Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen III

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel II schetste ik het probleem van het maxime “with great power comes great responsibility” dat te veel vraagt van X-mensen. Nu wil ik kijken naar het tegenbeeld waarin de superioriteit van X-mensen erkend zou worden.

Ik eindigde gister met hoe het idee dat “with great power comes great responsibility” leidt tot een situatie waarin mensen met bovenmenselijke vermogens, bovenmenselijke prestaties moeten leveren maar daar niet bovenmenselijk voor beloond worden omdat de rest van de wereld voordeel van hun prestaties moet hebben. Dit is fundamenteel strijdig met het Kantiaanse principe dat we mensen moeten behandelen als doel-op-zich en niet als middel. En juist dit Kantiaanse principe is voor veel liberale egalitaristen een uitgangspunt.

Meritocratie

De andere kinderen van Kant zijn de libertariërs, zoals Robert Nozick: en precies om deze reden. Zij stellen dat mensen recht hebben op alles wat ze zelf produceren en wat ze in vrijwillige handel krijgen. Als mensen dus superieure productieve kwaliteiten hebben, hebben ze recht op de middelen die ze produceren. Als er zo ongelijkheden tussen individuen ontstaan zijn die gerechtvaardigd: ze reflecteren immers verschillen in vermogens. Hun kernargument is: ongelijke monniken, ongelijke kappen. Dit is een meritocratie: we leggen geen grenzen aan het vermogen van mensen om inkomen te verdienen met hun talenten.

Dit is de claim die je als X-mens het beste kan maken. Stel je Magneto voor als John Galt: die claimt dat mutanten overbelast worden door het collectief.

Het nadeel van een gelijke behandeling van ongelijke mensen is dat in economisch opzicht de X-mensen zullen domineren. De leiders van grote bedrijven, de superrijken, de 1% zullen uit één ‘etnische’ groep komen. Publieke jaloezie zal niet te onderdrukken zijn en populistische bewegingen zullen opkomen: de X-mensen zullen economische macht hebben, maar vanwege hun aantal zullen de W-mensen de politieke macht in handen nemen. De vraag zal zijn of en hoe lang de X-mensen de democratie zullen accepteren.

Vanuit dezelfde meritocratische argumenten kan je namelijk ook verdedigen dat de beste moeten regeren. De X-mensen zijn ook veel geschikter om politieke verantwoordelijkheid te dragen. Ze kunnen gewoon beter beslissingen nemen. Daarom zou de overheid ook X-mensen aan moeten nemen als ambtenaar: als iedereen op gelijke voet in openbare dienst benoembaar is, dan zullen de betere kandidaten geselecteerd worden.

Maar vanuit het gedachtegoed van Plato kunnen we een radicaler voorstel formuleren: de theorieën van Plato passen misschien wel het  beste bij het idee dat er een superieure minderheid is: volgens Plato moeten de macht moet niet liggen bij het volk dat allerlei verkeerde beslissingen kan nemen maar bij de meest wijzen. In ons geval moeten dus de X-mensen de politieke macht krijgen.

Als je denkt dat dit inherent ondemocratisch is: Mark Bovens stelt dat onze huidige samenleving waar de ministeries bestaat uit mensen met een wetenschappelijke opleiding en waar het overgrote deel van Kamerleden en ministers een wetenschappelijke opleiding heeft gedaan erg lijkt op het Platoonse ideaal.

Wat voorkomt dan het maken van de laatste stap: niet alleen de economische welvaart en de politieke macht maar ook de morele autoriteit ligt bij de superieuren. Het werk van Nietzsche geeft hier aanleiding toe: hij maakt een onderscheid tussen slavenmoraliteit en meestersmoraliteit. De slavenmoraliteit legt de nadruk op nederigheid, compassie en gemeenschap. De meestersmoraliteit gaat uit van trots, kracht en individualisme. De nadruk van compassie van de slaven is eigenlijk een uiting van jaloezie van de zwakken voor de vermogens van de sterken. Eigenlijk geeft Nietzsche hiermee avant-la-lettre al kritiek op Dworkin en zijn streven naar gelijkheid. Dat streven beperkt grote mensen in hun vermogen om grote dingen te doen. Deze morele claims sluiten ook prima aan bij de situatie van de X-mensen. Zij zullen zich ook moreel beperkt voelen door de talentloze massa die met afgunst naar hun vermogens kijken.

Het gevaar van Nietzscheaanse moraliteit is dat je potentieel zou kunnen afleiden dat de morele waarde van mensen zou kunnen afhangen van hun plaats in de meester-slaaf-dichotomie. Je zou het kunnen gebruiken om onderdrukking en slavernij van de talentloze te verdedigen. Dat past in het conflict tussen mensen en mutanten: Magneto verdedigt een soort pop culture versie van Nietzsche waarbij mensen onderworpen zouden moeten zijn aan hun meesters.

Nutsmonsters

Deze meester-slaaf-moraliteit kan een interessante spin krijgen als we een nieuw mens-type invoeren: de Y-mensen. Ze kunnen krachten krijgen net als X-mensen, maar alleen als ze mensen consumeren, zoals een vampier. Bovendien: als ze mensen consumeren hebben ze niet alleen maar superieure vermogens maar ook superieure emoties. Ze zijn ongelofelijk gelukkig: veel gelukkiger dan een W-mens kan zijn.

Hiermee komen we bij een interessant utilistisch dilemma. Een utilist, zoals Jeremy Bentham zou van een X-mens hetzelfde vereisen als Rawls of Dworkin. Ze moeten die keuze maken die leidt tot het meeste geluk voor de grootste groep mensen: with great power comes great responsibility.

Maar bij Y-mensen schuiven utilisten langs de meritocraten. Waar meritocraten en egalitair liberalen mensenrechten respecteren, doen utilisten dat niet. Daarmee kunnen ze de consumptie van W-mensen door Y-mensen verdedigen. De dood van een W-mens is gerechtvaardigd als het geluk dat een Y-mens daaruit zou krijgen groter is dan het geluk dat de W-mensen in hun leven zouden kunnen krijgen. Dit noemen we het geluksmonster.(Hier een pop culture uitleg door Existential Comics) Als het verschil tussen W-mensen en van Y-mensen vergelijkbaar is met het verschil tussen mieren en mensen, dan verschilt de geluksbeleving van X-mensen en Y-mensen ook zo fundamenteel.

Dat is een rechtvaardiging om vlees te eten: mensen krijgen plezier van het eten van dieren en aangezien dieren lagere wezens zijn weegt hun lijden niet op tegen het geluk van mensen. We zien hier overigens wel een probleem van utilisten: hoe kan je het geluk van verschillende wezens vergelijken? Het eten van vlees hangt op de assumptie dat de geluksbeleving van mensen fundamenteel groter is dan de geluksbeleving van dieren. Het is lastig om dat te bewijzen, omdat we niet in het hoofd van andere mensen of dieren kunnen kijken. Zonder een vergelijkbare meting van geluk.

Zo ontstaat er een glijdende schaal van ongelijkheid die allemaal te rechtvaardigen is door Nozick, Plato, Nietzsche en Bentham. Het stuit mij tegen de borst. Ongelijkheid die erop uit loopt dat sommige redelijke wezens vee zijn voor andere levende wezens vind ik weerzinwekkend. In het laatste blog wil ik naar die emotie kijken.

Leave a Reply