Waarom superhelden een probleem zijn voor filosofen IV

Stel dat we in een samenleving leven met vampiers of superhelden en gewone mensen. Welke claims kunnen gewone mensen maken ten opzichte deze wezens? En welke claims kunnen zij ten opzichte van gewone mensen maken? Deze vragen wil ik de komende week beantwoorden. In deel III schetste ik hoe een minderheid van mensen met superieure vermogens uiteindelijke de economische welvaart, politieke macht en morele autoriteit zou centraliseren en mogelijk zelfs mensen zou kunnen gebruiken als middelen.

In de vorige blogs heb ik met name een substantieel punt willen maken, namelijk dat we in bestaande politiekfilosofische theorieën best elementen kunnen vinden hoe we zouden moeten omgaan met superieure wezens. Als conclusie wil ik een punt maken over de problemen van morele rechtvaardiging.

Walging

We missen een belangrijke stap in de redenering over vampiers en mutanten: namelijk de rol van walging. De laatste groep die ik wil bekijken zijn Z-mensen. Opnieuw hebben deze dezelfde superieure eigenschappen als X-mensen maar ze hebben nu een ander uiterlijk. Ze zien er verschrikkelijk, monsterlijk, walgelijk uit. Ik laat het aan uw fantasie om dit in te vullen.

Als er zo’n groot verschil is tussen de uiterlijkheden van groepen mensen ontstaat vaak een dynamiek die Martha Nussbaum de politiek van walging noemt De eerste reactie op het uiterlijk of de gewoonten van een ‘ander’ kan grote walging oproepen: voor hetero’s is de seksualiteit van homo’s onbegrijpelijk en misschien zelfs walgelijk. In de Abrahamistische religies wordt ongesteldheid, een natuurlijke lichamelijke eigenschap van vrouwen, gezien als iets onreins, een reden om vrouwen soms te weren uit de publieke en religieuze sfeer.

Het is op deze dynamiek dat veel van deze fictie hangt: het is een strijd om erkenning van equal humanity van mensen met verschillende eigenschappen, die door sommige gezien worden als weerzinwekkend. Ook mutanten en vampiers zijn mensen hebben recht op gelijk respect.

Het fundamentele probleem voor moraalfilosofen is dat morele theorie anders dan wetenschap is: wetenschap probeert voorspelling te doen over die werkelijkheid en test deze voorspellingen om de validiteit van hun theorieën te testen. Moraalfilosofen kunnen dit niet. Zij kunnen alleen maar theorieën opschrijven die een formalisering zijn van hun intuïties over rechtvaardigheid. De toetsing van die theorieën is uiteindelijk of hun voorspelling ook aansluiten bij onze eigen morele intuïties.

Maar als we weten dat onze eigen intuïties geïnformeerd worden door walging is het lastig om moraalfilosofie als project serieus te nemen: sommige emoties moeten we van ons afwerpen want die zijn verkeerd (zoals walging) en andere emoties (zoals compassie) zijn wenselijk. Maar waar baseren we dat oordeel dan uiteindelijk op? Op weinig anders dan dat we walging verwerpelijk vinden en compassie wenselijk. Je kan lastig morele emoties evalueren als je geen andere standaard heb dan morele emoties.

Leave a Reply