Gender Balance in de Senaat

Het GroenLinks congres komt er weer aan. En ook dit congres mag weer een kandidatenlijst samen stellen. Kunnen we iets voorspellen over de manier waarop de lijst wordt samengesteld? Een van de meest in het oogspringende thema's binnen GroenLinks is de verhouding tussen man en vrouw. Hebben vrouwen binnen GroenLinks een streepje voor? Of kiest het congres voor een balans tussen de geslachten?

Als we kijken naar de landelijke kieslijsten voor het Europees Parlement, de Eerste en de Tweede Kamer die op wikipedia staan, dan zijn er opvallende patronen. Er zijn vier mannelijke als acht vrouwelijke lijsttrekkers geweest. Als er een mannelijke lijsttrekker was, dan was de #2 onvermijdelijk een vrouw. Als er een vrouwelijke lijsttrekker was, dan was er in 38% (3) de #2 weer een vrouw en de #2 was in 62% (5) een man. Na een man moet dus een vrouw komen, maar na een vrouw kan best weer een vrouw.

Als er een vrouwelijke lijsttrekker was en een mannelijk #2, dan was de #3 in 40% (2) een vrouw en in 60% (3) een man. Als er gender-balance bereikt was dan kan het met de #3 alle kanten op. Een vrouwelijke lijsttrekker met een vrouwelijke #2, leidde in 75% (3) van de gevallen tot een mannelijke nummer #3. In een geval was er een vrouwelijke #3 (De 1989 met de drie oude partijleiders achter elkaar). Na twee vrouwen moet er dus bijna wel een man komen, maar het is nog steeds niet noodzakelijk. Je kan het rekken, maar gender-balance lijkt onvermijdelijk.

Als er een mannelijke lijsttrekker was en dus een vrouwelijke #2, dan was in 75% (3) van gevallen de #3 een vrouw. In een geval was het een man. Het lijkt erop dat het feit dat er een man leider was geworden in het bijzonder moest worden gecompenseerd met extra vrouwen hoog op de lijst.

In 67% (8) van de gevallen waren twee van de eerste vier kandidaten een vrouw. Bij de vier uitzonderingen waren er 3 keer meer vrouwen en slechts een keer meer mannen. Alles lijkt er op te duiden dat GroenLinks kiest voor gebalanceerde lijsten, maar dat waar er ongebalanceerdheid is, vrouwen een streepje voor hebben.

Wat zegt dit voor de Eerste Kamerlijst? Na Thissen zal er dus zeer waarschijnlijk een vrouw op #2 en op #3 komen. Koster-Dreese, Strik, De Boer en Vos hebben dus meer kans op #2 en #3 dan Borghouts, Ganzevoort en Laurier. Daarna is het spel weer open. Als twee van Strik, Dreese, De Boer of Vos verkozen zijn, dan zal waarschijnlijk of Ganzevoort of Laurier volgen. 

Andere factoren, zoals politiek profiel, ervaring en de mobilisatie van eigen achterban zullen bepalen wie deze precies zullen worden. Ik dat de rode Thissen, gevolgd zal worden door de meer 'blauwe' Strik en de groene Vos. Op plek #4 is er dan ruimte voor de ervaren rode Laurier of de vernieuwende 'blauwe' kandidaat Ganzevoort. Het is een opvallende strijd: de voormalige CPN'er Laurier aan de ene kant die met zijn voeten in de klei heeft gestaan als wethouder en bestuurder op het gebied van sociale zaken en volkshuisvesting, en aan de andere kant de progressief-Christelijke Ganzevoort, professor theologie die veel onderzoek heeft gedaan naar diversiteit, homosexualiteit en moderne gezinsverbanden. In het nieuwe GroenLinks verwacht ik dat Ganzevoort hoge ogen gooit.

Politie in Kunduz en Hollands Provincialisme

Je kan het debat over Afghanistan niet begrijpen zonder een verkenning van het politieke landschap. Want het zou toch eigenlijk heel simpel moeten zijn: de VVD en het CDA hebben zich zelf in een ongelofelijk dom parket gewerkt door in een kabinet te stappen met de PVV. Die partij vindt wel dat we in oorlog zijn met de Islam, maar die nadat we Afghanistan plat gebombardeerd hebben om de Taliban te verjagen, geen politietrainers wil sturen om de vrede, veiligheid en recht terug te laten keren.

In een tijd van sterke polarisatie tussen links en rechts, waarbij de VVD en CDA elkaar tevreden schouderklopjes geven omdat de kunsten, het hoger onderwijs, de milieubescherming en vele andere linkse hobby's vakkundig de nek zijn omgedraaid, zou Links natuurlijk kunnen zeggen: "Stik er maar in. Als jullie kabinet alles wat wij waardevol vinden wil opdoeken, waarom zouden jullie dan op onze hulp willen rekenen voor jullie politiemissie." De PvdA, de SP en de PvdD doen dat.

GroenLinks, de ChristenUnie en D66 hebben een andere overweging: ze overwegen de politiemissie te steunen. Daarbij vallen woorden als "verantwoordelijkheid nemen", "internationale solidariteit" , "Afghaanse schoolmeisjes" en"civiele opbouwmissie".

Maar is dat echt alles? Ik denk het niet. Je kan de steun van GroenLinks, ChristenUnie en D66 niet begrijpen zonder een inschatting te maken van het politieke speelveld. Er is een minderheidskabinet van CDA en VVD dat over wel meer onderwerpen van mening verschilt van gedoogpartner PVV. Steun op het dossier Afghanistan kan de productieve samenwerkingsrelatie versterken tussen de progressieven in de Tweede Kamer en de centrum-rechtse partijen in het kabinet. Sterker nog: als over vier jaar nieuwe verkiezingen zijn kan de samenwerkingsrelatie tussen CDA, VVD, D66, CU en GroenLinks worden omgezet in een regeringscoalitie. Femke Halsema heeft eerder al aangegeven dat een coalitie van progressieven en centrum-rechts, de zogeheten Rotivariant, a measure of last resort is de progressieven. Alles liever dan dit rancunekabinet.

Maar zo'n Rotivariant of zelfs Paars+ kan alleen maar lukken als de VVD (en het CDA) GroenLinks en D66 zien als een geloofwaardige partner. In een motie vragen om een politiemissie die in je verkiezingsprogramma staat, en dan tegen de missie stemmen als het kabinet die motie uitvoert, is niet goed voor de geloofwaardigheid van GroenLinks en D66. VVD en CDA zullen wel drie keer nadenken voor zij in een schuitje stappen met een partij die bij iedere beslissing van internationaal belang, door haar pacfistische vleugel, haar leden en haar anti-Amerikaanse kiezers teruggefloten kan worden. Dan liever met de PVV: knetterrechts maar ten minste betrouwbaar.

En zo is de vraag of Nederland deelneemt aan een missie, die -ten goede of ten slechte- invloed zal hebben op de ontwikkeling van Kunduz, Afghanistan, afhankelijk van de provinciale machtsspelletjes in die Hollandse vierkante meter.

DWARS door Grenzen speciaal: Groen regeren in Europa

GroenLinks is een uitzondering in Europa. Van Bulgarije tot België hebben Groene partijen geregeerd. In Nederland alleen nog niet. Wat kan GroenLinks leren van onze zusterpartijen over de grens? Een speciale DWARS door Grenzen.

Er zijn grote verschillen tussen Groene partijen in Europa. Ze delen allemaal een nadruk op ecologische duurzaamheid. Maar ze verschillen van mening over sociale rechtvaardigheid. Sommige Groene partijen staan, zoals GroenLinks, aan de linkerkant van het politieke spectrum. Anderen bevinden zich in het politieke centrum. Er zijn ook groene partijen die aan de rechterkant van het politieke spectrum staan. West-Europese Groene partijen, zoals de Duitse of Franse Groenen zijn links. In een aantal Noord-Europese landen (Ierland en Finland) staan Groenen in het politieke centrum. In Oost-Europa zijn Groene partijen afkomstig uit anticommunistische hervormingsbeweging. Eind jaren ’80 waren het lokale bewegingen tegen kernenergie, mijnbouw en andere vormen van milieuvervuiling die het eerst in opstand kwam tegen het communisme in landen als Estland, Letland en Litouwen. Deze bewegingen kozen voor de democratie en dus voor een Westerse markteconomie, voor privatisering van overheidsbedrijven en afbraak van de sociale zekerheid. Rechtse groene partijen dus.

De positie van individuele Groene partijen in het politieke spectrum is belangrijk om te begrijpen hoe ze in de regering zijn gekomen. Er zijn grofweg drie soorten regeringscoalities met Groenen: een rood-groene combinatie met sociaal-democraten, Groenen en misschien andere linkse partijen. Of een blauw-groene combinatie met conservatieven, Groenen en misschien andere rechtse partijen. Daarnaast kan er een regenboog coalitie gevormd worden met groenen, linkse en rechtse partijen. Linksgeoriënteerde Groenen komen terecht in rood-groene coalities. Vaak hebben de Groenen dan voor de verkiezingen een bondgenootschap gesloten met de sociaal-democraten, met daarin de afspraak om samen te gaan regeren. Een typisch voorbeeld hiervan zijn de Franse Groenen die van 1997 tot 2002 in een linkse coalitie samen werkten met socialisten, communisten en andere linkse partijen. Als links op zichzelf geen meerderheid haalt is er de mogelijkheid voor een regenboogcoalitie, zoals in Belgie met liberalen, socialisten en groenen. Rechts- en centrumgeoriënteerde Groenen kunnen ook terecht komen in regenboogcoalities maar kunnen ook samen werken in blauw-groene coalities. De Ierse Groenen staan in het politieke centrum en werken op dit moment samen met  de conservatieve Fianna Fáil partij. De eerste keer dat Groenen in een regering terecht kwamen was het in zo’n rechtse combinatie: in 1990 leverden Groene partijen in Bulgarije, Estland en Letland ministers in regeringscoalities van anticommunistische hervormers.  Slechts enkele Groene partijen overleefden de verkiezingen. In Tsjechië en Letland overleefden ze langer en zijn ze zelfs teruggekomen in de regering. In Letland leverden de Groenen zelfs kortstondig de premier (Indulis Emsis in 2003). Hij was zo de eerste groene regeringsleider en gaf leiding aan een rechtse coalitie.

Als GroenLinks in de regering wil komen zijn er dus grofweg drie opties: of GroenLinks gaat een alliantie aan met de andere linkse partijen, of GroenLinks stelt zich op in het politieke centrum, of we hopen dat we nodig zijn voor een meerderheid in een regenboogcoalitie. In Nederland zou een linkse coalitie heel breed moeten zijn om ueberhaupt in de buurt te komen van een meerderheid in de Tweede Kamer: het zou een coalitie zijn van D66 tot SP. In 2006 sprak GroenLinks zich uit voor zo’n “Linkse Lente”. De PvdA had daar geen zin in. De kiezer overigens ook niet: in 2006 maar ook in 2010 zit een stabiele linkse meerderheid er niet in. De andere optie is naar het centrum trekken en de mogelijkheid open houden om met links en met rechts in de regering te komen. Groenen regeren in rechtse coalities in landen als Ierland en Letland maar ook in  Tsjechië en Finland. Een partij die in het politieke centrum staat, heeft veel grotere kans om te regeren dan een partij die alleen wil regeren met links. Een naamsverandering naar GroenCentrum lijkt me nog onwaarschijnlijker dan een linkse meerderheid, gezien de traditie van GroenLinks als vertegenwoordiger van de vrijheidslievend linkse traditie. Dan is er dus maar een optie: hopen dat in de chaos na de verkiezingen van 2014 GroenLinks nodig is voor een meerderheid in een vierpartijen-regenboogcoalitie met bijvoorbeeld VVD, D66 en PvdA. Een formatie met zo veel partijen in geheel nieuwe verhoudingen zal uitermate onvoorspelbaar zijn. Daar kan GroenLinks zich moeilijk op voorbereiden.

Daarom zal GroenLinks nog wel een tijdje een uitzondering in Europa blijven. Een linkse meerderheidscoalitie zit er electoraal niet in. Deelname aan een centrum-rechtse coalitie past niet bij de aard van GroenLinks als linkse partij. En of we nodig zijn voor een meerderheid in de onvoorspelbare formatie van 2011 weet niemand.

Dit artikel verscheen ook in de OverDWARS van Herfst 2009.

Waarom Links?

Wouter Leenders stelde mij op twitter een vrij simpele vraag of ik wel eens wat had geschreven over liberalisme en economie.  En dan specifiek over de vraag waarom de overheid wel mag intervenieren in de economische sfeer en niet in de culturele sfeer.

De vraag is of mijn epistemische liberalisme, dat uitgaat van de centrale stelling dat we niet weten wat het beste individuele levensplan is, te verenigen is met overheidsinterventie in de economie. Epistemisch liberalisme stelt dat er geen grondslag voor de overheid om mensen een bepaald idee van het goede leven op te leggen. Maar wat betekent dat voor sociaal-economische politiek? Kan de overheid hier ook niets aan doen? De overheid kan mensen misschien niet opleggen hoe ze moeten leven, de overheid moet wel intervenieren om de vrijheid van mensen te beschermen: we rechtvaardigen de interventie van de politie door te stellen dat we zo inbreuken op individuele vrijheid kunnen voorkomen. Maar kunnen we ook economische interventie zo rechtvaardigen?

Er zijn denk ik drie lijnen van argumentatie waardoor we individuele vrijheid en economische interventie kunnen verenigen. Ik laat me uiteindelijk inspireren door drie filosofen: de ideeen van John Rawls, over gerechtvaardigde ongelijkheid, de ideeen van Dworkin, over gelijke uitgangsposities en verdiende en onverdiende ongelijkheden, en die ideeen van Van Parijs over "echte" vrijheid:

Ten eerste om individuele negatieve vrijheid te beschermen. Er is een grote machtsongelijkheid tussen werkgevers en werknemer (en tussen producenten en consumenten): in een "vrije markt" kunnen werkgevers werknemers uitbuiten. Omdat bedrijven veel machtiger zijn dan individuele werknemers en omdat werknemers voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van die bedrijven kunnen bedrijven in een "vrije markt" werknemers dwingen om vrijheden in te leveren, te werken onder gevaarlijke omstandigheden of lagere lonen te accepteren die lager zijn dan het bestaansminimum. De overheid moet ingrijpen om ervoor te zorgen dat de rechten van werknemers en consumenten, -de zwakkere partijen- worden beschermd. Denk aan het minimumloon, het recht op collectieve onderhandeling door werknemers, wetten over arbeidsomstandigheden.

Ten tweede om individuele positieve vrijheid te vergroten. Er zijn twee noties van positieve vrijheid. De eerste notie stelt dat mensen bevrijd moeten worden van interne obstakels om te doen wat ze zelf echt willen. Laat ik dit positieve vrijheid (1) noemen. Dat is een gevaarlijke notie van vrijheid, omdat dit inhoudt dat mensen gedwongen moeten worden om te doen wat ze "eigenlijk" zelf willen door een overheid die dat beter weet dan zij zelf. Daar staat een notie van vrijheid als de aanwezigheid van externe hulpmiddelen om gebruik te maken van rechten tegenover. Laat ik dat positieve vrijheid (2) noemen. Het simpele idee is dat armoede een vorm van onvrijheid is en dat we moeten streven naar een zo vrij mogelijke samenleving, waarbij iedereen dus zowel de rechten als de (zo groot mogelijke) mogelijkheden heeft om zijn of haar idee van het goede leven in de praktijk te brengen. Van Parijs noemt dit "echte" vrijheid. Ik geloof dat positieve vrijheid (2) wel vergroot moet worden, omdat rechten zonder middelen, privileges van de rijken zijn. Daarom moet de overheid proberen mensen te voorzien met de middelen om van hun vrijheid gebruik te maken: inkomen, onderwijs en gezondheidszorg.

Ten derde om een neutrale verdeling te verzekeren. In een "vrije markt" ontstaan er onverdiende verschillen in inkomens. Ik geloof dat mensen recht hebben op dat wat ze zelf produceren, vice versa hebben mensen dus ook geen recht op dat wat ze niet bezitten. Door de toevallige verdeling van de verdeling van grondstoffen, van talenten en van erfenissen, staan sommige mensen er beter voor dan anderen. Dat zijn onrechtvaardige verschillen in inkomen en in levenskansen. Dit vereist radicale herverdeling om te verzekeren dat er gelijke uitgangsposities zijn voor iedereen. Daar ligt in  mijn ogen met name een rol voor het onderwijs.

Vaak kunnen het streven naar negatieve vrijheid en vormen van gelijkheid hand in hand gaan. Ik heb hier ook eerder -met meer of minder succes- uitgewerkt wat dat moet betekenen voor het onderwijs, de publieke omroep, sociale verzekeringen en hypotheekrente. Iedere keer betekent dat mensen in staat stellen om keuzes te maken, niet-gerechtvaardigde ongelijkheden bestrijden en gebruik maken van diversiteit en competitie. Er zijn een aantal plekken waar overheidsinterventie in de economie de vrijheid van mensen om zelf hun leven in te delen als zij zelf willen, beperkt over bepaalde groepen bevoordeeld. Die vraag speelt het sterkst rond arbeid: is er een recht op werk? En een plicht om te werken?

Ik geloof dat het mogelijk is om heel liberaal en heel links te zijn. Ik zelfs geen problemen om hier te spreken over socialisme. Er zijn interpretaties van socialisme die gaan om het vergroten van de rechten en de mogelijkheden van mensen die in een "vrije markt" onvrij zouden zijn in negatieve en positieve (2) zin. Uiteindelijk zijn consequente socialisten liberalen die het echt menen: want solidariteit staat in dienst van vrijheid.

Chefsache

Het is een interessant begin van de periode van Jolande Sap: de missie naar Afghanistan. Het kabinet viel erover. GroenLinks sprak zich in een motie en in haar verkiezingsprogramma uit voor een civiele missie naar Afghanistan. Het kabinet probeert daar gehoor aan te geven maar de missie heeft deels een militair karakter. Kritische GroenLinks heeft zich al tegen de missie gekeerd. Een groot deel van de kiezers spreekt zich ook negatief uit, volgens Maurice de Hond en EenVandaag.

De missie stelt GroenLinks voor een groot dilemma: wij willen de verantwoordelijkheid nemen voor de opbouw van Afghanistan. Je kan na een militaire interventie niet zo maar weg gaan zonder zeker te zijn dat je land beter hebt achtergelaten dan dat je het hebt aangetroffen. Aan de andere kant past het steunen van de Amerikaanse militaire bezetting niet bij de traditie van een anti-militairistische partij. Kiest GroenLinks voor de gemakkelijke afwijzing van PVV, PvdA en SP, die nationaal politiek gewin boven internationale verantwoordelijkheid laat gaan? Of zwemt zij in de fuik die Rutte heeft neergezet: een civiele politiemissie om de aanwezigheid van F16s in Afghanistan te legitimeren? De steun van GroenLinks is cruciaal: met GroenLinks, ChristenUnie, SGP en D66 zijn er 79 zetels voor het voorstel van de regering. Want ze worden niet gesteund door de PVV.

De keuze komt een bijzonder moment in de geschiedenis van GroenLinks: Femke Halsema, La grande Dame de la Gauche, die de economische koers van de partij radicaal wist om te gooien van klassiek links naar progressief-liberaal, is ingeruild voor Jolande Sap, pas twee jaar kamerlid, financieel specialist en nog opzoek naar haar positie in de partij. Maar net op dit moment is Mariko Peters, Afghanstan specialiste, en exponent van de realistisch-vrijzinnige stroming, afwezig: ze heeft net een kind gekregen en is op zwangerschapsverlof. En hiermee komt alle verantwoordelijkheid bij Sap. Afghanistan is Chefsache geworden. Weet Sap als eerste zet in haar leiderschap van GroenLinks de vredespartij te overtuigen deze militaire missie te steunen? Of zoekt ze naar compromissen met de linkerflank binnen de partij? Hoe dan ook het volgende GroenLinks congres wordt nog spannender.

Goud & Geld

In Amerika is de waarde van geld altijd onderdeel geweest van politiek debat. Nu recent zijn er voorstellen om terug te keren naar de goud standaard. In een debat bij het satirische nieuwsprogramma "The Colbert Report" verdedigde Ron Paul, het meest libertarische lid van de House of Representatives, de herintroductie van goud als geld.

De discussie over de basis van geld is een lange in de Verenigde Staten: een lange tijd ging de discussie over de vraag of de waarde van de dollar gebaseerd moet zijn op goud, zilver of beide. Er werd uiteindelijk voor goud gekozen: een lange tijd kon je altijd een dollar in wisselen voor een vaste hoeveelheid goud. In 1971 schafte de Republikeinse president Nixon de relatie tussen de waarde van goud en de waarde van de dollar af en werd de dollar een vrij-bewegende munt. De reden was dat de Verenigde Staten niet genoeg goud meer in voorraad had om de vraag naar goud aan te kunnen, toen het vertrouwen in de Amerikaanse economie af nam. Sindsdien is de Dollar een vrije munt waarvan de waarde wordt bepaald op door het monetaire beleid van de Federal Reserve. Het is geld gebaseerd op vertrouwen waar geen echte harde waarde tegenover staat.

Volgens Paul is dit een probleem. Hij geeft in het debat vier argumenten om een goud-gebaseerde munt in te voeren: ten eerste heeft geld gebaseerd op goud  het altijd langer vol gehouden dan geld dat geen basis heeft; ten tweede kan je altijd als je de overheid niet vertrouwd terugkeren naar goud; ten derde zou je liever goud honderd jaar in sok bewaren dan papiergeld, omdat het "echte" waarde heeft; en ten vierde zou goud de inflatie beperken.

Het eerste argument lijkt me niet heel zinnig: tot nu toe hebben republieken het ook altijd korter uitgehouden dan koninkrijken, maar dat lijkt me geen reden om over te gaan op een absolute monarchie. Het tweede argument lijkt me ook niet steekhoudend: het was juist het wantrouwen in het economisch beleid van de Republikeinse president Nixon dat de Amerikanen dwong om af te stappen van de goud standaard die veel te kostbaar werd.

In het derde argument toont Paul zich een aanhanger van een intrinsieke waardeleer. Hij stelt dat goud "echte" waarde heeft en papier maar papieren waarde heeft. En dat ik als ik goud 100 jaar in een sok bewaar daarna goud heb en anders alleen maar papier. De waarde van producten wordt echter op een vrije markt vastgesteld door de vraag en het aanbod. Het is niet ondenkbaar dat over 100 jaar goud zijn waarde heeft verloren (omdat er geen toepassingen meer voor zijn of we op een groot aanbod zijn getroffen), maar dat 100-jaar oude geldpapieren wel een grote waarde hebben (voor verzamelaars, of omdat ze gedrukt zijn met een bijzondere inkt). Het punt is dat geen van beide dus intrinsieke waarde heeft die over tijd hetzelfde blijft.

Dan blijft er maar een argument over: goud-geld zou inflatiebeperkend werken. Dat is een klassieke positie van de Oosterrijkse school van de economie. Zij stellen dat inflatie alleen maar het gevolg is van de grootte van de geld hoeveelheid: hoe meer geld er gedrukt wordt, hoe meer er is, en hoe minder het waard is -bij een gelijke vraag naar geld-. Geld wordt dus minder waard, en dat is inflatie. Als centrale banken dus "zo maar" grote hoeveelheden geld kunnen drukken dan kan er dus een overschot aan geld ontstaan en daardoor inflatie. Munten die verbonden zijn aan goud (of een vast prijs hebben met iets anders) zullen veel minder inflatiegevoelig zijn dan munten die in dit opzicht vrij zijn: omdat de centrale bank voor iedere dollar die zijn printen ook het goud zullen moeten inslaan om die dollar te kunnen omruilen als de burger daarom vraagt. Een terugkeer naar de goud-standaard is niet meer en niet minder dan een manier om de handelingsvrijheid van overheden te beperken. Ludwig van Mises: "It is impossible to grasp the meaning of the idea of sound money if one does not realize that it was devised as an instrument for the protection of civil liberties against despotic inroads on the part of governments. Ideologically it belongs in the same class with political constitutions and bills of rights." In West-Europa is hetzelfde bereikt door centrale banken op grote afstand van de politiek te stellen, maar de goud standaard gaat een stap verder en vermindert de vermogens tot economische interventie van overheden nog meer.

Ik denk dat de recente economische crises goed hebben laten zien dat als je wilt dat je een stabiele economie hebt, daarvoor overheidsingrijpen noodzakelijk is. De handelingsvrijheid van de overheid zo sterk beperken alleen maar om daarmee de inflatie te beperken (en andere economische doelen als stabiliteit, werkgelegenheid en economische groei) lijkt me een te grote investering.

DWARS door Grenzen: Zwitserland

GroenLinks twijfelt tussen liberalisme en linkse politiek. In Zwitserland is deze keuze radicaal gemaakt: de Groene Liberalen splitsten zich van “te linkse” Groene Partij af. Zijn de Zwitserse Groene Liberalen een toekomstbeeld voor GroenLinks?

De Zwitserse Groene Partij heeft haar wortels in de milieubeweging. Vanuit het verzet tegen kernenergie en autowegen onstaan in verschillende Zwitserse kantons (deelstaten) kleine groene partijen. In 1979 wint voor het eerst een van hen een zetel in het federale parlement. In 1983 wordt een federatie van kantonale partijen gevormd. In de jaren ’80 is de partij sterk verdeeld tussen augurken en de meloenen, waar de “augurken” (van binnen van buiten groen) ecologische politiek centraal stellen, zijn de “meloenen” (van binnen rood en van buiten groen) voorstander van een helder links en groen geluid. De meloenen winnen de strijd en de Groene Partij neemt enkele kleinere linkse en groene partijen in zich op. De partij voert vanaf dat moment, zoals veel andere Europese Groenen, een heldere groen-linkse koers.

Gedurende de jaren ’90 verliest de partij haar meest radicale veren en gaat een gematigdere, pro-Europese linkse koers varen. Sommige Groenen verwijten hun partij tot ‘de neo-liberale flank van de sociaal-democratie’ te zijn toegetreden. Electoraal is deze strategie echter erg succesvol: bij de verkiezingen van 2007 wint de partij 10% van de stemmen en 20 zetels en is zij nu de grootste oppositiepartij (let wel de regering wordt in Zwitserland gevormd door de vier grootste partijen).

Voor sommigen is de koers niet gematigd genoeg: in 2004 breekt een aantal Groenen uit Zürich met de partij en in 2007 richten zij een Groen-Liberale Partij op. De nieuwe partij wil een centrum-gerichte markt-liberale koers willen voeren. Zij willen een groene milieu-politiek combineren met hervorming van de verzorgingsstaat. Hoofddoel van de partij is om toekomstige generaties niet met onze problemen op te zadelen dus niet met een veranderd klimaat maar ook niet met een grote staatsschuld. Hun milieu-politiek is ook markt-liberaal. Zij is niet gebaseerd op ge- en verboden maar op juist slimme belastingen en (start)subsidies om de vrije markt te stroomlijnen. De partij is redelijk succesvol en haalt in 2007 2% van de stemmen en 3 zetels in het federale parlement. Zonde alleen dat er geen groente is die van buiten groen en van binnen blauw is.

De nieuwe vrijzinnige koers van GroenLinks verhoudt zich op een interessante manier tot beide partijen: waar het gaat om milieu-politiek draait de vrijzinnige koers om het stimuleren van de ‘ EKOnomie’ met slimme belastingen en subsidies, net als de groene liberalen. De Groenen zijn zich schijnbaar veel bewuster van de noodzaak voor een radicale milieu-politiek nu het 5 voor 12 is. Qua sociale politiek draait de vrijzinnige koers om hervorming van de verzorgingsstaat (zoals de groene liberalen) maar juist om de minst kansrijke mensen te zich te emanciperen uit armoede (zoals de groenen). Waar het gaat om de internationale orientatie nemen de groene liberalen een opmerkelijke plek in: zij zijn tegen toetreding tot de Europese Unie, terwijl het juist de Groenen zijn die voor toetreding zijn. Al met al lijkt de linkse, open, radicaal-groene koers van de Groene partij veel inspirerender voor GroenLinkse politiek dan de markt-liberale, gesloten, licht-groene koers van de Groen Liberalen.

Dit artikel verscheen ook in de OverDWARS winter 2007.