Post-Convention Spin II: Partijdemocratie

Een van mijn favoriete West Wing afleveringen in 2162 Votes. Op een chaotisch partijcongres wordt uiteindelijk een van hoofdpersonen tot presidentskandidaat gekozen. Drama, spanning en kei-goede televisie. Gisteren had ik tijdens het GroenLinks congres af-en-toe het gevoel dat ik me in een vergelijkbare situatie bevond. Chaotische verkiezingen, herstemmingen, beslissingen door het lot en partijprominenten die proberen het congres te overtuigen redelijk te blijven.

Er gebeurden twee onwaarschijnlijke gebeurtenissen: een
kandidaat die in een tweede ronde net niet de helft van de uitgebrachte stemmen
kreeg. En twee kandidaten die, als tweede voor de lijst even veel stemmen
kregen. Maar daarnaast had de verkiezing voor die plekken waar er meer dan 7 kandidaten waren iets van een tombola.

In beide gevallen gaven de statuten een
tamelijke absurde instructie: een herstemming waarbij allerlei kandidaten zich
verkiesbaar mochten stellen, terwijl velen zich daar niet bewust van waren. Een situatie
waarin het lot moet beslissen wie er kandidaat is. Ik denk dat in beide gevallen er werkbaardere instructies zijn: als et drie potentiele kandidaten zijn voor een tweede ronde zou er ook eerst met drie en daarna met twee kandidaten gestemd kunnen worden. En als geen van de kandidaten een meerderheid van de stemmen achter zich krijgt lijkt me een herstemming zonder blanco-stemmen op zijn plaats.

Maar de problemen hangen samen met een groter probleem: het huidige
kiesstelsel van GroenLinks (systeem-Borghouts) heeft een aantal grote nadelen.
Laat ik vijf noemen:

In dit stelsel kiest het congres voor iedere plek opnieuw.
Wat je stemt kan afhangen van de context. Dat vind ik een groot potentieel voordeel van dit stelsel ten opzichte van andere stelsels, zoals dat van D66 en VVD, waar er om een voorkeursordening wordt gevraagd voor de hele lijst. In plaats daarvan kan erbij het GroenLinks kiestelsel, bij iedere plek gekeken worden wat er al op de lijst staat: is er balans qua geslacht? Qua leeftijd? Qua politiek profiel? Het
congres leek geen gebruik te maken van deze mogelijkheid. Onze partij heet
GroenLinks. Het valt te verwachten dat er dan bij de eerste drie kandidaten een
groene en een linkse kandidaat is. Helaas de eerste echt groene kandidaat staat
op #6. Zoals
een congresganger zei: het congres lijkt op een dubbeltje. Als hij een keer op
munt is gevallen, is de kans daarna weer 50% dat hij munt valt. Na de ene sociale
kandidaat, lijken de kansen voor een groene kandidaat niet beter te worden. Daardoor verliest het idee van stemmen op het congres aan waarde.

Het kiesstelsel is niet respectvol richting kandidaten.
Kandidaten kunnen lange tijd buiten de top twee blijven of –nog erger- keer op
keer worden afgewezen. Om soms roemloos van de lijst te verdwijnen als hun
beschikbaarheid of de lijst ophoudt. Dat is niet een manier om om te gaan met talentvolle of vaak al succesvolle kandidaten. Het systeem is keihard. Afwijzing na afwijzing.
Kansloze kandidatuur na kansloze kandidatuur. Politiek is hard zie ik u denken.
Maar waren wij niet voor een meer ontspannen, zachtere samenleving?

De huidige uitvoering van het kiesstelsel, waarbij er geen
“schotten” tussen blokken zijn, staat iedere kandidaat die ueberhaupt geschikt
is verklaard voor de lijst om zich verkiesbaar te stellen voor iedere plek op
de lijst. Dat zorgde voor de overvloed aan kandidaten. Vanaf plek #7 gingen de
kandidaten echt los. Toen waren er voor plekken 10 of 11 kandidaten. Met
relatieve kleine steun gingen kandidaten door naar het tweede stemming. Vaak
wel kandidaten die geschikt waren bevonden voor dat blok overigens. Maar zo ontstaat er een ongekende run op de verkiesbare plekken. En door de close uitslagen is de legitimatie om er twee door te laten schuiven beperkt. Het
stelsel maakt de ambities van kandidaten belangrijker dan een gebalanceerde
lijst.

Daarnaast krijgt een kandidaat nu 2 minuten om zich voor te
stellen. En dat is het. Daardoor gaan charisma en uitstraling meer tellen dan
inhoud, expertise of achtergrond. Een lijst vol charismatische mediagenieke
politici is niet per se de beste lijst om beleid of wetgeving te maken. Het
werk in de Tweede Kamer gaat echt om meer dan debatten of televisieoptredens.
Het draait om parlementair handwerk, dat vereist politiek inzicht, bestuurlijk
gevoel en inhoudelijke expertise. Zeker met een week interne campagne is het nu
moeilijk daar een oordeel over te vellen.

En laten we eerlijk zijn het huidige stelsel is niet media-geniek.
Het congres is live uitgezonden op de politiek 24. De voortdurende schorsingen,
de langdurige stemmingen, de opstandige zaal en chaotische procedure hebben
niet naar buiten het profiel van een partij geprojecteerd die een betrouwbare
coalitiepartner is. Maar een chaotische partij met een onvoorspelbaar congres.
Het is in dit geval misschien relevant om op te merken dat Groene partijen
met een meer mainstream partij
organisatie een betere kans hebben op duurzaam regeringsdeelname.

Wat is de conclusie? Moeten we terug naar het lijstenstelsel
van voor Borghouts? Schotten terug in de blokken? Een ledenstemming op
internet? Of is er een alternatief? Ik ben er nog niet uit. Ik zou wel liever
de kandidatencommissie meer mogelijkheden geven om een gebalanceerde lijst
samen te stellen. Ook heb ik een voorkeur voor een stelsel dat minder tijd kost. Een stelsel dat respectvoller met kandidaten om gaat en hun ambitie
minder bespeeld.

Er zijn een aantal dingen die me interessant lijken: de
mogelijkheid “eens met het oordeel van de kandidatencommissie” te stemmen zoals
in de het kiesstelsel van D66. De mogelijkheid om niet per plek maar per blok
te stemmen
. De mogelijkheid om slechts een preferentie ordening in te dienen,
op basis waarvan de lijst wordt samengesteld. De schotten terug tussen de blokken. Ik ben er nog
niet uit. Maar na gisteren lijkt me duidelijk: er moet iets gebeuren.

Post-Convention Spin I: First Impressions Last

Na het congres is het tijd om eens verder te denken over een aantal onderwerpen. Daar wil ik de komende week tijd voor maken. Hopelijk worden het vier stukjes: want dit congres heeft in mijn ogen laten zien dat we verder moeten denken over de procedures van de interne partijdemocratie en over de GroenLinkse standpunten over de Nederlandse democratie. Daarnaast had ik een voorspelling gemaakt over de lijst samenstelling die vergeleken kan worden met de werkelijke uitkomst. Vanochtend de 10 meest opvallende "eerste" indrukken.

10. Het prachtige optreden van DWARS’ers Anna Schutte en Marten Zoetbrood (namens GroenLinks Leiden en met inhoudelijke ondersteuning van mijn collega Tom Louwerse). Terwijl "gevestigde" DWARS’ers doorstromen naar GroenLinks, komen de nieuwe talenten weer op.
9. De matheid van het congres tijdens het campagne lied van Sara Kroos waar er misschien wel geklapt werd maar niet uitbundig gedanst. Iedereen was mat gestreden voor de langdurige lijst samenstelling.
8. De scherpe verdeling binnen de partij over democratisering. Daar moet echt een goed debat over komen: over democratie en onze nieuwe liberale orientatie, over democratie in tijden van populisme en over wat democratie mag koste. – waarover later meer.
7. De lage plaatsing van de groene kandidaat Liesbeth van Tongeren en het van de lijst vallen van Jaap Dirkmaat. Okay, dat had ik wel voorspeld maar ik hoef niet altijd gelijk te hebben Het toont overigens dat we ons moeten herbezinnen over ons kiesstelsel. – waarover later meer.
6. De chaotische besluitvorming over plek #11. Ik was de coulissen uitgerend om Niels van den Berge te feliciteren nadat hij in de eerste ronde was gekomen, maar vervolgens was hij toch net niet gekozen. – ook dit laat zien dat er problemen zijn met het huidige kiesstelsel – waarover later meer.
5. Waarom het congres zo opstandig op Marijke Vos‘ interventie reageerde maar eerste wel de gehele kamerfractie op bij de top vijf  zet. De interventie van Vos was volgens mij een novum. Maar volgens mij is een vernieuwingsloze top vijf ook een novum. We willen schijnbaar zelf besluiten naar de partijtop te luisteren.
4. De snelheid waarmee het inhoudelijke deel van het programma erdoorheen gejast werd. Efficient zeker, maar toch was er ook ruimte voor inhoudelijk debat. Tijdens de lunch dacht ik dat we voor tijd zouden eindigen als dit zo zou blijven. Maar we liepen uiteindelijk door het chaotische proces van de lijst anderhalf uur uit. Een belangrijk verschil is dat wij als presidium al een paar weken bezig waren de besluitvorming over het programma te stroomlijnen, maar we voor een week van te voren niets wisten over de lijst.
3. Iemand die tegen mij aan vraagt of ik niet het partijbestuur in zou willen. Daar is maar een reactie op: "I do not propose to be buried until I am really dead and in my coffin."
2. De gepassioneerde, roerende speech van Hann van Schendel op het congres en de energieke, overtuigende speech van Jesse Klaver, die ik beiden vanuit de coulissen mocht zien. Ik hoop dat die zijn opgenomen zodat ik ook van het beeld van het congres mag genieten.
1. Femke Halsema die terwijl ik ergens tijdens de borrel met wat PB’ers sta te praten langs loopt en zegt: "Hallo Simon". En ik begrijp nog steeds niet waarom.

Dit is geen stemadvies

Dit is geen stemadvies. Ik vond dat als lid van
het presidium niet passen. Dit is een voorspelling van hoe de stemmingen zullen
verlopen voor kandidaten op het GroenLinks congres. Wie maakt kans op een plek
op de lijst? Welke kandidaten kunnen hoog eindigen? Hoe beinvloeden
verschillende kandidaten elkaars kandidatuur? Waar is ruimte voor strategisch
gedrag?

Er is een
kandidaat voor #1: Halsema.En als het congres besluit haar geen dispensatie te
geven zijn er geen kandidaten voor plek #1. Maar realistisch gezien maakt ze kans om “Albanees” herkozen te worden.

Er zijn vier
kandidaten voor #2. Drie zittende kamerleden (Dibi, Sap en Peters) en Van
Tongeren
(mevrouw Greenpeace). De verschillende kamerleden zijn allemaal
verbonden aan een andere inhoudelijke prioriteiten van GroenLinks: integratie (Dibi),
sociale hervormingen (Sap), buitenlands beleid (Peters) en milieu (Van Tongeren).
Wat is de belangrijkste prioriteit voor GroenLinks? Groen? Sociaal? Tolerant?
Of Internationaal? Het valt te verwachten dat de groene (Van Tongeren) en de
sociale kandidaat (Sap) hier doorschuiven naar de tweede ronde: het is immers
GroenLinks.

Er zijn vijf
kandidaten voor plek #3. Drie van de vier kandidaten voor #2 en Dirkmaat (#16
in 2006
) en Klaver (oud-voorzitter DWARS). Als Van Tongeren niet gekozen wordt
voor plek #2 ontstaat hier een interessant fenomeen. Er zijn dan twee groene
kandidaten. Binnen het kiesstelsel van GroenLinks is dat geen voordelige
situatie. De “groene” stem die voor plek #2 nog geheel achter Van Tongeren
stond zal nu opbreken tussen haar en Dirkmaat. En daarmee wordt de kans dat een
groene kandidaat doorgaat naar de run-off kleiner.

Er zullen weer 4
kandidaten zijn voor plek #4, namelijk diegenen die doorschuiven vanuit plek #3.
Het kiesstelsel van GroenLinks is in zekere zin weinig respectvol richting
kandidaten. Talentvolle, vaak succesvolle mensen kunnen keihard worden
afgewezen door het congres voor de plek die ze willen en kunnen plekken lang
worden door geschoven, tot ze toch ergens worden neergezet of de eer aan zich
zelf houden.

Ook voor plek #5
zijn er 4 kandidaten, want dan komt Van Gent (Ien in de Top 10) erbij, dat is als haar door het
congres dispensatie is verleend. Het lijkt me zeer waarschijnlijk dat als Van
Gent dispensatie wordt verleend dat zij een plek krijgt tussen de #5 en #10.
Immers een meerderheid van het congres wil op haar kunnen stemmen.

Voor plek #6 gaan
alle remmen los: er zijn dan 9 kandidaten: naast diegenen die door schuiven
vanaf plek #5 zijn ook Van den Berg (columniste, vriendin van en moeder van), Van
Boggelen
(voorzitter CNV), Braakhuis (bankier en verpakkingsontwerper), De Bruin (oud-statenlid in Overijssel), El
Fassed
(twitteraar) en Kaspers (zorgspecialist). Opvallend is dat er tussen de
verschillende kandidaten hier net als bij Dirkmaat en Van Tongeren een sterke
overlap ligt qua profiel: Van den Berg en El Fassed hebben een achtergrond in
de ontwikkelingssamenwerking. Zowel Klaver als Van Boggelen komen bij het CNV
vandaan hebben dus een progressief-sociaal profiel. Met De Bruin en Kaspers
wordt het ueberhaupt druk op de sociale flank. Dat betekent dat deze groepen op
het congres weer potentieel verdeeld kunnen raken, en dat andere kandidaten dus
meer kans hebben om in de run-off te komen.

Voor plek #7 zijn
er maximaal 10 kandidaten. Er komen drie kandidaten bij: Grashoff (wethouder
Rotterdam
), Voortman (FNV), en Van Pijpen (FNV). Maar er vallen er ook twee
weg: vanaf deze plek is Dirkmaat geen kandidaat meer. De vraag is hoe prudent
het is van Dirkmaat om zich maar voor zo’n kort stukje op de lijst kandidaat te
stellen, zeker als er een andere groene kandidaat is Van Tongeren, die zoveel
media aandacht krijgt. Opvallend
is ook dat vanaf dit punt ook twee FNV’er zich kandidaat hebben gesteld: Voortman
en Van Pijpen. En ook Van Gent, met een achtergrond in de FNV is potentieel nog
in de running. Mogelijkerwijs zijn zelfs vijf (Klaver en Van Boggelen) van de
tien kandidaten voor plek #7 vakbondsmensen.

Maximale keuze is
er voor plek #8: 11 kandidaten. Ook Van der Meer (oud-raadslid Amsterdam) en Uijlenhoet
(oud-lijsttrekker Newropeans) zijn nu verkiesbaar. Met zoveel kandidaten is de
kans dat de verkiezingsuitslag in de eerste ronde tamelijk close zal worden. Een paar stemmen kunnen het verschil maken voor
wie er in de tweede ronde komen. Daarbij geldt dus dat mensen die een solide
basis hebben in de partij hier veel kans maken om door te stromen: DWARSe
kandidaten, mensen met regionale steun of met steun vanuit een bepaalde flank
voor de partij. Hetzelfde geldt voor plek #9 waar er 10 kandidaten zijn.

Bij plek #10
komen er twee mensen bij: Brugman (fractievoorzitter Venray) en Van Putten
(duo-raadslid Rotterdam). Vanaf plek #11 trekt Van Gent zich definitief terug
(als zij al niet verkozen
was). En dan maakt ook Van den
Berge kans. Gegeven dat Van Tongeren en Dirkmaat zich allebei terug trekken als
zij niet verkozen zijn voor plek #10, maakt deze derde groene kandidaat
relatief veel kans als enige echt groene kandidaat voor dit blok. En opnieuw
met 11 kandidaten is een goede basis, bijvoorbeeld in DWARS’ers een belangrijke
voorwaarde om door te komen in de tweede ronde. Aan de andere kant is de lijst
dan al misschien heel groen (als Van Tongeren en Dirkmaat al verkozen zijn), en
gaan mensen misschien voor kandidaten met andere profielen.

Voor plek #12 komen
er twee kandidaten bij: Van Os (kinderrechten advocaat) en Barrahmun (advocaat)
en trekt een kandidaat zich terug (als hij niet verkozen is): Braakhuis. Braakhuis
is kandidaat voor een relatief klein stukje van de lijst plek 6 tot 11. Een
gevaarlijke keuze voor een kandidaat die weinig geworteld is in de partij en
die een eigen regionale of ideologische basis mist. Een andere analyticus
stelde dat iedere GroenLinkser wel een bankier op de lijst zou willen, maar dat
het niet waarschijnlijk is dat ze in de eerste ronde daarvoor zouden gaan. Het
“Everybody’s second best friend”-syndroom. Voor plek #13 tot #15 vallen er
alleen maar kandidaten af en eindigen we bij een zeer overzichtelijke 6
kandidaten voor plek #15

Bij plek #16 zijn
er weer 10 kandidaten. Dit is het punt waarop de zaal onrustig wordt en mensen
de zaal gaan verlaten. De verkiesbare plekken zijn vastgesteld en nu dus neemt
de aandacht af. Dat klinkt als een gevaar voor een kandidaat: weinig aandacht,
weinig interesse. Maar een kandidaat met een sterke basis in de partij maakt
dan een grotere kans. Anderzijds, voor plek 15 tot 20 zijn het minder
prominente kandidaten. Vanaf dit punt gaan ook geslacht en etniciteit een
belangrijkere rol spelen: GroenLinksers willen vrouwen en allochtonen op hun
lijst. En gezien het aantal voorkeursstemmen is dat ook geen onlogische keuze.
Een beetje cru gesteld zijn allochtone partijtijgerinnen uit de regio kanshebbers.
Er zijn zes nieuwkomers: Berkelder (oud-wethouder uit Deventer), Ganzevoort
(voorzitter Linkerwang), Harika (stadsdeelbestuurder in Rotterdam), Mevis
(wethouder in Tilburg), Van Schendelen (oud-voorzitter netwerk Chronisch Zieken
en Gehandicapten
) en Smeulders (statenlid uit Noord-Brabant). Ik verwacht dat
van hen Van Schendelen, Mevis en Smeulders hier hoge ogen gooien. Voor plek #17
geldt het zelfde verhaal, maar nu
met 8 kandidaten (Kaspers trekt zich terug, als zij niet verkozen is). Maar
voor plek #18 zijn er “gelukkig” weer 10 kandidaten: Diks (wethouder in
Leeuwarden
), Kerkwijk (oud-fractievoorzitter in Eindhoven) en Springer
(“consultant”) komen erbij. Ik verwacht dat van hen met name Diks hoge ogen
gooit. En dus 9 kandidaten voor plek #19.

Vanaf plek 20
wordt er in blokstemming gestemd. Dat lijkt een heel ander spel dan de
voorgaande procedure. Iedere congresganger krijgt dan even veel stemmen als dat
er plekken zijn op de lijst: in dit geval 5. Er zijn dan naar alle
waarschijnlijkheid 8 kandidaten, minder als mensen zich tussentijds
terugtrekken. Drie kandidaten zullen dus afvallen. Dat zullen kandidaten zijn
die niet opvallen tussen de rest: autochtone mannen uit de Randstad zonder een
sterke regionale basis op het congres of helder programmatisch profiel.

Minder Minister(ie)s

Eerder schreef ik over het voornemen van GroenLinks om het aantal ministeries en het aantal kamerleden te verkleinen. Bij de discussie over het aantal kamerleden had ik een primitieve Europese vergelijking gemaakt: is er een relatie tussen het aantal kamerleden en het aantal inwoners? Vandaag realiseerde ik me dat ik voor het andere onderwerp dezelfde vraag kon stellen: is er een relatie tussen het aantal inwoners en het aantal ministeries?

Cabinetsize2

In de figuur hiernaast is de relatie tussen het aantal ministeries en het aantal inwoners in groen uitgedrukt: korte samenvatting. Er is hier helemaal geen relatie tussen. Dat komt omdat uitzonderingen daargelaten Europese landen ongeveer 15 ministeries hebben. 18 van de 25 onderzochte staten hebben tussen 13 en 17 ministeries. Voor zo ver als mijn data klopt zijn er maar een paar uitschieters: in het Verenigd Koninkrijk zijn er 24 "Ministerial Departments", maar daar valt ook de Office of the House of Lords en Commons onder. Ook Luxemburg is een uitzondering. Voor zo ver ik het begrijp zijn er Luxemburg 26 ministeries en in het bijna even kleine Malta 9. Hoe dan ook met onze 13 ministeries valt Nederland mooi binnen de standaard.

Een ander verhaal is het aantal ministers. Er is wel een (tamelijke zwakke) relatie tussen het aantal ministers/kabinetsleden en het aantal inwoners (r-squared van .21 voor de statistici onder u). Deze relatie is in de figuur in het rood uitgedrukt. Daar zien we dat kleinere landen minder ministers hebben dan grotere landen. In 7 landen zijn er evenveel ministers als ministeries en is iedere minister dus voor een departement verantwoordelijk. In 17 andere landen zijn er meer kabinetsleden dan ministeries. Er zijn dan dus ministers zonder portefeuille of staatssecretarissen. In een land zijn er minder ministers dan ministeries (Luxemburg). Daar is de premier tegelijkertijd minister van financien, van administratieve aangelegenheden en van algemene zaken. In aantal landen loopt het aantal extra ministers de spuitgaten uit. In Frankrijk zijn er 15 ministers en 17 staatssecretarissen. Nederland staat nummer #2 (in elk geval in het voltallige kabinet Balkenende IV): 13 ministeries en 14 staatssecretarissen en ministeries zonder portefeuille. In het Verenigd Koninkrijk zijn er 119 mensen in her Majesty’s Government. Daarmee is het Nederlandse kabinet het op twee na grootste van Europa. En veel groter dan je zou verwachten op basis van het aantal inwoners. Als we iets willen doen aan het aantal overheidsfunctionarissen, is dit vanuit vergelijkend perspectief het meest logisch: minder ministers, niet minder ministeries.

Caveat: deze data komt van wikipedia die op dit onderwerp bijzonder weinig en weinig specifieke informatie geeft. De vraag is of bij ieder land alle informatie volledig is weer gegeven, waar het gaat om ministers en onderministers.

Stem wijzer!

De adviezen zijn uit! Na dagen van spanning en speculatie, kunnen GroenLinksers eindelijk over een week stemmen over de kandidaat-Tweede Kamerleden. Een week is echter een heel korte tijd om alle potentiele kamerleden te leren kennen.

Daarom heb ik deze keer we–der–om stemwijzer ontwikkeld, Voor de kandidaten die positief geadviseerd zijn voor de eerste vijftien plekken van de lijst. Hier mee krijgt u een geheel gepersonaliseerd advies voor uw voorkeurskandidaten.

Enige caveats:

  • Dit is geen advies voor een ordening van de lijst. Als u voor milieu gaat, krijgt u waarschijnlijk de groene kandidaten boven aan. Echter in een goed gemengde fractie is een balans tussen groen, sociaal & open noodzakelijk.
  • Dit stemadvies krijgt van mij op geheel persoonlijke titel.
  • Als de voorkeur van de kandidaten voor plekken duidelijk is, zal ik de stemwijzer daarop aanpassen.
  • Alle commentaar is uiteraard welkom, zeker van kandidaten die zich niet kunnen vinden in mijn beschrijving van hen.
  • U kunt zelf kiezen hoeveel kandidaten u wilt zien: alleen kandidaten uit het eerste blok? Of juist alleen de mensen die gekandideerd als opvolgers? Dit om het overzicht te houden bij 32 kandidaten.

 Download stemwijzergltk

Kleine "hoe werkt dit?" vul in de .xls een 1 in bij het groene vakje dat overeenkomt met het antwoord op de vraag. Je kan maar een keuze per keer maken. Er komt een rangordening van 1 (eerste keus) tot 32 (laatste keus) uit.  Kandidaten kunnen ook ex aequo uitkomen.

“Ik ben eigenlijk wel een fan van Spinoza.”

Al eerder schreef ik over de rol van filosofen in de Tweede Kamer. Een van de opvallende dingen was de gehechtheid van een bepaald D66 kamerlid aan de denkbeelden van bepaalde Verlichtingsfilosofen. Boris van der Ham toont zich wel een “beetje fan van Spinoza” door hem in een aantal debatten aan te halen. Zonder meer Van der Ham’s mooiste Spinoza verwijzing was in een debat in de Tweede Kamer over de mijter van Sinterklaas, waarin Van der Ham stelde dat “[h]et in de klassieke traditie van Spinoza uit Amsterdam [is] dat we daar [die mijter] geen kruis op zetten.”

De interesse van Van der Ham voor vroege Nederlandse verlichtingsfilosofen zit diep. In een aantal "vrijzinnige schriftlezingen" heeft Van der Ham nu het denken van een verlichtingsfilosoof aan de politiek praktijk gekoppeld in een kort YouTube filmpje: een over de radicale filosoof Van den Enden, een over de remonstrantse Theoloog Arminius, en een dus over Spinoza. Op basis van een zin, of zelfs maar een paar woorden van de “klassieke” denker en dan een kort betoog van de politicus, die zich hier als een theoloog een soort tekstexegese doet. In een paar minuten weet Van der Ham kundig zijn progressief liberale gedachtegoed te koppelen aan het vroege, radicale verlichtingsdenken.

Van der Ham’s laatste vrije schriftlezing betreft het werk van Spinoza, een denker die mijn bijzondere interesse heeft. Het is een uitermate veelzeggend filmpje, omdat Van der Ham er aan de ene kant blijk van geeft het werk van Spinoza niet geheel doorgrond te hebben, aan de andere kant weet hij wel, via een zijweg de kern van Spinoza’s denken goed weer te geven.

Van der Ham stelt in deze exegese dat hij “eigenlijk wel een beetje fan van Spinoza [is]”. Omdat hij veel van zijn eigen gedachten in het denken van Spinoza terug vindt, in het bijzonder in het denken over “de scheiding van kerk en staat, democratie en de afschaffing van de slavernij”. Wie een keer de Tractatus Theologico-Politicus (TTP) heeft gelezen, Spinoza geen voorstander is van de scheiding van kerk en staat. Daar is de vroege verlichtingsfilosoof heel helder in: de kerk moet ondergeschikt zijn aan de staat. Of zoals Spinoza zelf stelde in de opdracht van hoofdstuk XIX: “the Right over Matters Spiritual lies wholly with the Sovereign and that the Outward forms of Religion should be in accordance with Public Peace, if we would worship God aright” [TTP: Elwes translation 19:0]. Over religieuze aanlegenheden moet de overheid beslissen en niet de kerken zelf. Geen scheiding van kerk en staat maar onderschikking van alle kerken aan de macht van de soeverein.

Het is al te gemakkelijk om te zeggen, zoals Van der Ham doet, dat we Spinoza "in zijn tijd moeten zien": John Locke, in het zelfde jaar geboren, pleitte juist in zijn Letter concerning Toleration voor de scheiding van kerk en staat; Luther erkende dat er twee aparte rijken waren met aparte regeringen, een spiritueel en een materieel; sterker nog de Bijbel zelf verwijst naar dit idee als in Mattheus 22:21 Jesus stelt “Geef wat van de keizer is aan de keizer en wat van God is aan God”. Spinoza kende tijdgenoten die voor de scheiding van kerk en staat waren. Daarover schreef hij "I do not pause to consider the arguments of those who wish to separate secular rights from spiritual rights, placing the former under the control of the sovereign, and the latter under the control of the universal Church; such pretensions are too frivolous to merit refutation" [TTP: Elwes translationb 19:57].

Moet vrijzinnige politiek zich dan laten inspireren door Spinoza. De kern van Van der Ham’s betoog is dat we "voor ons zelf moeten denken", niet alles wat in heilige geschriften staat klakkeloos overnemen. Hierbij lijkt hij Spinoza helemaal los gelaten te hebben, en betoogt hij over het algemeen over vrijzinnige gelovigen. Echter de kern van de TTP ligt juist in hoe wij met klassieke, Bijbelse teksten om moeten gaan. Spinoza stelde dat de Bijbel niet een door God geschreven tekst was, maar mensenwerk, dat "we niet altijd op de letter [moeten] volgen, soms in zijn tijd zien, zelf blijven na denken, niet klakkeloos volgen."

Minder Partijen?

Gerd Leers pleitte in de Volkskrant vanochtend voor een
kiesdrempel van 5%
. Dat zou de versplintering van de Nederlandse politiek tegen
gaan en zo bijdragen aan de bestuurbaarheid van Nederland.

Laat ik voor opstellen: de Nederlandse politiek
versplintert. Nog geen twintig jaar geleden haalden het CDA en de PvdA samen
ruim 100 zetels in de Tweede Kamer. In de laatste peilingen is een stabiele
drie-partijencoalitie een unicum. Vanuit de marge worden nieuwe en kleine
partijen electoraal steeds sterkere spelers. Haalden de vier grootste
partijen in 1989 nog 90% van de stemmen, in 2006 blijft de teller voor de vier grootste
op 79% steken en in de laatste peilingen halen de vier grootste partijen 67%
van de stemmen. En daarbij komt nog eens bij de samenstelling van de lijst met grootste partijen hevig verandert: in 2006 was de SP, jarenlang een marginale partij, een van de
top 4 en nu zal de PVV misschien niet de grootste worden maar lijkt zij niet
uit de top 4 te slaan. Politicologen gebruiken het effectieve aantal politieke
partijen
om te kijken hoe versplinterd het parlement wordt. Deze maat kijkt ook naar de relatieve grote van partijen. Deze was in
1989 4 en in 2006 5,5 en in de laatste peilingen zelfs 7. Kortom: het
Nederlandse parlement versplintert. En met meer partijen wordt het lastiger
regeren.

Naamloze_afbeelding_1_2
Maar gaat een kiesdrempel van 5% daartegen werken? In de
figuur hiernaast zie je een overzicht van hypothetische Nederlandse parlementen (1989-2006)
met een kiesdrempel van 5%. We gaan uit van de verkiezingsuitslag zonder
strategisch gedrag van partijen of kiezers. In 1989 en 1994 zijn er vier
partijen met meer dan 5% van de stemmen: het CDA, de PvdA, VVD en D66. In 1998
breekt GroenLinks boven de 5% uit. In 2002 komen LPF en SP erbij. In 2003
verdwijnt D66 onder de 5%. De VVD en het CDA hebben dan zonder D66 ook een
meerderheid. In 2006 vallen de LPF en GL onder de 5%, maar de PVV komt
boven de 5% uit. Zelfs met een kiesdrempel van 5% wisselt de samenstelling van
de Tweede Kamer sterk, stijgt het aantal partijen en weten populistische
bewegingen de Tweede Kamer binnen te komen. Overigens: als populistische bewegingen niet
meer dan 5% van de stemmen zouden halen, zouden we toch ook geen kiesdrempel
nodig (denken te) hebben?

Pvvcorrect
Waar de situatie tot 2006 nog redelijk georganiseerd was,
laten de laatste peilingen een ander beeld zien: in de figuur hiernaast zie je
de samenstelling van de Tweede Kamer op basis van de gemiddelde van de laatste
peilingen van de Hond, NIPO en de Politieke Barometer, zonder kiesdrempel, met
een drempel van 5% en met een drempel van 10%. Zonder kiesdrempel zullen 11 partijen in de Tweede Kamer komen: van Trots met 1 zetel tot de
PvdA met 34 zetels. Met een kiesdrempel van 5% vallen er slechts drie partijen
uit de Tweede Kamer: de SGP, de PvdD en TON. Ze zijn samen 5 zetels waard. De
samenstelling van de Tweede Kamer verandert nauwelijks. Een van de drie
partijen is de SGP, het constitutionele geweten van de
Tweede Kamer, die eerder bijdraagt aan politieke stabiliteit in Nederland dan daar vanaf doet. Pas bij een kiesdrempel van 10% verandert de samenstelling van de
Kamer drastisch. De CU, de SP, GL en D66 verdwijnen uit de Kamer. De PVV, de
VVD, het CDA en de PvdA blijven over. Alhoewel er meer stabiliteit in de Kamer
zal zijn, is de kiesdrempel niet een manier om de bestuurbaarheid van Nederland
te vergroten. Het CDA en de VVD hebben samen geen meerderheid. Er is alleen
maar een coalitie mogelijk van de PvdA met het CDA (uitgesloten door de PvdA)
en van de PvdA met de VVD (uitgesloten door de VVD), van of CDA, VVD en PVV
(niet een stabiele meerderheid), of van PvdA en PVV (in Almere en Den Haag niet mogelijk gebleken).

En dan hebben we nog niets eens gekeken naar strategisch gedrag: als er een kiesdrempel van 5% was geweest in Nederland, hadden, bijvoorbeeld, de kleine Christelijke partijen eerder een verband gesloten. Die zijn samen historisch gezien ongeveer goed voor 5% van de stemmen. En een breder verband van GL en SP komt sinds 1994 ook altijd boven de 5% van de stemmen uit. Een kiesdrempel zal kleine partijen dwingen om samen te werken, maar zal ze niet uit de kamer kunnen houden. In Duitsland is er een kiesdrempel van 5% en zijn er drie partijen die rond die 5% hangen, in de laatste 20 jaar: de FDP, die Gruenen en die Linken. De kiesdrempel heeft het toe treden van die laatste twee partijen niet voorkomen. Ze werden gevormd door coalities van progressieve en groenen enerzijds en linkse socialisten en oude communisten anderzijds. En de aanwezigheid van deze partijen heeft coalitievorming  ingewikkelder gemaakt, daar kan een kiesdrempel van 5% niets aan doen.

Al met al heeft een kiesdrempel van 5% dus geen enkele zin.
Het land wordt er niet bestuurbaarder op: dan moeten de grote partijen minder
onderling uitsluiten en conflicten maken. Meer of minder partijen maakt niets
uit. 

Stop de Katholisering van Nederland!

Een paar weken gelden blogde ik over de gelijkenis tussen de vroege sociaal-democratie en het hedendaagse populisme.

Beiden waren vernieuwende,
democratische politieke bewegingen die een onderscheid tussen het volk en de
elite centraal stel(d)en. Op een element verschilt een man als Wilders van een politicus als Troelstra: het exclusieve, verdelende element. Het idee dat er een gevaarlijke "ander" is die een bedreiging is voor de waarden van het volk.

Dit was echter voor het Nederlandse politieke protestantisme, in haar begin jaren, de kern van hun politieke ideeen: zowel de Anti-Revolutionaire stroming, de CHU als de SGP zijn ooit ontstaan uit expliciet wantrouwen ten opzichte van de Katholieken in Nederland.

Jarenlang waren Katholieken in Nederland tweederangsburgers, die alleen maar in schuilkerken hun geloof mochten beleiden. De provincies waar Katholieken in de meerderheid waren, mochten zichzelf niet besturen, maar werden als generaliteitsland bestuurd vanuit Den Haag. In de loop van de 19e eeuw kwam hier verandering in: onder het patriotische en later het liberale bewind kwamen er ideeen op om Katholieken als gelijke Nederlandse burgers te zien. Dus werd voorgesteld om de Katholieken toe te staan bijvoorbeeld hun Bisschoppelijke hierarchie te herstellen. Dat zou betekenen dat er erkent zou worden dat Nederlandse Katholieke burgers ook loyaliteit hadden richting de Paus en zich naast Nederlander ook lid voelden van een Katholieke gemeenschap. De anti-Roomse gevoelens waren sterk in Nederland met name onder de orthodoxe Calvinisten. Zij zagen Nederland als een protestantse natie waar gewetensvrijheid was omdat de macht van de Katholieke kerk was ingedamd. Dus ontstond er een anti-Katholieke maatschappelijke beweging, de Aprilbeweging, die zich verzette tegen de groeiende macht van de Katholieke kerk in Nederland en de liberale politieke elite die onder het mom van geloofsvrijheid de Katholieken hun gang liet gaan. Uit deze Aprilbeweging groeide de latere Anti-Revolutionaire Partij: Stop de "Katholisering van Nederland".

Uiteindelijk bleek het voor de ARP toch handig om samen te gaan werken met de Katholieken: op de grote vraagstukken van die tijd, stemrecht en bijzonder onderwijs vonden deze twee stromingen elkaar wel. Echter binnen de eigen kring werd het Katholicisme nog steeds als een bedreigende beweging gezien. Dat leidde tot twee nieuwe politieke bewegingen: de CHU en de SGP. De Staatkundig Gereformeerde Partij brak op theologische gronden. Het vraagstuk was de Nederlandse Geloofsbelijdenis, een van de basisteksten van het Nederlandse protestantisme. Het vraagstuk was of er hierin moest staan of het de opdracht van de overheid was om "te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen." Hiermee werd gedoeld op de "valse" Katholieke godsdienst, die er afgodsbeelden op na hield en geleid werd door de Paus, die de protestanten gezien werd als anti-Christ: de SGP zag dit als een Paapse schijnreligie.

De Christelijk-Historische Unie brak met de ARP’ers over de vraag of er met de Katholieken
moest worden samengewerkt. Zij hielden er, in grote lijnen, dezelfde ideeen op na als de SGP. Zij stelde dat Nederland "[i]n overeenstemming met de historische ontwikkeling van het Christendom op
Nederlandschen bodem bestuurd [moet] worden als een Christelijke Staat in
Protestantschen zin." Nederland was in hun ogen, vanuit historisch perspectief, een Protestantse natie. Een te grote rol voor Katholieken in Nederland, zou een gevaar zijn voor het voortbestaan van Nederland als zodanig.

Uiteindelijk koos ook de CHU ervoor om met de Katholieken samen te werken, echter op een aantal symbolische vraagstukken namen zij een principiele lijn in. Tot 1971 was het Katholieken niet toe gestaan om religieuze processies te houden in bepaalde gemeenten. Zelfs met de Katholieken in de regering en met vele Katholieke premiers, bleef er een grondwetsartikel bestaan dat bestaande anti-Katholieke regelgeving in bepaalde gemeenten in stand hield (art. 167 uit de Grondwet van 1848). De anti-Katholieke symbool politiek werd hard gespeeld. Zo viel in 1925 het eerste kabinet Colijn, op een voorstel van de SGP’er Kersten om het gezantschap bij de Paus op te heffen. De CHU stemde hiermee in en vervolgens trokken de katholieke ministers zich terug. Het werd door de SGP en de CHU gezien als erkenning van de Paus, een gevaarlijke totalitaire heerser, om een Nederlandse gezant daar heen te zenden.

Welke conclusie kunnen we uit deze geschiedenissen trekken? Ten eerste dat exclusionistische politiek niets nieuws is in Nederland. De angst voor een religie die dreigt een deel van de Nederlanders te binden aan een buitenlandse macht, die godsdienstvrijheid in gevaar brengt, is zo oud als de Nederlandse staat. In die zin sluit Wilders prima aan bij een Nederlandse traditie. Ten tweede, de rare paradox dat Wilders om religieuze vrijheden te beschermen een bepaalde religie juist wil in dammen past prima bij de opstelling van het Nederlandse protestantisme: de vrijheidslievende verzetsbeweging tegen het gevaarlijke Katholicisme. Ten derde, past het benadrukken dat een bepaalde religie wezensvreemd is aan de Nederlandse Protestantse c.q. Joods-Christelijke cultuur ook prima in deze traditie. Ten vierde ook het Katholicisme werd gezien als een politieke beweging in plaats van slechts een religie. De wereldlijke macht van de Paus over Nederlandse burgers werd gezien als bedreiging van Nederlandse soevereiniteit.

Maar, nog veel belangrijker, Nederland is en was een land van compromissen en polderaars. De Anti-Revolutionairen en CHU moesten gaan samenwerken met de Katholieken. En uiteindelijk zijn deze anti-Roomse partijen samen gegaan met de Katholieke Volkspartij in het CDA. Jarenlang bleef het anti-Katholicisme beperkt tot symboolwetgeving over processieverboden en diplomatieke afvaardigingen naar de Paus.

Ik zie het nog wel gebeuren: minister Wilders in het kabinet Marcouch. Programmatische overeenstemming over een conservatieve lijn op veiligheid en centrumlinks economisch programma. En wat strijd over symbolen als burqa’s en minaretten.

 

Minder Kamerleden

Naast een reductie van het aantal ministeries, wil GroenLinks het aantal kamerleden reduceren van 150 naar 100. En de Eerste Kamer afschaffen. Daarmee zou het aantal politici dat de regering controleren reduceren van 225 naar 100.

Ik wil twee opmerkingen maken bij het voorstel om het aantal kamerleden te reduceren: het relatief lage aantal kamerleden dat Nederland al heeft in vergelijkend perspectief en het effect op de diversiteit van de kamer.

Parlsize_2 Er is een sterke lineaire correlatie tussen het aantal kamerleden in het Lager Huis dat een land heeft en het aantal inwoners. Deze is in het figuur hiernaast te zien dit betreft alle landen in de Europese Unie: kleine landen hebben kleinere Lagere Huizen en grotere landen hebben grotere Lagere Huizen. Alleen in de kleinste Europese landen hebben kamers die kleiner zijn dan 102 leden: Estland, Letland, Slovenie, Malta, Luxemburg en Cyprus hebben allemaal minder dan 3 miljoen inwoners. Bij de middelgrote landen is er grote variatie: de kleinste Lager Huizen zijn in Litouwen, Belgie en Nederland. Maar Hongarije, een land met net meer dan 10 miljoen inwoners heeft 386 Kamerleden in hun unicamerale parlement. Bij de middelgrote landen valt ueberhaupt op: als zij eenkamer stelsel hebben hebben ze gemiddeld meer kamerleden in het Lager Huis dan als zij een twee kamerstelsel hebben (208 tegen over 169). Daarna is de relatie lineair: grote landen krijgen steeds grotere kamers. Gemiddeld vertegenwoordigt een lid van een Europees Parlement zo’n 49,252 stemmer. Als we dat in Nederland ook zouden doen zou het aantal kamerleden niet verlaagd moeten worden naar 100 leden, maar verhoogt naar 322 leden (meer dan een verdubbeling). Als we kijken naar landen met een unicameraal stelsel en meer dan 3 miljoen inwoners zouden we zelfs aan 529 leden moeten denken (meer dan een verdrievoudiging).

En dan diversiteit. Een reden om een groot parlement te hebben is omdat minderheden daar beter in vertegenwoordigd worden: meer parlementariers betekent dan meer ruimte voor vrouwen en meer allochtonen. Maar ook ruimte voor Friese of boerenvertegenwoordigers. Als we kijken naar de verkozen kandidaten per partij (zonder voorkeursstemmen en ministersbenoemingen) is dit echter niet helemaal waar. Het aantal vrouwelijke kamerleden is onder deze restricties bij 150 leden 55 (37%). Bij 100 leden zou dat 38 leden zijn. Een verbetering. Er zouden meer vrouwen in een kleinere kamer zitten. Bij etnische minderheden is de verhouding net anders: 11 kamerleden met een niet Nederlandse achtergrond bij 150 leden (7%) en 5 leden bij een kamer van 100 leden. Daarbij valt het aantal kamerleden met een diverse achtergrond dus iets naar beneden.

Voor de diversiteit maakt het dus niet veel uit, maar in internationaal perspectief zouden we een uitzondering vormen. En laten we eerlijk zijn: een verlaging van het aantal kamerleden en een afschaffing van de Eerste Kamer betekent dat het aantal GroenLinks parlementariers van 11 naar 5 valt. Laten we dat dan maar politieke moed noemen. 

Minder Ministeries

Een van de voorstellen van GroenLinks in het nieuwe verkiezingsprogramma is de reductie van het aantal ministeries van 13 nu naar 8. Voor een politicoloog of bestuurskundige is het altijd leuk om na te denken over hoe verantwoordelijkheeden rationeel zouden verdeeld moeten worden. In het volle besef dat in het openbaar bestuur beslissingen bijna nooit op rationale gronden tot stand komen. In plaats daarvan is de indeling van ministeries afhankelijk van path dependency en institutional stickiness: of in gewoon Hollands oude beslissingen worden in stand gehouden zonder dat daar rationale redenen voor zijn.

Ministeries

Toch zijn er rationale elementen aan hoe verantwoordelijkheden tussen ministeries samen hangen: de bestuurders die de ministeries indeelden probeerden dat zo rationeel mogelijk te doen en in de tussentijd proberen bestuurders de bestaande structuur rationeel te gebruiken.  Je zou kunnen stellen dat de huidige ministeries met elkaar samenhangen in clusters van ministers met een aan elkaar gerelateerde portefeuilles. Dat zie je terugkomen in de kabinetsformaties waarbij geprobeerd wordt om binnen zulke clusters alle partijen deel te laten nemen. Grofweg zou je de structuur van de ministers kunnen voorstellen als in dit figuur: centraal staat de sociaal-economische driehoek met daarin de ministers van Financien, SZW en Economische Zaken. De minister van sociale zaken staat echter ook relatief dichtbij de ministers van OCW en VWS, die zo samen een cluster rond de softe publieke sector vormen. De minister voor Economische Zaken staat dichtbij de ministers van V&W en LNV, die zich bezighouden met sectoren waar de vrije markt in principe het belangrijkste regulerende principe is. Economische Zaken in mindere mate, maar Verkeer en Landbouw in grotere mate hebben veel overeen met de minister van VROM, omdat zij allemaal te maken hebben met ruimtelijke en milieu-vraagstukken. Boven in het figuur staan de ministers van BZK, BuzA, Justitie en Defensie. Tussen hun portefeuilles bestaan een opvallende relatie: de ministeries van BZK en Justitie houden zich bezig met het binnenlands bestuur, de ministeries van Defensie en BuZa met internationale samenwerking. BZK en BuZa houden zich met name bezig met de organisatorische kanten hiervan. Justitie en Defensie met de toepassing van geweld.

Ministeries2
Op basis van deze complex structuur van paren, driehoeken en vierkanten, kan je simpel een nieuwe indeling voorstellen: laten we alle paren, vierkanten en driehoeken samenvoegen. Dat gaat prima als we de sociaal-economische driehoek behouden. Dan ontstaan er ministerie van Buitenlandse Zaken en ministerie van Binnenlandse Zaken. Naast het ministerie van Financien, dat vanwege zijn meta-portefeuille moeilijk is te integreren, ontstaat het ministerie voor VOSZ (Volksgezondheid, Onderwijs en Sociale Zaken) en VROEM (verkeer, ruimtelijke ordening, economie en milieu).

Simpel en rationeel! Uiteraard zit er een aantal haken en ogen aan: zo vind ik als liberaal de scheiding der machten heel belangrijk: dus vind ik het fijn dat de minister van BZK verantwoordelijk voor de AIVD en de politie niet ook verantwoordelijk is voor het OM. Dat de minister voor BuZa niet als enige over buitenlands beleid gaat. En dat de minister van V&W een groene tegenhanger heeft in de minister van VROM.

Het blijft complexe materie: minder ministers.