Als één partij in de Tweede Kamer niet populistisch zou kunnen zijn, is het de Partij voor de Dieren. Immers deze partij verzet zich tegen de dominantie van menselijke belangen in de politiek. Beleid zou niet gebaseerd moeten zijn op wat mensen vinden maar op wat in het belang van alle dieren is. Iedere debatbijdrage wordt daarom afgerond met de ze zin ‘tevens ben ik van mening dat de bio-industrie moet worden afgeschaft’. Maar de recente bijdrage van Thieme aan het debat over het burgerforum EU had een aantal opvallende populistische kenmerken.
Laten we populisme definiëren als een (dunne) ideologie die
- een tegenstelling ziet tussen (a) een deugdzaam en ondeelbaar volk en een (b) kwaadaardige elite;
- stelt dat de elite het volk haar vermogen om haar soevereiniteit uit te oefenen ontnomen heeft;
- en stelt dat dat moet worden hersteld.
Het is belangrijk om op te merken dat populisme geen negatieve kwalificatie is. Volgens één van de indieners van het burgerforum EU, Ewald Engelen, die toch zelf aardig kwalificaties kan uitdelen en incasseren, zou populisme ‘in het woordenboek van nette mensen [staan] voor grof taalgebruik, redeloze onderbuikgevoelens, argumentenhaat en vijanddenken.’ Dat is in elk geval deze definitie niet het geval: het streven naar volkssoevereiniteit en een gezonde afkeer van autoriteit is regelmatig ‘the right side of history’ gebleken.
De kernredening van de debatbijdrage van Thieme is de volgende:
- De Nederlandse kiezer wil een pas op de plaats in Europese integratie. Dit blijkt uit de uitslag van het referendum over de Europese Grondwet en recente peilingen: “twee derde van de burgers geeft aan geen verdere overdracht van bevoegdheden te willen zonder referendum.“
- De Europese politieke elite wil dat Europese integratie verder gaat. De elite heeft de voorkeur voor besluitvorming in instituties die buiten het bereik van kiezers liggen, zoals de EU, de G8 en internationale handelsverdragen. Thieme zelf neemt afstand van die elite: “[i]k wens (…) geen deel uit te maken van een politieke elite die op dit moment de democratie aan het uithollen is.“
- De Europese politieke elite luistert dus niet naar kiezers. Ze gaan door met geforceerde Europese integratie tegen de wil van het electoraat. De kiezer is voor de Europese politieke elite een hindermacht, die ontwapend zou moeten worden: “[e]lke wijze waarop de bevolking aangeeft [met verdere Europese integratie] niet akkoord te kunnen gaan, wordt gezien als een ongewenste vertraging van de Brusselse trein, die hoe dan ook verder moet.”
- Dit is onjuist want niet de elite maar het volk mag soevereiniteit overdragen. Zo wordt de democratie uitgehold: “het [is] niet aan de volksvertegenwoordigers maar aan het volk om bevoegdheden over te dragen, de soevereiniteit op te geven en de macht van het parlement te verminderen.”
- Thieme pleit voor een ander Europa zonder landbouwsubsidies en met meer democratie. “Ook in dat kader ben ik voorts van mening dat er een einde moet komen aan de Nederlandse en de Europese bio-industrie.”
De redenering van Thieme komt op een aantal punten dicht bij populisme:
- ze neemt afstand van ‘de’ politieke elite (punt 1b);
- in haar ogen heeft die politieke elite het volk het vermogen zijn soevereine macht uit te oefnene ontzegt (punt 2 van het populisme);
- en in plaats daarvan moet er een pas op de plaats gemaakt worden met Europese integratie en moet de Europese Unie gedemocratiseerd worden (punt 3).
Wat dus mist is een positieve invulling van het begrip volk. Het volk heeft in de ogen van Thieme gelijk en zou zelf moeten kunnen beslissen over de Nederlandse onafhankelijkheid. Maar is het ook ondeelbaar? En deugdzaam? Dat wordt hier in elk geval niet duidelijk. Daarmee zouden we moeten stellen dat Thieme’s redenering niet populistisch is, alhoewel het er veel kenmerken van heeft.
Maar dit punt is in mijn ogen wel het meest belangrijk voor een partij die een niet-antropocentrisch wereldbeeld zegt te hebben. In debatbijdrage was dit element van Thieme’s eigen visie gemarginaliseerd tot een verwijzing naar landbouwsubsidies en een obligate slotzin. In elk geval in het geval van Europese integratie, is voor de Partij voor de Dieren de wil van mens alles wat telt. Niet de argumenten die ze gebruiken, niet de eigen visie van de Partij voor de Dieren en niet de belangen van niet-menselijk leven: het volk wil geen verdere Europese integratie. Daarmee is de kous voor Thieme af.
In dit debat had Thieme vast kunnen houden aan haar eigen idealen en een consequent niet-antropocentrische redenering kunnen neerzetten. Deze had er als volgt uit kunnen zien:
- Europese integratie is slecht voor dieren want een interne markt betekent dat dieren het hele continent over gesleept moeten worden, het gemeenschappelijke landbouwbeleid bevordert grootschalige bio-industrie en, bovendien, de Europese verdragen staan stierenvechten toe.
- De Europese Unie moet worden gestopt. Daarvoor zijn alle middelen geoorloofd. Ook dat van het referendum, waarin het Nederlandse volk vast weer tegen uitbreiding van Europese bevoegdheden zal stemmen.
- Daarom is de Partij voor de Dieren voor een referendum niet omdat de wil van mensen maatgevend is maar het belang van dieren.
Want zou Thieme echt willen dat stem van het volk alles zou bepalen? Iedere dag spreekt het Nederlandse volk zich in de supermarkt uit over de vegetarische idealen van Thieme; en iedere dag stemt een kleine minderheid op ‘gehacktbal’ en grote meerderheid op gehaktbal.