Senaat 2.0: Echt Bicameraal

Nederland heeft een bicameraal stelsel: ons parlement heeft twee kamers. De facto betekent dat dat wat is voorbesproken door professionele politici in de Tweede Kamer nog een keer wordt besproken door amateurs in de Eerste Kamer. Alleen in uitzonderlijke gevallen doet de Eerste Kamer er echt toe. In de rest van tijd voeren professoren hoogdravende debatten die uiteindelijk maar beperkt invloed hebben op het beleid.

Dat heeft twee redenen: ten eerste heeft de Eerste Kamer vaak eenzelfde samenstelling als de Tweede Kamer. Beiden zijn gekozen met evenredige vertegenwoordiging. De een direct en de ander indirect. Omdat er dezelfde verhoudingen zijn, zal de uitkomst van de besluitvorming niet sterk verschillen. Alleen omdat er nu in de Tweede Kamer een meerderheid over rechts is, terwijl er in de Eerste Kamer geen rechtse meerderheid is: verschil in samenstelling is cruciaal voor een werkend bicameraal stelsel. Daarnaast beperken de rechten en de middelen van de Eerste Kamer het vermogen van de Eerste Kamer om een stempel te drukken op de politiek. Het gebrek van een recht van amendement, amateur-politici die nauwelijks ondersteuning hebben. Daarvan kan je niet verwachten dat ze een stempel kunnen drukken op de politiek. Als de twee kamers allebei bestaan uit professionele politici met vergelijkbare rechten.

Het mooiste bicamerale stelsel in de wereld is het Amerikaanse: een Huis van Vertegenwoordigers waar staten naar grootte in vertegenwoordigd zijn. De verkiezingen worden om de twee jaar voor het hele Huis gehouden. Het Huis heeft het recht van initiatief voor belastingen en begrotingen. Daarnaast is er een Senaat, waar alle staten twee zetels hebben. De verkiezingen worden om de twee jaar voor een-derde van de Senaat gehouden. De Senaat adviseert over benoemingen en internationale verdragen. De Senaat heeft meer politieke statuur, maar constitutioneel zijn de huizen aan elkaar gewaagd.

Een nieuw bicameraal stelsel moet twee lijnen van hervorming volgen: aan de ene kant kan je de rechten en middelen van de twee kamers gelijker maken. Je kan een soort anders-maar-gelijkwaardig takenpakket samenstellen. Ik vond het een heel interessant voorstel om de Eerste Kamer een parlementaire enquete te laten houden over privatisering. Al eerder ging het voorstel om de Eerste Kamer onderzoek te laten doen naar de oorlog in Irak. Haar grotere afstand tot de dagelijkse politiek en haar juridische specialisten maakt de Senaat uitermate geschikt om onderzoek te houden naar besluitvorming. Natuurlijk moet de Eerste Kamer het recht van initiatief en amendement krijgen. En moet ze meer gebruik maken van haar vragenrecht. De Senaat moet bestaan uit allemaal professionele politici met voldoende ondersteuning.

Aan de andere kant, moeten de twee huizen op een andere manier verkozen worden. Ik ben bijzonder gelukkig met het kiesstelsel voor de Tweede Kamer: iedere stem telt gelijk voor iedere zetel. Geen vervorming: een pure uiting van alle verschillende mening in onze bevolking. Voor de andere kamer zou je verschillende kant op kunnen gaan: een kiesstelsel dat personen in plaats van partijen, zoals het Ierse Single Transferable Vote. Een kiesstelsel met verschillende regionale districten. Dat spreekt kiezers op een andere manier aan, en zorgt vanwege de regionale vertegenwoordiging. Er zullen andere meerderheden te vinden zijn. Of een stelsel waarbij er zoals in de Senaat maar een deel van de kamer gekozen wordt: the Senate is the saucer on which the hot tea from the House cools. Om de twee jaar een derde van de Eerste Kamer. Omdat er dan maar 25 zetels verkozen worden is er dan een effectieve kiesdrempel van 4%.

Het allerbelangrijkste is dat de twee kamers andere manieren worden verkozen, het liefst ook op andere momenten: zo kan het nooit gebeuren dat een meerderheid van 76 zetels in een kamer beleid in dit land dicteert. Een kabinet dat meerderheden moet zoeken in beide kamers, brede consensus over de richting die het land op moet. Dat wil je bereiken met een twee kamerstelsel. Als je daar niets in ziet, moet je het niet doen.

Eigenlijk past een lijstenstelsel in een nationaal district goed bij de nieuwe Eerste Kamer. Dit staat partijen toe om zelf specialistisch of juridisch talent op te zoeken dat misschien niet (in een district) direct de bevolking aan zou spreken. Ook past een stelsel waarbij de Kamer niet in een keer van samenstelling wisselt, maar een deel van de kamerleden wisselt past goed, bij een tragere kamer, die niet bezeten wordt door de waan van de dag.

In de Tweede Kamer mag de waan van de dag mag heersen. Een districtenstelsel dat personen verkiest, past daar goed bij. Dat past prima bij de mediacratie, waarbij het gaat om personen met ideeen, niet om partijen met ideologieen. Daarnaast zou in mijn ogen de Tweede Kamer een belangrijke rol spelen bij kabinetsformaties. Een districtenstelsel dat partijen dwingt om samen te werken en hun voorkeuren uit te spreken past daar goed bij.

Ik ben er nog niet uit, maar ik denk dat als je een Twee Kamer stelsel wilt houden, je moet na denken aan een manier om verschillende kamers te krijgen, met een verschillende samenstelling en verschillende functies.

GroenLinks en de grote wereld

GroenLinks gaat terug naar haar roots. Bij het twintigjarige bestaan organiseren het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie een lezingencyclus over de idealen van GroenLinks. Joost Lagendijk keek naar de ontwikkeling van de visie van GroenLinks op een aantal internationale onderwerpen, vooral vrede en veiligheid en Europese integratie.

Lagendijk was internationaal secretaris en vice-partijvoorzitter van GroenLinks tussen 1989 en 1994. Ook als lid van het Europees Parlement (tussen 1998 en 2009) hield hij zich bezig met buitenlands beleid. Lagendijk's centrale stelling was dat internationale gebeurtenissen een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van de standpunten van GroenLinks.

 ‘Vraagstukken van oorlog en vrede hebben voortdurend tot discussie binnen de partij geleid. Nieuwe conflicten stelden GroenLinks voor nieuwe dilemma's. Bij het voorbereiden van deze lezing werd ik er weer op gewezen hoeveel oorlogen er in de laatste twee decennia zijn geweest’, aldus Lagendijk.

‘De Koude Oorlog was een jaar voorbij toen GroenLinks werd opgericht. Dit conflict had een dominante invloed op het denken binnen GroenLinks: de NAVO en het Warschaupact (de alliantie van communistische staten – SO) hadden allebei een defensiestrategie gebaseerd op kernwapens.’ De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie konden allebei niet direct ingrijpen in conflicten binnen de invloedssfeer van de ander, omdat dit een kernoorlog zou uitlokken: 'Toen in 1968 de Tsjechen en Slowaken in opstand kwamen, wilden we hen steunen maar dat was ondenkbaar.' In feite was er sprake van een bevroren wereld. De voorlopers van GroenLinks verzetten zich tegen het blokdenken en het militaire karakter daarvan: ‘Het was niet onze NAVO, we wilden die kernwapens niet en we konden niet ingrijpen.’ De grote antikernwapendemonstraties in de jaren ’80 waren een duidelijke illustratie van deze afkeer.

 'In 1990 ontdooide de wereld. Dat zou grote invloed hebben op het denken binnen GroenLinks.' Tijdens de Golfoorlog (1990-1991 – SO), waarin een brede internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten en met mandaat van de Verenigde Naties de Iraakse bezetting van Koeweit ongedaan maakte, was daar nog weinig van te merken: 'GroenLinks was fel gekant tegen die oorlog. GroenLinks had weinig sympathie voor de Amerikaanse president George Bush en wees de oorlog af met het argument dat er enkel werd ingegrepen vanwege de oliebelangen. Ik ben was zelf voorzitter van het anti-Golfoorlogcomité.

De omslag kwam snel daarna, toen het optreden van Saddam Hoessein problemen opleverde voor de Koerden in Noord-Irak. In het voorjaar van 1992 stelde het Westen (de Verenige Staten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk – SO) een no-fly zone in. GroenLinks steunde om humanitaire redenen die militair afgedwongen no-fly zone. De Koerdische oppositie vroeg om onze hulp.'

 Een ander conflict dat leidde tot fundamentele veranderingen in de visie van GroenLinks op vrede en veiligheid, was de oorlog in Joegoslavië die in juni 1991 ontstond na de afscheiding van Slovenië en Kroatië. Eind 1991 viel Servië Kroatië binnen: ‘De stad Vukovar werd met de grond gelijk gemaakt. Europa keek er machteloos naar. Ook GroenLinks wist niet wat ze moest doen. Er werd niet ingegrepen.’ Dit alles speelde zich af in de tijd dat het eerste programma van uitgangspunten van GroenLinks werd opgesteld. 'De vredes- en veiligheidsparagaaf was redelijk onschuldig: een humanitaire vredespolitiek en pan-Europese niet-militaire veiligheidsorganisaties.' Na heftige discussies hierover op het congres van december 1991, volgde uitstel, en in oktober 1992 werd een zeer uitgebreide veiligheidsparagraaf aangenomen. Lagendijk: ‘Het is een compromistekst, maar tegelijk een doorbraak in het denken over het gebruik van militaire middelen: GroenLinks kan instemmen met militaire operaties onder VN-vlag die ten doel hebben vrede te handhaven (peacekeeping – SO). Militaire operaties die ten doel hebben vrede op te leggen (peace enforcing – SO) zijn echter alleen aanvaardbaar op zeer zwaarwegende humanitaire gronden, met name het voorkomen van genocide.’

'Nog steeds mocht dit niet worden uitgevoerd door de NAVO, terwijl dit de enige organisatie was die dat kon doen. Dat was een echo uit het Koude Oorlogsverleden. Wat wel erg opvallend is, is de vernieuwde visie op de rol van het Nederlandse leger: een klein professioneel leger moest ter beschikking staan van een multinationale vredesmacht om op te treden ter handhaving en eventueel herstel van de internationale rechtsorde. Het was wel een ongemakkelijk opschuiven. Er was heel wat verzet in de partij tegen het idee om soms militair in te grijpen. Deze standpunten werden aangenomen met zeer geringe meerderheden.'

 De oorlog in Joegoslavië was nog lang niet voorbij. Lagendijk: ‘Tussen 1992 en 1995 woedde er in Bosnië-Herzegovina een burgeroorlog: Serviërs zuiverden gebieden van Bosnische Moslims en Kroaten, en als zij de kans kregen deden de Kroaten en Moslims dat even hard terug. Op televisie verschenen beelden die deden denken aan de concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog: vermagerde mensen die tegen prikkeldraad aan stonden. Er moest wat gebeuren maar de Europese Unie was verdeeld. De oorlog ging door. In 1995 hebben de Verenigde Staten uiteindelijk ingegrepen. Het algemene gevoel was: dit nooit meer, op de deurmat van Europa mogen mensen elkaar niet afmaken.' In de zomer van 1995 werd dit gevoel nog versterkt door de val van Srebrenica: 'een klein aantal Nederlandse troepen zouden de Bosnische Moslims in de enclave Srebrenica beschermen tegen de Bosnische Serviërs. Achtduizend mannen en jongens werden koelbloedig vermoord door de Bosnische Serviërs.'

Tegelijkertijd breekt er tot verrassing van het Westen een buitengewoon bloedige burgeroorlog uit in Rwanda: daarbij vallen achthonderdduizend slachtoffers. De VN was aanwezig maar trok zich terug: iedereen stond te kijken terwijl honderdduizenden mensen omkwamen.

 Dit alles is van invloed geweest op het standpunt van GroenLinks: ‘En dan begint in 1999 hetzelfde in Kosovo als in Bosnië had plaatsgevonden: door moordpartijen werden de Kosovaren door de Serven de grens over gejaagd. De VN was verlamd en kwam niet tot een uitspraak. Het geweten van de NAVO begint op te spelen: de NAVO accepteerde niet dat er zoveel doden vielen. Ze gaat zonder VN-mandaat over tot luchtaanvallen op militaire en civiele doelen. Dit leidde tot een buitengewoon heftig debat in GroenLinks, waarbij de ene helft zei 'dit nooit meer' en de andere helft 'er is geen VN-mandaat, ik ben geen fan van de NAVO, en het maakt zoveel meer kapot.' Na veel interne debatten koos GroenLinks ervoor om het ingrijpen te steunen. Het is interessant om te zien dat een vergelijkbare discussie zich bij de Duitse Grünen afspeelde, alleen nog heftiger: Joschka Fischer (leider van de Duitse Grünen – SO) nam als minister de verantwoordelijkeid en hij werd op een partijcongres door een partijgenoot met verf bekogeld.'

 Eenzelfde opstelling van GroenLinks zien we na de Amerikaanse inval in Afghanistan, als reactie op de aanslagen op de Twin Towers van 11 september 2001. Lagendijk: ‘De Taliban vormde een terreurbewind en Afghanistan was een vrijplaats voor Al-Qaida.' De Verenigde Staten steunden met luchtaanvallen de Noordelijke Alliantie, de gewapende tegenstanders van de Taliban. 'GroenLinks steunde de Amerikaanse aanval aanvankelijk, maar al gauw ontstond er een debat in de partij. De eerste burgerslachtoffers vielen en een deel van de coalitie was niet echt zachtzinnig. GroenLinks weet het dan even niet meer, wordt verscheurd tussen de aanvankelijke steun voor de interventie om de Taliban weg te krijgen en de collateral damage, de burgerslachtoffers. En op dezelfde dag dat Kaboel werd bevrijd, trok GroenLinks haar steun in. Dat was niet het meest handige moment.’

 In 2008 heeft het congres een nieuw beginselprogramma aangenomen. Lagendijk: ‘Voor militaire interventies staan hierin dezelfde voorwaarden als in het eerste programma van uitgangspunten: als er genocide plaatsvindt en alle niet-militaire middelen zijn uitgeput. Het geeft aan dat GroenLinks heeft leren accepteren dat militaire interventie soms nodig is. In feite vind je in het denken van GroenLinks de filosofie van de Verenigde Naties: de zogenoemde responsibility to protect. Er zijn situaties denkbaar waarin de overheid de veiligheid van haar eigen burgers niet meer beschermd. De Verenigde Naties hebben dan de verantwoordelijkheid om burgers te beschermen. Je mag niet aan de kant blijven staan als er verschrikkelijke dingen gebeuren. Ik zie dit als een positieve ontwikkeling.’

 In de laatste twintig jaar is GroenLinks ook veel positiever geworden over de Europese Unie, die steeds meer werd gezien als middel om de eigen doelen te realiseren. Lagendijk: ‘De CPN, PSP en PPR waren nog buitengewoon kritisch over de Europese Gemeenschap. Het was in hun ogen een economisch samenwerkingsverband dat niet groen en niet democratisch was' Ze zagen het als een instrument van het kapitalisme en de multinationals. 'Bij de eerste directe verkiezingen van het Europees Parlement in 1979 overwoog de PSP zelfs een boycot: ze vonden het een fake-parlement.'

In 1984 bundelden de drie partijen hun krachten om de kiesdrempel voor het Europees Parlement te halen. Het Groen Progressief Akkoord (de gezamenlijke lijst waarmee PPR, PSP en CPN aan de verkiezingen deelnamen – SO) behaalde twee zetels. De groep nam deel aan de Regenboogfractie, met daarin allerlei radicale vogels zoals de Duitse en Franse Groenen en een aantal regionale partijen.'

 'Tegen heug en meug accepteerden we Europa. Het moest groener en socialer. In 1992 is er het Verdrag van Maastricht: het breidt de bevoegdheden van het Europees Parlement uit en geeft de Unie meer bevoegdheden op milieu. GroenLinks stemt tegen: we vergeleken het verdrag met ons ideaalbeeld. In 1997 stemt GroenLinks om dezelfde redenen tegen het verdrag van Amsterdam: het maakt Europa democratischer en groener, maar het staat ver af van ons ideaal. En dan komt in 2001 het Verdrag van Nice. Van de drie verdragen het slechtste verdrag, maar het is nodig om de tien Centraal-Europese landen toe te laten treden tot de Europese Unie. GroenLink stemt vóór'. Geleidelijk is GroenLinks positiever over de Unie gaan denken, omdat deze steeds meer ging doen op milieugebied en ook de macht van het Europees Parlement werd uitgebreid. Lagendijk: ‘In Europa kun je een veel groener beleid krijgen dan op het nationale niveau.’

Die ontwikkeling leidde er toe dat GroenLinks in 2005 één van de voorstanders van de Europese Grondwet was. 'De referendumcampagne over de Europese Grondwet was voor mij de meest frustrerende ervaring met Europa. In één van debatten stond aan de ene kant Plasterk, als uitgesproken tegenstander samen met Harry van Bommel, dé gangmaker van nee-kamp, en ik aan de andere kant met Henk Kamp. Ik vond het buitengewoon ongemakkelijk. De Grondwet werd weg gestemd, terwijl de argumenten tegen buitengewoon zwak waren.’

Het pro-Europese standpunt van GroenLinks wordt verwoord in het nieuwe programma van uitgangspunten. Lagendijk: ‘Het programma uit 2008 is een stuk positiever over Europese Unie. Europa is een noodzakelijke bestuurslaag: klimaat, milieu en handel moet je op Europees niveau regelen. GroenLinks ziet ook op het gebied van vrede en veiligheid een rol voor de Europese Unie. Dat heeft er mee te maken dat de Unie zelf veranderd is, van een economisch verband zonder controle, naar een verband waarin mensenrechten en milieu een belangrijke rol spelen. Daarnaast zien we steun voor Europa als een tegengif tegen het nationalistische geluid van ‘terug achter de dijken' dat na Fortuyn en Wilders dominant is geworden.'

Dit artikel verscheen eerder op de site van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.

Vrijheid van Godsdienst of Recht op Vlees?

En plotseling is het er dan: een meerderheid voor een verbod op onverdoofd slachten. De draai van de VVD, en alhoewel de partij daar nog niet helemaal over eens is, de PvdA, heeft de Joodse en mindere mate de Islamitische gemeenschap erg verbaasd. Op het laatste moment roepen ze nu op om het verbod tegen te houden.

Laat ik eerlijk zijn: ik geloof niet dat onverdoofd slachten een halszaak voor dierenliefhebbers zou moeten zijn. Of je een koe nou ombrengt door een kogel door zijn brein (dat is namelijk de verdoving) of het doorsnijden van een slagader, wordt het dier so wie so geslacht om onze vleesverslaving te voeden. En is het niet een veel belangrijker hoe het dier daarvoor geleefd heeft? Onverdoofd slachten, dreigt, net als mega-stallen uit te groeien tot een kroonjuweel van de dierenwelzijnsbeweging.  Ze houden daarmee af van de belangrijke vragen rond vleesconsumptie en de bio-industrie.

Maar dat is niet het argument dat de Rabbijnen aandragen: zij beroepen zich op godsdienstvrijheid. Maar kan je je op godsdienstvrijheid beroepen om uitzonderingen te bedingen op wetgeving?

In de eerste plaats betekent godsdienstvrijheid dat mensen vrij zijn om te geloven wat ze willen en hun geloof te belijden. De overheid mag mensen niet belemmeren om het enkele feit dat ze bepaalde religieuze opvattingen hebben, en handelingen mogen niet verboden worden omdat ze een bepaalde religieuze betekenis hebben. Zoals Locke stelt in zijn Letter Concerning Toleration: als het toegestaan is om in thuis met mensen brood te eten en wijn te drinken, dan moet je ook een eucharistie-viering toe staan, waarbij Christenen brood eten en wijn drinken en geloven dat dat het lichaam en bloed van Christus is, niet verbieden Maar Locke gaat een stap verder: als het legaal is om thuis een kalf te slachten, dan kan je een offer ook niet verbieden. Maar het is niet legaal om thuis een kalf te slachten, onder andere vanwege dierenwelzijn. De Nederlandse Grondwet heeft hier een mooie formulering voor: "Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet." Godsdienstvrijheid is in de eerste plaats bedoelt om te voorkomen dat de overheid mensen op basis van hun religie vervolgt. Dat is de kern van het liberale begrip van de vrijheid van godsdienst.

Nu wordt godsdienstvrijheid aangehaald om de vrijheid van religieuze groepen uit te breiden en hen uitzonderingen te geven op wetgeving. Het perverteren van Grondwettelijke bepalingen is niets nieuws: neem de bepaling "De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk." In het verleden betekende deze precieze zin dat de Koning mocht doen wat hij wilde en daar geen verantwoording over hoefde af te leggen. Sinds het einde van de negentiende eeuw betekent dit juist dat de overheid niets macht omdat hij geen verantwoording hoeft af te leggen.

Naar welke notie van Godsdienstvrijheid moeten we kijken om het beroep van de Rabbijnen te rechtvaardigen? In de multiculturele traditie is veel kritiek geleverd op het liberale idee van godsdienstvrijheid. De kritiek is op twee gronden geformuleerd: ten eerste dat in een liberale samenleving waar de overheid niet ingrijpt op culturele onderwerpen, kleine culturele gemeenschappen onder druk staan: culturele gemeenschappen zijn heel waardevol voor individuen om zich vrij te ontplooien. Maar als de overheid niet optreedt dan verdwijnen ze onder druk van economische krachten. Mensen stoppen met het spreken van hun spreektaal, omdat het handiger is op de arbeidsmarkt om de dominante taal te spreken. Om die culturele gemeenschappen te beschermen moet de overheid bijzondere zorg dragen, bijvoorbeeld door zo'n streektaal verplicht te onderwijzen. Het tweede is dat bepaalde regels onbewust bepaalde normen in zich dragen: dat winkels op zondag dicht zijn bijvoorbeeld, dat heeft voor weinig mensen meer religieuze betekenis, maar het beperkt een islamitische bakker wel, omdat hij juist op zaterdag dicht zou willen. Kortom: niet ingrijpen kan onbedoeld religieuze gemeenschappen bedreigingen en regels kunnen onbedoeld religieuze gemeenschappen beperken.

Is daar hier sprake van? Bestaan deze uitzonderingen om Joodse en Islamistische gemeenschappen te beschermen tegen mainstreaming of blijkt uit ons verbod op onverdoofd slachten een bepaalde religieuze opvatting? Dwing je mensen om niet-Joods of niet-Islamitisch te handelen om zichzelf te handhaven in onze Nederland? De voorbeelden die betrekking hebben op de arbeidsmarkt werken het beste: als je het religieuze mensen onmogelijk maakt om deel te nemen aan de arbeidsmarkt, dan dwing je ze eigenlijk om tegen hun religie in te handelen willen ze overleven. Dat lijkt me hier niet het geval. Mensen hoeven geen vlees te eten, dat is niet noodzakelijk om te overleven. Je kan je dus nog steeds kosjer eten als je als vegetarisch eet. De fundamentele vraag is dus niet of godsdienstvrijheid of dierenwelzijn belangrijker is, maar of er een fundamenteel recht is om vlees te eten. En dat lijkt me niet het geval.

Progressieve Politiek en Vrijzinnige Religie

Er wordt wel eens gesteld dat je de geschiedenis van het Nederlandse partijenstelsel niet kan begrijpen zonder te kijken naar de ontwikkeling van de Nederlandse kerken. En dat is heel terecht: Christelijke partijen hebben hun wortels in kerken en hebben hun bestaan deels te danken aan kerksplitsingen. Maar er is een onbelichte kant: de geschiedenis van het vrijzinnige Christendom, en haar invloed op progressieve politiek.

Zoals we allemaal weten is het CDA is ontstaan uit de ARP, de CHU en de KVP. De KVP was de partij van Katholieken die zochten naar politieke macht nadat ze jaren in de politieke marge waren gezet. De ARP was opgericht na een splitsing in de Nederlands Hervormde Kerk, de grote protestantse kerk. De CHU werd opgericht met name door de overgebleven leden van de Nederlands Hervormde Kerk die daarnaast weinig zagen in de samenwerking tussen de ARP en de Katholieken. De ChristenUnie is een fusie van de GPV en de RPF. De GPV was een gevolg van een kerkscheuring in de ARP-gelieerde Gereformeerde Kerk en de RPF was opgericht door ARP'ers die liever bij de GPV zaten maar dat om kerkelijke redenen niet mochten. Het CDA had nooit kunnen vormen als de progressieven in de Katholieken en Protestantse kerken niet de hokjes- en schotjesgeest daar hadden doorbroken en de CU had nooit kunnen vormen als de aan de GPV-gelieerde Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk niet moderner was geworden.

Maar daarnaast is er in Nederland altijd een traditie geweest van vrijzinnig Christendom, van progressieve kerken. De twee belangrijkste zijn de Doopsgezinde en de Remonstrantse Kerk. De Doopsgezinde Kerk is de oudste van de twee. Deze kerk gaat terug naar het begin van de reformatie, en is ouder dan de Nederlandse Hervormde Kerk. De Doopsgezinden geloven in de kern dat mensen zelf vrijwillig en volwassen tot God moeten komen en zijn daarom voorstander van volwassenen doop. Dit koppelde ze -na het terreurbewind van de wederdoper Jan van Leiden in Munster- aan pacifisme. De doopsgezinden werden lange tijd, net als Katholieken en Joden gedoogd. Het is altijd een kleine geloofsstroming geweest: er zijn op dit moment ongeveer 8000 Doopsgezinden.

De Remonstranten waren een stroming binnen de Nederlands Hervormde Kerk. Na een groot religieus conflict splitsten de Remonstranten zich af. De Remonstranten waren de toleranten stroming binnen de Hervormde Kerk, de Gomaristen, de dominante stroming in de Kerk waren orthodoxer. Remonstranten geloofden dat mensen zelf de Bijbel moesten lezen en dat mensen door goed te handelen in de hemel zouden komen. Dit in tegenstelling tot Gomaristen die geloofden dat alles van te voren al vast lag. Dit conflict vond plaats tijdens de het Twaalfjarig Bestand (onderdeel van de 80-jarige oorlog) en versterkte het conflicten in de republiek op dat moment. De Remonstranten worden vervolgd en werden een kleine geloofsgemeenschap. Er zijn op dit moment ongeveer 6000 Remonstranten.

Over het algemeen zou je kunnen zeggen dat Doopsgezinden en Remonstranten er progressieve ideeen op na hielden: Doopsgezinden leggen de nadruk op vrije keuze en op pacifisme; Remonstranten op tolerantie en naastenliefde. Daar hoeft in de politieke praktijk overigens weinig van te zien: zo was Nixon Quacker, ook een progressieve, vrijzinnige en pacifistische geloofsstroming. Nixon was fel anti-communistisch, paranoide en verhevigde de oorlog in Vietnam. Overigens be-eindigde hij dit conflict wel, dat was gestart onder door progressieven zo bejubelde Kennedy,  verbeterde hij de relatie tussen de VS en China, onderhandelde hij detente met de Russen en voerde hij progressieve politiek op het gebied van milieu. Misschien juist wel omdat hij Quacker is heb ik een positiever beeld van Nixon, "the last liberal president", dan andere mensen op links.

Terug naar Nederland: de vrijzinnige kerken waren samen met vrijzinnige gelederen binnen de Nederlands Hervormde kerk verbonden geweest aan liberale politiek. Dit zorgde ervoor dat alhoewel wel er weinig Remonstranten en Doopsgezinden waren onder de totale bevolking zij goed waren vertegenwoordigd onder de liberale elite die Nederland in de 19e eeuw bestuurde. Daarbij moet ik nog twee opmerkingen maken: naast de Katholieken, Hervormden, Doopsgezinden en Remonstranten, waren er in Nederland nog een aantal andere gezindten: de Evangelisch-Lutherse stromingen (Luthers zoals de staatskerk in Duitsland en Scandinavie), Waals-Hervormd (een strenge uit Frankrijk afkomstige Calvinistische stroming die haar wortels heeft in de Hugenoten) en de Gereformeerde Kerk (een strenge home-grown stroming met sterke band met de ARP).

PremiersPre
Eind 19e eeuw bestond de Nederlandse bevolking voor de helft uit Nederlands Hervormden, een-derde was Katholiek. Daarnaast was 8% van de bevolking als Gereformeerden uit de Hervormde kerk gestapt. Luthersen, Waals-Hervormden, Doopsgezinden, en Remonstranten waren allemaal kleiner dan 2% van de bevolking.

En toch als je kijkt naar de premiers, de leiders van kabinetten ligt de balans daar heel anders. We kijken hier naar premier-jaren, in de periode 1848-1918: maar 40% van de premiers waren Hervormd. Geen van de premiers was nog Katholiek (maar die werden toen in politiek opzicht niet vertrouwd iets met dubbele loyaliteiten). 13% van de tijd had Nederland een Lutherse premier gehad (Thorbecke), bijna 20% van de tijd een Remonstrantse, 10% van de tijd een Waals-Hervormde (vaak conservatieven), heel kort een doopsgezinde (De Vries Az.) en daarnaast had Nederland toen al 13% van de tijd een Gereformeerde premier gehad, wat toen een relatief jonge geloofsbeweging was geweest. Met name Remonstranten hadden dus in die tijd veel meer politieke macht dan je op basis van hun beperkte aandeel in de bevolking (minder 1%) zou verwachten. Dat had met name te maken met het succes van de liberalen, waarmee ze politiek verbonden waren.

PremiersPost
 
Na 1918, als er algemeen kiesrecht is en Katholieken politiek zijn geintegreerd in de regerende coalitie is het over voor de Remonstranten, nog heel kort is er een Remonstrantse premier (Schermerhorn). In 1960 zijn Katholieken de dominante religieuze groep en dit wordt ook politiek vertaald omdat ze het langst de premier leveren. Daarop volgen Gereformeerden: slechts 9% van de bevolking en toch 29% van de tijd de premier. Niet-religieuzen en Hervormden zijn sterk ondervertegenwoordigd: slechts 28% van de bevolking en 16% van de premiers en 18% van de bevolking en 9% van de premiers. Dit heeft er alles mee te maken dat de Gereformeerden en Katholieken een succesvolle politieke alliantie zijn aangegaan die eerste "de coalitie" genoemd wordt en sinds 1977 het CDA.

MinistersPre

Dat betekent overigens niet dat deze progressieve geloofstromen helemaal uit de politiek zijn gedreven. Nog steeds zijn er bijvoorbeeld bewindslieden met een Doopsgezinde or Remonstrantse achtergrond: 12 Remonstranten en 9 Doopsgezinden. Een aangezien er nu veel minder Remonstranten of Doopsgezinden zijn (beide minder dan 1% van de bevolking) zijn deze groepen dus oververtegenwoordigd. Er vallen drie dingen op: nog steeds is progressief-Christelijke politiek verbonden aan liberale politiek: er zijn Remonstrantse en Doopsgezinde bewindslieden van VVD, Liberale Unie en D66-huize, dat zijn met name mensen die na de 1918 geboren zijn en dus minister waren sinds de jaren '60 en '70. Maar er zijn ook veel Remonstrantse PvdA-bewindslieden: dat is met name zo vlak na de Tweede Wereldoorlog, als de PvdA alle linkse krachten probeert te verenigen. Daarnaast zijn er twee CHU bewindslieden (een Doopsgezind, en een Remonstrant). De CHU was niet een religieus Nederlands-Hervormd blok maar was een partij van onafhankelijk denkende, behoudende notabelen met een Christelijke achtergrond. Er is nu een Remonstrantse minister, de houwdegen Ivo Opstelten.

Niet in de figuur opgenomen zijn de kamerleden met een Remonstrantse en Doopsgezinde achtergrond, gewoon omdat er erg veel kamerleden zijn geweest en het lastig is om een overzicht te krijgen. Maar toch: GroenLinks heeft twee Remonstrantse kamerleden gehad (Hermann, Minderman), de PSP twee doopsgezinde (Boetes en Van der Lek), een SP-kamerlid was Doopsgezind (Van Velzen) en een D66-kamerlid (Van der Ham, nu een vrijzinnige atheist) komt uit een Remonstrants gezin, dat misschien nog wel te zien is in zijn sympathie voor Spinoza.

MinistersPost

Ook voor 1918 waren er Doopsgezinde en Remonstrante ministers: 22. 15 daarvan zitten bij de liberale familie. Maar zeven niet: daaronder zitten CHU'ers, conservatieven, ARP'ers en partijlozen. Deze progressieve geloofsstromingen waren dus niet exclusief verbonden aan liberale politieke partijen. Sterker nog: een van de onafhankelijke ministers was Dijxhoorn, een doopsgezinde beroepsmilitair die tijdens de Tweede Wereldoorlog minister van Defensie was, niet helemaal wat je verwacht van een pacifistische geloofsstroming.

De onafhankelijkheid, de tolerantie en de vrijzinnigheid van deze kleine kerken betekent dat ze in de eerste plaats dat ze verbonden waren aan progressieve politiek. Zeker in de 19e eeuw zijn Remonstranten oververtegenwoordigd in de politieke zin, vanwege hun verbinding met liberale politiek. In die 19e eeuw waren de liberalen verbonden met vrijzinnige traditie in de Nederlands Hervormde Kerk en kleinere vrijzinnige groeperingen, conservatieven waren verbonden met de behoudende traditie in de Nederlands Hervormde Kerk en kleinere streng-Gereformeerde stromingen. Maar dat betekende ook dat mensen zelf bleven na denken, niet klakkeloos hun eigen religieuze traditie volgen en daarom konden ze als weldenkende conservatief eindigen.

Minimumloon en Basisinkomen

Ik was vorige week in de Verenigde Staten op een van de grote politicologenconferenties in Chicago. Ik was samen met een sociaal-democratische collega. In een restaurant wees hij ons er fijntjes op dat we een redelijke fooi moesten geven, omdat de lonen in de Verenigde Staten er niet op waren ingesteld dat mensen er van konden leven. Ik moest daarbij terug denken aan een uitspraak van Kees Vendrik bij de GroenLinks academie. Dat wij als GroenLinks ons moesten orienteren op Amerikaans arbeidsmarktbeleid. Terwijl ik een paar dollar neer legde voor de serveerster, rees de vraag waarom. Wil je dat mensen van fooi moeten leven?

De centrale tegenstelling tussen de Amerikaanse en de Europese arbeidsmarkt is dat er in Europa veel zwaardere regulering is. Het voornaamste middel daarvan is het minimumloon. Het minimumloon verzekert dat iedereen die werkt daarvan kan leven. Working poor mogen niet bestaan: werkgevers moeten werknemers in hun onderhoud voorzien. In Amerika ligt het minimumloon veel lager: mensen moeten soms verschillende banen naast elkaar hebben om te kunnen overleven. Dat klinkt niet als een goed systeem: maar in Amerika is er veel meer werk met name voor mensen met een lage opleiding. Waar in Nederland veel diensten zijn overgenomen door ICT, zijn er in de VS nog hordes klaar-overs, bediend personeel en wegwijzende service-personeel. Omdat arbeid niet artificieel duur wordt gehouden, is er meer werkgelegenheid. Het Nederlandse stelsel houdt zo mensen van de arbeidsmarkt. Voor sommige diensten willen we gewoon niet het minimumloon betalen, en andere mensen zijn 'onrendabel' ze brengen het minimumloon niet op.

Ik denk hierbij aan mensen die we nu veroordelen tot de WIA of de WAJONG, omdat ze maar beperkt aan het werk kunnen. En aan de granieten bestanden van onbemiddelbare onrendabelen met bijstand. Maar denk ook aan jongeren die zonder een diploma zijn uitgevallen en geen werkervaring hebben: omdat het zo lastig is om toe te treden tot de arbeidsmarkt sluizen we deze mensen nu door gedwongen leer/werk trajecten. De notie is dat deze mensen moeten worden aangepast aan de arbeidsmarkt, in plaats van dat we de arbeidsmarkt zo maken dat deze mensen er hun plek kunnen vinden. Als arbeidskosten lager liggen, dan hoeft niet iedere werknemer perfect te zijn.

Wat begon als een sociale maatregel, een leefbaar inkomen voor alle werkers, is een middel van uitsluiting en achterstelling geworden. Rechts kijkt steeds meer naar de verzorgingsstaat als een verzameling luie mensen. Met lagere uitkeringen moeten ze gestimuleerd worden om aan het werk te gaan. Maar ik denk dat het tegenover gestelde waar is: de hoogte van het minimumloon stimuleert bedrijven niet om mensen aan te nemen.

Overigens valt er heel wat aan te merken aan de Amerikaanse arbeidsmarkt, omdat deze veel conjunctuur gevoeliger is (want een kleinere overheid), is er nu een hogere werkgelegenheid dan in Nederland. De crisis slaat hier zwaarder in omdat er geen mechanisme van stabilisering zijn. Dat kunnen wij in Europa dan weer beter.

Is er een middenweg tussen het Amerikaanse stelsel van working poor en het Nederlandse stelsel van non-working poor? De radicale oplossing is volgens mij een heroverweging van de relatie tussen arbeid en inkomen. Zowel de Amerikanen als de Nederlanders willen dat mensen hun eigen inkomen verdienen. Als ze echter niet de productiviteit hebben om een leefbaar inkomen te produceren, dan worden ze in Nederland veroordeeld tot armoedige werkeloosheid en in Amerika tot werkende armoede. Vendrik stelde voor om mensen die werken hun belasting te laten aftrekken zo zeer dat ze negatieve inkomensbelasting terug krijgen.

Ik denk dat je in zo'n stelsel nog een stap verder kan: het minimumloon zou kunnen worden verlaagd als en alleen als de overheid verzekert dat iedereen die aan het werk gaat van een leefbaar inkomen is verzekerd. Mensen kunnen aan het werk voor een loon lager dan wat er nu wordt betaald en de overheid verzekert hen een leefbaar inkomen. Je moet, zoals de radicalen in de jaren '80 al voorstelde arbeid en inkomen ontkoppelen. Als mensen onrendabel dan zijn ze dat omdat de overheid van bedrijven verwacht dat ze mensen aannemen terwijl ze hun loon niet bij elkaar kunnen werken.

Je zou kunnen stellen dat het een grove belediging is om het minimumloon te verlagen, dat dat mensen dwingt om voor vernederende lonen aan het werk te gaan en voor de rest hun hand op te houden. Daar staat echter wel tegenover dat werk voor veel mensen een bron van zelfrespect is en dat grote groepen daar nu van worden uitgesloten. En veel van die mensen worden nu al "gedwongen" om hun hand op te houden en een uitkering aan te nemen. Waar een lager minimumloon met gedeeltelijk basisinkomen voor zorgt is dat mensen een leefbaar inkomen hebben (dat hoger kan liggen dan de bijstand) en werk, met alle kansen, sociale participatie en prachtige zelfverwezenlijking die dat biedt.

Je kan ook zeggen dat zo'n regeling de werkgevers ontslaat van hun verantwoordelijkheid om hun werknemers te voorzien in hun inkomen, en deze kosten overhevelt naar de samenleving. Daar moet ik twee opmerkingen bij maken: ten eerste dat een deel van de belastingen nu al wordt opgebracht door bedrijven. Dit zorgt ervoor dat de financiele verantwoordelijkheid voor inkomen eerlijker wordt gedeeld tussen bedrijven, omdat bedrijven die meer winst maken meer belasting betalen. Ten tweede dat de verantwoordelijkheid voor veel van deze mensen nu niet wordt genomen door bedrijven (omdat ze onrendabel zijn) en dat bedrijven zo deels weer hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Rechts stelt nu steeds vaker dat mensen met een uitkering luie schobbejakken zijn, maar overheid en bedrijfsleven zijn er samen voor verantwoordelijk dat veel mensen geen werk kunnen vinden, omdat ze niet passen in de economische rationaliteit van het bedrijfsleven. Dan moet de overheid niet grotere barriers opwerpen voor mensen die willen werken, maar creatief na denken.

Ik denk dat als je serieus gecommiteerd bent aan het eerlijk delen van arbeid en inkomen, je niet langer het een aan het ander moet koppelen. We moeten er samen voor zorgen dat iedereen die dat wil aan het werk kan, dat niemand wordt uitgesloten van de pleasures of work, zelf-respect, ontwikkelingsmogelijkheden, sociale contacten, en dat niemand in armoede hoeft te leven. Dan lijkt een minimumloon een mooi middel, maar het is een mechanisme van uitsluiting en achterstelling.

Universialiteit, Liberalisme en Moraliteit

Ik vind het belangrijk om moreel te handelen. Ik probeer de keuzes die ik maak in mijn persoonlijke leven, waar het gaat om bijvoorbeeld kleding, eten, transport en energie te laten leiden door morele overwegingen: ik wil niet verantwoordelijk zijn voor het lijden van mensen en dieren, of voor de vervuiling van de Aarde.

Binnen de ethiek bestaan er twee grote scholen: de een legt de nadruk op het na leven van regels en de ander op het nastreven van geluk. Ik ben zeker georienteerd naar het eerste. Ik geloof dat moraliteit schuilt in een leven gebaseerd op principes. Deze traditie, waarvan Kant de belangrijkste exponent is, legt de nadruk op de vraag of de principes waar je je aan houdt universialiseerbare wetten zouden kunnen zijn: dat is als iedereen zo zou handelen, wat zou er dan gebeuren? Met name op groene thema's is het duidelijk dat als alle mensen zich niet houden aan de regels die ik probeer na te leven (geen auto, geen vlees, groene energie, geen leer), het voortbestaan van de wereld zelf in groot gevaar is.

Hierin schuilt echter een probleem: voor zover als er filosofische morele scholen bestaan, leggen deze allemaal een grote nadruk op universialiteit: iedereen moet je regels kunnen na leven of met je handelingen moet je het geluk van alle vergroten. Deze scholen hebben universele pretentie: ze zijn gebaseerd op het idee dat iedereen zich aan deze morele principes zou moeten houden. Dat is een probleem voor mijn politieke liberalisme. Mijn conceptie van rechtvaardigheid is gebaseerd op een notie van morele aporie: we weten niet wat het beste leven voor iedereen is, en daarom moet de overheid neutraal zijn ten opzichte van ideeen van het goede leven. Maar ik weet heel goed wat het beste is. Ik kies namelijk voor mijn eigen ethiek, niet omdat het nou zo goed past bij mijn voorkeuren, maar omdat dit regels zijn waar iedereen zich aan zou moeten kunnen houden. Ik vind het moreel onjuist om dieren te doden. En eigenlijk vind ik dat iedereen dat zou vinden.

De centrale vraag zijn of 1) ik mijn morele principes kan blijven rechtvaardigen als ik tegelijkertijd morele aporie onderschrijf en 2) ik mijn politieke principes kan blijven rechtvaardigen, als ik moreel Kantianisme onderschrijf.

De kern van mijn morele opvatting is dat iedereen zijn eigen notie van het goede leven moet kunnen nastreven. In mijn eigen ogen is een goed leven een leven dat gebaseerd is op principes van geweldloosheid, ecologische duurzaamheid en naastenliefde. Ik heb daarnaast preferenties voor mijn persoonlijk leven: ik ben hou van mijn man, ik vind onderzoek doen leuk, ik hou van architectuur en van muziek, ik ben dol op chocolade en drop.  Dat zijn persoonlijke voorkeuren. De overheid zou daar ook neutraal tegenover moeten staan: ik wil dat overheid homo- en heterosexuele paren toe staat te trouwen, en mensen met een voorkeur voor witte chocolade niet moet bevoordelen boven mensen met voorkeur voor melkchocolade. Dat komt omdat ik ook geloof dat iedereen in staat moet stellen zijn eigen levensplan in praktijk te brengen. De overheid moet niet bepaalde levensplannen bevoordelen boven anderen, dat is voor zo ver ze andere levensplannen niet in gevaar brengen: dus als iemand het levensplan heeft om een massamoordenaar te zijn, dan moet de overheid daar wel een stokje voor steken, omdat dat andere beperkt in hun vermogen om vorm te geven aan hun eigen leven. Je zou je dus kunnen terug trekken naar de stelling dat overheid ervoor moet zorgen dat iedereen zijn eigen levensplan in de praktijk kan brengen.  Dan is de rechtvaardiging daarvoor niet langer morele aporie, maar een keuze van lifestyle aporie (we weten niet wat de beste levenplan is), lifestyle pluralisme (voor verschillende mensen passen verschillende levensplan) of lifestyle autonomie (het beste levensplan is dat waar je zelf voor kiest).

Maar ik denk dat er nog een laag onder ligt: de overheid kan (en mag) het handelen van mensen wel reguleren, dat is voor zover zij dat op een levensplan-neutrale manier gebeurd, maar zij kan (en mag) niet treden in de redenen waarom mensen handelen. Een van de rechtvaardigingen hiervoor is Kantiaans: wat moreel juist is, is de juiste intentie. Als je iemand dwingt om iets te doen, dan doet hij of zij het niet meer om de juiste reden. In die zin is een Kantiaans moreel stelsel juist te verenigen met liberalisme. Juist omdat ik goed wil handelen, handel ik goed. En mijn intentie goed te handelen is het enige wat helemaal goed kan zijn. Dat vereist dus liberalisme omdat anders de waarde van moraliteit verdwijnt. Let wel dit is dus niet zo zeer een aporetische als wel een autonomische verdediging van liberalisme: ik ben liberaal omdat ik zelfgekozen keuzes moreel preferabel vindt boven gedwongen keuzes. 

De partijleider en haar critici

Femke Halsema zeilde tegen de maatschappelijke wind: tegen het rechtse populisme dat de Nederlandse politiek steeds sterker kenmerkte, stelde zij een vrijzinnig, links-liberaal, ideaal. Maar ook binnen haar eigen partij, GroenLinks, moest Halsema zich soms staande houden tegen een zware tegenstroom.

De grootste weerstand ontstond door de praktische voorstellen voor vrijzinnige sociaal-economische politiek die Halsema samen met Ineke van Gent in 2005 schreef onder de titel “Vrijheid Eerlijk Delen”. Henk van der Kolk, voorzitter van FNV-Bondgenoten en tot 2005 lid van GroenLinks, stelde dat Halsema in haar analyse van de arbeidsmarkt “regelrecht in sommige valkuilen stapt[e] die de neoklassieke ideologen hebben gegraven.” In zijn ogen schoof Halsema onterecht “zo’n beetje alles wat er mis gaat” op sociaal-economisch terrein “op het bordje van de vakbeweging.” Leo Platvoet, op dat moment nog senator voor GroenLinks, miste in de voorstellen fundamentele kritiek op de economische verhoudingen en voorstellen om de grote bedrijven te vermaatschappelijken: "de economische machten moet je durven aan te vallen."

Nadat Halsema in 2007 voor de vierde keer verkiezingen had verloren en de boot had afgehouden tijdens de formatiegesprekken zwelde de kritiek aan. Joost Lagendijk, Europees Parlementariër voor GroenLinks begreep niet waarom GroenLinks “onder tafel” was gedoken “toen de macht langskwam.” Om die reden koos oud-partijleider Ina Brouwer voor een dubbellidmaatschap van GroenLinks en de PvdA. Na de verkiezingsnederlaag richtte de kritiek zich op de politieke stijl van Halsema. Het verwonderde Diana de Wolff, op dat moment fractievoorzitter van GroenLinks in de Eerste Kamer, dat Halsema had “kennelijk haar politieke leiderschap” had willen tonen “door vanuit splendid isolation met een nieuwe koers te komen.” Het gebrek aan debat binnen de partij was ook anderen een doorn in het oog, Frank Kohler, voormalig wethouder voor GroenLinks in Amsterdam: “GroenLinks lijdt aan een soort leiderschapscultus (…). Wie de baas is, wordt toegejuicht.” Sommigen twijfelden er openlijk aan of Halsema nog wel op haar plaats was, Jos van der Lans: “Ik ben niet zo zeker dat Femke Halsema nu op de plek zit waar ze het liefst wil zitten. Femke kan iets moois bedenken, kan nadenken en analyseren, maar daar zit de politiek niet op te wachten. Dan ben je al snel dat betweterige meisje dat heel vaak bij de interruptiemicrofoons is te vinden.”

De partij ging in 2007 en 2008 met zich zelf in debat over de koers en de partijorganisatie. Halsema was zelf afwezig tijdens het debat over het nieuwe beginselprogramma. Anders dan bijvoorbeeld Wouter Bos schreef Halsema zelf niet mee aan het nieuwe beginselprogramma. In plaats daarvan richttte zij zich op een nieuw project: het boek “Geluk!” waarin ze haar liberale koers nuanceerde. Het schrijven van het boek gaf Halsema een nieuw politiek elan. GroenLinks deed het steeds beter in de peilingen en Halsema zelf was populairder dan ooit onder linkse kiezers. Bij de Europese verkiezingen, en de gemeenteraadsverkiezingen was GroenLinks een van de winnaars. Tijdens de verkiezingscampagne van 2010 stelde Felix Rottenberg, prominent PvdA’er dat iemand met “de stijl en mentaliteit” van Femke Halsema premier moest worden. De verkiezingswinst van 2010 volgde en GroenLinks nam deel aan serieuze onderhandelingen over een paars-plus kabinet. De kritiek op Halsema binnen GroenLinks was grotendeels verdwenen.

Een verkorte versie van dit artikel verscheen in het GroenLinks Magazine.

GroenLinks van radicaal en Rijnlands naar feministisch

GroenLinks gaat terug naar haar roots. Bij het twintigjarige bestaan organiseren het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie een lezingencyclus over de idealen van GroenLinks. Bij de tweede bijeenkomst keek Kees Vendrik, jarenlang het economische brein van de partij, terug op de ontwikkeling van het sociaal-economische gedachtegoed van de partij.

 Vendrik schetste drie tradities in de ontwikkeling van het economisch programma van GroenLinks: de radicale traditie, de traditie van het Rijnlandse model, en de Scandinavische traditie. "De radicale traditie is afkomstig uit de PPR en in mindere mate de EVP. Dit is de traditie van het basisinkomen. De PPR leverde fundamentele kritiek op het arbeidsbestel waarin mensen worden gedwongen te werken. Daarom zouden mensen een van overheidswege gegarandeerd inkomen moeten krijgen. Het hoogste goed voor de radicale traditie is dat mensen bevrijd worden van arbeidsdwang. Ik heb me altijd verzet tegen het idee van het basisinkomen: dit betekent dat mensen het recht zouden hebben om geen deel uit te maken van de samenleving. Als je rechten hebt dan staan daar plichten tegenover."

"De tweede traditie is verbonden met de PSP en de CPN. Dit is de traditie van het Rijnlandse model. In dit model gaat het om concrete verbeteringen voor mensen die er slecht voor staan. Deze traditie is altijd populair geweest in de vakbeweging. Het plaatst de sociale strijd binnen het sociaal-economische overlegmodel." In dit model is er een uitruil gemaakt: "werkgevers hielden zeggenschap over de arbeidsmarkt in ruil daarvoor is Nederland voorop gegaan in sociale zekerheidswetgeving. Een passief arbeidsmarktbeleid wordt gecombineerd met een actief sociaal zekerheidsbeleid." Vendrik heeft een groot bezwaar tegen het Rijnlandse model: "de basis van dit model is een hechte organisatie van belangengroepen." Maar dat betekent dat er ook een groep wordt buitengesloten: "er ontstaat een groeiende groep outsiders. Nederland kent de grootste tweedeling tussen mensen met een vast contract en mensen die daar geen aanspraak op kunnen maken, zoals flexwerkers."

De derde traditie, die Vendrik de Scandinavische traditie noemt, ontstond pas later maar werd sinds begin van dit decennium steeds sterker: "het zijn feministische en progressieve economen die hebben geprobeerd een breuk te forceren." Het Scandinavische model is een alternatief voor het Rijnlandse model: "op de arbeidsmarkt ontstaat ongelijkheid en uitsluiting. Je moet niet aan de zijlijn wachten en pas ingrijpen als problemen zich aandienen. We moeten het opnemen voor mensen die aan de rand van de arbeidsmarkt staan. Dat heeft Femke Halsema willen doen met Vrijheid Eerlijk Delen. Ik ben het helemaal met haar eens."

In Vrijheid Eerlijk Delen hebben Halsema en Van Gent de Scandinavische traditie verder uitgewerkt in een aantal concrete maatregelen op het gebied van ontslagrecht, AOW en belastingen. Vendrik: "het ontslagrecht, bijvoorbeeld, dat moet echt worden gemoderniseerd. Het is nu zo dat naar mate je langer werkt en meer verdient je een grotere vergoeding krijgt. Dat zorgt het voor een absurd ongelijke verdeling: je bent het beste beschermd als je de beste positie hebt, als je het langst werkt en het hoogste inkomen hebt. Maar de mensen met de hoogste inkomens die hoef je niet te beschermen. Die redden het wel. Je moet het opnemen voor de groeiende groep mensen die geen rechten hebben."

 Ook op het gebied van de AOW  heeft GroenLinks een innovatief voorstel gedaan: "De vergrijzing is een groot probleem.  In de zorg zullen er veel meer mensen nodig zijn, omdat mensen de meest aanspraak op zorg doen in de laatste jaren van hun leven. Er zullen evenveel mensen extra in de zorg nodig zijn als er jonge mensen in de arbeidsmarkt bij komen. Dan gaan die salarissen flink stijgen: de bankiers van vandaag zijn de verplegers van morgen. Hierdoor zal de zorg onbetaalbaar worden voor veel groepen. GroenLinks wil dat voorkomen." In Vrijheid Eerlijk Delen zat ook een AOW-voorstel: "bij de AOW is er ook weer een rare ongelijkheid: veel mensen zijn op hun vijftiende gaan werken en die moeten na vijftig jaar werken op hun 65e met pensioen. Mark Rutte is gaan werken op zijn 28e: en hij mag na 37 jaar met pensioen. Mensen die eerder beginnen met werken doen vaak zwaarder werk en leven daarom significant korter. Mark Rutte die maar 37 jaar gewerkt heeft, krijgt langer AOW, terwijl hij minder lang premie heeft betaald, dan iemand die op zijn vijftiende is begonnen met werken. Die ongelijkheid moeten we bestrijden: als je eerder bent begonnen met werken, dan mag je eerder stoppen met werken. Als je niet werkt ben je nu gratis mee verzekerd, zonder dat daar verplichtingen tegenover staan. Dat is niet handhaafbaar: we hebben straks iedereen nodig." 

 Toch staan de verschillende tradities niet lijnrecht tegenover elkaar. De radicale en de Scandinavische traditie kunnen elkaar vinden in hervorming van de arbeidsmarkt: "Van de Amerikanen hebben we geleerd om arbeidsmarkt beleid te voeren. De Amerikanen geven werknemers met een laag salaris een fikse korting op de belastingen." Soms is deze korting zo fiks, "dat ze geen belasting betalen maar geld toe krijgen. Dan creeer je een soort basisinkomen voor werkenden. Door dat soort maatregelen is GroenLinks bij de CPB-berekeningen al jaren de banenkampioen, met de de VVD. Alleen doen zij dat over rechts en dus verkeerd, en wij doen dat over links en dus goed."

De drie tradities delen dezelfde hoofddoelen. die Vendrik ontleent aan de drieslag van de Franse Revolutie: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, of solidariteit:  "vrijheid is het hoofdmotief bij de radicale en de Scandinavische traditie. Vrijheid is een klassiek links begrip: mensen moeten vrij zijn om zelf vorm te geven aan hun eigen leven. Voor vrijheid heb je gelijkheid nodig. Dat is de norm van het Rijnlandse model." Maar GroenLinks is ook altijd verbonden geweest met emancipatiebewegingen: "vrouwen en allochtonen willen ook gelijk behandeld worden." Juist voor deze groepen neemt de Scandinavische traditie het op. "De enige manier om te verzekeren dat vrijheid en gelijkheid aan iedereen toekomt is solidariteit centraal te stellen. Solidariteit is het grondvest van de sociale politiek. Solidariteit is de notie dat jouw inkomen niet aan jou toekomt: de talenten die je hebt zijn van God gegeven of door de natuur geschonken. Alleen als je je dat beseft kan je solidair zijn."

Een aangepaste versie van dit stuk verscheen op de website van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks en in het GroenLinks Magazine.

Democratie versus rechtvaardigheid?

Het is een tweede vraag hoe liberalisme en democratie zich tot elkaar verhouden. Als ik een liberaal ben zou ik dan ook democraat moeten zijn? Eigenlijk zou dat niet hoeven in een perfecte liberale staat zou de overheid neutraal zijn ten opzichte van ideeen van het goede leven en de levensplannen van mensen. Dat betekent dat beslissingen niet gerechtvaardigd worden door de toestemming van mensen maar door hun rechtvaardigheid. En wat sommige democratieen zouden toe staan is voor liberalen niet rechtvaardig: onze democratie dwingt illegalen om op straat te leven, andere democratieen brengen misdadigers om, uit wraakgevoelens. Wat democratisch toegestemd is, hoeft niet per se liberaal rechtvaardig te zijn. 

 De vraag is dan waarom je democraat zou zijn. Ik denk dat hier drie grote onderliggende redenen voor zijn: je kan democratie zien als een politiek rechtvaardige procedure, als een moreel rechtvaardige procedure of als uiting van politieke aporeia.

 Liberalen zien democratie in de eerste plaats als een politiek gerechtvaardigde procedure: liberalen onderschrijven democratische principes als verkiezingen, als een middel om rechten te beschermen. Het onderliggende idee is dat als een overheid democratisch is, een overheid gedwongen wordt om moreel neutraal te zijn. Burgers zullen een paternalistische overheid niet accepteren. Dat is natuurlijk niet helemaal waar (meerderheden kunnen paternalisme ten opzichte van meerderheden toe staan), en daarom leggen liberalen beperkingen aan wat een overheid kan (denk aan grondwetten, rechters, burgerrechten). Constitutionalisme beperkt democratische principes omdat niet democratie maar liberalisme prioriteit heeft. In die zin is constitutionele democratie een uiting van politiek liberalisme.

 Republikeinen gaan een laag verder: hun idee van de rechtvaardige maatschappij bevat een concreet idee van het goede leven. Volgens republikeinen is deelname aan collectieve besluitvorming, burgerschap, op zich zelf waardevol en prachtig. Tijdens referenda, verkiezingscampagnes en deliberatieve bijeenkomsten zijn burgers actief bezig met de democratie, ze oefenen hun burgerschap uit. Dat maakt hen betere mensen. Zo'n directe democratie is dus een uiting van politiek republicanisme, maar ook van een notie van het goede leven als burger.

 Een derde rechtvaardiging van democratie is aporeia: partijendemocratie is uiting van de afwezigheid van een bindend politiek ideaal. Republikeinen en liberalen hebben allebei een andere notie van de rechtvaardige samenleving en democratie is daar een onderdeel van. Maar onze huidige democratie lijkt meer gebaseerd te zijn op een aporeia over wat de goede samenleving is. Daarover is verschil van mening tussen socialisten en liberalen, tussen vrijzinnigen en Christenen. We kunnen dit probleem echter niet oplossen. Er lijkt geen bindende set politieke principes te zijn die alle burgers delen. Dus vallen we maar terug op democratie. Zoals liberalisme een oplossing is voor morele aporeia, is democratie een oplossing voor politieke aporeia. Omdat we niet een gedeelde notie hebben van de goede samenleving, proberen we maar die notie te realiseren waar een meederheid van de burgers achterstaat of beter gezegd dat compromis waar een meerderheid zich aan wil binden.   

“Roti wordt niet met tomaat gegeten.”

De formaties van de provincies verlopen iets anderss dan ik had voorspeld. Wat mij het meest verbaasd heeft is de deelname van de SP in de onderhandelingen in Zuid-Holland (VVD/CDA/D66/SP) en Noord-Brabant (VVD/CDA/SP). Ik had brede colleges voorspeld met CDA, VVD, D66 en PvdA in plaats van dat de SP mee zou gaan regeren. Maar eigenlijk mag het mij niet verbazen: als sinds 2010 regeert de SP in Leiden met het CDA, VVD en D66. Ook in Alkmaar is er nu een college van SP met CDA, VVD en zelfs Trots en de Onafhankelijke Partij Alkmaar.

In het nieuwe politieke landschap waar de PVV met haar extreme standpunten een groot deel van het electoraat buitenspel zet, zijn er veel mogelijkheden. Een daarvan wordt Roti genoemd, een college van CDA/VVD/D66/GL, zoals nu in Utrecht wordt geprobeerd. Een college van hervormers. Een andere variant is dus Rode Roti, roti met tomaat. De centrale vraag is waarom? Waarom zou de SP over rechts gaan formeren? De SP presenteer zich misschien wel als het laatste linkse alternatief van Nederland: linkser als GL met haar hervormingsagenda en linkser als de PvdA, wiens liberale flirts misschien wel het raison d'etre van de SP zijn.

(Bijna) iedere partij wil regeren. En misschien als je zolang in de oppositie hebt gezeten als de SP wordt je wel wat compromis bereider. Maar je zit in de politiek om iets te bereiken. Wat heeft de SP dan te zoeken bij rechts? Op gemeentelijke en provinciaal niveau spelen ruimtelijke ordening en verkeer een prominentere rol dan in de landelijke politiek. En hierin wil de SP nog wel eens uit populisme of pragmatisme niet per se kiezen voor een koers die door door GroenLinks of zelfs de PvdA als groen zou worden bestempeld. Kijk maar naar het rekeningrijden: de SP verzet zich samen met de VVD en de PVV hiertegen, terwijl dit de manier is om files te voorkomen en luchtvervuiling tegen te gaan. Of neem de Leidse RijnGouwe Lijn. De SP kies daarvoor gemakkelijk tegen zijn.

Maar ik denk dat er meer aan de hand is: meer dan colleges van hervormers of van autorijders zijn dit colleges zounder de PvdA. Waar de PvdA als partij van bestuurders steeds minder populair is geworden onder het electoraat, een slecht merk is geworden -veel mensen stemmen PvdA niet omdat ze dat willen met hun hart, maar omdat ze met hun hoofd denken een rechts bestuur moeten voorkomen-, is de partij ook minder populair geworden onder haar bestuursgenoten. Een college zonder de PvdA lijkt een aantrekkelijke mogelijkheid. Het lijkt erop dat het principe van Nolens (alleen bij uiterste noodzaak met sociaal-democraten) zo ver gaat dat het CDA liever met de SP in een bestuur gaat dan de SP. De SP gaat hier graag op in: zij is namelijk misschien wel het vleesgeworden verzet tegen de huidige partijcultuur van de PvdA.

In mijn ogen is dit een teken aan de wand van het centrale probleem van de sociaal-democratie. Zij wordt zo gehaat door haar eigen traditionele achterban en door de bestaande partijen, dat ze aan haar core business, centrum-links besturen niet toekomt. Partij gaan nu om de PvdA heen formeren. Ik heb er een hard hoofd in, maar als de colleges in Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Brabant lukken dan is dit een nagel aan de doodskist van de PvdA. Links kiezers hebben dan steeds minder bij de PvdA te zoeken, maar ook links bestuurlijk talent heeft er niets meer te zoeken. Nog maals ik heb er een hard hoofd in: Roti wordt niet met tomaat gegeten.