DWARS door Grenzen: Spanje

In de Spaanse politiek zijn er twee centrale tegenstelling: tussen links en rechts en tussen de centrale, Spaans-talige overheid in Madrid en de verschillende culturele minderheden en autonomie regio’s. Dat maakt de partijpolitiek uitermate gecompliceerd en bijna onvergelijkbaar met de Nederlandse politiek.

“De” Spanjaard bestaat niet. Er wonen in Spanje verschillende bevolkingsgroepen, die zich in meer of in mindere mate identificeren met Spanje. In het historische koninkrijk Castille, in het centrum van Spanje, rond Madrid, wordt de taal gesproken die officieel “Spaans” wordt genoemd. Hier identificeren mensen zich het sterkst met Spanje. In de andere regio’s, zoals Baskenland en Catalonie, worden officieel erkende minderheidstalen gesproken. De verschillende regionale overheden hebben in meer of mindere autonomie, afhankelijk van de mate waarin de bevolking zich identificeert als een eigen nationale groep. Vraagstukken van identiteit en nationalisme kunnen uitlopen in gewelddadige conflicten, de terreur van de Baskische afscheidingsbeweging ETA is daar een traditioneel voorbeeld van.

In Nederland wordt regionalisme en nationalisme niet geassocieerd met linkse politiek. In Spanje is het streven naar een staat die niet puur Spaans is maar juist ruimte laten voor de diversiteit van regionale en nationale identiteiten een streven dat het meest met links geassocieerd wordt. De twee grootste politieke partijen zijn de centrum-rechtse, conservatieve Partido Popular (Volkspartij) en de centrum-linkse sociaal-democratische Partido Socialista Obrero Español (Socialistische Arbeiderspartij). Naast traditionele vraagstukken die links en rechts over heel Europa verdelen (bijvoorbeeld de relatie met Amerika en de rol van de staat in de economie), zijn deze partijen ook verdeeld over de vraag hoe de macht verdeeld moet worden tussen de centrale overheid en de regio’s. De sociaal-democraten willen meer macht afdragen aan de regio’s en de conservatieven willen de macht behouden voor Madrid.

In het nationale parlement, de Cortes, zijn ook partijen door gedrongen die strijden voor meer autonomie van Madrid voor hun specifieke regio. Basken, Catalanen, Navarrezen en Galiciers hebben allemaal hun eigen partijen.  Sommigen hebben zelfs meerdere regionale partijen vertegenwoordigd: een linkse en een rechtse partij. De linkse partijen werken traditioneel samen met de sociaal-democraten en de rechtse met de conservatieven. De Catalanen hebben de meeste partijen: een coalitie van liberale en Christen-democratische partijen Convergencia i Unio, een groene partij (Iniciativa per Catalunya Verds) en een linkse partij (Equerra Republicana de Catalunya). Voor de verkiezing van het Europees Parlement werken de regionalistische partijen samen, opvallend genoeg niet langs nationale lijnen maar juist langs politieke lijnen. Bij de laatste Europese verkiezingen deden er twee coalities van regionalistische partijen mee, een rechtse en een linkse.

Toch is het vanuit progressief perspectief moeilijk om de kant te kiezen van een expliciet nationalistische partij die streeft naar onafhankelijkheid voor een of andere bevolkingsgroep. Naast de grote centrum-linkse, centrum-rechtse en regionalistische partijen is er gelukkig meer te kiezen in Spanje. Een recente nieuwkomer in de Spaanse politiek is de partij Union, Progresso y Democracia (Eenheid, Vooruitgang en Democratie). Deze partij wil de centrale Spaanse overheid niet verder uit hollen door de regio’s nog meer macht te geven. De partij is expliciet anti-nationalistisch. Daarnaast willen ze de Spaanse democratie vernieuwen,  de scheiding van kerk en staat versterken, de scheiding der machten bevorderen, burgerrechten beschermen en het politieke geweld aan pakken. Economisch gezien stelt deze partij zich in het centrum op. Deze combinatie van progressieve politiek, gericht op het beschermen van individuele rechten sluit aan bij de liberale traditie: UPyD komt op voor mensen als individuen, niet als leden van bevolkingsgroepen.

Spanje is een post-nationalistische staat, waar burgerschap van de Spaanse staat en een identiteit als Spanjaard niet samen vallen. Er is ruimte voor Spanjaarden, Catalanen, Basken enzovoort. Dat lijkt misschien een mooi beeld voor een progressieve GroenLinks’er in Nederland, waar we voortdurend over de relatie tussen burgerschap en identiteit in discussie zijn. Spanje laat echter zien dat er geen eenduidige oplossing is voor de vraag hoe identiteit en burgerschap zich moeten verhouden als deze niet meer gelijk lopen: moet je als liberaal, mensen behandelen als individuen? Of juist als multiculturalist, mensen benaderen als leden van een nationale groep? Is linkse politiek kiezen voor autonomie voor bevolkingsgroepen of voor de bescherming van het individu?

Dit artikel verscheen ook in de OverDWARS van de winter van 2010.

Politiek en Lifestyle

Politiek gaat om grote idealen: solidariteit, vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid, duurzaamheid. Maar de kern van politiek is dat deze ook op het niveau van de burger vertaald kunnen worden. Zij moeten immers gemotiveerd om voor een partij te kiezen.

Met name het VVD programma is hier uitermate voor geschikt: in abstracto praat de VVD over een vrije markt, een veilig land en een kleine overheid. Dat is zo'n beetje de kern van de ideologie van de conservatieve liberalen. Maar tijdens de campagne zou dat doorvertaald moeten worden in drie woorden die de potentiele VVD-kiezer aanspreken: betaalbaar, veilig en bereikbaar. Bij de lokale verkiezingen in Delft deed de VVD onder die leus mee.

Het hele VVD verhaal over een kleinere overheid, die efficienter en bedrijfsmatiger te werk gaat en geen onnodige taken op zich neemt kan je vertalen naar een belofte aan de burger: "betaalbar". Bij ons betaalt u minder belasting. Het VVD verhaal over de kerntaak van de overheid het beschermen van de burger tegen oorlog, misdaad en terrorisme wordt teruggebracht tot een belofte: "veilig". U kunt weer over straat. Ten slotte betekent het VVD verhaal over een dynamische vrije markt dat er van de overheid wordt verwacht dat deze investeert in de infrastructuur waar die economie op draait en dat betekent dat de VVD de individuele kiezer belooft dat zijn of haar dorp, stad en wijk bereikbaard wordt. En hiermee treft de VVD heel goed drie alledaagse ergenissen van burgers: onveiligheid, hoge belastingen en files.

Ook het SP verhaal zou je makkelijk zo kunnen vertalen. Op het hoge niveau pleit de SP voor een eerlijkere inkomensverdeling, voor het behoud van de publieke zaak en voor gelijke rechten en plichten voor iedereen, rijk en arm, maar ook allochtoon en autochtoon. Dat houdt ook weer specifieke beloften voor de burgers in: namelijk betaalbare huren en verzekeringspremies en verbetering van uitkeringen en minimuminkomens ("betaalbaar"); dat de publieke zaak, zoals de zorg, het OV en het onderwijs voor iedereen toegankelijk is, omdat het niet aan de markt wordt overgelaten ("toegankelijk"); en dat de leefbaarheid van de oude volkswijken verbeterd moet worden, omdat iedereen moet kunnen leven in een veilige, schone en vertrouwde omgeving ("leefbaar"). 

Voor andere partijen is het veel ingewikkelder om het complexe verhaal terug te brengen in drie kernbooschappen, die burgers aanspreken. Neem het GroenLinks programma: ik kan dat nog wel terug brengen tot een kernboodschap over de samenleving: groen, sociaal en open. Groen betekent een duurzame economie, waar de prijs van producten hun daadwerkelijke kosten vertegenwoordigt. Sociaal betekent dat GroenLinks de verzorgingsstaat wil hervormen om deze emanciperender te maken en outsiders gelijke kansen te bieden. Open betekent ten slotte dat GroenLinks voor een samenleving staat waar ruimte is voor verschil en die open staat voor de wereld.

Maar wat betekenen die idealen nou voor een individuele burger? Je kan natuurlijk geloven dat de GroenLinks boodschap bedoeld is voor post-materialistische kiezers die zich geen zorgen maken over hun eigen belang, maar zich richten op de belangen van anderen. Maar wat als we nu eens de stap maken en kijken naar wat GroenLinks burgers zou kunnen beloven.

Bij het sociale verhaal is de stap misschien nog wel te maken naar de dagelijkse beleving van mensen. Halsema deed in Vrijheid Eerlijk Delen een mooie opzet voor een verhaal over de hervorming van de verzorgingsstaat voor outsiders, als gehandicapten, flexwerkers en allochtonen, maar in Geluk! legde zij de nadruk op de stress die veel mensen voelen in de moderne maatschappij, en dat geldt zeker voor ouders met jonge kinderen. Het alternatief dat GroenLinks biedt met kinderopvang, verlofregelingen en flexibele werktijden, gaat met name over een "ontspannen leven".

Het verhaal dat GroenLinks over klimaat, milieu en natuur heeft, gaat natuurlijk eigenlijk over de belangen van toekomstige generaties. Dat wordt al concreter gemaakt door te praten over de economische mogelijkheden die groene innovatie biedt. Maar we kunnen nog een niveau dichterbij de burger komen. Want uiteindelijk gaat een groen verhaal over een gezond leven, met mooie natuur om in te recreeeren. Biologisch eten is niet alleen beter voor het milieu, maar ook gezonder en lekkerder. GroenLinks belooft dus met haar groene verhaal gezond genieten, weer een vorm van ontspanning.

Als GroenLinks het over een open samenleving heeft gaat dit om grote processen: Europeanisering, globalisering, migratie, integratie. Dat schikt veel mensen af. Maar al die processen verrijken de samenleving ook. Op het niveau van de burger betekent een open samenleving een Turkse bakker op de hoek, een mooie Europese productie op de publieke omroep en een rijk cultureel aanbod. Een stad die bruist met een diverse cultuur. Een stad (wederom) waar het mooi ontspannen is.

In mijn ogen komen die drie verhalen waar mee GroenLinks op het niveau van lifestyle mensen zou kunnen spreken op hetzelfde neer: een ontspannen samenleving, waar tijd is voor familie, een mooie natuur om van te genieten en een diverse stadscultuur. En daarmee komen we misschien wel op de kern van het probleem van GroenLinks uit. De belofte die de VVD maakt is dat ze drie ergenissen van burgers gaat oplossen: de files, de hoge belastingen en de onveiligheid. GroenLinks belooft grote maatschappelijke problemen op te lossen: culturele verharding, klimaatverandering en uitsluiting van outsiders. Maar op het niveau van de individuele burger beloven wij een ontspannen vrije tijd. Omdat GroenLinks geen problemen op lost van haar kiezers, mist kiezen voor GroenLinks daarmee iedere persoonlijke urgentie.

Mens, Samenleving en Science Fiction

Filosofie van de Toekomst van Fred Keyzer is een interessante inleiding in de filosofische onderbouwing van science fiction. Het boek pleit ervoor om science fiction te gebruiken om filosofische ideeën uit te werken. Dat is geen raar idee: in dit genre kunnen we kijken naar andere levensvormen, de effecten van technologische vernieuwing op de samenleving en bijzondere fysische fenomenen als tijdreizen.

Boeken als the Physics of the Metaphysics of Star Trek gaan over de bijzondere fysische fenomenen: ruimtereizen, tijdreizen etc. etc. Vaak verzinnen schrijvers bepaalde fenomenen en dan is het aan natuurkundigen of filosofen om te kijken of het wel mogelijk is. Kan je sneller dan het licht reizen? Dematerialiseren en dan rematerialiseren?

Fred Keyzer is een filosofisch antropoloog en dus gaat zijn interesse naar fenomenen die “the Human Experience” veranderen. Of naar veranderingen in de aard van mensen zelf. Hij stelt dat het menselijke bestaan over tijd fundamenteel zal veranderen. Als je bedenkt waar leven ooit vandaan is gekomen (een-cellige wezens als eukartya, die als een grijzige massa ooit de hele wereld bedekte), dan zal de toekomst onvoorstelbaar zijn. Science fiction kan op een consequente manier zulke scenario’s uitwerken: worden we bijvoorbeeld opgenomen in een technologische singulariteit, een supercomputer?

Er zijn ook andere scenario’s die in de science fiction uitgewerkt kunnen worden: niet zo zeer nieuwe mensen, maar nieuwe samenleving. In zijn Clans of the Alphane Moon stelt Phillip K. Dick zich een samenleving voor die voortgekomen is uit een gesticht: waar alle mensen een zware geestesziekte hebben en de samenleving is opgedeeld in kastes of clans rond die geestesziektes: obsessief-compulsieven, schizofrenen, maniacalen, paranoïden etc. Ieder van die clans heeft een functie in de maatschappij: de obsessief compulsieven werken als bureaucraat. Schizofrenen zijn visionairen en kunstenaars, de maniacalen zijn de vechtersklasse en de paranoïden zijn de leidersklasse. Clans of the Alphane moon is dus politieke science fiction. Waarin niet de natuur tot zijn uiterste getest wordt, of de menselijke natuur onderzocht, maar dat zich richt op verschillende modellen van de samenleving.

Er zijn verschillende soorten politieke science fiction. Politiek speelt een belangrijke rol in science fiction. Battlestar Galactica is eigenlijk een soort West Wing under extreme pressure: wat blijft er over van onze democratische idealen als de mensheid dreigt uit te sterven: wat blijft er over van rechtvaardigheid, als de wereld dreigt onder te gaan? Een serie als Star Trek vormt een andere vorm van politieke science fiction. Hierin worden morele principes worden uitgewerkt zoals de prime directive. Wat wel opvalt is dat veel van de samenlevingen hier niet zo zeer futuristisch zijn als wel alien: er is weinig futuristisch aan de gelovigen van Bajor, of de krijgers van Qo'noS, maar het zijn wel culturen die sterk verschillen van de cultuur van de Verenigde Staten: maar des te meer eigenlijk lijken op historische culturen. 

Echte politieke science fiction stelt de vraag: wat is het effect van technologische ontwikkeling op de politiek? De wereld in de film Gattaca wordt de toekomst van mensen volledig bepaalt door hun genetische opmaak: de wereld is opgedeeld in een natuurlijk geboren lagere klasse en een genetisch gemanipuleerde, hogere klasse. Of de mogelijkheid dat we door cyborg technologie radicaal democratische idealen kunnen realiseren zoals de Borg, uit Star Trek. Dat is misschien wel de meest interessante lijn van science fiction om uit te werken: echte politieke science fiction.

Ongevraagd advies: Linkse & Conservatief

Zoals ik gisteren ook al schreef is er een flinke discussie ontstaan over de mogelijkheid van "linkse samenwerking" tussen GroenLinks, D66 en de PvdA. Tot nu toe was de argumentatie vrij negatief: de SP dat is maar een conservatieve partij daar hebben de progressieven van GroenLinks en D66 niets mee en dat zou de Timmermannen binnen de PvdA ook niet mee zouden mogen hebben. Het is een sterk anti-SP verhaal. Vandaag werd in de Volkskrant een ander perspectief gegeven door Dick Pels en Josse Voogd:

[Progressief en conservatief links] trekken verschillende groepen kiezers aan. Kiezers met andere prioriteiten, maar vooral andere leefstijlen, wereldbeelden en woonplekken. Een gezamenlijk links blok, van SP tot D66, kan nooit al die groepen tegelijk bedienen en zal dan ook geen meerderheid behalen. Een alliantie van GroenLinks, D66 en het progressieve deel van de PvdA zou echter met enig geluk de grootste partij van Nederland kunnen worden. Voor de SP is er veel ruimte op het grote sociaal-conservatieve speelveld, dat nu grotendeels door rechts wordt ingenomen. De SP moet haar sociale conservatisme dus niet ontkennen maar juist koesteren. Zij is in staat om kiezers van de PVV terug te halen in het sociale kamp. Een links blok over de volle breedte schrikt deze kiezers af. Hetzelfde geldt ter rechterzijde voor kiezers die twijfelen tussen VVD en D66.

Het verhaal klinkt sterk: progressief en conservatief links trekken heel andere kiezers aan. Dat zit hem eigenlijk nog niet een zo zeer in posities als wel in stijl: de SP trekt ontevreden, cynische conservatieve PVV'ers aan en D66 kan juist optimistische wereldburgers van de VVD aan trekken. In een blok of een partij kan dat niet. Dan verliezen we progressieve liberalen aan de VVD en conservatieve populisten aan de PVV. Als we ons nu op delen in een progressief links deel en een conservatief links deel dan kunnen we op jacht naar die kiezers.

Het idee is intrigerend, Gerrit Duits heeft het al eerder verwoord: GroenLinks zou een "prijsvechter" moeten oprichten om achter de PVV stemmen aan te gaan. En eigenlijk zou de SP zo'n prijsvechter kunnen zijn. Want er is op sociaal/conservatief een groot gat in de markt. De PVV neemt nu met haar 'linkse' standpunten op de WW en de AOW en haar conservatieve standpunten op Europa en migratie een deel van de electoraat op. De ChristenUnie probeerde het in 2006, door een nadruk op Christelijk-sociale familiewaarden. Maar juist de SP zou met haar linkse sociaal-economische standpunten en haar populistische posities op Europa, democratie en integratie, dat electoraat ook kunnen aanspreken.

Het lijkt mooi, maar er zit een addertje onder het gras. Als de SP doet wat GroenLinks zou willen, een expliciet conservatief-linkse partij vormen, tegenover het links-progressief blok D66+GroenLinks, dan is iedere hoop dat die progressief-linkse coalitie de grootste wordt vervlogen. Want als de SP dit echt doet en echt goed, dan worden zij zonder meer de grootste. Ongeveer 40% van de Nederlandse kiezers zit in de conservatief/linkse hoek. Ongeveer een kwart aan de rechts/conservatieve hoek en een kwart in de progressief/linkse blok. Er zitten ongeveer 10% van de kiezers aan de progressief/rechtse hoek. Als GroenLinks/D66 kiest voor een progressief-linkse koers dan richten we ons maximaal op 25% van de kiezers. Als de SP alle conservatief-linkse kiezers aan zich weet te binden dan is dat maximaal 40% van de kiezers. Als de SP zo groot wordt dan zuigen ze ook nog strategische kiezers aan en als je met hun ontspannen lijsttrekker een biertje kan drinken dan wordt de partij nog groter. De overwinning van het "Gewone man Socialisme".

En dat terwijl GroenLinks kiest voor een minderheidsstrategie: we richten op onze eigen hoek (25%), en misschien op rechtse progressieve kiezers (niet meer dan 10% van de kiezers). Lijkt mij een prima idee. Kom er maar in Premier Roemer.

GroenLinks tussen SP en D66

Femke Halsema opende vorige week de discussie over linkse samenwerking. In haar ogen moest de PvdA kiezen tussen progressief-linkse samenwerking met D66 en GroenLinks, of conservatief-linkse samenwerking met de SP. Dat leidde tot negatieve reacties vanuit de PvdA en de SP. In de ogen van Halsema is de verwantschap tussen de progressief-linkse partijen D66 en GroenLinks sterker dan tussen de GroenLinks en de SP.  Maar is dat echt zo? Lijkt GroenLinks meer op D66 dan op de SP?

Stemmen
Hier boven zien we de mate waarin fracties in de Tweede Kamer hetzelfde stemmen tussen 1994 en 2010, de periode waarin de SP in de Tweede Kamer zit. Over de hele periode stemt GroenLinks meer dan 80% van de SP mee. In de periode 2003-2006 is dat bijna 90%. De verwantschap met D66 is veel kleiner: als D66 in het kabinet zit (en GroenLinks in de oppositie) stemmen de partijen minder dan 60% hetzelfde. Maar zelfs als D66 in de oppositie zit (2002, 2006-2010) is de gelijkenis in het stemmen minder dan 80%. Dat is consistent minder dan de verwantschap dan met de SP. In de laatste periode waarin D66, GroenLinks en de SP samen in de oppositie zaten stemde GroenLinks in 82% van de stemmen met de SP mee en 'maar' 78% met D66.

Er zijn nog twee andere partijen op links: de PvdA en de PvdD. Als de PvdA in de regering zit is de gelijkenis in het stemgedrag minder sterk. In alle gevallen (net) meer dan 60%. Dat is consistent (net iets) meer dan D66-in-de-oppositie. Zitten de PvdA en GroenLinks samen in de oppositie stemmen ze in meer dan 80% hetzelfde. Dat is consistent iets minder dan als de SP en D66 in de oppositie zitten. De Partij voor de Dieren daarmee stemt GroenLinks in 87% van de gevallen hetzelfde.

Als we kijken naar het stemgedrag van partijen, gecontroleerd voor het effect dat de gelijkenis lager is als een partij in de oppositie zit, dan denk ik dat de mate van gelijkenis in parlementair stemgedrag sinds 2002 met GroenLinks als volgt loopt: PvdD (87%), SP (87%), PvdA (84%) en D66 (79%)

Ik denk dat veel lezers denken: je kijkt nu achteruit. Als we kijken naar de grote hervormingen die eraan (moeten) komen. Dan is de verwantschap tussen de "progressieven" van GroenLinks en D66 veel groter dan tussen de "conservatieve" SP en GroenLinks. Op de grote thema's zouden de verschillen tussen GroenLinks en D66 veel kleiner zijn dan tussen GroenLinks en de SP. Dan worden vaak de arbeidsmarkt en de woningmarkt genoemd. Maar ook de SP wil de hypotheekrente beperken. En denk eens aan de zorg ook een belangrijk onderwerp de komende jaren, waar D66 anders dan SP en GroenLinks voor verkleining van het basispakket is en tegen inkomensafhankelijke premies. Of neem de belastingen: GroenLinks en de SP wil hogere inkomens en bonussen verder belasten, D66 niet. Of het openbaar bestuur, waar D66 voor direct verkozen burgemeesters is en GroenLinks en de SP tegen.

Kieskompasruimtegroot
U denkt misschien kijk maar naar het kieskompas! Dat heeft een links/rechts as waarop GroenLinks en de SP misschien meer verwant zijn en een conservatief/progressief as waarop D66 en GroenLinks meer verwantschap vertonen. In het kieskompas (hierboven) is de afstand tussen GroenLinks en de SP, en tussen GroenLinks en D66 even groot, en speelt deze met name af op de links/rechts as.

Als je kijkt naar het stemgedrag in het verleden is (zelfs onder de meest gunstige voorwaarden) de verwantschap tussen GroenLinks en D66 kleiner dan de verwantschap tussen de SP en GroenLinks. Als we kijken naar de toekomst, de partijposities van de partijen bij de laatste verkiezingen, dan is de verwantschap tussen GroenLinks en D66 en tussen GroenLinks en de SP even groot. Op het gebied van werk en woningmarkt is de verwantschap misschien groter tussen GroenLinks en D66, maar op het gebied van inkomen en zorg is er meer verwantschap tussen GroenLinks en SP.

Dus wat zijn die verschillen tussen GroenLinks en de SP, en de verwantschap tussen D66 en GroenLinks? Ik denk dat met name in cultuur is en politieke stijl. D66 en GroenLinks proberen alternatieven te bieden, de SP zou zich met name populistisch verzetten tegen wat zij niet goed vinden. De SP spreekt ontevredenen aan en GroenLinks en D66 winnaars van globalisering. Maar in de dagelijkse politiek komen die verschillen niet sterk tot uiting.

De analyse van de stemmingen is gebaseerd op moties die zijn verkregen van PoliDocs.nl

DWARS door Grenzen: Denenmarken

Nederland en Denemarken verschillen niet veel van elkaar. Ieder die wel eens in Kopenhagen is geweest kan dat beamen: het is net Amsterdam. Qua partijen verschilt Denenmarken ook niet zo veel van Nederland. Er zijn rechtse populisten, sociaal-democraten, conservatieve liberalen, progressieve liberalen en conservatieven. In het parlement zitten twee partijen links van de grote sociaal-democratische partij: de Socialistisk Folkeparti (Socialistische Volkspartij, SF) en de Enhedslisten (Eenheidslijst, Ø). Beiden staat op een bijzondere manier tot GroenLinks. Daarnaast zijn er twee buitenparlementaire partijen die raakvlakken hebben met progressieve, sociale of groene idealen.

De Socialistisk Folkeparti lijkt erg op een van de partijen die in GroenLinks is opgegaan: de PSP. Beide partijen zijn opgericht op het hoogtepunt van de Koude Oorlog eind jaren ’50. Ze waren op zoek naar een derde weg tussen het stalinisme van de USSR en het kapitalisme van de USA. In de jaren ’60 pikten de partijen nieuwe thema’s op zoals feminisme en milieu-bescherming. De SF werd een middelgrote partij, die tussen de 4% en 10% van de stemmen en een belangrijke politieke factor, die met regelmaat sociaal-democratische minderheidsregeringen steunde.

Een belangrijk thema voor de SF is Europese samenwerking. In de jaren ’70 was de partij mede door haar Euroskeptische opstelling sterk gegroeid. In 1992 voerde de partij een succesvolle referendumcampagne tegen het Verdrag van Maastricht. Nadat het Deense volk dit verdrag heeft afgewezen, werd de SF intensief betrokken bij de heronderhandelingen. Dan leert de SF dat ze op Europees gebied best succes kan boeken. De mening van de SF over Europa begint langzaam te schuiven. Tot twee keer toe besluit de SF-Europees Parlementarier zich niet aan te sluiten bij de zeer Euroskeptische Verenigd Europees Links-fractie, maar bij de fractie van de Europese Groenen, waar er minder dogmatisch wordt gedacht over Europa. In een intern referendum in 2005 sprak een ruime meerderheid van de partij zich uit voor de Europese Grondwet.

De Enhedslisten, ook wel Rood-Groene Alliantie geheten, lijkt in zekere zin ook op GroenLinks. Net als GroenLinks is zij in 1989 gevormd als een samenwerkingsverband van drie kleine linkse partijen: de marxistische Links-Socialisten, de stalinistische Communistische Partij van Denenmarken en de trotskistische Socialistische Arbeiderspartij. Later trad de maoistische Communistische Arbeiderspartij toe. Deze in naam groene en linkse fusielijst vaart echter nog steeds een oud-socialistische koers en verzet zich nog steeds hevig tegen de Europese Unie.

Dan zijn er nog twee partijen buiten het parlement die (deels) progressieve, sociale en groene idealen hebben: De Grønne zijn lid van de Europese Groene Partij maar vormen geen relevante politieke factor: ze doen al jaren niet mee aan verkiezingen. De partij is veel donkergroener dan andere partijen als GroenLinks. De reden dat deze partij het zo slecht doet, is dat de SF en de Enhedslisten al sterk op groene thema’s zitten.

Het links-libertaire Retsforbundet (Rechtvaardigheidsverbond) is een opvallende partij: ze zijn voor een vrije markt en een basisinkomen. Enerzijds vinden ze dat het bezit van goederen, kapitaal en arbeid absoluut: dat mag niet belast worden. Anderzijds menen ze dat het bezit van het land collectief is: gebruik hiervan wordt wel belast om andere te compenseren dat zij dat stuk land niet kunnen gebruiken. Hiermee worden overheidsdiensten gefinancieerd en een basisinkomen betaald. Deze partij is tot de jaren ’80 in het parlement vertegenwoordigd geweest en heeft zelfs een tijdje in een centrum-linkse coaltie mee geregeerd.

Dit artikel verscheen ook in de OverDWARS van herfst 2007.

Naar een ander kiesstelsel

Het was een bewogen vergadering van GroenLinks Zuid Holland vandaag. Meer dan 100 leden hebben een programma en een lijst vastgesteld. De regels rond het samenstellen van lijsten toonde weer eens duidelijk zijn gebreken. Heel veel kandidaten, heel veel herstemmingen en langszaam aflopend aantal stemmers.

Het eerste klassieke probleem is of er absoluut of relatief getoetst moet worden door de kandidatencommissie. Dat is of bij het bepalen of een kandidaat geschikt is voor een blok er gekeken moet worden naar de kandidaat en de eisen die voor het blok gelden of dat er gekeken wordt naar hoe een kandidaat het op die eisen doet in vergelijking met de andere kandidaten. Als je absoluut toetst kunnen er zoals bij GroenLinks Zuid Holland heel veel kandidaten zijn voor een bepaald blok. Als je relatief toetst hou je het aantal kandidaten in de hand. Het eerste geeft veel keuze aan de leden en het tweede garandeert een helderdere procedure. De kandidatencommissie had gekozen voor het laatste wat leidde tot heel veel kandidaten voor de eerste 10 plekken (14). Er waren vier later drie lijsttrekkerskandidaten.

Het tweede klassieke probleem is of er schotten tussen blokken moeten zijn. Als er geen schotten tussen blokken zijn kunnen kandidaten zich kandidaat stellen voor iedere plek van de lijst onafhankelijk van de plek waarvoor de kandidatencommissie hen geschikt acht. In dat geval speelt de ambitie van de kandidaten het systeem parten. Nog meer mensen die zich kandidaat stellen. Uiteindelijk waren er vier kandidaten die boven hun schot stonden waardoor er voor de eerste 10 plekken dus 18 kandidaten waren.

Het derde klassieke probleem is de techniek van het herstemmingen als geen van de twee kandidaten een absolute meerderheid heeft gehaald in een tweede ronde. In dit geval wordt de kandidatuur geopend voor alle kandidaten. In zulke gevallen kunnen er rare dingen gebeuren: mensen die geen kandidaat zijn voor een bepaalde plek die plotseling wel op de lijst komen. Bij de ALV van Zuid Holland maakte de herstemmingen niets uit en kostte het alleen maar tijd. Ik heb de voorzitter van de vergadering nadrukkelijk gewezen dat dit de statutaire gang van zaken is. Dat betekent niet dat ik het een wenselijke vind, maar regels zijn er niet om in de wind te gooien.

Het vierde klassieke probleem is hoe de leden kiezen. Onvoorbereid, vaak met een of twee favoriete kandidaten en dan stemmen op basis van uiterlijke kenmerken. Met name geslacht speelt bij GroenLinksers altijd een belangrijke rol: na de mannelijke lijsttrekker (Oscar Dijkhoff) volgde zijn vrouwelijke tegenkandidaat (Marijke Kleijweg), dan een mannelijk zittend statenlid (Alfred Blokhuizen), gevolgd door een vrouwelijke afdelingsbestuurder (Annelies van Egmond). Een heel sterke mannelijke kandidaat, John Steegh, legde het voortdurend af tegen de vrouwen of de zittende statenleden. Ik ben van de stellige overtuiging dat hij gemakkelijk op de vijfde plek had kunnen komen: daar werd een groene man verkozen. Steegh ondervond ook iets wat ik al eerder geobserveerd heb voor de jonge kandidaten Klaver en Smeulders en de kritische kandidaat Platvoet: het voortdurend wel door stoten naar de tweede ronde maar daar worden afgewezen door een meerderheid. Alleen maar omdat ze jong, man of kritisch zijn.

Het vijfde klassieke probleem is de zwakte van het advies van de kandidatencommissie. In Zuid Holland werd Alfred Blokhuizen tegen het advies van de kandidatencommissie toch op de derde plek gezet. Een groot aantal kandidaten die tegen de schotten ingingen werden hoger geplaatst dan de kandidatencommissie had geadviseerd. De functie van een kandidatencommissie lijkt beperkt: het congres lijkt zich het soevereine recht te hebben toe geeigend om na een praatje van een minuut de geschiktheid van een kandidaat te bepalen. Iets waar Dijkhoff c.s. in het verleden erg kritisch over waren overigens.

Het zesde probleem is dat de interesse van de leden langszaam afneemt. Dit is het gevolg van de vele kandidaten, de vele herstemmingen en het feit dat er evenveel zorgvuldigheid getracht wordt voor verkiesbare plekken als plek #2 en onverkiesbare plekken als plek #10. Het kost te veel tijd om irrelevante beslissingen te maken, waarbij de voorzitter vanuit efficiency maatregelen veel geschreven regels schond.

Het is mijn stellige overtuiging dat het huidige stelsel waarmee GroenLinks lijsten samen stelt anders moet: voor belangrijke beslissingen moet de procedure zorgvuldiger. Democratie betekent niet dat iedereen die dat wilt zich kandidaat kan stellen voor een kleine groep leden maar dat zo veel mogelijk leden op basis van voldoende informatie een beredeneerde keuze kan maken tussen voldoende geschikte alternatieven. Hierbij moeten arbitraire kenmerken als geslacht, etniciteit en leeftijd geen rol spelen. Het moet gaan om geschiktheid, ervaring en visie. Ik denk dat een lijststelsel op het D66 model waarbij een lijst van de kandidatencommissie kan worden geamendeerd door een referendum op basis van een online campagne een waardevol alternatief is. En tevens ben ik van mening dat op korte termijn het stelsel van herstemmingen hierzien moet worden.

DWARS door Grenzen: Tsjechie

Waar in West-Europa de keuze voor een groene en linkse partij nog simpel is, wordt dat in Midden-Europa een stuk lastiger. Links is in Midden-Europa besmet met het communistische verleden, daardoor komen groene, progressieve en linkse politiek niet samen in een partij.

Tsjechie was onderdeel van de Tsjechoslowaakse socialistische republiek, een communistische Oost-blok staat. Behalve een korte periode van een vrijzinniger, menselijker communisme eind jaren ’70, was Tsjechoslowakije een klassieke gesloten communistische dictatuur, waar ieder verzet werd onderdrukt. In 1989 viel het doek voor het communisme en 1992 viel het doek voor Tsjechoslowakije. Er zijn in Tsjechie drie partijen die of wel groen, links of progressief zijn: de groenen, de sociaal-democraten en de communisten.

 De Groene Partij is wel groen, maar heeft een centrum-rechtse economische koers. In voormalige communistische staten is een links economisch beleid vaak gekoppeld aan steun voor voormalige communistische regime, terwijl steun voor de vrije markt wordt gekoppeld is aan democratie en toenadering tot het Westen. De Groene Partij is een kind van de anti-communistische democratiseringsbeweging en heeft dus een centrum-rechts profiel.

De Groenen maakten recent echter een spectaculaire sprong: bij de laatste parlementsverkiezingen sprongen ze van niets naar 6% van de stemmen. Ze werden ook meteen kingmaker omdat noch het rechtse blok noch het linkse blok een meerderheid had. De Groenen kozen voor rechts en sloten zich aan bij een centrum-rechts kabinet van conservatieven en Christen-democraten met een neo-liberale economische agenda.

 Wie een sociale, linkse koers wil varen, is aan het goede adres bij de Communistische Partij. Dit is een van de weinige communistische partijen in Midden-Europa die zich niet na de val van de muur heeft hervormd tot een sociaal-democratische partij. De partij wordt door velen gezien als een anti-regime partij die terug zou willen naar het Stalinistische regime. De communisten hebben zich echter hervormd en gedemocratiseerd. Haar program legt sterk de nadruk op een sterke rol voor de overheid in de economie en democratisering van bedrijven. De partij verzet zich sterk tegen “verwestelijking” van de Tsjechische samenlevinen sprak zij zich uit tegen toetreden toe de Europese Unie. Daarnaast appelleert de partij aan anti-Duitse sentimenten. Geen optie dus voor progressieve, pro-Europese politiek.

 Dan resten slechts de sociaal-democraten. Zoals veel sociaal-democratische partijen in Midden-Europa nam deze het Derde Weg programma van de West-Europese sociaal-democraten over, met haar nadruk op technocratisch management van de markteconomie. De sociaal-democraten zijn anders dan de communisten een systeem partij: ze steunden het toetreden tot de Europese Unie en traden toe tot coalitie regeringen met centrum rechts. Al met al zijn de sociaal-democraten een gematigd centrum-linkse partij.

 In Tsjechie heb je dus de keuze tussen of Groenen, die wel groen en progressief zijn, maar rechts, Communisten die wel links zijn maar niet vooruitstrevend en sociaal-democraten die gematigd zijn in hun progressieve en linkse politiek.

Dit artikel verscheen ook in de OverDWARS winter 2008.

Van der Lans Ruimte II

In "Ontregelen. De Herovering van de werkvloer" en in zijn nieuwe boek "Eropaf! Het nieuwe begin van het sociale werk" beschrijft Van der Lans een nieuwe weg van het maatschappelijk werk. Eigenlijk is het een nieuwe agenda voor de hele publieke sector. Hij gebruikt een aantal ruimtelijke metaforen om deze nieuwe agenda te beschrijven. Deze laten echter wel de zwakke plekken in zijn betoog zien.

Vanderlansruimte2

Van der Lans maakt gebruikt van een ruimtelijke metafoor om uit te leggen hoe het maatschappelijk werk is ontwikkeld. Ik heb al eerder over deze Van der Lans ruimte geschreven. Van het paternalistische erbovenop, via het empathisch ernaast naar het afstandelijke ervanaf. Het maatschappelijk werk moet nu terugkomen in de vorm van Eropaf! Het afstandelijke welzijnswerk van de jaren '80 en '90 moet worden vervangen door een veel actievere, betrokkenere vorm van het welzijnswerk zonder te vervallen in het softe ernaast of het paternalistische erbovenop. Als we de ruimtelijke metafoor eens uit tekenen zien we het probleem van Van der Lans' betoog: Ernaast en erboven zijn eigenlijk twee verschillende varianten van Eropaf! Die allebei sterk verschillen van ervandaan. De vraag hoe we precies de balans gaan vinden tussen het paternalisme van erboven en de empathie van ernaast. Deze balans zoekt Van der Lans in Eropaf! maar een zekere ambiguiteit tussen vertrouwen in de kracht van mensen en juist achter de achter ingrijpen zit er wel in.

VDLR1
Een zelfde problematische ruimtelijke metafoor speelt in Van der Lans' nieuwste boek (Eropaf!): hij stelt in zijn boek voor dat verschillende wijken op verschillende manieren benaderd moeten worden. Er zijn in zijn ogen vier varianten: in de wijken kan sprake zijn van afhankelijkheid of van autonomie. Van mensen die hulp nodig hebben en mensen die het zelf wel redden. En het sociaal werk kan op twee manieren handelen: ingrijpen en loslaten. Dat levert vier combinaties op. Die hierboven zijn weergegeven. Twee hiervan zijn uitermate curieus zijn. Er zijn dus wijken nodig waar mensen het zelf aan kunnen. Daar kunnen sociaal werkers loslaten ("zelfsturing"). Maar het sociaal werk kan ook juist hier in grijpen ("stimuleren"). Van der Lans legt niet uit waarom als in wijk mensen autonoom zijn het sociaal werk zou moeten ingrijpen. Dat lijkt mij niet nodig. Dan kunnen er in wijken grote problemen zijn, zodat mensen afhankelijk zijn van zorg. In zulke gevallen kan het sociaal werk ingrijpen ("Activeren"). Dat klinkt logisch: er zijn problemen eropaf! Maar het sociaal werk kan ook loslaten als mensen van zorg afhankelijk zijn ("coachen"): waarom de overheid zou loslaten op dat moment is mij volslagen onduidelijk. Twee van de vier kwadranten zijn eigenlijk heel raar: waarom zou je loslaten als mensen hulp nodig hebben, of ingrijpen als mensen dat zelf wel redden?

VDLR2

Het lijkt erop te duiden dat er niet sprake is van vier kwadranten maar van een lijn en een middengebied. Als mensen autonoom zijn kan het sociaal werk loslaten en als mensen afhankelijk zijn moet het sociaal werk ingrijpen. Als mensen tussen afhankelijkheid en autonomie staan: het soms wel redden en anders niet, een probleem hebben en niet meerdere, dan kan het sociaal werk coachend optreden en mensen stimuleren. De twee lijnen die Van der Lans haaks op elkaar zet liggen dus parallel aan elkaar: de oplossing moet bij het probleem passen.

Wilders over Wilders

Wanneer zou de politicus op staan die zou durven te zeggen dat die PVV-jongens echt gewelddadig zijn: Ze rammen zwangere vrouwen en hulpeloze ouderen in elkaar. Wie durft de waarheid te zeggen dat Eric Lucassen is een barbaar, een straatterrrorist en ontuchtpleger is? Hoeveel erger moet het worden voor we erkennen dat er een verband is tussen het gedachtegoed van Wilders en criminaliteit?  De cijfers tonen dat aan. Een op de vijf PVV kamerleden staat als verdachte bij de politie geregistreerd. Hun gedrag vloeit voort uit hun politieke opvatting. Je kunt dat niet los van elkaar zien.

Het is misschien tegenwoordig niet politiek correct om te zeggen maar het gedachtegoed van Geert Wilders is vooral een politieke ideologie: gericht op de invoering van een stelsel van wetten. "de agenda van hoop en optimisme." Op veel plekken zien we dat het gedachtegoed van Wilders zeggenschap aan het verwerven is over territorium. Wat zeker niet bestaat is een gematigd gedachtegoed van Wilders. Dit gedachtegoed is gebouwd op de volmaaktheid van Wilders.  Het gaat uit van de fundamentele ongelijkheid van mensen. Het ziet twee categorieen: Nederlanders en Moslims. De een is superieur de ander is minderwaardig. Veel politieke problemen, of de intensiteit ervan vinden hun oorsprong in het open kiesstelsel, zoals Nederland dat al jaren heeft. Er zou zonder de opkomst van nieuwe partijen uiteraard ook politieke instabiliteit zijn, maar aanhangers van nieuwe politiek eisen wel een erg groot aandeel in de schandelen en hypes voor zich op. Mishandeling van zwangere vrouwen, geweld tegen barmannen, geweld tegen ambtenaren, straatterrorisme, maar ook ontucht met minderjarigen zouden altijd in de politiek voorkomen maar zouden een stuk minder zijn als de elite niet het gedachtegoed van Wilders zou gedogen.

Het gaat te ver om te zeggen dat het gedachtegoed van Wilders een gewelddadige ideologie is zoals het communisme en fascisme, maar we zullen moeten erkennen dat andere politieke ideologieen of die nu gebaseerd zijn op het liberalisme, de Christen-democratie of het socialisme beter zijn dan de achterlijke politiek van Wilders.

Dit zijn grotendeels uitspraken van Wilders waarbij het woord "islam" is vervangen door het "gedachtegoed van Wilders" en vergelijkbare verwisselingen zijn gedaan van namen en misdrijven.