Dilemma’s voor GroenLinkse politiek III

Een vernieuwde versie van mijn eerdere dilemma’s voor GroenLinkse sociale politiek, met nieuwe tegenstellingen en syntheses. Alle commentaar is welkom!

Binnen de GroenLinkse sociale politiek bestaan er twee spanningsvelden: tussen ontspanning en participatie en tussen eigen verantwoordelijkheid en paternalisme.

In 1991 streefde GroenLinks naar een samenleving waarin iedereen die daartoe in staat is moest kunnen deelnemen aan betaalde arbeid. Geleidelijk is de positie iets veranderd. Het laatste verkiezingsprogramma streefde naar een samenleving waarin  iedereen die daartoe in staat is moet deelnemen aan de samenleving, door betaalde arbeid, vrijwilligerswerk of een opleiding te volgen. Tegenover dit ideaal van de participatie samenleving staat het ideaal van de ontspannen samenleving: mensen moeten juist minder willen gaan werken en niet meer. De kritiek richt zich met name op de ‘ratrace’ die de huidige economie kenmerkt. Mensen hebben geen tijd voor zorg, ontspanning, vrijwilligerswerk en zelfontplooiing: ze leven om te werken. GroenLinkse sociale politiek zou juist moeten staan voor onthaasting: meer rust, ontspanning en eerlijkere verdeling van arbeid binnens- en buitenshuis. Er is een spanning tussen participatie en ontspanning: willen we zoveel mogelijk mensen dwingen om aan de ratrace mee te doen of willen we juist mensen de kans geven om zich te richten op dingen die echt belangrijk zijn.
Deze tegenstelling kan opgelost worden door een nadruk op eerlijk delen: van arbeid en zorg, binnen een mensenleven, van vrije tijd en arbeidstijd, tussen mensen in de ratrace en mensen die uitgesloten zijn van participatie. Het probleem van het huidige sociale stelsel is niet het gebrek aan arbeidsparticipatie maar een oneerlijke verdeling hiervan. De vraag is hoe zo’n sociaal stelsel, waarin deze drie idealen (eerlijk delen, ontspanning, participatie) allemaal gelijkelijk worden verwezenlijkt er uit ziet. Hoe kunnen deze idealen verenigd worden? En op welke van deze leg je de nadruk?

Een andere vraag bij het vorm geven van dit sociale stelsel is burgerschap: wat kan de overheid van haar burgers verwachten? Is het bieden van kansen genoeg of moet de overheid soms mensen dwingen hun kansen te grijpen? Hebben burgers een eigen verantwoordelijkheid voor hun eigen emancipatie? Zijn burgers dan ook zelf verantwoordelijk voor hun eigen falen? Mogen burgers zelf bepalen hoe zij vorm geven aan hun leven?
Er ligt dan een tegenstelling tussen een (klassiek-)liberaal ideaal van burger als verantwoordelijk voor zijn eigen leven en een sociaal-democratisch ideaal van de staat die bepaalt wat in het eigen belang van burgers is en hen ondersteunt  (lees: dwingt) om dat te bereiken: een vorm van paternalisme.

Door de tegenstelling tussen ontspanning en participatie en eigen verantwoordelijkheid en paternalisme met elkaar in verband te brengen krijg je vier posities.

  • Als je de nadruk op participatie en paternalisme met elkaar verenigd krijg je een positie die mensen zal dwingen meer te participeren: participatie/betaalde arbeid is goed voor je en de overheid zorgt ervoor dat iedereen dat ook doet.
  • Een systeem dat de nadruk op participatie met eigen verantwoordelijkheid eigen verantwoordelijkheid verenigd is de nachtwakersstaat: de afwezigheid van een sociaal stelsel stelt iedereen in staat om zelf te kiezen hoe hij zijn eigen leven vorm geeft en dwingt iedereen te werken.
  • Een nadruk op ontspanning en paternalisme is een tendens die de ontspannen samenleving met zich mee draagt: te veel werken is niet goed, de overheid moet ervoor zorgen dat, bijvoorbeeld door algemene arbeidstijdverkorting, iedereen gedwongen wordt minder te gaan werken.
  • Een systeem dat eigen verantwoordelijkheid en ontspanning met elkaar verenigd is het basisinkomen: mensen kunnen zelf kiezen om een ontspannen of een ingespannen leven te leiden. Mensen zijn zelf verantwoordelijk om meer dan het sociale minimum te verdienen, dat de overheid voor allen verzekert.

Leave a Reply