GroenLinks als muurbloempje

GroenLinks heeft haar basis in een geschiedenis van linkse samenwerking: de partij is natuurlijk onstaan als klein links samenwerkingsexperiment tussen de PPR, de PSP, de CPN en de EVP. De samenwerking tussen de vier partijen was gegroeid op het lokale vlak, op het Europese vlak, maar ook in buitenparlementaire actie. De partijen die uit verschillende ideologische tradities vandaan kwamen  begonnen ook in ideologisch opzicht steeds meer op elkaar te lijken in hun aandacht voor de achtergestelde positie van de vrouw, milieuvervuiling, rassendiscriminatie en atoomwapens. De noodzaak van de samenwerking kwam echter door de dramatische verkiezingsuitslagen die de partijen sinds 1977 teisterden.

Maar ook de meeste van de partijen die GroenLinks opbouwde waren toegewijd aan samenwerking. De PPR is natuurlijk het beste voorbeeld. Deze was onstaan uit ex-KVP’ers en ARP’ers die streefde naar samenwerking tussen de PvdA en de Christelijke partijen. En daarom trok ze tussen 1967 en 1977 met de PvdA op in een gezamelijk Progressieve formatie.

Maar ook de PSP had een, zij het wat een ambiguere, relatie met samenwerking. Voordat zij een partij oprichtte, hadden de politiek daklozen pacifisten en socialisten samenwerking gezocht met de PvdA, om een pacifistische sociaal-democraat (Ds. Buskes) op een verkiesbare plek te krijgen. De PvdA weigerde. In de jaren ’70 spraken de PSP’ers ook over toetreding tot de progressieve formatie samen met PPR en PvdA. Toen weigerde het PSP congres uiteindelijk zelf, omdat het programma niet radicaal genoeg zou zijn.

De EVP wou graag samenwerken, als kleine partij in de jaren ’80, maar wist niet met wie: een groep wilde samenwerken met klein links en de andere groep met de PvdA en het CDA. De eerste groep won uiteindelijk en de EVP trad toe tot GroenLinks. Alleen de CPN had niets op met samenwerking in Nederland, daar vaarde zij haar eigen geisoleerde koers. De CPN richtte zich op internationale samenwerking. Zij was immers de Nederlandse poot van de internationale communistische beweging.

Ook nu het electoraal slechter gaat met GroenLinks in de jaren ’00, profileert de partij zich als samenwerkingspartij. Bij de laatste verkiezingen natuurlijk als lijm in de coalitie tussen de PvdA en de SP. De samenwerking faalde omdat de PvdA zich niet wilde commiteren aan een links kabinet. In de volgende kabinetsformatie sloeg GroenLinks uiteindelijk de uitgestoken hand van de PvdA af. De reden die Halsema uiteindelijk gaf: de PvdA wilde eigenlijk niet met ons. De liefde kwam maar van een kant: de onze. Vervolgens stuurde GroenLinks aan op samenwerking bij de verkiezigen voor de Eerste Kamer . Een lijstverbinding tussen GroenLinks, PvdA, SP en de PvdD. De PvdA en de SP hielden beide lang de boot af.  En toen kwamen we uit met een lijstverbinding met de PvdD. 

En zo las ik in het GroenLinks magazine, heeft GroenLinks ook al eerder samenwerking gezocht met de Dierenpartij. Marianne Thieme zou een hoge plek op de GroenLinks lijst   zijn toezegd, vlak voor de oprichting van de PvdD. Thieme weigerde. Ineke van Gent zegt dat het vast liep op muggezifterij van de kant van de Dierenpartij.

Het meest extreem was GroenLinks in haar samenwerkingsgezindheid met de PVV in het Fitna-debat. Dibi had gepleit voor een gezamelijk GroenLinks/PVV initiatief tegen terrorisme. De uitgestoken hand van Tofik Dibi werd geweigerd door Geert Wilders. Een tactische zet volgens Halsema, waarvan nu blijkt dat D66, die niet naar samenwerking streeft met hun liberale stiefbroertje, de electorale garen spint.

Het is een lange lijst van afwijzingen, van liefde die maar van een kant komt, van partners die onderling ruzie hebben. Eigenlijk is GroenLinks maar een muurbloempje, waarmee niemand wilt dansen, die van iedereen second best friend is, die vrienden zoekt bij haar electorale concurrenten. En daarom zijn oproepen voor samenwerking of zelfs fusie tussen GroenLinks en D66, of GroenLinks en de SP fata morgana. Hoe zeer wij het eigenlijk ook niet willen, we zullen op eigen GroenLinkse koers verder moeten.

Liberalisme tussen GL, PvdA, D66 en de VVD

Verschijnt binnenkort in de Thauma, het blad van Leidse filosofie-studenten, maar nu al vast op het heb web! Speciaal voor alle liberalen binnen en buiten GroenLinks, waarom de PvdA soms beter liberale waarden verdedigt dan GL, de VVD of D66.


Liberalen en de sollicatieplicht

Politieke filosofie in de dagelijkse politiek

 

De VVD, D66 en GroenLinks afficheren zich als liberale partijen die individuele vrijheid hoog in het vaandel hebben staan. Echter, als je hun standpunten vergelijkt met de principes die uiteengezet worden door liberale filosofen als Rawls, Berlin, Dworkin en Sen, zie je dat het liberalisme soms beter wordt uitgedragen door andere partijen.

Een mooi voorbeeld daarvan is de afschaffing van de sollicitatieplicht voor ouders met jonge kinderen in de bijstand. Deze maatregel werd vorige maand voorgesteld door het kabinet. PvdA Staatssecretaris Aboutaleb stelde voor om de sollicitatieplicht voor ouders met jonge kinderen te vervangen door een scholingsplicht. Het gaat hier met name om jonge meisjes die een één-ouder-huishouden runnen. Ze hebben vaak hun opleiding niet afgemaakt en komen vaker uit een achtergesteld milieu.

Het voorstel werd gesteund door de CDA, SP, CU en de SGP, die deze mogelijkheid aangrijpen om kinderen een stabielere gezinssituatie te geven. Ook de PvdA steunde het voorstel, omdat deze vrouwen door scholing kunnen emanciperen uit hun armoede en kansloosheid.

Staatssecretaris Aboutaleb verdedigde zijn voorstel als volgt: zonder scholing gaan deze jonge vrouwen van schoonmakersbaantje naar schoonmakersbaantje, waardoor hun inkomen minimaal zal blijven. Door een opleiding zullen zij meer gaan verdienen en sterker in hun schoenen komen te staan. De VVD, D66 en GroenLinks stemden tegen het voorstel, want zo stelden zij, het huidige beleid werkt. Er zijn al veel mensen uit de bijstand gekomen. De staatssecretaris maakte een eind aan succesvol beleid.[1]

Ik denk dat liberale politici veel gevoeliger zouden zijn voor de argumenten voor de afschaffing van de sollicitatieplicht. Juist vanuit de fundamenten van het liberalisme is zo’n plicht niet acceptabel. Je zou het kernprincipe van het liberalisme, in navolging van Dworkin, kunnen beschrijven als: de overheid moet neutraal zijn ten opzichte van verschillende concepties van het goede leven.[2] De overheid mag bepaalde concepties van het goede leven niet opleggen, bevoordelen, afwijzen of benadelen. Deze omschrijving van het liberalisme kun je ook terug vinden bij liberalen als Berlin, Rawls en Ackerman.[3] Berlin verdedigt deze neutraliteit van de staat het felst. Hij stelt dat de overheid nooit bepaalde ideeën van het goede leven op mag leggen aan burgers, zelfs niet als dit, in de ogen van de overheid, beter voor ze zou zijn.[4]

De manier waarop de huidige verzorgingsstaat is ingericht staat in schril contrast met het belangrijkste uitgangspunt van het liberalisme. Bijna alle regelingen zijn gericht op werk. Alle partijen werken hieraan mee: het was het paarse kabinet dat de sollicitatieplicht in de bijstand invoerde, het centrum-rechtse tweede kabinet Balkenende legde de nadruk op het aan het werk houden van oudere werknemers en het aan het werk krijgen van arbeidsongeschikten. Het huidige kabinet wil een leer/werkplicht voor jongeren tot 26 jaar. Onder die leeftijd zou je, als je geen opleiding volgt, geen uitkering mogen krijgen maar aan het werk moeten. Wat voor’n werk je krijgt, lijkt de overheid niet te interesseren: de notie van passend werk wordt steeds verder uitgebreid. Het doet er niet toe of het werk dat je krijgt in je eigen idee van het goede leven past, want je moet namelijk gewoon werken. Het maakt niet uit waar.

Simpel gesteld: al deze maatregelen bevoordelen bepaalde concepties van het goede leven, namelijk die, waar (betaalde) arbeid een onderdeel van is. Als je wilt werken krijg je van de overheid hulp en steun, als je niet wilt werken dan probeert de overheid je door dwang en drang op het “goede” pad te krijgen. Er is geen ruimte voor concepties van het goede leven waar arbeid geen onderdeel van is. Dit gaat recht in tegen het net geformuleerde liberale principe.

Maar met het voorstel van Aboutaleb gloort er hoop op een verzorgingsstaat die pluralisme van de ideeën van het goede leven mogelijk maakt. Op de regel van werk, werk, werk komt een uitzondering: er komt ruimte voor mensen (in dit geval bijna alleen vrouwen) wiens conceptie van het goede leven ouderschap (dus moederschap) is, om hun hart te volgen.Nee! want die moeten nu naar school weet je wel hoe moeilijk dat is te combineren? Op deze manier wordt er ruimte geschapen voor meer ideeëen van het goede leven. Echter de grondslag van deze maatregelis niet liberaal. De Christelijke partijen dragen juist een conceptie van het goede leven uit en zijn dus niet neutraal: zij benadrukken het moederschap voor vrouwen en kostwinnerschap voor mannen.

De verdediging van de sociaal-democraat Aboutaleb is voor liberalen echter veel interessanter. Aboutaleb stelt dat de huidige sollicitatieplicht mensen niet in staat stelt om hun idee van het goede leven na te streven, zelfs als werk daar een onderdeel van is. Het werk waar deze meisjes zonder diploma’s op kunnen solliciteren behoort niet tot type droombanen: schoomaakster, cassière, lopende bandwerk of gemeentelijke groen dienst.

            Door deze mensen aan het werk te zetten in weinig bevredigende banen voor een laag inkomen met weinig perspectieven op een carrière breid je als overheid niet hun kans uit om hun eigen idee van het goede leven na te streven, zelfs als werk daar een onderdeel van is. Het huidige beleid dwingt mensen om perspectiefloos werk te doen. Het lijkt op wat Amartya Sen “unfavourable inclusion” noemt: mensen worden wel opgenomen in het arbeidsproces, maar hun “capability” (hun reële vermogens om bepaalde waardevolle doelen te bereiken) om bevredigend werk te doen wordt niet uitgebreid en misschien zelfs wel beperkt[5].

Liberalen zouden moeten streven naar een verzorgingsstaat waar niet een idee van het goede leven wordt bevoordeeld. De uitzondering die dit centrum-linkse kabinet nu maakt, is een beweging in de goede richting: er komt ruimte in de inrichting van de verzorgingsstaat voor verschillende concepties van het goede leven. Dit gaat mij echter niet ver genoeg. Je zou de sollicitatieplicht op meer plekken moeten afschaffen of verzwakken. Zeker als mensen kunnen aantonen dat zij een andere conceptie van het goede leven hebben dan werken (net als dienstweigeraars met gewetensbezwaren). Je zou hierbij met name kunnen denken aan mensen die zich toe leggen op zorg, vrijwilligerswerk, maar ook kunst, wetenschap of sport. Voor diegenen voor wie werk wel een onderdeel van het goede leven is maar daar nu van uitgesloten zijn zouden liberalen zich veel sterker moeten inzetten. Zowel een uitkering als een perspectiefloze baan breiden hun reële mogelijkheden op bevredigend werk niet uit. Een liberaal zou mensen hun reële vermogens om bevredigend werk te vinden willen uitbreiden door hen een opleiding te laten volgen of werk te bieden dat perspectief biedt.

 


[1] Doorduyn, Y. “Aboutaleb: geen sollicitatieplicht bijstandsmoeder.” in De Volkskrant 28 maart (2008)

[2] Dworkin, R. “Liberalism” in Stuart (ed.) Public and Private Moralities 1978Cambridge: University Press

[3] Taylor, C. “Politics of Recognition” in Goodman, A. Multiculturalism 1994 Princeton: University Press

[4] Berlin, I. “Two concepts of Liberty" in Berlin, I. Four Essays on Liberty 1969 Oxford: Clarendom

[5] Sen A. “Social Exclusion: Concept, Application and Scrutiny” 1999 Paper prepared for the Asian Development Bank

Gras, Voeten, Weggemaaid

Ze had ons verzocht er niet te veel over te bloggen. Femke Halsema’s pleidooi voor een ontspannnen samenleving. Immers ze was druk aan het werk met een nieuw pamflet/boek/nota. Het zou een nieuw perspectief moeten bieden voor GroenLinks, een geheel nieuw thema aan snijden: een ontspannen samenleving waar tijd is voor groene ruimte en rust. Vrij van consumentisme en de economische ratrace.

Te lang getreuzeld Femke, Diederik Samsom heeft het verhaal net gekoppeld aan de PvdA in een groot interview in de Volkskrant:

"We kiezen voor een samenleving met kleinere inkomensverschillen, met ruimte voor groen. Ik noem het ook wel de economie van de bescheidenheid en rust."

De vraag is natuurlijk: waar is het lek? Hoe heeft Samsom Halsema’s politieke ideeen zo snel al weg kunnen kapen, voordat ze ueberhaupt bekend zijn? Of zou het pleidooi voor een ontspannen samenleving niet exclusief GroenLinks zijn, en terug gaan op het PvdA programma van 1994? Is Halsema toch weer leentjebuur aan het spelen bij de sociaal-democratie?

Ecologisch Catan

Eigenlijk is Kolonisten van Catan niet geschikt voor spelers met een groene inborst: je moet zoveel mogelijk bouwen en zo snel mogelijk allerlei grondstoffen aan de natuurlijke omgeving onttrekken: alsof wegen, dorpen en steden bouwen niet tot vervuiling leidt en grondstoffen niet opraken. Daarom heb ik na zitten denken over een ecologisch Catan, waarbij vervuiling, klimaatverandering en oprakende grondstoffen een grote rol spelen.

Er zijn maar een paar extra regels. Het enige wat je extra nodig hebt is een bak met eurocenten en misschien de extra watertegels van een van de uitbreidingen.

Je bouwt het spel normaal op maar legt op iedere berg en heuvel tegel negen centen. Iedere keer dat iemand een erts of een steen krijgt wordt er een cent van die berg dan wel heuvel afgehaald. Als er geen centen meer op een berg of heuvel liggen is hij op en produceert hij niets meer.  Erts en steen zijn delfstoffen waarvan maar een beperkte hoeveelheid is.

Daarnaast levert bouwen en handelen met de bank milieuvervuiling op: een weg levert een vervuilingspunt op, een dorpje twee en een stad drie. Handelen met de bank ook een. Bij iedere negen vervuilingspunten vindt er een milieuramp plaats: een vakje wordt overstroomd. Je gooit met de twee dobbelstenen om te bepalen welke het is (net als in de uitbreiding handelaars en barbaren overigens). Een vakje dat aan het water ligt en de gegooide waarde heeft overstroomd wordt. Voldoen er twee aan beide voorwaarde dan moet nog een keer gooien om te kijken welke van de twee het is (de een bij even de ander bij oneven). Bij zeven overstroomd wordt de woestijn. Als er geen vakje is dat voldoet, wordt er niets overstroomd. Als door een overstroming een haven niet meer aan een kustlijn grenst mag je hem naar kustlijn toe verplaatsen. Er mag dan een dorpje aan meerdere havenpunten liggen. Als er een dorpje of weggetje is dat niet meer aan landtegel grenst dan wordt deze vernietigd. En je verliest de punten.

De rover wordt uit het spel gehaald: bij zeven wordt er niet meer gehalveerd, nog wel bij een ander getrokken. Daarnaast wordt er een vervuilingspunt weggehaald.

Je wint het spel bij 8 punten, of als je als enige nog een dorpje hebt.

Bescherming van de democratie tegen het populisme

Zoals het er nu naar uit ziet zal de Nederlandse partijpolitiek voor de komende jaren gekenmerkt worden door populisme van links en van rechts en door snel wisselende verkiezingsresultaten. Ik wil hier een constitutionele agenda ontwikkelen om in deze tijd politieke stabiliteit te bieden en om onze Nederlandse rechtsstaat te beschermen tegen het populisme.

Ik denk hierbij met name aan het versterken van machtenscheiding en checks and balances die voorkomen dat als een populistische bewegingen het eenmaal het heel goed doet in verkiezingen deze de komende vier jaar alles kan doen wat ze willen. Ik laat mij hierbij direct inspireren door de Founding Fathers van de Verenigde Staten, die checks and balances tot kern van hun politieke stelsel maakten.

Het mooiste zou zijn om 6 hoge colleges van staat, die aan elkaar gewaagd zijn, in te stellen. Te weten: de Staten Generaal, het Kabinet, de Algemene Rekenkamer, de Ombudsman, de Hoge Raad, en de Raad van State.

Staten Generaal
De Staten Generaal, zou de echte wetgevende macht moeten worden. De wetgevende macht moet niet langer gedeeld zijn tussen Staten Generaal en Regering. Zij zou moeten bestaan uit twee Kamers, die even machtig zijn maar anders zijn samengesteld. Dit houdt in dat de macht van de Eerste Kamer moet worden uitgebreid zodat zij ook het recht van
initiatief en amendment krijgen. Eerste Kamerleden worden voltijds aangesteld. Er komen ook meer Eerste Kamerleden, maar minder Tweede Kamerleden: beide moeten honderd leden hebben. Ze worden beide direct laten verkozen, maar
op andere momenten (bv. om en om iedere twee jaar) en met een ander
kiesstelsel: de Tweede Kamer op basis van proportionele representatie,
de Eerste Kamer op basis van districten ter grootte van de huidige
kiesdistricten, of misschien zelfs enkelvoudige districten. Dit zorgt
ervoor dat nooit een partij de meerderheid in beide kamers zal kunnen
krijgen. Beide kamers krijgen meer geld voor ambtelijke ondersteuning, om haar nieuwe wetgevende taken waar te kunnen maken.

Kabinet
Het kabinet behoudt haar slechts haar uitvoerende taken. Zij verliest het recht om wetgeving, anders dan begrotingen, te initieren. De koningin, als neutraal staatshoofd, krijgt een grotere rol in kabinetsformatie. Het moet daarnaast veel moeilijker worden om kabinetten te laten vallen als zij
geen steun meer hebben van het parlement, mogelijk valt te denken aan
het Zwitserse stelsel, waarbij ministers eenmaal verkozen niet meer afgezet kunnen worden door het parlement. Dit versterkt het dualisme. Daarnaast moet de positie van de premier worden verzwakt. Het aparte ministerie van Algemene Zaken kan worden opgeheven: de premier is ook
vakminister, misschien zelfs de positie van premier laten rouleren
onder de ministers.

Raad van State
De adviserende rol van de Raad van State in het wetgevingsproces moet worden versterkt: mogelijk val te denken aan een terugzendrecht aan de Staten Generaal als rechtsprincipes worden geschonden. De koningin wordt uit de Raad van State gehaald.

Hoge Raad
Er moet constitutioneel toetsingsrecht geven worden aan rechters, te beginnen bij de Hoge Raad met name waar het de grondrechten betreft, zodat wetten nooit tegen de beginselen van de rechtsstaat kunnen indruisen. Daarnaast moet de onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie versterkt worden.

Ombudsman en Algemene Rekenkamer
De controlerende rol van de Algemene Rekenkamer moet versterkt worden, naar het model van de Taiwanese Control Yuan. Ook de Ombudsman versterkt en beter ondersteund worden. Andere onafhankelijke controle organen als de Commissie
Beschermingpersoonsgegevens moeten ook meer macht en ondersteuning krijgen. Versterking van de controle functie van de
media.

Overigen
Gemeenten, provincies en waterschappen moeten een sterkere autonomie krijgen, met name een financiele autonomie. De zogeheten `horizontale scheiding der machten´moet worden versterkt, zodat als een partij  of coalitie de macht heeft op het nationale niveau, zij niet onmiddelijk het hele land controleren.
Sterkere verzelfstandiging van bestuursorganen met een helder omschreven takenpakket. Hiermee worden bepaalde beleidsterreinen buiten het bereik van bepaalde politieke bewegingen gelegd, denk hierbij bijvoorbeeld aan de Europese Centrale Bank dat zich geheel onttrekt aan politieke controle.
Ten slotte moet het moet veel moeilijker worden voor Nederland om zich aan internationale verdragen te ontrekken. De internationale rechtsorde moet worden verstevigd. Ook in Nederland: alleen een twee derde meerderheid van het parlement kan een verdrag op zeggen. 

Onne

Laatst werd ik gebeld door Onne, oud-voorzitter van DWARS, of ik donderdag iets met hem wilde gaan drinken als hij toch langs Leiden zou komen. Ik had mij net in allerlei bochten gewrongen om donderdag avond in Amsterdam te kunnen zijn bij een debat over links moraliseren. Dus spraken we nadat debat in Amsterdam af, hoefde Onne ook niet uit zijn natuurlijke leefomgeving te komen.

Het ging al een tijdje rond binnen DWARS maar Onne heeft GroenLinks verlaten, en ook DWARS. Onne was gedesillusioneerd geraakt in de lokale politiek, waar GroenLinks samen met de PvdA in een college zit. Daar worden door beide partijen fouten gemaakt en verkeerd beleid gevoerd. Maar wat hij vooral benadrukte is dat GroenLinks in zijn hele bestaan nauwelijks iets bereikt heeft en altijd regeringsverantwoordelijkheid heeft gemeden. Hij gaat nu zelf partijloos door het leven.

Opvallend is echter alleen dat voor Onne zijn natuurlijke sympathie uitgaat naar D66: 40 jaar geleden is opgericht om bepaalde democratische vernieuwing te bereiken die er nog steeds (gelukkig!) niet zijn uitgevoerd. Daarna is de partij op de pragmatische toer gegaan wat inhield dat ze die dingen beloofde aan de kiezer waarvan ze wisten dat ze die konden bereiken omdat andere partijen daar ook allemaal voor waren. D66 heeft vervolgens drie jaar lang in een coalitie gezeten met het CDA en de VVD, waar de partij fout op fout stapelde en het afbraak- en uitzetbeleid van VVD en CDA accepteerde. Maar ja, Pechtold neemt het nu zo goed op tegen Wilders en Marijnissen.

Mijn eigen tweede sympathie ligt ook in het geheel niet bij D66, maar bij de Partij van de Arbeid. Kijk als je het nu hebt over dingen bereiken: als 60 jaar is de PvdA bezig om dingen te bereiken, zij stonden aan de basis van de verzorgingsstaat, onder hun visie werd een overheid gebouwd die zich bemoeide met de economische ontwikkeling. Onder de PvdA is veel gedaan voor vrouwen, voor het milieu, voor migranten en voor de derde wereld. Als je op een partij wilt stemmen die iets heeft bereikt in Nederland is dat de PvdA, die Nederland heeft getransformeerd.

Veel belangrijker nog is de toekomst: kijk Pechtold pakt Wilders en Marijnissen aan in het parlement.  Maar de Partij van de Arbeid pakt de causes van Wilders en Marijnissen aan: door zich in dit kabinet in te spannen voor een socialer Nederland, voor integratie, verbetering van de oude wijken en beter onderwijs.

Arp1946 Ten slotte
moet ik denken aan oude ARP-poster: "versterk de dijk", waarop je een anti-revolutionaire dijk ziet die een communistische storm tegenhoudt. De PvdA is nu onze dijk tegen de populistische storm. De PvdA als brede volkspartij voor mensen uit oude wijken, migranten, grachtengordelintellectuelen, en mensen uit de middenklasse is de partij die een dijk opwerpt tegen het aankomend populisme. Alleen als deze partij groter blijft dan Wilders en Verdonk is er een perspectief op een progressief Nederland. Het CDA gaat zo (weer) met Verdonk, alleen als de PvdA groot genoeg is, kan zij een rechtse christen-populistische regering uitsluiten.

Als je D66 steunt, steun je 40 jaar met alle winden mee waaien, als je de PvdA steunt steun je 60 jaar mee bouwen aan een socialer, progressiever, opener en groener Nederland. Als D66 steunt loop je mee met de holle retoriek tegen het populisme van links en van rechts, maar als je de PvdA steunt, steun je de enige partij die links beleid kan stellen tegen het populisme, nu en in de toekomst. Sozialdemokratie oder barbarei.

Ik zou er bijna zelf in gaan geloven. Gelukkig dan maar dat de PvdA net een charismaloze zak aardappelen tot fractievoorzitter heeft gekozen, dat houdt mij nog een tijdje weg.

Gelijke kansen of eerlijke uitkomsten

Gister was een debat van het panel beginselen over sociale politiek. Een van de sprekers was Dick Pels, een uitermate linkse liberaal, die pleitte voor radicale gelijke kansen. Zo snel mogelijk moest in zijn ogen de overheid ingrijpen om ervoor te zorgen dat kansen echt gelijk worden.

Roerend mee eens, tot dat Pels begon te pleiten voor een maximuminkomen.  Met een maximuminkomen maak je typisch de keuze voor een rechtvaardige uitkomst. Het maakt niet uit wat je doet, hoe hard je werkt, er is een grens aan wat je rechtvaardig meer dan anderen kan verdienen. Er zijn bepaalde eindsituaties die wij onrechtvaardig vinden.

Begrijp me goed, ik realiseer dat voor een programma van radicale kansengelijkheid herverdeling nodig is: tussen hen die kansarm en hen die kansrijk zijn. Tussen rijke ouders en arme kinderen, tussen mensen met veel talenten en mensen met weinig talenten, tussen mensen die gehandicapt zijn en die "gezond" zijn. Dat zal misschien inhouden dat je de facto een maximuminkomen krijgt omdat je boven een bepaald bedrag zo veel wilt belasten dat het voor mensen geen zin meer heeft om meer te verdienen.

Ik vind echter een opgelegd maximuminkomen onrechtvaardig: als jij er hard genoeg voor werkt en een zeer groot gedeelte afstaat aan de gemeenschap die jouw opleiding heeft betaald en je talenten gestimuleerd, waarom zou je dan niet meer mogen verdienen dan een bepaalde grens? Als alle kansen gelijk zijn gemaakt, kan hier dus slechts de voorkeur voor een bepaalde eindstaat uitspreken. Waarom zou ik het beste weten welke eindstaat rechtvaardig is? Waarom is het onrechtvaardig als ik na het bereiken van dat maximuminkomen mensen mij nog steeds geld willen betalen? Zolang ik maar afdraag aan de gemeenschap voor hun bijdrage aan mijn inkomen.

Een nivilering is geen doel op zich maar het is het gevolg van gelijke kansen. Je kan het vergelijken met de quota’s voor vrouwen die ze nu in de top van het bedrijfsleven willen invoeren. Het is onrechtvaardig als vrouwen daar niet besturen. Nee, het is onrechtvaardig als vrouwen niet de kans krijgen om daar te komen, als er sprake is van ongelijke kansen voor bepaalde maatschappelijke posten. Je grijpt dan niet in door daar meer vrouwen neer te zetten (onafhankelijk van hun talent), maar door het bereiken van die posten alleen maar afhankelijk te maken van talent en niet meer van sekse. Dan zouden, omdat vrouwen even getalenteerd zijn als mannen, er even veel vrouwen in de top van het bedrijfsleven komen.

Het zelfde geldt voor inkomensnivilering, als je kansen radicaal gelijk maakt, zullen inkomens gelijker liggen, omdat je inkomensongelijkheden door talenten, geboorte, opvoeding etc. elimineert. Gelijkmatig verdeelde inkomens zijn een symptoom van een rechtvaardige samenleving, geen wezenskenmerk.

Ten slotte, gelijkheid in inkomens kan juist ongelijke kansen veroorzaken. Laten we de niet al te rare aanname doen dat er talentvolle, hardwerkende mensen in het bedrijfsleven werken. Als we nu alle banen in de (semi-)publieke sector maximeren aan een bepaald inkomen, dan maken we de overstap voor mensen in het bedrijfsleven naar banen bij de overheid veel moeilijker. We voorkomen hiermee dat onze overheidsbedrijven, woningbouwcorporaties, ziekenhuizen etc. geleid en bemand worden door de meest capabele mensen. Dat kan zeer negatieve gevolgen hebben voor het maatschappelijk welzijn dat deze instellingen generen, maar belangrijker nog, het kan ongelijke kansen instand houden. Als je de keuze hebt voor een secretaris-generaal van het ministerie van onderwijs, kies je dan voor iemand die een "groot" inkomen wil verdienen en die instaat zal zijn om het onderwijs zeer veel te verbeteren, of kies je voor iemand die een "klein" inkomen wilt verdienen, maar die daar veel minder goed toe instaat zal zijn. In plaats van dat je kiest voor de kansen gelijkheid (hoeveel kunnen ze doen voor het onderwijs?), kies je bij maximering van de inkomens voor het prijskaartje. Dat is pennywise, maar pound-foolish.

Groen & Sociaal in Leiderdorp

Ik was als panel lid uitgenodigd om in Leiderdorp de dilemma’s van het toekomst project te bespreken. De discussie richtte zich op twee thema’s moraliseren in de milieu politiek en paternalisme in de sociale politiek. In de uitkomsten van de discussies zat een heldere rode lijn:

De consensus was al snel in het milieu debat dat de tegenstelling tussen ingrijpen en vrij laten in het geval van het milieu een valse is: het is een verdelingsvraagstuk. Onze vrijheid gaat ten koste van die van toekomstige generaties. Een keuze om nu milieubeleid te voeren is een keuze om de vrijheid tussen de huidige en toekomstige generaties eerlijk te verdelen. Dit werd prachtig geillustreerd door een voorbeeld uit de lokale politiek: je kan de ruimte in een nieuwbouw wijk gebruiken voor de auto’s van de ouders of voor de speelplaatsen voor kinderen. De huidige politiek kiest voor ouders. Het ingrijpen dat werd voorgesteld was ook heel liberaal: verhoog de prijzen van milieuvervuilende diensten en producten en stimuleer duurzame alternatieven. Een van de aanwezigen vertelde over een klimaatneutrale airconditioning voor fietspaden in Qatar. Dat maakt fietsen fun!

Het sociale debat lag lastiger. De zoektocht was naar een balans tussen arbeid, vrije tijd en zorg. Voor mensen onderaan de maatschappij die overkomen van de vrije tijd, want zonder werk zitten en mensen bovenaan de maatschappij die overkomen in de arbeid. Onderaan de maatschappij geldt dat als je mensen (bv. tienermoeders) vrij laat om zelf te kiezen tussen zorg en arbeid, je kansenloosheid in stand houdt: ze kunnen als hun kinderen naar school gaan, zelf moeilijk aan het werk komen. Bovenaan de maatschappij geldt dat je mensen heel moeilijk kan dwingen rustiger aan te doen, zelfs als dat beter voor ze zou zijn. Je kansen mensen in beide gevallen hoogstens keuzes bieden: keuzes voor werk en ontplooing door arbeid, maar ook keuzes voor vrije tijd en zorg. Echter zodra iemand beroep wilt doen op overheidsvoorzieningen splijt de zaal: blijft de vrijheid en ondersteuning van de overheid gelden, of moet je dan je verantwoordelijkheid nemen? Dat geldt zo wel voor mensen onderaan die een uitkering willen omdat ze geen werk kunnen vinden, als voor mensen bovenaan die een burn-out krijgen.

In beide gevallen toonde de Leiderdorpse GroenLinks’ers zich van hun liberale kant, maar werd de vrijheid beperkt waar het verdelingsvraagstukken betrof.

Liberalisme: empirisch, moreel en epistemisch

Er zijn verschillende redenen om liberale politiek te bedrijven, om mensen vrij te laten zelf inrichting te geven aan hun eigen leven, om mensen te bevrijden uit staatsbemoeienis, gemeenschapsdwang en achterstelling. Ik zal hier drie verschillende rechtvaardiging van het liberalisme weergeven: een epistemische, een empirische en een morele. Eerst zal ik kort proberen weer te geven welke definitie van de liberale praktijk deze drie rechtvaardigingsgronden ondersteunen. Vervolgens zal ik deze drie rechtvaardigingsgronden bespreken.

De liberale praktijk die al deze rechtvaardigingsgronden ondersteunen is de volgende: de liberale overheid is een overheid die neutraal is ten opzichte van opvattingen van het goede leven van haar burgers. Dit uit zich door het wettelijke rechten die de overheid aan de burgers geeft die erop gericht zijn de individuele vrijheid van burgers te beschermen en hen de middelen geeft om gebruik te maken van hun rechten. Dit betreft primair rechten die burgers de vrijheid geven om zelf vorm te geven aan hun leven, waar het zingeving door geloof of levensbeschouwing betreft, waar het handelingen en uitingen betreft en waar het tijdbesteding in arbeid, vrije tijd, zorg, kunst, wetenschap en opleiding betreft.

Ik zal drie verschillende concurrerende rechtvaardigingen hierover presenteren:

  • Empirisch liberalisme: het empirisch liberalisme stelt dat er een groot onderscheid is in de huidige samenleving van verschillende opvattingen van het goede leven. Er zijn verschillende (sub)culturele en religieuze groepen. De overheid moet de bestaande diversiteit respecteren. Dit liberalisme is helder te zien in het werk van Rawls (we kiezen voor religieuze vrijheid achter de Veil of Ignorance omdat we de kans hebben om niet tot de meerderheidsreligie te behoren) maar is ook helder te zien in het werk van de hedendaagse communitaristen en multiculturalisten, als Taylor. Met name voor de laatste groep wordt de individuele vrijheid begrensd en heeft de overheid een rol in het beschermen van de opvattingen van het goede leven van groepen. Overigens heeft dit liberalisme een rijke historische traditie en spelen dit soort opvatting van tolerantie tussen groepen als sinds de reformatie.
  • Moreel liberalisme: Moreel liberalisme gaat terug op  Kant (en in zekere zin op Locke) Voor moreel liberalen is er namelijk wel een idee van het goede leven: het goede leven is een leven geleid in vrijheid en autonomie. Zelf meester zijn van je eigen lot is de beste manier om te leven. De overheid moet de vrijheid van burgers bevorderen en beschermen omdat dat op zichzelf waardevol is. Veel tegenstanders van het liberalisme (Sandel) vallen dit liberalisme vaak aan omdat zij menen dat deze opvatting verre gaande assumpties maakt over hoe mensen beslissingen kunnen nemen (helemaal autonoom) en of dat wenselijk is.
  • Epistemisch liberalisme: Epistemisch liberalen behandelen van de vraag "hoe te leven" op een wetenschappelijke manier. Zij menen dat deze vraag nog niet beantwoord is. Zij willen de samenleving zo organiseren dat we daarachter kunnen komen. Liberalen als J.S. Mill pleiten voor een samenleving waarin individuen radicaal experimenteren om er achter te komen wat het goede leven is. De neutraliteit van de overheid is een middel om ruimte te maken voor individuele vrijheid om verschillende ideeen van het goede leven te testen. Er zijn sterke aanknopingspunten in het werk van Popper die deze denktrant ook volgen en hij formuleert een staatsopvatting die hierbij past ("piece meal social engineering").

Homo peiling is gay

Volgens de laatste "peilingen" van gay.nl en gk.nl zouden homo’s vaker op rechtse partijen stemmen. Aldus rapporteert NOVA, die zonder blikken of blozen de data rapporteert. Over de status van deze "peilingen" valt weinig feitelijk vast te stellen, maar destemeer te betwijfelen.

Gay.nl heeft een peiling uitgezet onder haar 2,500 leden. Hoeveel daarvan gereageerd hebben weten we niet. De vraag is of deze groep gezien kan worden als een "random sample" van homo’s. Dat is zeker niet het geval alleen leden van gay.nl zijn benaderd, bij een normale random sample zou je uit alle homo’s een steekproef trekken en die benaderen. Misschien is het dan een "representative sample". Gezien dat gay.nl met name een grote contact advertentie is, lijkt mij dit niet het geval: de groepering homo’s die hier zit is jonger, vaker single, en actiever op het internet, dan de gemiddelde homo. Daarnaast is de site met name gericht op mannen.

Van de sample van gk.nl weten we minder. We  weten dat het totaal 1186 stemmers zou zijn. Dat lijkt heel aardig, maar opnieuw weten we niets van de manier waarop de steekproef is bereikt. Volgens gk.nl zouden deze homo’s ouder zijn dan de homo’s van gay.nl. Dus zeggen NOVA, gay.nl en gk.nl dat omdat zo jonge en oude homo’s vertegenwoordigd zijn we een goed beeld hebben van de stemvoorkeuren van alle homo’s.

Dat lijkt me onzinnig. Beide peilingen zijn uitgezet op het internet, op plekken waar veel singles komen (ze staan op sites waar dating en profielen een belangrijke rol spelen), en met name homo mannen komen. Alhoewel geen van de "peilingen" rapporteren welk percentage vrouwen hun voorkeur heeft doorgegeven, lijken me gezien de male-bias van beide sites dit geen heel hoge percentages.

Wat met name opvalt in de uitslagen is de hoge fluctueringen in de peilingen in de laatste maanden. Ik denk op basis daarvan dat je kan twijfelen aan de betrouwbaarheid van de peilingen. Natuurlijk is een peiling bedoeld om veranderingen in voorkeur te meten en zijn er, alhoewel kleinere, fluctuaties in voorkeuren bij andere peilingen geweest. Zulke sterke fluctuaties kunnen ook aangeven dat de verschillende peilingen over tijd niet te vergelijken zijn qua sample, dat deze dus zo slecht getrokken wordt dat ze drie keer een volslagen andere en onvergelijkbare groep beschrijven.