van schoonheid.  Uiteraard zijn er aantal uitzonderingen, maar over het algemeen is wat er sinds 1950 gemaakt wordt niet kunst te noemen, als we kunst, zoals boven expliciet koppelen aan schoonheid.

In die zin is er een heel korte periode waarin er ruimte is voor Amerikaanse kunst: voor 1920 waren veel Amerikaanse kunstenaars niet te onderscheiden van Europese kunstenaars: qua methode en qua onderwerpen. En na 1950 is het hek in kunstzinnige dam en anything goes. In die korte periode hebben kunstenaars as McDonald Wright, Sheeler, O'Keeffe en Hopper gelukkig een aantal mooie dingen neer gezet.

Leave a Reply