Republicanisme vs. Liberalisme

Er valt op het boek van Held (zie vorige post) ook heel wat af te dingen. Zijn schematisering van verschillende vormen van democratie is uiterst complex. Ik zal hier een uiterst simpel onderscheid voorstellen tussen liberale democratie en republikeinse democratie. De fundamentele vraag die liberale van republikeinen scheidt, is een vraag van waarde: is democratie op zich waardevol of is het slechts een middel.

Liberalen menen dat democratische besluitvorming slechts ten doel heeft de vrijheid c.q. het welzijn van de burgers te bewaren door de macht van de elite te beperken. Vrijheid (of welzijn) is het hoogste goed. Bijvoorbeeld: door regelmatige verkiezingen  wordt de macht van politici beperkt.  Zo’n opvatting van democratie gaat ook goed samen met de rechtsstaat, waar de macht van de overheid beperkt is door de grondwet, ten bate van de rechten van burgers. Representatieve democratie is hierbij een passende uitvoering.

Machiavelli was een van de eerste die zo’n soort mening debiteerde. Zijn kernthese is dat een prudent politicus oog heeft voor de behoeften van de burgers omdat hij zonder hun steun niet kan regeren. Hobbes had vergelijkbare, zij het wat minder democratische, opvatting. Hij meende dat het hoofddoel van de overheid de bescherming van haar burgers was. De meest prominente aanhanger is Mill en andere 19e eeuwse utilitaristen. Zij menen dat de overheidsmacht beperkt moet zijn en door de burgers gecontroleerd omdat dit tot het hoogste totale geluk leidt. Prominenten 20e eeuwse liberale democraten zijn Weber en Schumpeter. Zij zijn beide skeptisch over het idee dat in een democratie het algemeen belang wordt nagestreefd, en zien democratie als een methode om elites te kiezen en on-their-toes te houden. Na oorlogse Amerikaanse pluralisten, als Dahl staan ook in deze traditie.

Republikeinen daarentegen menen dat participatie in democratische besluitvorming op zich waardevol is. Volkssoevereiniteit is de enige basis voor legitieme besluitvorming. Zo’n opvatting past ook beter bij een overheid die niet beperkt is door een grondwet of burgerrechten. Het volk heeft het absoluut te zeggen. Zo’n ideaal van democratie hangt goed samen met directe democratie, in de vorm van lekenjury’s, referenda, townhall meetings etc.

Deze opvatting vindt zijn basis bij de Atheense democratie en bij Marsilius van Padua, die voor het eerste het idee van volkssoevereiniteit formuleerde. De belangrijkste exponent is echter Rousseau, die meende dat mensen slechts echt vrij kunnen zijn als zij zich onderwerpen aan de algemene wil. In de 20e eeuw is er een traditie van deliberatieve democratie. Dit legt de nadruk op de waarde van onderlinge communicatie bij het vormen van meningen. Als er sprake is van echte democratische besluitvorming is er een kwalitatieve sprong van de meningen van alle individuen naar de mening van iedereen samen. Habermas is hier een belangrijke exponent van.

Leave a Reply