Consistentie in de Linkerbovenhoek

Gisteren kwam het raport van  de evaluatie commissie Van Ojik uit. Ik zal vandaag als gewoon lid er naar kijken en later nog eens formuleren hoe ik denk dat het begeleidingspanel beginselen met het stuk moet omgaan.

Ik wordt van een aantal conclusies erg positief: het milieu-beleid moet radicaler (p.16), de verbinding met maatschappelijke organisaties moet beter (p.31), GroenLinkse idealen moeten met meer passie gebracht worden (p.16), de leus "Groei Mee" is niets (p.29), en de interne partijdemocratie moet verbeterd worden (pp.18-24). De GroenLinks kiezer is erg links en linkser dan de gemiddelde SP-kiezer (pp.15-16). Kortom ik voel me wel thuis in de linkerbovenhoek.

Er valt op het raport echter ook het een en ander af te dingen. Nog niet eens zo zeer omdat ik het er niet mee eens ben, maar omdat de commissie soms niet consistent is. Het stuk is duidelijk geschreven door verschillende auteurs, met verschillende stijlen en, blijkbaar, meningen.

De eerste inconsistentie is in de opmaak. Alleen kopjes (zoals in h.1 en h.2), of ook subkopjes (h.3 en  h.4) lange lappen tekst (h.3) of veel witregels (h.2). Leuke anecdotes in italics (p.21) of niet? Je kan het zelfs in de samenvatting zien: doen we bullets (inleiding), cijfers (samenvatting h.2, h.3 en h.4)of subkopjes (samenvatiing h.1)? Het was misschien in de laatste dagen een haastklus.

De tweede is al opgemerkt door Lisette. Hoe kan je enerzijds zeggen dat GroenLinks de enige echte milieupartij is (p.16) en anderzijds pleiten voor een radicaler milieustandpunt (pp.10-11)? Het is of het een (groen genoeg) of het ander (niet groen genoeg)

Maar een andere is dat het stuk pleit voor een sterkere positionering ten opzichte van andere linkse partijen (p.30) en aan de andere kant op merkt dat een te scherpe profilering van GroenLinks als links en progressief ons in een niche duwt (p.17). Het is of het een (een eigen profiel) of het andere (mindere eigen profiel).

Nog eentje: de commissie rekent voor dat GroenLinks het slechter doet onder allochtonen (p.16), en als ze vervolgens uitrekent dat GroenLinks het beter doen onder jongeren, is dit de "urban youth", hippe jonge allochtonen (p.13). Het is of het een (minder allochtone stemmen), of het ander (meer allochtone stemmen).

Is GroenLinks nou voor of tegen de orientatie op de abstractie kiezersgroepen als post-materialisten, postmoderne hedonisten en kosmopolieten? De terminologie wordt in het ene hoofdstuk zonder enige kritiek gebruikt (p.12) en in het andere hoofdstuk afgekraakt (p.31).

De reden voor de inconsistentie is misschien het volgende: de commissie benadrukt aan de ene kant dat, vanuit electoraal standpunt, we ons misschien iets minder moeten profileren als (groen), links en progressief, partijen die zich minder uitspreken zijn veel succesvoller. Onder de druk van de deliberende leden in de regio-bijeenkomsten, vond de commssie echter ook dat GroenLinks zich nog meer moet profileren als groen, links en progressief. Dit is in de politicologie al vaker onderzocht: (kader-)leden zijn vaak radicaler dan stemmers van partijen en de partijtop. Cruciale vraag is dan: naar wie luister je?

Wat ik ook miste, als sociaal wetenschapper, waren harde cijfers: er wordt met
een boel cijfers uit verschillende onderzoeken, motivaction,
interview-nss, verkiezingsuitslagen gegoocheld. Ik wil de echte cijfers wel zien.

Leave a Reply