Lijsttrekkerstest voor GroenLinks Zuid Holland

Gister presenteerden de kandidaat provinciale lijsttrekkers van GroenLinks Zuid Holland zich in Leiden. Anders dan in provincies als Noord-Brabant waar er sprake is van een enkelvoudige voordracht, heeft de Provinciale Vergadering in Zuid Holland echt wat te kiezen.Het zijn er vier: John Steegh, Oscar Dijkhof, Ankie Verlaan en Marijke Kleijweg. En de keuze is lastig: het zijn allemaal geschikte kandidaten met een gelijkend constructief-bestuurlijk profiel. Er zijn grote gelijkenissen qua ervaring, profiel en persoonlijke kenmerken. Dus daarom, in het bijzonder voor diegenen die aanwezig waren bied ik hier een lijsttrekkerstest, zoals ik ook al eerder had gemaakt voor de lijst van her Europees Parlement, de Europese lijsttrekker. De informatie is gebaseerd op het oordeel van de kandidatencommissie en de presentatie gisteren. Graag hoor ik jullie uitkomsten, verwachtingen en reacties!

Kleine "hoe werkt dit?" vul in de .xls een 1 in bij het groene vakje dat overeenkomt met het antwoord op de vraag. Je kan maar een keuze per keer maken. In de rode vakjes komt het aantal punten te staan dat iedere kandidaat heeft verdiend. Meeste punten tellen.

Kandidaten

Bloedgroepen ChristenUnie 2001-2010

Wat je voor GroenLinks kan doen kan je ook voor de ChristenUnie doen: hoe sterk zijn de bloedgroepen nu? En het interessante aan een Christelijke partij in Nederland is dat de vertegenwoordigers een veelvoud aan protestantse religieuze achtergronden hebben.

De ChristenUnie is een fusie van twee partijen: de RPF en de GPV.

  • GPV (Gereformeerd Politiek Verbod, 1948) was een protestants-Christelijke partij. Haar maatschappelijke basis bestond geheel uit vrijgemaakt-Gereformeerden. De partij was gevormd na een kerk scheuring in de aan de ARP gelieerde Gereformeerde Kerk. De partij combineerde conservatieve standpunten op morele vraagstukken, met pragmatische posities op economische kwesties en rechtse standpunten over het openbaar bestuur, het buitenlandse beleid (Euroskeptisch en anti-communistisch) en koloniale relaties. In de jaren '80 gold de GPV als de linksere van de drie protestants-Christelijke partijen.
  • RPF (Reformatorisch Politieke Federatie, 1975) was een protestants-Christelijke partij. De partij was gevormd als een fusie van Gereformeerden die uit de ARP waren gebroken gedurende de jaren '60 en '70 toen de ARP naar links schoof. Ook deze partij had conservatieve standpunten op morele vraagstukken, pragmatische posities op economische zaken en rechtse standpunten over het openbaar bestuur, het buitenlands beleid (Euroskeptisch en anti-communistisch). In de jaren '90 gold de sociaal-Christelijke RPF als de linksere van de drie protestants-Christelijke partijen. De partij bood ruimte aan veel verschillende protestants-Christelijke stromingen: leden van de strengere bonden binnen de Protestantse Kerk Nederland (de grote tent-protestantse kerk) de Christelijk Gereformeerde Kerk, Nederlands Gereformeerde Kerk (afgesplitst van de vrijgemaakten) en allerlei evangelische stromingen.

ReligieCU

In het bovenstaande figuur is de ontwikkeling van de partijtop van de ChristenUnie zichtbaar. Dit zijn de Eerste en Tweede Kamerleden, Europarlementariers, de bewindslieden en partijvoorzitter. Tussen 2001 en 2005 was de meerderheid van de ChristenUnie politici oud-RPF lid. Tussen 2006 en 2010 viel dit naar ongeveer 40-50%. Onder tussen was gedurende hele periode zo'n 40% van de politici GPV-lid. Sinds 2006 heeft 12-16% van de politici geen achtergrond in een van de twee oprichters. Dit patroon lijkt er op te duiden dat in de selectie van vertegenwoordigers de partijpolitieke achtergrond nog steeds een belangrijk criterium. De reden dat dit zo is hangt misschien samen met het feit dat partijpolitieke onderscheiden binnen de ChristenUnie samenhangen met religieuze onderschieden.

PartijCU
In de bovenstaand figuur is de ontwikkeling van religieuze groepen binnen de ChristenUnie weer gegeven. De zachtdalende lijn boven die van net boven de 40% naar net boven de 30% gaat zijn de aan de GPV-gelieerde vrijgemaakt Gereformeerden. De opgaande lijn zijn de aan PKN'ers, een brede kerk. Deze groep verdubbelt bijna van 25 naar bijna 40%. De ontwikkeling van het aantal evangelischen volgt opvallend genoeg de ontwikkeling van het aantal onafhankelijken. Het aantal Christelijk en Nederlands Gereformeerden daalt in deze periode: van meer dan 15 naar minder dan 10%. De ontwikkeling is opvallend: tussen 2001 en 2010 daalt het aantal leden van de streng gereformeerde kerken van bijna 70% naar net meer dan 40%. In plaats daarvan staat de partij nu meer open voor leden van de mainstream protestantse kerk en Evangelische Christenen. Deze verschuiving heeft zich met name na 2006 voltrokken toen de CU een groter electoraat had. De ontwikkeling in religie is in elk geval veel dynamischer dan de ontwikkeling in partijpolitiek opzicht.

GroenLiberalisme

Dit weekend was ik bij het DWARSfilosofieweekend. Een groep enthousiaste jongeren ging met elkaar in discussie, op zoek naar filosofische verdieping van hun standpunten. De Leidse filosoof Marius de Geus hield een inspirerend verhaal over rechtvaardigheid en duurzaamheid. Centraal in zijn verhaal stond het idee van intergenerationele rechtvaardigheid. Wat kunnen toekomstige generaties van ons eisen? De Geus toonde zich kritisch over het liberale perspectief van Locke. Hij stelde dat Locke een Tea-Party'er avant la lettre was. Iedereen heeft recht op zijn rechtmatig verkregen bezit. Wat jij verdient hebt, wat jezelf heb geproduceert daarmee mag jij doen wat je zelf wilt, dat hoef je niet te delen. Dat staat geen herverdeling toe, ook niet tussen generaties.

De Geus sloeg daarmee een belangrijk element over van theorie van Locke. Locke maakt een onderscheid tussen de rechtvaardigheid van het toe-eigenen van nieuwe grondstoffen en de rechtvaardigheid van het handelen in grondstoffen. En waar het inderdaad zo is dat alle vrijwillige handel in grondstoffen rechtvaardig is, stelt Locke een grens aan hoeveel mensen zich mogen toe-eigenen. In Locke's tijd waren er grote continenten nog door "niemand" bewoond, en daar groeide allerlei vruchtbare natuur, lagen allerlei waardevolle grondstoffen in en vloeide allerlei zoet water door heen. Volgens Locke mocht iedereen die daar appels plukt, die daar metaal opgraaf of daar water drinkt dat houden. Als hij zich aan een aantal simpele regels hield.

De belangrijkste regel die Locke voorstelt is de volgende: "[The] appropriation of any parcel of land, by improving it, [is not] any prejudice to any other man, since there was still enough, and as good left; and more than the yet unprovided could use. So that, in effect, there was never the less left for others because of his enclosure for himself: for he that leaves as much as another can make use of, does as good as take nothing at all. No body could think himself injured by the drinking of another man, though he took a good draught, who had a whole river of the same water left him to quench his thirst: and the case of land and water, where there is enough of both, is perfectly the same." (Second Treatise V:33)

Wat Locke stelt is dat als er genoeg en van even grote kwaliteit achterblijft voor anderen dat je dan mag toe-eigenen wat je wilt. Het leek in Locke's tijd dat er een grenzeloze hoeveelheid grondstoffen was, maar fenomenen als Peak Oil laten zien. Want waar het gaat om niet fossiele grondstoffen is het overduidelijk dat we aan onze grenzen komen aan hoeveel we kunnen toe-eigenen zonder de fair share van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Maar dat geldt ook voor hernieuwbare grondstoffen, zoals appels of graan, maar ook de hoeveelheid afval die we kunnen uitstoten is afhankelijk van het zich voortdurend hernieuwende vermogen van de aarde om vervuiling af te breken. Ook hierbij geldt dat als we niet voorzichtiger zijn oo deze grondstoffen eindig blijken.

Is het vanuit dit perspectief niet logisch, bijna impliciet in Locke dat we bij het toe-eigenen van grondstoffen rekening moeten houden, zouden moeten houden of hadden moeten houden met toekomstige generaties? Dat genoeg overlaten voor anderen betekent ook genoeg overlaten voor toekomstige generaties? Het lijkt mij een logische extrapolatie van Locke's tweede provisio. En die rechtvaardigd nu overheidsingrijpen, omdat mensen in het verleden en nog steeds door hun consumptie de fair share van de natuurlijke grondstoffen van anderen in gevaar brengen.

Misschien dat de eis te zwaar klinkt: genoeg overlaten voor alle toekomstige generaties. Het staat ons eigenlijk alleen maar toe om hernieuwbare grondstoffen te consumeren. Van niet hernieuwbare grondstoffen moet er genoeg en van even grote kwaliteit overblijven. Via dat "van even grote kwaliteit" kunnen we echter wel sturen: als we via technologische innovatie ervoor zorgen dat datgene wat wij achterlaten voor hen een even grote kwaliteit heeft als wat er was. Als je fossiele brandstoffen als voorbeeld neemt: wat als we toe staan zoveel te nemen als we willen, zolang we ook maar in de efficientie van motoren investeren die ervoor zorgen dat er evenveel kracht uit de rest gewonnen kan worden, als uit de hele pool voor wij ons deel namen?

En zo gaan volgens mij liberalisme en duurzaamheid juist hand in hand samen. Liberalen stellen een eis bij het toe-eigenen van grondstoffen die juist groene politiek kan rechtvaardigen.

Wat als Duyvendak lijsttrekker van GroenLinks was geweest?

GroenLinks bestaat 20 jaar. Over de feitelijke geschiedenis verschijnt een mooi boek deze maand. Maar zo'n geschiedenis heeft ook allerlei punten waarop er dingen anders hadden kunnen lopen. Er zou een alternatieve geschiedenis mogelijk kunnen zijn. Het is een mooie discipline zeker in Amerika: wat als er een kleine slag in de Amerikaanse revolutie net anders was gelopen? Waar met een paar kleine veranderingen de geschiedenis van GroenLinks ook heel anders had kunnen lopen. Ik ga er in de lopende maand een aantal dooropen. Het eerste verhaal ga ik maar een paar jaar terug: de zomer van 2008 waarin er hard aan twee boeken werd geschreven. Deze geschiedenis is weinig meer dan een speculatie met zeer beperkte informatie.

Femke_949135h
Femke Halsema was vanaf begin 2008 bezig met een een fractienotitie over geluk en stress. Sinds de verkiezingen van 2006 had zij zich steeds minder op haar plaats gaan voelen in het verhardde politieke klimaat van Den Haag. Wat een korte fractienotitie had moeten zijn over de ontspannen samenleving een tweede thema voor GroenLinks, werd voor Halsema een welkome afleiding voor het politieke werk. Ze kwam echter moeilijk uit het argument: ze probeerde haar vrijzinnigheid te verenigen met een groene kritiek op de hyperconsumptie. In die periode bood een professor politieke filosofie waar Halsema contact mee had over het boek haar aan om het boek uit te werken als een proefschrift, buiten de politiek. Zij nam het aanbod aan, omdat dat haar de ruimte gaf om haar ideeen uiteindelijk uit te werken. En werkte de komende vier jaar aan haar proefschrift "Vreugde. Voorbij Superconsumptie, Stress en Scabreusheid". Kees Vendrik, die had aangegeven dat hij niet voor een vierde termijn zou gaan, volgde haar op als fractievoorzitter. En er werd een referendum uitgeschreven over het lijsttrekkerschap door Henk Nijhof die in de Volkskrant zegt: "Ik betreur het vertrek van Halsema, maar het is wel een goede mogelijkheid om de partij te vernieuwen."

Duyvendak
Ondertussen was een tweede GroenLinkser bezig aan een boek, Duyvendak werkte aan een politieke autobiografie. De opkomende campagne was een reden voor hem om te stoppen met zijn boek. In gesprekken met zijn partner, partijgenoten en fractieleden was Duyvendak tot de conclusie gekomen dat hij misschien lijsttrekker moest worden van GroenLinks. Twee andere mensen overwogen dat ook, Kathalijne Buitenweg, delegatieleider van GroenLinks in het Europees Parlement, en Tof Thissen, fractievoorzitter van GroenLinks in de Eerste Kamer. Buitenweg wordt onder sterke druk gezet door de partijtop om aan te kondigen dat zij Halsema zal op volgen. Er wordt gesproken over een speciale constructie waarbij Buitenweg, lijstduwer geparachuteerd kan worden in de Tweede Kamer. Buitenweg weigert, in overleg met haar partner Amsterdams wethouder Van Poelgeest, kondigt in Het Parool haar vertrek uit de politiek aan: "14 jaar politiek is genoeg."

Daarmee is Duyvendak de enige levensvatbare kandidaat geworden in de ogen van de partijtop. Van de zittende kamerleden lopen Vendrik en Van Gent tegen de drie-termijnen regel aan. Peters en Dibi zijn net begonnen als Kamerlid. En Naima Azough twijfelt of ze wel aan een nieuwe termijn wil beginnen in 2011. Het referendum wordt uitgeschreven voor Mei 2009 twee jaar voor de Tweede Kamerverkiezingen. Duyvendak kondigt in Januari 2009 zijn kandidatuur aan op station Amsterdam Centraal Station. Hij wordt aan gekondigd door Maarten van Poelgeest die Duyvendak vergelijkt met Joschka Fischer, ook Wijnand heeft de lange mars door de instituties gemaakt, en met Al Gore, vanwege zijn passie voor milieu, natuur en klimaat. Duyvendak belooft GroenLinks een helder groen profiel te geven: "De tijd van korte termijnbelangen ligt achter ons. We kunnen niet wachten met de omschakeling naar een duurzame economie met een grote rol voor het openbaar vervoer. Wat heb je aan een nieuwe snelweg als dit station onder de zee ligt?"

450px-TofThissen
Tof Thissen heeft een mooie baan bij Divosa en mag zich daarnaast een dag in de week als senator beschouwing geven over de politiek. Maar zijn eigen ergenis over het gebrek aan een serieuze tegenkandidaat, die hij ook herkent in andere actieve partijleden met name in de provincie, heeft overtuigd hem om zich kandidaat te stellen. Hij stelt zich in begin Februari kandidaat voor het lijsttrekkerschap. De locatie: een Centrum voor Werk en Inkomen in Roermond, dat hij als wethouder ooit geopend heeft. Hij presenteert zich als de kandidaat met een sociaal profiel. Hoe Thissen precies als partijleider kan functioneren vanuit de Eerste Kamer is onduidelijk. Het partijbestuur lijkt hier geen oplossing voor te bieden.
  Untitled Image 1
Er zijn nog wel een aantal andere kandidaten. Het jonge Rotterdamse duo-raadslid Nadya van Putten en het duo van lokale raadsleden David Rietveld en Arno Bonte, die samen aan het lijsttrekkerschap vorm willen geven onder het motto "Lokale Kracht". In de media focust de strijd zich tussen de groene "insider" Duyvendak en de rode "outsider" Thissen. De uitslag is opvallend: in de eerste ronde wint Duyvendak nipt een absolute meerderheid (51%) van de stemmen, Thissen wint 46% van de stemmen. Het verschil ligt met name tussen de randstad en de provincie. Daarnaast kiezen jonge GroenLinksers voor het groene profiel van Duyvendak en oudere GroenLinksers voor het sociale profiel van Thissen. Het NRC Handelsblad schrijft naar aanleiding van Duyvendak's overwinning: "GroenLinks gaat voor Groen."

Duyvendak slaat aan onder de bevolking: zijn groene verhaal is hoopvol. Hij koppelt de ecologische en de economische crisis door het idee van Groen Werkt. De bevolking ziet Duyvendak als de meest oprechte, integere politicus. Met zijn non-chalante presentatie pakt hij veel mensen in. Hij staat er goed voor in de peilingen: hij weet van de Partij voor de Dieren, de SP en D66 stemmen te winnen door de combinatie van focus op milieu, het eigen issue van GroenLinks, het activistische verleden van Duyvendak en zijn pragmatische profiel. Partijvoorzitter Nijhof twittert regelmatig over het "Wijbama-effect".

Untitled Image 4
In verband met de campagne besluit Duyvendak de autobiografie die hij al in 2008 heeft geschreven bij te werken en opnieuw uit te geven. Centraal in de autobiografie staat de verschuiving van Duyvendak van een extraparlementaire activist naar een parlementair politicus. Als het kabinet Balkenende III valt, komt er druk op het proces te staan. Er wordt besloten op het congres het boek te presenteren, als Duyvendak zich ook definitief als lijsttrekker presenteert. Na een gepassioneerde speech op het GroenLinks congres over een duurzame oplossing op de economische, ecologische en financiele crisis neemt Femke Halsema het eerste exemplaar van "Natuurbeschermer in het Parlement" aan. De scepter is definitief overgedragen en Duyvendak is de onbetwiste leider van GroenLinks. Op de lijst staan naast Duyvendak, Jolande Sap (die Halsema was opgevolgd als kamerlid), kamerleden Mariko Peters, Tofik Dibi en milieubeschermers Jaap Dirkmaat en Liesbeth van Tongeren.

In het boek beschrijft Duyvendak hoe hij betrokken is geweest bij inbraken in het ministerie van Economische Zaken. Een legitiem actie middel in de context van de sociale bewegingen in de jaren '80. In het rechtse culturele klimaat kan dit niet meer. GeenStijl, de Telegraaf, de PVV en de VVD vallen keihard in campagnetijd over Duyvendak heen. GeenStijl schrijft: "Wijnand, wees verstandig & ga wat leuks doen met negertjes voor een NGO in Afrika. Je bent er geweest, het is over & voorbij. Dit stopt pas als je weg bent. Dat is geen bedreiging, maar een feit." Als in de loop van de week blijkt dat als een indirect gevolg van Duyvendak's actie een hoge ambtenaar persoonlijk is bedreigd, trekt Duyvendak zich terug uit de politiek. Een crisisoverleg bestaand uit Duyvendak, Nijhof, Snels en Sap besluit dat er geen andere oplossing is dat tussentijds zonder het congres een leiderschapswisseling in te zetten. Besloten wordt dat het koppel Sap (#2 van de lijst)-Thissen (lijstduwer en kandidaat-partijleider) samen de kar gaan trekken. Thissen moet als kandidaat minister gezag en vertrouwen uitstralen en Sap, als tijdelijk politiek leider zal de politieke vertaling maken.

Sap en Thissen doen hun best, maar krijgen het verhaal niet verkocht: een tussentijdse wisseling van partijleider, een onrustige partij, het profiel van een activistenpartij. Gedurende de volgende maanden van campagne voeren wordt het lastiger en lastiger om een eigen verhaal te houden, voortdurend worden ze in interviews of publieke optredens gewezen op de affaire-Duyvendak. GroenLinks keldert in de peilingen. Van het perspectief van 15 zetels blijft een kleine twee of drie over. Met name de Partij van de Arbeid en D66 profiteren in de peilingen. De aantrekkingskracht van staatsman Cohen groeit aanzienlijk tegenover het activisme en de paniekvoetbal van GroenLinks. Ook D66 lijkt een redelijk alternatief voor veel progressieve GroenLinks sympathisanten.

Fictie
Bij de uiteindelijke uitslag komt GroenLinks nipt uit op drie zetels, een meer dan de Partij voor de Dieren. De PvdA haalt er 34 en wordt de grootste. Cohen neemt persoonlijk de leiding in de formatie en hij formeert behendig een kabinet van PvdA, VVD en D66. Dit Paarse kabinet hervormt het ontslagrecht en WW op een sociale manier, beperkt de hypotheekrenteaftrek, vergroent de belastingen, voert de kilometerheffing, investeert in onderwijs, behoudt ontwikkelingshulp en cultuursubsidies, hervormt de publieke omroep en krijgt de overheidsfinancien duurzaam op peil. Rutte wordt vice-premier op een superministerie van Landbouw, Economische Zaken en Innovatie (LEZI). Cohen wordt premier. Pechtold wordt vice-premier op het superministerie Binnenlandse Zaken en Integratie (BiZI).

Nu het merk GroenLinks definitief is aan getast besluit de overgebleven fractie (Sap, Dibi en Peters) om verregaand samen te werken met de Partij voor de Dieren. De nieuwe groene formatie "Mens, Aarde en Dier" (MAD) presenteert zich tijdens het debat over regeringsverklaring en staat onder leiding van Marianne Thieme.

DWARS door Grenzen: Italie

Italiaanse politiek is in voortdurende verandering. Politici wisselen van partij, partijen vormen samen electorale blokken of fuseren tot nieuwe partijen, partijen breken met hun blokken of groepen splitsen uit hun partijen. Van de partijen, die jarenlang de Italiaanse politiek domineerden, de Christen-democraten en de communisten, is weinig meer over. Begin jaren ’90 is deze verandering ingezet: een corruptieschandaal gecombineerd met het politieke inzicht van Silvio Berlusconi leidden tot een fundamentele verandering van het partijenstelsel. Een belangrijke trend die in alle chaos en voortdurende verandering te zien is dat de links-rechts tegenstelling steeds meer andere politieke tegenstellingen overvleugelt: de Italiaanse partijen groeperen zich in electorale blokken die hun identiteit baseren op hun linkse of rechtse standpunten. Dat maakt het voor partijen die naast sociale ook groene of tolerante idealen hebben erg moeilijk.

In aan loop van de aankomende verkiezingen van begin april heeft het partijenstelsel een grote verandering ondergaan. De alliantie tussen linkse en centrum-linkse partijen die sinds 2006 het land heeft geregeerd, is op gesplitst. De centrum-linkse partijen hebben een gezamelijke partij gevormd: de Democratische Partij, waarin voormalige communisten en linkse Christen-democraten samen werken met sociaal-liberalen en sociaal-democraten. Kleinere partijtjes hebben zich bij deze nieuwe partij aangesloten. De partijen die linkser van het centrum staan, groenen en hard line communisten hebben een electoraal blok gevormd onder de naam Links – De Regenboog. De links-rechts as domineert het politieke systeem sterk: naast de centrum-linkse Democratische partij en de linkse regenboogalliantie zijn er nog twee andere blokken die relevant zijn: de rechtse alliantie van Berlusconi en een nieuwe centrum-rechtse alliantie van voormalig Christen- en sociaal-democraten. Voor partijen die combinaties maken tussen linkse en rechtse standpunten of die andere thema’s benadrukken dan economische is in dit partijenstelsel steeds minder ruimte.

Twee partijen die zich proberen te onttrekken aan de links-rechts as zijn interessant voor mensen die geinteresseerd zijn in groene, sociale en tolerante politiek: de Federatie van Groenen en de Italiaanse Radicalen. De Italiaanse Radicalen zijn liberaal zowel in economische als in morele zin: zij willen minder macht voor de katholieke kerk waar het gaat om de rechten van vrouwen en homo’s maar ook minder macht voor de overheid in de economie. Enerzijds ademt de partij het gevoel van de jaren ’60, van de seksuele revolutie en is zij sterk begaan met ontwikkelingssamenwerking en wereldvrede. Anderzijds staan de Radicalen voor een vrije markt en steunen ze het Amerikaanse buitenlands beleid. Voor een land waarin rechts staat voor economisch liberalisme en moreel conservatisme, is het voor deze partij moeilijk: sluiten zij zich aan bij het centrum-linkse blok dat hun steunt in hun seculiere politiek, of sluiten zij zich aan bij het rechtse blok dat hun steunt in hun marktliberale oplossingen? De partij heeft nu schoorvoetend gekozen voor centrum-links, terwijl ze eerder zich bij Berlusconi hadden aan gesloten.

Als groene partij probeerde de Federatie van Groenen zich eigenlijk te ontrekken aan het klassieke links-rechts schema: zowel linkse als rechtse partijen staan voor de belangen van de industrie. Groene partijen die het opnemen voor het milieu kunnen dus niet links of rechts zijn. Echter in het Italiaanse stelsel van electorale blokken moesten de Groenen kant wel kiezen. Zij sloten pacten met sociaal-democraten, met linkse partijen en nu dus met hard line communisten. Steeds meer wordt de groene boodschap van de partij gemengd met linkse standpunten. Onafhankelijke groene politiek, los van links en rechts was dus niet mogelijk.

In Italie kan je zien wat er gebeurd als de links-rechts tegenstelling de politiek domineert: er is geen ruimte voor partijen die tolerantie of milieu benadrukken. Binnen de verschillende politieke allianties kunnen partijen die linkse en rechtse standpunten mengen moeilijk hun plek vinden.

Dit artikel verscheen ook in de OverDWARS van de lente 2008.

Bloedgroepen binnen GroenLinks 1989-2010

GroenLinks bestaat dit jaar 20 jaar. De partij is ooit opgericht uit vier partijen. De communistische CPN, de links-socialistische PSP, de groen-Christelijke PPR en progressief-Christelijke EVP. Daarnaast waren er onafhankelijken die tot de partij toe traden, waaronder mensen die zich niet bij de PvdA thuis voelden. Een van de opvallende dingen aan de geschiedenis van GroenLinks is dat de oprichtende partijen zich heel snel ophieven, en dat de bloedgroepen de discussies niet beheersten. En toch bleven er mensen actief binnen GroenLinks die uit deze groepen voortkwamen.

Er zijn vijf grote "bloedgroepen", waarvan twee geen echte bloedgroepen zijn, maar wel daarmee te vergelijken zijn.

  • Communistische Partij Nederland (CPN: opgericht 1909): de communistische partij die in de jaren '70 en '80 steeds meer een partij werd die zich inzette voor de emancipatie van mensen uit achterstand en achterstelling: het was een partij die zich inzette voor werknemers en uitkeringstrekkers, maar ook voor vrouwen, migranten, homo's en studenten.
  • Pacifistisch Socialistische Partij (PSP: opgericht 1957): de links-socialistische partij die zich verzette tegen atoomwapens. De PSP was vanwege haar ondogmatische benadering van linkse politiek een partij die open stond voor dissidenten van alle grote stromingen: progressieve Christenen, vrijzinnige communisten en linkse sociaal-democraten.
  • Politieke Partij Radicalen (PPR: opgericht 1968): de progressief-Christelijke partij die in jaren '70 en '80 steeds meer een partij was met een breed groen, post-materialistisch profiel: natuurbescherming, oppositie tegen kernenergie, ontspannen samenleving en democratisering.
  • Evangelische Volkspartij (EVP: opgericht 1981): de progressief-Christelijke partij die zich met name in zette tegen kernwapens.
  • Partijlozen: al op de eerste GroenLinks lijst stonden onafhankelijken met allerlei orientaties zoals milieubeschermers als Vos en Duyvendak en vakbondsmensen als Rosenmoller en Voortman.
  • Partij van de Arbeid (PvdA, opgericht 1946): GroenLinks zag zichzelf als een partij links van de PvdA, als zodanig is zij bijzonder open voor mensen die de PvdA verlaten zoals Halsema en Buitenweg. 

Bloedgroepen

In de figuur hierboven zie je de vijf grote bloedgroepen die er binnen GroenLinks zijn en hun grootte binnen de partijtop: Eerste en Tweede Kamerleden, het Europees Parlement en de partijvoorzitter. De verdeling begint in de periode 1989-1998 gelijkmatig: CPN, PPR en PSP ongeveer evengroot en een stijgend aandeel onafhankelijken. Vanaf dat punt is er duidelijk een splitsing zichtbaar de grote stromingen PSP en onafhankelijk en de kleinere stromingen CPN, PPR en ex-PvdA. In 2010 zijn voor het eerste meer dan de helft van de partijtop niet afkomstig uit een van de oprichters.

  • De PSP is door de hele periode een grote stroming geweest. Tussen 1989 en 2009 groeide het aandeel PSP'ers van 30% naar bijna 40%. Met de laatste verkiezingen daalde dit naar 22% effectief betekent dat er vier oud-PSP'ers nog steeds landelijk actief zijn: Judith Sargentini, Ineke van Gent, Tof Thissen en Henk Nijhof. De PSP is de grootste stroming maar ook het minst een bloedgroep, vanwege haar verleden als dissidentenpartij. Nijhof en Vendrik steunden de koers van Halsema, Van Gent was ooit begonnen aan de linkerflank van de fractie maar schreef ook mee aan vrijheid eerlijk delen, Lagendijk bekritiseerde Halsema dat ze niet genoeg had gedaan om in het kabinet te komen, en Leo Platvoet vormt de kern van Kritisch GroenLinks.
  • Er zijn mensen die zeggen dat GroenLinks programmatisch het meest op de PPR lijkt: groen, vrijzinnig, parlementair. In personele termen is daar niets van te zien. De landelijk laatste prominent oud-PPR'er was Wim de Boer, die tussen 1991 en 2003 de senaatsfractie leidde. In 1989 was de PPR op de lijst nog een dominante aanwezigheid: van de eerste 10 waren er 3 PPR, waaronder de lijsttrekker.  
  • Communistisch is GroenLinks nooit geweest. Toch valt niet te ontkennen dat er altijd prominente CPN'ers zijn geweest. In 1995 vormen voormalige CPN'ers met 32% zelfs de grootste stroming binnen de partijtop. Ze leverden onder anderen prominent kamerleden als Singh Varma, de (enige) Europarlementarier (Nel van Dijk), de partijvoorzitter (Ab Harrewijn). In de jaren daarna is duidelijk te zien dat de CPN meer was dan een arbeiderspartij: ze leveren prominente migranten gezichten als Pormes en Singh Varma, de homo-activist Meijer en betrokken kritische denkers als Laurier en Van der Lans.
  • Sinds 1998 groeit het aantal GroenLinksers met een achtergrond in de PvdA sterk. 1998 is geen raar jaar hiervoor: Rosenmoller boekte toen grote winst met zijn oppositie tegen de Paarse PvdA. Halsema en Buitenweg zijn de bekenste ex-sociaal-democraten en zij pakten 2003 en 2004 ook de leiding van hun fracties op zich. 
  • De onafhankelijke maken een voortdurende groei door: van minder dan 10% in 1989 (alleen Paul Rosenmoller) naar een relatieve meerderheid in 2001, naar een absolute meerderheid (van 60%) in 2010. Sinds 2003 hebben de voormalige sociaal-democraten en partijlozen een absolute meerderheid.

  Nieuwe Facties

Er zijn natuurlijk nieuwe bloedgroepen te herkennen. Naast de vrijzinnige en de kritische stroming zijn er ook de maatschappelijke bewegingen waarmee GroenLinks verbonden is:

  • Als linkse partij is GroenLinks altijd verbonden geweest met de vakbond. De ontwikkeling van deze stroming is opvallend. De stroming valt van meer dan 15% in 1989 naar 5% in 2006. Sinds 2006 neemt het aantal gestaag toe om in 2010 uit te komen boven de 20%. In een tijd dat GroenLinks door bijvoorbeeld Vrijheid Eerlijk Delen zich verder verwijdert van de vakbond neemt het aantal mensen met een vakbondsachtergrond toe.
  • Als groene partij is GroenLinks altijd verbonden geweest met de milieubeweging. Het percentage GroenLinksers met een officiele functie binnen de milieubeweging. neemt sterk toe in de periode 1989-1994. Daarna neemt het percentage gestaag af. Tussen 1998 en 2002 als GroenLinks electoraal op haar hoogtepunt is minder dan 5% van de GroenLinksers afkomstig uit de milieubeweging. Sindsdien is het percentage ongeveer 10%.
  • GroenLinks is altijd een partij geweest van emancipatie van migranten. Sinds 1994 neemt het percentage GroenLinksers met een niet-Nederlandse achtergrond gestaag toe: van minder dan 10% in 1994 naar meer dan 25% in 2010, er zit een dip precies in 2002. Tussen 25% van de actieve GroenLinksers zaten drie Marokkanen (en een halve Marokkanen), een Turkse, een Iranier, een Duitse, een Surinamer, een Molukker, een halve Palestijn en een halve Japanse.
  • Ook is GroenLinks een partij geweest die zich inzette voor homo's. Het percentage homo's in de landelijke partijtop is altijd vrij beperkt geweest: tussen 1989 en 1994 was het 10%, daarna waren er geen homo's, tussen 1999 en 2006 was het ongeveer 5%, met een kleine uitzonder in 2009 was er weer geen homo.

Van de Straat naar de Staat

Naar aanleiding van het twintigjarig bestaan verschijnt het boek Van de Straat naar de Staat. Het boek bekijkt de ontwikkeling van GroenLinks vanuit historisch en politicologisch perspectief. Het GroenLinks Magazine sprak met journalist en historicus Dik Verkuil, die de hoofdstukken over de recente geschiedenis van GroenLinks heeft geschreven.

“Ik heb in 1988 een boekje over de vredesbeweging (De Grote Illusie – red.) geschreven en in 1992 een boek over het CDA (Een Positieve Grondhouding – red.). Daarna ben ik betrokken geraakt bij het schrijven van geschiedenisboeken voor het middelbaar onderwijs. En toen had ik zo iets van: nu ben ik ermee klaar. Ik ga iets doen wat nog leuker vindt, namelijk iets schrijven over politiek en geschiedenis".

Het boek heet "Van de Staat naar de Straat?" In hoeverre heeft GroenLinks in de laatste twintig jaar een ontwikkeling gemaakt van de straat naar de staat?

"De titel is "Van de straat naar de staat met een vraagteken." De partij heeft maar ten dele de ontwikkeling doorgemaakt. GroenLinks is niet  een establishmentpartij geworden zoals de PvdA. Begin jaren '90 zat de partij veel meer in de politiek marge dan nu. GroenLinks orienteert zich nu sterker op het meedoen aan de staatsmacht."

U schetst aan het einde van de historische hoofdstukken een tragisch parallel tussen Halsema en Rosenmöller …

"Die tragische parallel ligt er nogal sterk boven op. Het zijn allebei politici die de wind in de rug hebben gehad. Voor de opkomst van de LPF was het een uitgemaakte zaak dat GroenLinks zou gaan mee regeren. En ook Femke Halsema had de laatste twee jaar de wind in de rug. Ze was een favoriet van de media. Ze heeft GroenLinks geprofileerd als een interessante partij om mee samen te werken. Dat leverde een verkiezingsuitslag op die in de overtuiging van Halsema moest leiden tot regeringsmacht. En wat we nu zien is dat het CDA en de VVD over rechts gaan net als in 2002. De geschiedenis heeft zich herhaald: terwijl GroenLinks aan een opmars bezig is, is er tegelijkertijd een opmars van de rechts populistische krachten die sterker is en die het CDA en de VVD mee zuigt."

Op welke van de voorgangers lijkt GroenLinks het meeste?

"Ideologisch staat de partij ver van de PSP af en ook het communisme van de CPN is niet herkenbaar in de partij. GroenLinks heeft in de plaats van de PPR overgenomen. GroenLinks is nog steeds de milieupartij in de ogen van de kiezer. Ook in het programma en de voorkeur van de leden speelt milieu een grote rol. Ook op sociaal-economisch gebied was de PPR, net als GroenLinks nu, meer libertair. Ze dacht minder vanuit de linkse tradities, waarin de PSP en de CPN stonden. Ze legde minder de nadruk op staatsarrangement. Het socialisme van de PSP en de CPN, het idee dat je de economie zou kunnen plannen of in verre gaande maten zou kunnen sturen bestaat binnen de partij niet meer."

Hoe gaat GroenLinks met haar geschiedenis om?

"Ik heb niet het gevoel dat de partij heel actief is bezig met haar verleden. Je hebt binnen GroenLinks niet het idee dat je vroeger bij de PvdA had 'Voorwaarts en niet vergeten.' GroenLinks is eerder toekomstgericht: 'Zin in de Toekomst'. "

In hoeverre stond de partijtop open voor uw onderzoek?

"Halsema vond ik redelijk loslippig. Ik sprak haar in de derde week van augustus, en toen vertelde zij me dat ze met Hirsch Balin in gesprek was over een kabinet zonder PvdA. Dat zou ik niet gezegd hebben als ik in haar positie was geweest. Ook bevestigde ze dat het streven naar een linkse meerderheid uit de jaren 2005-2006 luchtfietserij was geweest. Ze vertelde zelfs dat ze er nooit in geloofd heeft. Verbazingwekkend. Ik zou daar op zijn minst omheen hebben gedraaid" 

Dit artikel verscheen ook in het GroenLinks Magazine November 2010.

Democratie zonder een gezamelijke moraal

Onze samenleving wordt steeds diverser. Er ontstaan steeds grotere meningsverschillen over welke kant de samenleving op moet. Dat uit zich misschien het best door de recente vorming van een kabinet waarbij "rechts zijn vingers af zou likken" en dat op allerlei "linkse hobby's" bezuinigt. Is het een probleem als er niet een gemeenschappelijke moraal is? Dat is de vraag die centraal stond bij de tweede debatavond van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks en de GroenLinks Academie. De avond stelde het consensus-gerichte denken van Klaas van Egmond tegenover de opvattingen van Dick Pels, die het belang van politieke tegenstellingen daartegenover stelde.

Klaas van Egmond is professor milieukunde aan de Universiteit Utrecht. Daarvoor was hij als directeur van het Milieu- en Natuurplanbureau betrokken bij het onderzoek naar en het beleid over milieu en klimaat. Zijn centrale stelling is dat we als samenleving een gedeelde doelstelling moeten hebben: “dat betekent dat je een visie moet hebben over het goede leven. Zeker nu we de grenzen aan de groei bereikt hebben, moeten we kiezen: voor welke kwaliteit van leven bieden we ruimte?” Van Egmond onderscheidt, twee grote tegenstellingen in waardenorientaties van mensen. Hij ziet een tegenstelling tussen materiele en immateriele waarden, en tussen zelf- en gemeenschapsgerichte waarden. In alle vier de richtingen kan een samenleving doorslaan. In reactie op het ontaarden van het communisme, dat te sterk op de groep gericht was, slaat de huidige samenleving door in het egoisme. In ons huidige economische stelsel "graait" volgens Van Egmond “de invisible hand er op los”. Dat is de reden van de financieel-economische crisis: “er is niets mis met voor je zelf opkomen, maar in overdrijving is het rampzalig.”

Daarom stelt Van Egmond dat “we, als samenleving, op een democratische manier moeten zoeken naar een gedeeld wereldbeeld. Daarbij moeten we ons richten op het politieke midden. Politieke tegenstellingen moeten overbrugd worden." Van Egmond wil voorkomen dat politiek voortdurend heen en weer gaat tussen bijvoorbeeld links en rechts. "Als het respect voor het midden niet meer bestaat dan gaat het mis.”

Daarom pleit Van Egmond tegen meerderheidscoalities. “Meerderheidscoalities versterken de politieke eenzijdigheid.” Hij pleit voor een afspiegelingskabinet waarin alle partijen naar rato van het aantal zetels in de Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd: “alle energie kan zich richten op het overbruggen van politieke tegenstellingen, want je bent geen energie meer kwijt aan voortdurende discussies over macht..”  Er zijn genoeg voorbeelden van regeringen die zo kunnen werken: “Ze doen het al jaren zo in Zwitserland.” Maar ook in Paars-I werden politieke partijen van links en rechts vertegenwoordigd. Van Egmond: “Paars I was het mooiste kabinet waar ik bij heb gezeten.”

Pels, directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks, pleit fel tegen de consensus-gerichte democratie-opvatting van Van Egmond: “de kern van de politiek gaat daarin verloren. Dat is het antagonisme, de onafgebroken vreedzame belangenstrijd.” In de ogen van Pels is zo’n consensueel model van de democratie nooit duurzaam: “De verzoening van wereldbeelden kan nooit duurzaam zijn. In zo’n synthese van verschillende wereldbeelden zit altijd zelf ook weer een eenzijdigheid.” Daarnaast stelt Pels dat “de politiek verdwijnt. Wat ontbreekt is de verbinding met een machtsstrijd, met machtsvorming.” Pels pleit voor “productieve eenzijdigheid. Democratie is er voor gemaakt om verschillen en geschillen te organiseren.” “We moeten politiek niet in het midden gaan zitten: het doel van onze politiek moet zijn om het midden met enige kracht naar links te verplaatsen.”

De vraag is, nu GroenLinks zich tegen de verwachting van velen in de oppositiebankjes vindt uitermate relevant: streven we naar linkse samenwerking als tegenmacht voor het rechtse kabinet is? Of hopen we dat na de samenwerking van rechts, er een kabinet kan komen waarin alle verschillende politieke stromingen vertegenwoordigd zijn?  Van Egmond is daar stellig in: “uiteindelijk”, zo stelt hij, “moeten tegenstellingen overbrugd worden: dat door te vechten op straat of door in het kabinet samen te werken, en die tweede is daarvoor bedoeld.”

Dit artikel verscheen ook in het GroenLinks Magazine November 2010.

Mulisch’ Gouden Muur

De Ontdekking van de Hemel, van de pas overleden schrijver Harry Mulisch, vertelt naast het verhaal van een vriendschap, ook iets over de politiek. Ten minste, het heeft een kort hoofdstuk over politiek. Een kleine detour waarin Mulisch in mijn ogen de vinger op de zere plek legt, maar in mijn ogen niet door pakt op de echte implicaties van zijn vondst.

Onno Quist, de jurist/taalkundige/politicus, spreekbuis voor Mulisch, legt in dat hoofdstuk uit wat zijn visie op de politiek is. Daar zit een interessant idee in: Mulisch/Quist stelt zich een gouden muur voor die de samenleving van de politiek scheidt. Achter de gouden muur ligt de macht, daar worden echte beslissingen genomen door staatsmannen. De mensen in de samenleving denken dat achter die gouden muur staatsmannen staan die, gebonden door regels en protocollen, een tactisch schaakspel op het hoogste niveau spelen, waarin allerlei inhoudelijke argumenten een belangrijke rol spelen. Maar niets is minder waar: achter die muur gaat alles er even rommelig aan toe als voor die muur. Rationale overwegingen en zelfs formele regels spelen geen rol, het is een zooitje waarin allerlei kleine gebeurtenissen en persoonlijke overwegingen een belangrijkere rol spelen dan de Rede of de Grondwet.

Dit is natuurlijk absoluut waar. Een mooi voorbeeld komt van Ruud Koole. Tijdens het debat in de Eerste Kamer over de grondwetswijziging die de gekozen burgemeester zou moeten mogelijk maken was er een onenigheid tussen de minister Thom de Graaf en Ed van Thijn, de PvdA-woordvoerder. Het leek erop neer te komen dat de PvdA fractie tegen zou stemmen. Koole zat in het gebouw van de Tweede Kamer te kijken met Wouter Bos, een groot voorstander van de gekozen burgemeester. In een tweede termijn zouden de minister en de PvdA senator mogelijk dichter tot elkaar kunnen komen, en zou met een paar toezeggingen de gekozen burgemeester er zijn gekomen. Maar dan moest er wel een tweede termijn aangevraagd moeten worden. Geen van de fracties had dat gedaan. En nog tijdens het debat SMS'ten Koole en Bos er druk op los richting Van Thijn en Noten (de fractievoorzitter) dat zij zo'n termijn moesten aanvragen. De senatoren hadden echter hun telefoon niet opgeladen en deze stonden dus uit. Er werd dus geen tweede termijn aangevraagd. De PvdA stemde tegen de deconstitutionalisering. En de rest is geschiedenis: Thom de Graaf trad af, D66 liet haar kroonjuwelen varen, regelde wat extra geld voor onderwijs en Alexander Pechtold werd D66 minister. Hij en Lousewies van der Laan stelden zich kandidaat om De Graaf op te volgen als D66-leider. Pechtold wint van Van der Laan. Het was uiteindelijk het conflict tussen Pechtold en Lousewies van der Laan waarom D66 zo snel de stekker uit het kabinet trok bij de kwestie Hirshi Ali. Allemaal dus vanwege die ene telefoon die uitstond. Politiek hangt dus samen van chaotische besluitvorming waarbij het big picture afwezig is.

Ik zou echter willen stellen dat het nog een stapje verder gaat: er is niet een muur die de politiek van de samenleving scheidt er zijn vele muren. Maar een klein deel van het Nederlandse volk is lid van een politieke partij. De leden van zo'n partij zouden de dienst uit moeten maken, toch? Zij zouden in eloquente debatten richting aan het land moeten geven. Niets is minder waar. Maar na het zien van het CDA congres is het duidelijk dat formele besluitvorming daar nauwelijks op basis van argumenten gaat en dat formele regels er niet toe doen. Op het GroenLinks congres werd met een paar stemmen het referendum uit het programma geschapt: en dat bleken net de stemkastjes van Pels en Buitenweg te zijn die op het podium zaten. Sterker nog: iedereen die in een politieke partij actief is geweest weet dat de formele besluitvorming op congressen er maar weinig toe doet. Dat is een lastige hobbel voor de partijtop die soms genomen moet worden. Leden worden bezig gehouden met een verkiezingsprogramma dat haar relevantie heeft verloren nog voor het geprint is. Bij het samenstellen van de kandidatenlijst zijn de echt cruciale beslissingen (het uitschakelen van potentiele kandidaten) allang al genomen door een kleine groep.

En dan wordt er een Tweede Kamer gekozen met verschillende fracties. Zouden zij het voor het zeggen hebben? Een Gouden Muur de partij en samenleving scheidt van de echte politiek. Maar ook in de Tweede Kamer doen argumenten er weinig toe. De beslissingen van fracties zijn niet zo zeer gebaseerd op inhoudelijke overwegingen: vaak kijken partijen naar de buren of de media, en dat geldt dan nog voor echte grote beslissingen. Bij de meeste wetswijzigingen stemmen alle fracties mee zonder diep in de wet te zijn gedoken. Waar het gaat om de eigen initiatieven van de Tweede Kamer, moties of amendementen, daar hebben de grote fracties het grotendeels voor het zeggen en binnen die fracties dan weer vaak de fractieleiding. Een handvol van de Tweede Kamerleden bepaalt samen welke voorstellen een kans maken om een meerderheid te halen. En dat zijn dan in het bijzonder de fractiebesturen van de grote coalitiefracties. Individuele kamerleden worden als de dissidenten Ferrier of Koppejan, die formeel veel te zeggen zouden moeten hebben, snel overruled door de fractieleiding. Zeker in grotere fractie en die doen er getalsmatig dan weer meer toe. Beuken oppositieleiders als Halsema aan tegen de muur van 'de' macht van de coalitie?

Dat kan je ook weer niet zeggen. Er staat een gouden muur tussen de Tweede Kamer en het kabinet. De fractieleiding van de grote coalitiefracties volgt de minister die zij daar hebben laten benoemen. Zulke fracties zullen bijna nooit toe laten dat een meerderheid iets toe staat dat echt tegen kabinetsbeleid in gaat. Dicteert het kabinet dan de besluitvorming? Niets is minder waar: veel ministers leunen sterk op hun ministeries, waar beleid dan weer vaak het gevolg is van een mengsel van toeval, persoonlijke interesses en conflicten tussen departementen over geld, maar des te sterker, bij belangrijke besluiten kijken Nederlanders over de grens. Dan geldt een argument als "het is een voorstel van de VS, een richtlijn van de EU, een uitspraak van het Europese Hof of advies van het IMF" sterker dan de inhoud daarvan.

Staat er misschien een gouden muur tussen het Nederlandse kabinet en het Amerikaanse Witte Huis en wordt er daar dan wel echte politiek bedreven? Ik denk dat de recente verkiezingen in de VS laten zien dat dat niet het geval is: de macht van de Amerikaanse president wordt sterk beperkt door het Congres, de Senaat en het Hoge Gerechtshof. Een ook de Amerikaanse president is, om met Cohen te spreken, maar een amateur, de Democraten hebben de laatste maanden prachtig laten zien dat zij ook maar wat aan rommelen en wat proberen.

Dus wat is de conclusie? Dat er nergens echte politiek wordt bedreven? Dat nergens argumenten tellen? Dat kan volgens mij niet de conclusie zijn. Ik denk dat het maar goed dat het zinloos is om te zoeken naar de hoogste politieke macht. Macht is altijd verdeeld. Partijcongressen hebben een beetje macht, zijn soms lastig, net als de Tweede Kamer soms macht heeft en soms het een minister lastig kan maken, ministers kunnen evenzeer soms boven zich zelf uit stijgen en echt een stempel op het beleid drukken, en in een klein venster van twee jaar kan een Amerikaanse president een stempel op zijn land en de wereld drukken, voordat hij wordt overgenomen door tsunami van polls en de pundits, die beginnen met de Amerikaanse midterm elections, en eindigen in de presidentiele verkiezingen twee jaar later. Soms gelden op die plekken inhoudelijke argumenten boven posities. En heel soms zijn politici staatsmannen.

Het is de schuld van de schuldeneconomie

Sinds het uitbreken van de kredietcrisis benadrukken GroenLinks en D66 steeds stelliger dat de Nederlandse economie een schuldeneconomie is geworden. Het is een economie "waarin mensen op jacht naar meer consumptie steeds hogere schulden maken" zo stelt het laatste verkiezingsprogramma. Zo'n schuldeneconomie is op lange termijn niet houdbaar en brengt zo de financiale veiligheid van mensen in gevaar. Ook D66 pleitte voor een verschuiving van schuld naar bezit.

En vanuit deze visie doet GroenLinks een aantal voorstellen voor hervorming van de economie: een reclameverbod op consumptief krediet, kredietverleners moeten zich financieel inzetten voor de schuldhulpverlening, een scheiding van consumentenbanken en handelsbanken (zodat de risico's van de laatste, geen gevolg hebben voor de eerste) en het beperken van de schuldenaftrek voor het bedrijfsleven. En als klap op de vuurpeil, het geleidelijk afschaffen c.q. beperken van de hypotheekrenteaftrek. Deze regeling die zeker op dit moment het hebben van een schuld stimuleert boven het aflossen hiervan is voor GroenLinks en D66 een doorn in het oog. En ook de overheid moet minder schulden maken. Er moet flink op de grootte van de overheid bespaard worden omdat grote overheidstekorten financieel niet duurzaam zouden zijn.

Al met al moet de economie minder afhankelijk worden van schulden, zeker als we door een crisis heen zijn gekomen die het gevolg is van het feit dat heel veel mensen grote schulden aangingen (op de Amerikaanse huizenmarkt) zonder dat ze deze konden aflossen. Maar ook in Nederland viel een bank (DSB) die afhankelijk was van het (aggressief aanbieden van) consumptief krediet.

Op punten zijn GroenLinks en D66 echter inconsequent: GroenLinks en D66 spraken zich uit voor het omzetten van studiebeurzen naar een lening (in een sociaal leenstelsel). In het programma spreekt GroenLinks nog over een studieloon en een academicitax. In de campagne werd dit een sociaal leenstelsel. Dit betekent in de praktijk nog steeds dat de investering die mensen in hun onderwijs doen door hen zelf in de toekomst moet worden terugbetaald. De grootste investeringen die mensen maken in hun leven maken zijn hun studie en hun huis. Waarom stimuleren D66 en GroenLinks het maken van schulden bij de eerste investering (studie), maar wil ze niet dat ze schulden maken voor de tweede investering (huis)? Waarom moeten mensen die nog geen werk hebben gestimuleerd worden om schulden te maken, terwijl de schulden die mensen maken als ze wel werk hebben moeten worden beperkt?

Maar in de tweede plaats moet je je afvragen of een schuldeneconomie zo slecht is. Ten minste: of een schuldeneconomie geen tegenhanger is van spaareconomie. Al het geld dat wordt uitgeleend is ook ooit verdiend. Een groot gedeelte van wat in Nederland geleend wordt, komt van pensioenfondsen. Zo lenen pensioenfondsen een deel van het geld dat ze verkrijgen uit premies, uit aan mensen die een hypotheek willen. En ook kopen pensioenfondsen staatsobligaties, leningen aan de overheid. Het is dan de vraag of je wilt stimuleren dat pensioenfondsen hun geld investeren in een risicovolle beleggingen, in plaats van mensen die hun hypotheekrente maandelijks betalen of in de overheid investeert in cultuur, onderwijs en milieu? Een land dat zo veel spaart als Nederland moet dan ook de mogelijkheden instellen om dat geld op een veilige, zekere manier te investeren. En zelfs als geld meerdere keren wordt uitgeleend, zoals Kievits terecht opmerkt leen ik het liever uit aan overheden en huiseigenaren dan aan durfkapitalisten. Het is een keuze tussen leningen met een groot risico (en een grotere beloning) of leningen bij huiseigenaren en overheden met een kleiner risico (en een kleinere beloning).

Je hoort mij niet zeggen dat ik een voorstander ben van de hypotheekrente in de huidige vorm of van grote overheidstekorten. Maar ik denk dat er nog genoeg ruimte is voor het ontwikkelen van een beter beredeneerde positie op een duurzame economie dan het je dogmatisch verzetten tegen het idee van schulden maken.