Het belang van beginselen

Doen beginselprogramma’s ertoe? Hebben zij een programmatische functie? Geven zij aan welke posities politieke partijen kunnen innemen? Die vragen staan centraal in mijn master scriptie, die ik vorige week in eerste versie heb ingeleverd. Ik wil hier kort mijn onderzoek uiteen zetten.

Mijn onderzoek richtte zich op een partij: de PvdA. Vanwege tijdsoverwegingen kon ik niet de hele populatie doen, dus heb ik mij gericht op een case study over tijd. Van de mogelijke opties (alle partijen sinds die de hele periode 1945-2006 hebben bestaan) sprak de PvdA mij het meest aan. Ik heb mij bezig gehouden met de programmatische functie van partijen: de mate waarin voorstellen uit het beginselprogramma terug komen in verkiezingsprogramma’s. Dus als het beginselprogramma zegt "de productiemiddelen moeten gesocialiseerd worden", worden er dan ook in concrete verkiezingsprogramma’s voorstellen gedaan om de productiemiddelen in gemeenschapshanden te krijgen. Ik heb alle voorstellen (dat gaat 20 tot 120)  uit ieder beginselprogramma vergeleken met alle verkiezingsprogramma’s uit de periode dat die beginselprogramma’s golden.

Ik had twee, eigenlijk drie hypothesen: de eerste was de hypothese van de folk theory. De theorie die je leest in kranten en statuten van partijen. Een beginselprogramma legt de koers van de partij vast. En tot een nieuw beginselprogramma geschreven is geldt het oude. Dus is de gelijkenis tussen beginselprogramma en verkiezingsprogramma’s hoog en constant.
Met de term folk theory impliceerde ik al dat er een genuanceerdere relatie zou kunnen zijn.  Het schrijven van een beginselprogramma opent niet nieuwe ideologische perspectieven, maar legt de veranderde visie van een partij vast. Een verandering van een beginselprogramma volgt wat er geschreven wordt in verkiezingsprogramma’s. Politieke partijen veranderen over tijd overmijdelijk van positie in het politieke speelveld. Deze ideologische verandering wordt gereflecteerd in hun verkiezingsprogramma’s. Als de partij te ver van haar ideologische positie zoals vastgelegd in haar beginselprogramma komt, dan onstaat er onenigheid binnen een partij over de koers van de partij. Als de onenigheid te groot wordt, zal de partij de onenigheid willen overkomen door een nieuw beginselprogramma te schrijven. Dit heb ik de Tromp-Koole hypothese genoemd, naar mijn begeleider Ruud Koole en Bart Tromp, de inzichtrijke PvdA-ideoloog. Tromp formuleerde hem in een artikel in 1985 maar Koole werkt ‘t verder uit in zijn De Moderne Kaderpartij.
De derde hypothese was de nul-hypothese, dat er ueberhaupt geen relatie is tussen beginel- en verkiezingsprogramma.

 

Pvda
De data (in het figuur hiernaast) ondersteunt heel duidelijk de tweede hypothese: je ziet tussen 1946 en 1948, 1948 en 1959, 1977 en 2006 hetzelfde patroon van verval: de lijn begint hoog maar eindigt al snel (heel) laag en blijft vervolgens constant op een laag niveau. Tussen 1959 en 1977 zie je echter een ander patroon. De lijn stijgt heel licht. De verklaring is de opkomst van Nieuw Links, die de partij wel van koers veranderde maar in sociaal-economische zin dichter bij het beginselprogramma van 1959 bracht. Zij namen echter ook nieuwe posities in over buitenlands beleid en democratisering. De volgende vraag is of de lijn die wordt uitgezet in verkiezingsprogramma’s wordt overgenomen in beginselprogramma’s. De omgekeerde scores (dus hoeveel trends uit de laatste verkiezingsprogramma’s worden overgenomen in beginselprogramma’s) is ongekend hoog. Gemiddelde score is zo’n 75%. Dus: beginselprogramma’s kunnen de standpunten die politieke partijen nemen maar voor een heel beperkte periode beperken of leiden. Al snel "slaat de partij los" van een groot deel van beginselprogramma. Om vervolgens op basis van de nieuwe koers een nieuw beginselprogramma te schrijven. Nou ja "politieke partijen" de conclusie kan zich slechts beperken tot de PvdA.

Wat zegt dit nou over het GroenLinks programma van 2008, dat geschreven wordt as we speak? Als de patronen binnen GroenLinks hetzelfde zijn als bij de PvdA kan je het volgende zeggen. Het programma zal in gross en ganzen de nieuwe "liberale" koers vertolken met een nadruk op individuele vrijheid, ontplooiing en emancipatie, groene innovatie, nieuwe vormen van solidariteit en pro-Europees, kosmopolitisch buitenlands beleid. Het programma zal een beperkte houdbaarheid hebben en zal overeenkomen met de koers tot dat een nieuwe partijleider in een nieuwe politieke ruimte een nieuwe koers uit zet.

Leave a Reply