Vandaag sprak ik, namens de Leidse programmacommissie, met Hans van Egdom, de woordvoerder op het gebied van werk & inkomen van de Leidse GroenLinks fractie. Hij had een aantal interessante dilemma’s voor ons. Een wil ik hier vanuit filosofisch perspectief (iets) verder uitwerken.
De vraag is op welke groep mensen "aan de onderkant van de samenleving" je je middelen moet richten: die mensen in die net in de bijstand zijn geraakt, of die mensen die er al jaren in zitten. Je zou de volgende beelden van deze twee groepen kunnen schetsen: De tweede groep wordt ook wel het "granieten bestand" genoemd. Een groep mensen die al zeer lang niet werken, misschien zelfs nooit werkervaring hebben op gedaan. Ze worden langszaam ouder, te oud voor veel werkgevers. Ze hebben geen of een gebrekkige opleiding, die niet aan spreekt bij de behoefte van werkgevers. Kansarme mensen, die al jaren aan de kant staan dus. De eerste groep bestaat uit mensen die net de bijstand in komen, omdat ze bv. net te lang in de WW hebben gezeten. Niet zo lang geleden nog ontslagen, met werkervaring, een stuk jonger ook.
Het dilemma betreft geld dat de gemeente uitgeeft aan reintegratie in de arbeidsmarkt. Je kan ervoor kiezen om dit te concentreren bij de eerste groep of bij de tweede groep. Je kan de tweede groep dan ook van de sollicatieplicht bevrijden, met name als ze ouder zijn. Volgens Hans was hier in een ingewikkeld verdelingsvraagstuk: als een
vast budget uit kan geven aan reintegratie, geef je het daaruit
waar je het meest kan bereiken of waar het ‘t meest nodig is? Je kan met relatief weinig middelen snel resultaat kan boeken bij de eerste groep. Er zijn sterke incentives om je op de eerste groep te richten. Dat geeft allerlei succesverhalen over grote uitstroom en verminderde uitgaven aan uitkeringen. Maar moet je die tweede groep dan vergeten, opgeven, omdat het zoveel meer moeite kost om deze mensen vooruit te helpen?
Laten we hier eens naar kijken vanuit de drie belangrijkste benaderingen in de huidige politieke filosofie omtrent verdeling:
- De utilitische benadering (van Jeremy Bentham) stelt dat we als we handelen, bv. belastinggeld uitgeven aan sociale zekerheid, we zo moeten handelen dat het ‘t meeste geluk oplevert. Efficientie staat hier dus centraal: met die ene euro zoveel mogelijk geluk genereren;
- De resource-georienteerde benadering (van John Rawls en Ronald Dworkin) is ontwikkeld in reactie op het utilisme. Deze stelt dat we niet geluk kunnen herverdelen -mensen moeten zelf hun eigen geluk na streven-, maar dat de overheid zich slechts kan richten op middelen, zoals geld, onderwijs en zorg, die mensen in staat stellen om zelf vorm te geven aan hun eigen leven. Een centraal principe voor resourcists is dat middelen egalitair verdeeld moeten worden. En wel dat middelen op een of andere manier zo gedeeld moeten worden dat zij die het slechtste af zijn er het meeste voordeel van hebben;
- De capability benadering (van Amartya Sen) is weer een reactie op het de resource-georienteerde benadering. Sen stelt dat je middelen wel gelijkmatig kan verdelen, maar dat je oog moet hebben voor hoe mensen in staat zijn om de middelen om te zetten die middelen om te zetten in "functionings". Functionings zijn intrinsiek waardevolle activiteiten en eigenschappen, denk hierbij aan een gezond leven, participeren in de samenleving maar ook het vermogen om na te denken, gevoelens te hebben, en van vrije tijd te genieten.
Hoe zouden Rawls, Sen, Dworkin en Bentham Hans adviseren?
- Bentham zou als volgt naar het dilemma kijken: je hebt een euro en je wilt daar zoveel mogelijk geluk mee genereren. Door mensen aan het werk te helpen, te laten participeren in de samenleving maak je ze gelukkig. Dan moet je dus met dat geldt zoveel mogelijk mensen aan het werk helpen. Als je voor het dilemma staat geld uit te geven aan iemand die waarschijnlijk nooit meer aan het werk kan en iemand die daar wel perspectief op heeft, moet je kiezen voor efficientie. Het klinkt misschien hard, maar je moet geen geld gooien in een groot zwart gat.
- Rawls en Dworkin zouden hier heel anders naar kijken: het granieten bestand bestaat juist uit die mensen die er het slechtst aan toe zijn. Mensen uit de laagste sociale klasse, waar armoede erfelijk is. Mensen die vaak geestelijke of lichamelijke problemen hebben. Juist daar moet je je middelen op concentreren. Zij hebben juist meer aanspraak op dit geld omdat hun situatie uitzichtlozer is, dan die van "kansrijke" werkelozen.
- Sen zou Rawls volgen: als je middelen verdeelt moet je dat dan op zo’n manier doen dat je het vermogen om bepaalde waardevolle staten te bereiken gelijkelijk verdeeld. Laten we aannemen werken zo’n waardevolle staat is. Je moet iedereen zo gelijk mogelijk in staat stellen om te werken. Zowel het granieten bestand als de kansrijke werkelozen. Als dat betekent dat je meer geld steekt in de reintegratie van de meest kanslozen is dat rechtvaardig, als je werk zo’n belangrijk vindt, moet je iedereen daar perspectief op bieden.
Kiezen voor de kansrijken wordt door Bentham gesteund, kiezen voor de kansarmen door Sen, Rawls en Dworkin. Ik denk dat zij het als volgt zouden verwoorden: het een vals dilemma kiezen tussen kansrijk en kansarm, tussen waar je geld iets bereikt en waar het nodig is. Efficientie is wel belangrijk maar rechtvaardigheid is belangrijker. Echt gelijke kansen voor kansarmen en kansrijken om vorm te geven aan hun eigen leven, om waardevolle staten te kunnen bereiken, betekent dat je je meer moet inzetten voor zij die het echt moeilijk hebben.