Er schijnt zo iets te zijn als filosofie van de literatuur. Om mij ervan te overtuigen dat dit een nuttige tak van de wetenschap was legde een filosoof mij uit dat er een prachtige relatie was tussen de opkomst van psychologie-als-wetenschap en het fenomeen stream of consciousness literatuur.
Mijn reactie, als een typische positivist, was: maar dat is toch wetenschap? Je hebt een empirisch feit A en empirisch feit B en er zit een (al dan niet causale) relatie tussen A en B. Dat is toch juist wetenschap en filosofie dat is geen wetenschap. De filosoof reageerde socratisch: wat is filosofie dan? Ik kon niet zo snel een antwoord bedenken.
Filosofie kan de moeder der wetenschappen zijn, waaruit alle wetenschappen zich emanciperen. Het beste voorbeeld is de natuurkunde. Dit is in 1687 door Newton in zijn Philosphiae Naturalis Principia Mathematica uit de filosofie geemancipeerd. De wijsbegeerte bestaat uit een heleboel vragen, antwoorden en methoden. Soms besluiten mensen dat bepaalde vragen met een bepaalde wel-omschreven methoden beantwoord kunnen worden. Deze kunnen zich dan als onafhankelijke tak van de wetenschap voortzetten. De natuurkunde, de biologie, de taalkunde, de politieke wetenschap zijn hier voorbeelden van. Socrates en Aristoteles hielden zich ook met deze vraagstukken bezig. Toch zijn Einstein, Darwin, De Saussure, of Schattschneider geen filosofen. Zij zijn wetenschappers in losgemaakte vakgebieden. In deze visie zal de filosofie ooit ophouden te bestaan, als al de velden die ooit filosofie waren zich hebben losgemaakt en een eigen wetenschap zijn geworden.
Dat is echter een beperkte visie. De wetenschappen natuurkunde, biologie, taalkunde en politicologie delen het zelfde onderwerp: het koninkrijk der feiten. Maar er zijn ook vragen die niet over het koninkrijk der feiten gaan. Wat als de filosofie zich met deze vragen bezig houdt. Het koninkrijk der feiten is aan de wetenschappen, het koninkrijk der niet-feiten is aan de filosofie. Vragen als "Is de Mona Lisa mooi?" of "zijn belastingen rechtvaardig?" kunnen niet door de wetenschappen beantwoord worden. De wetenschappelijke methode werkt hier niet. Het zijn immers geen feiten. Politiek filosofen hebben allerlei verschillende methoden bedacht om vraagstukken van rechtvaardigheid te beantwoorden. De filosofie heeft haar vragen en de wetenschappen de hunnen en deze twee koninkrijken zijn strik gescheiden.
Maar er zijn ook vragen waarop natuurkundigen en politicologen stuiten, die zij met hun methoden niet kunnen beantwoorden. Vaak zijn dit metafysische, epistemologische of wetenschapsfilosofische vragen over wat een wetenschappelijke vraag is, wat de grenzen van de kennis zijn en wat de aard is van de zaken die ze onderzoeken. Vragen die de wetenschappen zelf niet kunnen beantwoorden, maar waar "moedertje" filosofie wel een antwoord op heeft. Dan zijn de koninkrijken van de filosofie en de wetenschap niet gescheiden, maar dan is filosofie de koningin der wetenschappen, waar de wetenschappen wel autonoom zijn maar niet zonder hun heerser kunnen.
Maar als je dan kijkt naar de methode die de filosofie hanteert blijkt ze wetenschappelijk te zijn, al zu wissenschaftlich. Een groot deel van de filosofie filosofologie, zij beantwoorden niet de vragen die ze zelf zouden moeten beantwoorden, maar ze staren zich scheel op de antwoorden van eerdere grote filosofen op deze vragen. Ze doen descriptief alpha wetenschappelijk onderzoek naar empirische feiten. Ze beantwoorden niet de vraag "Is A rechtvaardig" maar "vindt B A rechtvaardig".
Het wordt wel tijd dat de literatuurwetenschappen eens op kamers gaan en huize filosofie verlaten om zelf een echte wetenschap te worden.