Een GroenLinks prisma & het droste effect

Een tijdje geleden introduceerde ik het idee van het GroenLinks prisma. Een manier om te kijken naar de manier waarop GroenLinks verschillende beleidsterreinen kan beanderen. Hierbij wordt het GroenLinks denken uitgewerkt vanuit drie ideaaltypische perspectieven: een links-liberaal blauw perspectief, dat vrijheid en openheid centraal stelt; een progressief-socialistisch rood perspectief, dat gelijkheid en solidariteit centraal stelt; en een groen perspectief, dat duurzaamheid en natuurlijkheid centraal stelt. Vanuit dat perspectief kan je kijken naar de democratie, volkshuisvesting, volksgezondheid, kunst. Maar ook naar de verdeling van portefeuilles. Eerder heb ik al gespeeld met het idee hoe een GroenLinks fractie verantwoordelijkheden moet verdelen.

Ik ben deze excertie begonnen om na te denken over hoe een grote GroenLinks fractie er uit zou moeten zien. Hoe zou GroenLinks de portefeuilles verdelen tussen 29 kamerleden verdelen? Als we de twee machtigste kamerleden even naast ons neerleggen (de fractievoorzitter en de financieel woordvoerder), die overal over gaan, dan kan je volgens mij door het voortdurend uitdelen door het toepassen door het GroenLinks prisma tot 27 kamerleden te komen. In mijn ogen bestaat een ideale portefeuille van kamerlid uit een combinatie van een beleidsterrein met een focus, dat een focus biedt voor het hele beleidsterrein. Dus: je neemt bijvoorbeeld het onderwerp gehandicapten- en ouderenzorg, met als focus het bieden van de middelen van mensen om zelfstandig te zijn.

Dat is de theorie. In deze praktijk zitten er wel wat haken en ogen aan. Soms is een deling van een beleidsterrein wel te maken, maar niet precies langs de lijnen van de kleuren. Ik zal niet de hele boom doorlopen, want dat wordt allemaal wat saai en technisch, maar laat ik eens een stukje doorlopen. We delen alle beleidsterreinen in drie brede gebieden gebaseerd op kleuren: groen zit in bovenste helft, dat gaat dus om allerlei milieu-onderwerpen: groene innovatie (waarbij een vrije markt en creativiteit worden ingezet voor het milieu), groene natuur (dat draait om een gezonde harmonie met onze natuurlijke omgeving) en de groene stad (waar sociale en groene doelen hand in hand gaan, denk isolatie van huurhuizen). Aan de linkerkant liggen de echt rode onderwerpen, dat gaat om de kern van de publieke sector, het onderwijs, de zorg en de sociale zekerheid. Deze kan je zoals ik heb gedaan koppelen aan bepaalde kleuren: onderwijs aan blauw (gelijke kansen), sociale zekerheid aan rood (sociale rechtvaardigheid op zijn puurst) en gezondheidszorg aan groen (kwaliteit van leven). Hierbij is het koppelen van kleuren aan beleidsterreinen al geforceerder. Bij blauw gaat dat nog moeilijker. Dat gaat in principe om de kerntaken van een overheid in een nachtwakersstaat: het beschermen van een open samenleving, met een open overheid, dat open staat voor de wereld. Welke daarvan precies rood, groen of blauw zijn is afhankelijk van de verdere invulling.

Op het laagste niveau vind je de 27 portefeuilles: want iedere portefeuille is weer in drieen gesplitst. Binnen de rode publieke sector, is er dus een rood kernthema (sociale zekerheid) en die heeft weer een rode, een blauwe en groene benadering. De rode benadering gaat om het bestrijden van armoede (inkomen), een blauwe benadering om het bestrijden van afhankelijkheid (werk) en een groene benadering om het bestrijden van stress en haast (verlof). En zo zijn alle onderwerpen uitgedeeld. Soms is dat beter geslaagd en soms minder.


Untitled Image 3

Ik zal ze niet alle 27 doorlopen. Maar ik wel iets zeggen over de patronen die er inzitten. Naar kleur.

Groen is het lastigste op het laagste niveau. Groen stelt in principe een balans centraal tussen mens en milieu. Dat gaat prima in de milieuhoek: het draait groen om een bloeiende natuur en gezond klimaat (energie en OV). Maar wat kan je dan zeggen over onderwijs? Of over de organisatie van de overheid? Ik denk dat een groene benadering van sociale problemen draait om een andere manier van leven. Een manier van leven waarin meer rust en ruimte is, waar mensen tijd voor elkaar hebben en waar problemen worden voorkomen in plaats van genezen. Kwaliteit van leven staat centraal. Eigenlijk zit dat al besloten in groen/groen/groen namelijk de nadruk op natuur. Een bloeiende natuur is namelijk niet alleen mooi op zichzelf maar door in de natuur te recreeren kunnen mensen ook tot rust komen, en door beweging, buitenlucht en natuurvoeding worden ziektes voorkomen. Dus betekent dat in sociaal opzicht een focus op de preventie van ziekten (door bijvoorbeeld sport, weer zo'n vorm van (buiten)recreatie), een samenleving waar mannen en vrouwen tijd hebben voor hun gezin en voor ontspanning, en waar kinderen kind kunnen zijn. Als we kijken naar de rechterkant, dan zien we een groene nadruk op cultuur als een uiting hiervan: cultuur als een vorm van ontspanning. Waar het gaat om de overheid in nauwe zin benadrukt een groene benadering in mijn ogen subsidiariteit: beslissingen nemen op het natuurlijk passende niveau: en dat betekent decentralisatie (een open bestuur) en Europeanisering (open in de EU). Milieuproblemen stoppen niet bij de landsgrenzen en vereisen vaak internationale actie. Maar juist ook decentralisatie is groen: want alleen zo kan je een beweging van Not In My Backyard omzetten in een Not On Planet Earth-beweging. Als iedere gemeente het zelf zou mogen beslissen komt er nergens een kerncentrale. En dan zie je volgens mij dat echt puur-groene politiek om meer gaat dan natuur, milieu of klimaat. Het gaat ook om een andere manier van leven die kwaliteit van leven centraal stelt, en een andere manier van besturen die voor ieder probleem een gepaste beslissingsniveau biedt.

De blauw visie sluit vaak makkelijker aan bij veel onderwerpen. De liberale visie, met haar nadruk op de markt en het vrije, rationele individu is universeler: dat gaat dus om het beschermen van klassieke burgerrechten (de rechtsstaat)  maar ook om dierenrechten en vrede. Dat gaat om het in staat stellen van mensen om zelfstandig te leven waarbij outsiders toegang krijgen tot de arbeidsmarkt en gehandicapten en ouderen de middelen om grip te houden op het eigen leven. Andere aspecten zijn het stimuleren van excellentie door onderwijs en innovatie, culturele en seksuele diversiteit en de vrijheid van de auto combineren met ecologische verantwoordelijkheid door rekeningrijden.

De rode visie is het meest universeel van alle visies. Deze progressief-socialistische visie stelt solidariteit, materiele gelijkheid en positieve gelijkheid centraal. Het gaat om het eerlijk delen van lasten en lusten, of het nu inkomen is, de kosten van gezondheidszorg of van huisvesting. Om het verzekeren van (groene) werkgelegenheid en de training om daar aan de slag te kunnen. En het bieden van veiligheid en zekerheid of het nu gaat om voedselzekerheid of veiligheid op straat. Ten slotte is rood internationaal solidair met landen waar armoede is (OS) en met mensen die onderdrukking ontvluchten (asiel).

Dus mocht GroenLinks ooit 29 kamerleden hebben, of een lijst met 27 kandidaten zou het zo kunnen.

Leave a Reply