Vanavond sprak de aankomend voorzitter van het CNV-jong. Het gesprek ging over passie, politiek en idealen. We kwamen te spreken over hoe we in tijden van maatschappelijk onbehagen en groeiende intolerantie mensen van de waarde als solidariteit en duurzaamheid kunnen overtuigen. Of ons groene en linkse verhaal ook een antwoord kan zijn onbehagen en intolerantie.
In de trein terug moest ik denken aan mijn opstel voor Nederlands op de middelbare school. Nu meer dan zes jaar geleden. Daarin probeerde ik te laten zien dat juistn links een nieuw bezielend verband kan bieden om aan onbehagen en intolerantie een eind te maken. Het punt zit met name in de achtste sectie over radicale maatschappelijke vernieuwing.
"De illusie van de Nederlandse moraal
Het gaat slecht met de moraal in Nederland. Dit wordt door de ‘nieuwe politiek’ gesignaleerd. Het normbesef is niet bestaand en als gevolg daarvan is er een groot sociaal onbehagen. Onze eigen minister-president wil hier wat aan gaan doen: een nationale commissie ‘Normen en Waarden’ -overigens door hem maatschappelijke orientatie en levesbeschouwing genoemd. Wat hij doet is zinloos en ondoordacht. Een gemeenschappelijke Nederlandse moraal is een illusie. Voordat we met oplossingen komen, moeten we naar de oorzaken van het probleem kijken.
In de jaren ’50 was de moraal nog voor iedereen bindend. Maatschappelijk onbehagen was er nauwelijks. Dit had drie redenen: sociale cohesie, bindende religie en illusie van het vaderland. In gezinnen was er een sterk sociaal toezicht. Moeder zat de hele dag thuis en kon zo toezien op het gedrag van haar kinderen. Ook buiten op straat was er een groot sociaal toezicht: de buurten waren relatief klein en door de verzuilde maatschappij kwamen veel mensen elkaar vaak tegen. Immoreel gedag werd niet getolereerd. Daarnaast was er toezicht vanuit de kerk: iedere zondag werd deze bezocht en kon de dominee op het kansel en de priester bij het altaar dreigen met hel en vuur, als de moraal dreigde te verzakken. Daarnaast werden katholieken gedwongen misstappen op te biechten en daarvoor gestraft te worden. Ook leek er een sterke binding te zijn tussen alle Nederlanders. Met de gemeenschappelijke taal en het gemeenschappelijke koningshuis, moest wel een gemeenschappelijke cultuur bestaan. Dus moest je gedrag het vaderland waard zijn.
Hier kwam aan het einde van de jaren ’60 een eind aan: de ontzuiling en de individualisering. Binnen gezinnen en buurten ontstonden spanningen tussen jong en oud. De nieuwe, goed opgeleide generatie wilde af van de verdrukkende moraal van de jaren ’50. De oude generatie wilde vasthouden aan haar tradities, maar gaf uiteindelijk toe. In de jaren ’70 verdween de strenge moraal en onstond de gedoogcultuur. Ook stopt de trouw aan de kerken. Mensen begonnen zelf te denken over het leven en verloren hun angst voor de hel, maar ook de sterke moraal die zij mee bracht.
Een van de opvallendste gevolgen van dit ontzuilingsproces was dat aan het eind van de rit een van de grootste illusies ontmaskerd was: de nationale staat. Behalve het Huis van Oranje, het Haagse binnenhofcircuit, boerenkool en de Nederlandse taal, was er niets dat ons bond, als Nederlanders. Dit was al jaren zo, maar omdat de verzuilde gemeenschap (met een sterk zuilbesef) veranderd was in een nationaal gemeenschap (zonder nationaal besef) kwam dit aan het licht.
De ‘Nederlander’ bleef geindividualiseerd, onkerkelijk en ontheemd achter. De culturele elite begon zich in verschillende nieuwe groepen thuis te voelen: de krakers, de navelstaarders, de yuppen. Al deze nieuwe groepen verdwenen even snel als ze kwamen. Ze boden geen houvast op lange termijn. De mensen in de volksbuurten hadden geen geld of tijd voor dit soort overvliegende ‘rages’, maar zij voelden wel de negatieve aspecten van dit ontheemd zijn het sterkste: een sterk gevoel van onveiligheid en onbehagen. De roep om sterke staatscontrole om dit gevoel weg te halen vindt na 30 jaar gehoor aan de rechterzijde van de politiek. Deze begint zich in te zetten om de symptomen van de individualisering aan te pakken: er moet een einde komen aan de gedoogcultuur, normen en waarden moeten op nationaal niveau worden onderwezen. En bovenal het normbesef moet terug.
Maar het echte probleem wil men niet erkennen: er is geen nationaal bindende cultuur meer. Twee politici hebben dit wel (deels) gesignaleerd: Andre Rouvoet (ChristenUnie) en Femke Halsema (GroenLinks). Zij boeden ook oplossingen voor het gebrek aan bindende cultuur.
Rouvoet wil terug naar de jaren ’50 of liever nog verder. Christelijke waarden moeten weer belangrijk worden en vooral die van het oude testament: ijzerharde rechtvaardigheid en oneindig geloof in God en zijn Woord. Dus moet Nederland zich qua normen ook aanpassen: geen abortus, wel doodstraf, vrouwen aan het aanrecht, kerkelijk toezicht maar boven alles moet dit allemaal zich in Nederland voordoen. Er zijn maar weinig mensen die dat willen en echter terug willen naar de jaren ’50, nu ze de vrijheid hebben geproefd.
Halsema biedt een ander perspectief, dat van radicale maatschappelijke vernieuwing: de waarden van onze nieuwe cultuur moeten vrijheid, solidariteit, vreedzaamheid en duurzaamheid worden. Hiervoor is een tweede jaren ’60 nodig. De moraal die wij afwierpen in de jaren ’60 moet nu geruild worden voor een een nieuwe. Dit is een zeer complex geestelijk proces dat zich niet op national niveau maar op mondiaal niveau moet voordoen. Immers de nationale staat is een illusie. Dit zal jaren duren. Realisten reageren hard op Halsema’s oplossing: ze leeft in een intellectuele illusie. Welke moraal zij ook kiest dat heeft geen invloed op het leven van de geindividualiseerde inwoners van de volkswijken. Maar toont wat er radicaal veranderd is in de jaren ’60 niet het gelijk van Halsema’s idealisme?
Uiteindelijk is het proces van individualisering onontkoombaar, dus biedt Rouvoet geen oplossing. Ook Balkenende’s eigen meer symptomatische oplossing met een sterke nationale inslag biedt op lange termijn geen oplossing voor het onbehagen. Halsema’s oplossing: het vinden van een nieuwe mondiale moraal lijkt te idealistisch maar is de enige oplossing, gezien de werkelijke aard van het probleem.
Het opstel staat me nog zo goed bij omdat de docente erover schreef in het jaarboek: "[h]oewel het opstel van een van de
rechtervleugeladepten erg goed was, was het opstel van iemand uit de
linkerhoek nog beter. Groots zelfs." Ik weet niet of ik dit verhaal nog steeds groots zou willen benoemen. De stelling die ik neer zet is intrigerend, maar niet goed uitgewerkt: kunnen idealen als duurzaamheid en solidariteit de plek over nemen van vaderlandsliefde en religie? Is idealisme genoeg grond voor een bezielend verband?
Er is een land waar een politiek ideaal het bezielend verband is: de Verenigde Staten. De Amerikaanse droom verbindt alle Amerikanen: blank, hispanic en zwart, Joods, Moslim en Christen. De Amerikaanse droom is politiek ideaal van gelijke kansen en formele vrijheid. Kan er niet een Europese droom tegenover staan? Een van gelijke middelen, materiele vrijheid en een duurzame toekomst?
Ik heb nu -zes jaar naar dato- wel mijn bedenkingen bij een aantal van de aspecten van de argumentatie: een complex, langdurig cultureel proces zou het zeker zijn zo’n tweede jaren ’60. Ik weet niet of het kan gebeuren. Dat dit proces op een mondiaal niveau moet plaats vinden, denk in elk geval niet. Nederland moet zich (weer) op de wereld orienteren, niet op zichzelf, maar om onze problemen op te lossen moeten we niet Inuit dwingen hun cultuur te veranderen. Noch denk ik niet dat een nieuwe moraal de oplossing is, solidariteit, duurzaamheid en tolerantie zijn politieke idealen, geen morele voorschriften. Ik weet in elk geval zeker dat Femke Halsema een realistischere politieke koers voorstaat. Dat is misschien maar goed ook.