Ik zit al een tijdje in Florence maar ik had nog niet
geblogd over wat ik daar zoal uitspook. Ik volg een cursus over politieke
partijen en partijsystemen met name vanuit Europees perspectief. Tot nu toe
allemaal vrij theoretisch en weinig interessant voor mijn lezers. Tot vandaag.
De vraag die vandaag werd gesteld was: wat zijn dat nou eigenlijk die partijen
op het Europese niveau ook wel Europese partijfederaties, Europarties, zoals de
Europese Groene Partij. Waar doen ze ons nou aan denken?
Eerst even wat feiten over de complexiteit van Europese
partijen. De Europese Unie erkent 10 Europese partijen waaronder de EGP, de
Partij van Europese Socialisten, Europese Liberale, Democratische en
Hervormerspartij en de Europese Volkspartij. De leden van deze organisaties
zijn nationale partijorganisaties, GroenLinks is lid van de EGP, de PvdA van de
PES, D66 en de VVD van de ELDR en het CDA van de EPP. De EGP organiseert congressen, waar er gezamelijke posities
worden ingenomen en coordineert (verkiezings)campagnes. Dat is eigenlijk niet
heel veel. Veel van de echte politiek gebeurt ergens anders. De lidpartijen
stellen op nationale congressen nationale kieslijsten vast. Voor hun politieke
toekomst zijn EP leden dus met name afhankelijk van de nationale partij. Ook
worden er nationale verkiezingsprogramma’s vastgesteld los van de Europese. De
verkiezingscampagnes worden door nationale partijen gevoerd met nationale
middelen, op nationale thema’s.
Maar dat is niet alles. In het Europees Parlement zijn
nationale partijdelegaties georganiseerd in transnationale fracties, Europees
Parlementsgroepen. Daarvan zijn er nu 7. Die Europese Parlementsgroepen vallen
niet perse samen met Europese partijfederaties. Zo is GroenLinks lid van de
EGP-EVA groep waar leden van de Groene EGP in zitten en de EVA, die
regionalistische partijen organiseert. Evenzo zijn de VVD en
D66-parlementariers lid van ALDE, een de EPG van de liberale ELDR en
centristische EDP, en de PvdA zit in de PASD een groep van socialisten en onafhankelijken. In het Europees Parlement zijn de parlementsgroepen vrij
sterk. EPleden stemmen vaak met hun EPGs mee. De EPGs hebben ook benoemingen
voor commissies, voorzitterschappen en rapporteurs in hun hand. In de Europese
Unie zijn partijen dus erg sterk in het parlement, maar erg zwak daarbuiten.
Het lijkt een onmogelijke situatie. Zo onbekend is dit
partij model echter niet. Het doet sterk denken aan wat “elitepartijen” genoemd
wordt in de literatuur. Denk aan de CHU of aan de VVD tot de jaren ’70. Deze
partijen waren eigenlijk niet meer dan een organisatie van lokale
kiesverenigingen en een parlementaire fractie. De kiesverenigingen vormden
samen een federatie, daarin hadden de kiesverenigingen het voor het zeggen en
niet de centrale organisatie. In het parlement bestond de partij ook als
organisatie van gelijkgezinden parlementariers. Dit model was in de negentiende
eeuw het dominante organisatiemodel in Nederland en Europa: een zwakke
nationale partijorganisatie die gedomineerd werd door een fractie en lokale
kiesverenigingen. Het zijn partijen die passen bij het Nederland met een
districtenstelsel. Lokaal gaan kiesverenigingen hun eigen gang. Ze kiezen hun
eigen kandidaat en voeren hun eigen campagne. Eenmaal in het parlement
aangekomen werken parlementariërs
met elkaar samen in politieke clubs van gelijkgezinden.
Dat geeft ook aan wat we kunnen verwachten van Europese
partijfederaties: niet heel veel. Zolang politici voor hun carrière niet
afhankelijk zijn van Europese partijfederaties maar van hun nationale partijen
(voor herverkiezing) en voor de Europese fracties (voor benoemingen) zullen ze
niet zo veel voor stellen.
De Europese Unie: eigenlijk heel negentiende eeuws.