uitgelezen: Alain de Botton’s The
Pleasures and Sorrows of Work. De Botton bedrijft “niet-academische
filosofie”. Hij kijkt met een filosofisch oog naar dagelijkse gebeurtenissen.
In PASOW kijkt naar het werkende leven, het bedrijfsleven. De Botton loopt met
verschillende mensen mee op hun werk: een koekjesmaker, een schilder, een
accountant.
Aardige
journalistieke stukjes schrijft De Botton. Het boek wordt ook niet minder
journalistiek van de grote hoeveelheid foto’s (ongeveer de helft van het boek). Soms, niet al te vaak komt hij tot een filosofische punt over die Pleasures and Sorrows van werk.
In het hoofdstuk
over de koekjesbakker (pp.78-80) vraagt De Botton zich af: “Wanneer voelt een
werk als betekenisvol?” Daar volgt meteen een stellig antwoord op: “Wanneer het
ons instaat stelt om geluk te generen of lijden te verminderen.” Hoe we van
“betekenis” meteen naar “altruisme” komen, is niet helemaal duidelijk. Wel
wordt onmiddellijk het hele koekjesbakken veroordeelt: kindjes voeden in Malawi
is veel nuttiger. Ik vind het een
vrij plat utilitarisme. Kan betekenis ook niet komen van de schoonheid van het
werk zelf? Of van het bereiken van waarheid? Juist wat betreft consumptie maakt
De Botton dit punt wel (pp.100-103)?
Het meest
interessante hoofdstuk gaat over een carrière adviseur: hij stelt dat pas in de
Verlichting arbeid en zelfontplooiing aan elkaar gekoppeld worden. Daarvoor
(pp.106-109). Daarvoor koppelden Grieken en Romeinen juist vrije tijd,
onderwijs, onafhankelijkheid van arbeid aan zelfontplooiing. De Botton maakt
een interessante analogie met liefde: ook in de Verlichting werden liefde en
het gezin aan elkaar gekoppeld. Er was ruimte voor romantiek in het huwelijk en
voor geluk in het werk. Er is dus geen noodzakelijke relatie tussen arbeid en
geluk. Dat hangt af van de cultuur, van de tijd, van de persoon en van het
werk. De in linkse kringen erg populaire stelling dat arbeid zaligmakend is, is
niet houdbaar er zijn pleasures and
sorrows in werk.
Wat moeten we
denken van arbeid volgens De Botton? Wat zijn de joys? Wat zijn de sorrows?
Alle mensen die De Botton spreekt zijn trots op hun werk, gelukkig met wat ze
doen. De joys zijn dus duidelijk:
werk is leuk om te doen. Echter in De Botton’s sampling zit wel een grote bias.
Alle mensen die hij spreekt, hebben vrijwillig toe gestemd om in het boek te
figureren. De bedrijven die hij aanschreef hebben gelukkige, blije werknemers
uit gekozen als model. De echte sorrows
of work zien we niet: kapotte ruggen van stratenmakers, gestresste
docenten, stoflongen van mijnwerkers.
In dit boek worden de sorrows getoond door de
filosoof. Veel werk maakt
misschien gelukkig, maar echt nuttig is het niet. Dat zijn de sorrows van werk. De existentiële
nutteloosheid van accountancy en koekjesbakken. Ik vind het een arrogante
positie van een filosoof om het werk van anderen zo te veroordelen. Een
koekjesmaker brengt kleine momenten van geluk in de levens van mensen. Is dat
niet bijdragen aan welzijn?