Leer versus Bont

Het leverde veel reacties op vandaag. Een simpele tweet van mij "waarom bont zou [sic!] fout is maar leer zo wordt geaccepteerd? Laten we de opbrengst eens bekijken.

Bart3245 legde drie dingen tegelijkertijd uit in een tweet: "A) Leer is bijproduct B) Leer is soms onmisbaar, bont altijd overbodig C) [het] verschil [in de] kwal[iteit] leven van koe in N[eder]l[and] t[en] o[pzichte] v[an] vossen [of] nertsen." De eerste verklaring werd ook door anderen aangehaald zoals RolfvanOosten, AndyPalmen, Reinouts, WandaDijkstra, ManonOnline. Het punt van onmisbaarheid versus overbodigheid komt ook terug bij Benga_Benga: "Leer komt van beesten die we ook voor levensbehoefte slachten. Nertsen bv. worden puur voor luxeproduct gedood."

Maar houden deze argumenten stand? Laten we ze eens af lopen in omgekeerde volgorde: C) een koe heeft in Nederland een grotere kwaliteit van leven dan een nerts. Dat is maar zeer de vraag. Een koe in de bio-industrie heeft geen fijn leven. En juist de huid van een nerts verzekert hem een dierwaardig leven: als een nerts zich gestresst voelt dan beschadigt hij zich zijn huid. Juist om beschadiging van de huid te voorkomen moet het einde voor een nerts snel en stressloos zijn.

B) Vlees is een levensbehoefte en bont is een luxeproduct. Dat is natuurlijk een vrij absurde opmerking in een land waar steeds meer vegetariers en veganisten zijn die laten zien dat je zonder vlees kan leven. En in een wereld waar vlees voor velen een luxeproduct is. Als we kijken naar onze ecologische grenzen dan zou vlees ook een luxeprodut moeten zijn.

A) Leer is een bijproduct en bij bont worden dieren gedood voor hun huid alleen. Maar is dat zo?

PaulEMetz' stelde "Meeste leer komt van dieren die worden gegeten, veel bont niet. Toch ? Nertsen, zeehondjes, …" Gijs Jan Brandsma zei op facebook: "Ja hoor, van nertsen en zeehonden wordt het vlees niet verkocht, en aangezien je rundvlees niet op de huid kunt bakken blijft dat toch allemaal over."

Het stelt denk ik een belangrijkere vraag: met het gebruik van leer en botten toont de bio-industrie zich uitermate rationeel. Zou de bio-industrie zo irrationeel dat ze nertsenlijkjes daarna weggooien? Die kunnen toch verwerkt worden? Tot kattenvoer of zo? En als de hele nerts rationeel wordt opgebruikt en de hele koe ook dan is er lastig een onderscheid te maken tussen hoofd- en bijproduct. Alles brengt in deze economische rationaliteit geld op. Leer waarvan er minder per koe is en wat duurzamer gebruikt wordt kan misschien wel meer opbrengen dan het vlees.

Renee_OZ2 stelde "omdat zeehondjes bijvoorbeeld beestachtig worden afgeslacht om hun pels, die alleen statussymbool dient"

Renee legde de nadruk op manier waarop dieren worden behandeld. En inderdaad zeehondjes worden op een verschrikkelijke manier afgemaakt. Maar als het op een pijnloze manier gebeurd, is dat dan wel acceptabel? Is het morele probleem niet de dood van het dier in plaats van de manier waarop?

Mariellest stelde: "omdat leer bijproduct is (daarvoor wordt het dier niet gefokt/gedood) en bont het enige doel waarvoor dat dier moet lijden en derhalve je alleen echt tegen leer kunt ageren als je dat ook gelijk tegen de vleesindustrie doet, lijkt me."

En nu wordt het echt interessant: we kunnen het maken om tegen bont te zijn zonder tegen vlees te zijn. Maar omdat leer gemaakt wordt als een "bijproduct" van vlees kan je niet tegen leer zijn als je niet tegen vlees bent. Maar vice versa legt dat denk ik de verantwoordelijkheid bij mensen die vegetarisch zijn om ook proberen een leerloos leven te leiden. En dat kan.

Roelof en Pieter Kos probeerden meer een sociologische verklaring te geven: "Denk omdat bont de associatie oproept met fijne schattige knuffelbare dieren."

Ze beroepen zich om de knuffelbaarheid van de pelsdieren. Maar zijn varkens niet slim genoeg, koeien niet aimabel genoeg, lammetjes niet schattig genoeg? Ik ben bang dat het niet gaat om wat we willen rationaliseren, maar om datgene wat zoals Mariellest stelde om wat we niet hoeven te rationaliseren: we gebruiken geen bont dus kunnen we het veroordelen, maar vlees komen we niet af. Misschien des te sterker om het punt dat Renee maakte: dat bont gezien wordt als een status- of luxesymbool van de rijken. We kunnen ons omdat we ons toch geen bont kunnen veroorloven gemakkelijk moreel superieur voelen.

CatherinedVries "Associate professor at the University of Amsterdam addicted to politics and science with an unhealthy interest in music and fashion." brengt smaak als argument aan: "Bont is lelijk terwijl leer mooi is. Mijn voorkeur gaat vooral uit naar kroko leer, is zo lekker exclusief.

Ik denk dat het absurde perspectief van De Vries misschien wel het meest correct is. Je kan als individu alleen maar absurdisch reageren op een wereld waarin er op zo'n absurde manier met dieren om wordt gegaan en dat door zo velen met zoveel gemak wordt gerationaliseerd.

De donkere kant van vrijheid

Op de lezingencyclus ‘Weet de overheid wat goed voor ons is?’ van het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks volgt dit najaar een boek over libertair paternalisme, een politiek-filosofische stroming die paternalisme en vrijheid probeert te verenigen. Daarin wil het Bureau de in de cyclus opgedane ideeën over vrijzinnig paternalisme verder uitwerken. Dick Pels: ‘Je moet ook de donkere kant van de vrijheid onderzoeken en de grenzen aan de vrijheid formuleren. Wat is het GroenLinkse idee van het goede leven?’

Door Simon Otjes – Kan GroenLinks haar groene en sociale doelen bereiken zonder de vrijheid van burgers te beperken? Deze centrale vraag werd tijdens de lezingen door de verschillende sprekers uitgewerkt. Uitgangspunt was het concept Nudge van de Amerikaanse wetenschappers Thaler en Sunstein. Een nudge is een manier om mensen te stimuleren de juiste keuze te maken, zonder daarbij dwang te gebruiken. De manier waarop een keuze gepresenteerd wordt, kan de uitkomsten van besluitvorming sterk beïnvloeden. Bijvoorbeeld: als we van een “nee, tenzij”, naar een “ja, tenzij” stelsel van orgaandonatie gaan, dan wordt het aantal orgaandonoren sterk vergroot, zonder dat mensen gedwongen worden om hun organen te doneren.

Optreden

Bij de eerste bijeenkomst was Joel Anderson kritisch over deze benadering: ‘Het is het perspectief van de expert die weet wat goed voor mensen is. Er is echter heel weinig aandacht voor de vraag hoe de experts beteugeld kunnen worden. Waar ligt de grens tussen nudges en bemoeizucht?’ Ook Klaas van Egmond wees nudges resoluut af in zijn betoog over milieu en moralisme: deze waren in zijn ogen niet effectief om de grote milieuproblemen op te lossen. Daarvoor was in zijn ogen een sterke overheid nodig die met consistente hand beleid oplegt: niks geen balans tussen vrijheid en moralisme, gewoon optreden.

Wat van hun leven maken

Dezelfde houding sprak uit het verhaal van Jos van der Lans over de toekomst van het sociaal werk. De professionals moeten ‘eropaf’; zij moeten uit de bureaucratische systeemwereld stappen en weer in de leefwereld van normale mensen problemen oplossen. Maar welke problemen moeten er opgelost worden? Van der Lans ging er niet uitgebreid op in, maar desgevraagd formuleerde hij het resoluut: ‘Je moet proberen om mensen in een situatie te brengen dat ze wat van hun leven maken.’

Sturen met techniek

Uit het verhaal van Hans Achterhuis sprak een minder ingewikkeld moreel ideaal. Zijn verhaal richtte zich op het sturen van menselijk gedrag met behulp van techniek was doorspekt met voorbeelden, zoals toegangspoortjes die gebruikt worden om mensen voor de metro te laten betalen, ballen aan hotelsleutels die ervoor zorgen dat mensen hun sleutel bij vertrek weer inleveren en snelheidsbegrenzers op auto’s. Al deze voorbeelden laten zien dat we mensen met technische middelen kunnen stimuleren om de juiste keuze te maken. De juiste keuze is in deze gevallen niet erg hoogdravend: we willen dat mensen zich aan de maximumsnelheid houden, niet zwartrijden en geen sleutels meenemen.

Graaicultuur

De cruciale vraag is dus: wat is het morele ideaal van GroenLinks? In de ogen van Dick Pels, directeur Wetenschappelijk Bureau, moet vrijzinnigheid gekoppeld worden aan een idee van het goede leven: ‘Zonder een idee van het goede leven blijft vrijheid leeg.’ Welk idee van het goede leven moet GroenLinks dan propageren? Pels: ‘Ik denk daarbij aan idealen als zelfbeheersing, zelfrelativering en matiging. Jezelf kunnen ontwikkelen maar wel met oog voor de ander. Matiging kun je als politieke categorie op tal van gebieden toepassen, denk maar aan een onderwerp als obesitas of aan de graaicultuur in het bedrijfsleven. Hetzelfde geldt voor het grote bekken opzetten: een hufter is eigenlijk iemand die zichzelf niet goed in de hand heeft. Een deel van het goede leven bestaat eruit dat we elkaar fatsoenlijk tegemoet treden.’

Dit artikel verscheen ook op magazine.groenlinks.nl

GroenLinks Prisma op Veiligheid

Een van de manieren om GroenLinkse ideeen te ontwikkelen is het GroenLinks Prisma, door te kijken naar gestileerde ideaalposities vanuit een groen-duurzaam, rood-sociaal en blauw-vrijzinnig perspectief kunnen de positie van GroenLinks expliciteren. Ik heb dit eerder al gedaan voor sport, kunst, democratie, milieu en gezondheid.

Veel mensen maken zich zorgen over de veiligheid van hun eigen gemeente, dorp of wijk. Dit gaat van overlast op straat, verhalen over criminaliteit of dreigende rampen. Juist voor een progressieve, sociale en groene partij als GroenLinks is onveiligheid een serieus probleem dat politieke aandacht verdient.

Het is het vrijzinnige, blauwe ideaal van GroenLinks dat er in Nederland ruimte moet zijn voor iedereen om zichzelf te kunnen zijn. Een gevoel van onveiligheid kan een grote beperking zijn voor mensen om te gaan en staan waar ze willen. De voorbeelden zijn bekend: homo’s die bang zijn om hand in hand te lopen, Joden die bang zijn om met een keppeltje over straat te gaan. In een vrije, open samenleving moet niemand zich beperkt voelen om zichzelf te kunnen uiten. Maar ook andere vormen van criminaliteit zijn zware inbreuk op de vrijheid: als iemand tegen jouw wil jouw huis, jouw persoonlijke levenssfeer binnendringt en jouw spullen mee neemt, dan voel je je zelf in je eigen huis onveilig. Om een vrije, veilige samenleving te verzekeren moet de overheid in actie komen: buurtagenten moeten op straat zijn om criminaliteit te voorkomen. En als er iets is gebeurd dan moet de politie snel ter plekken zijn. Maar bovendien, mensen die iets hebben misdaan moeten worden gevonden en gestraft. Dat betekent dat de politie zich moet richten op die problemen die mensen echt raken. Er gaat nu nog te veel aandacht van politie en justitie uit naar drugs. In veel gevallen gaat het om vrijwillige handelingen van volwassen burgers waar niemand slachtoffer van wordt. Als we ons minder richten op drugs en meer op criminaliteit waarbij echte slachtoffers vallen, dan kunnen we de problemen van gewone mensen beter aanpakken.

Maar het gaat niet alleen om het aanpakken van misdaad. We moeten ook juist de oorzaken van misdaad harder aanpakken. In het sociale, rode perspectief is criminaliteit een teken van een samenleving waar iets mis is: als jongeren rondhangen in plaats van dat ze naar school gaan of als mensen geen perspectief kunnen vinden in betaald werk, dan kunnen ze afglijden in de criminaliteit. Als we onveiligheid echt willen aanpakken dan moeten we meer doen om jongeren zeker op het VMBO bij de les te houden. En dan moeten we inzetten op meer werk, zeker voor mensen die minder kansen hebben. Maar dat betekent ook dat als mensen eenmaal in de fout zijn gegaan we alles op alles moeten zetten om er voor te zorgen dat het niet weer gebeurt. Voor veel mensen die nu in de criminaliteit zijn terecht gekomen betekent dat een opleiding en uitzicht op werk. We moeten ervoor zorgen dat als veroordeelden, na hun straf, terug keren in de samenleving zij niet terug vallen in hun oude gedrag.

Ook ongelukken of rampen zijn vormen van onveiligheid. Denk maar aan overstromingen, auto-ongelukken of uitbraken van dierziekten. Ook hier moeten we de oorzaken van onveiligheid aanpakken. Vanuit het duurzame, groene perspectief, kijken we naar de onderliggende milieuproblemen. De Q-koorts is het gevolg van de bio-industrie, auto-ongelukken van de te hoge maximumsnelheid, overstromingen van klimaatverandering. De manier waarop we om gaan met onze natuurlijke omgeving richt zich veel te veel op het korte termijnbelangen van producenten en consumenten en kijkt niet naar de grotere belangen zoals veilige samenleving. Investeren in diervriendelijke landbouw, openbaar vervoer of groene energie betekent ook investeren in een veiligere samenleving.

Kortom: juist voor GroenLinks is onveiligheid een groot probleem. We willen een samenleving waarin iedereen vrij kan zijn. Onveiligheid is daar een grote inbreuk op. En juist daarom willen we dat de politie zich richt op die problemen die mensen echt raken. Daarom juist moeten we investeren in onderwijs en werk om te voorkomen dat mensen afglijden in de criminaliteit. Maar het voorkomen van onveiligheid, rampen en ongelukken betekent ook juist vaak kiezen voor groene, duurzame oplossingen. Kortom: GroenLinks is de partij die zich in zet voor een vrije, veilige samenleving. 

Een Kabinet van Kraakporselein

Vlak na de eeuwwisseling veranderde de Nederlandse politiek radicaal. Een nieuwe politieke beweging kwam op, deze verzette zich tegen de bestaande elite, overkwam de bestaande tegenstelling tussen links en rechts en stond een radicale verandering van het beleid voor. Ze kreeg een redelijk aandeel in de Tweede Kamer maar in de Eerste Kamer bleef de vertegenwoordiging achter. De partij verzette zich zo sterk tegen de bestaande parlementaire politiek dat zij niet kon mee regeren maar besloot om een regering geleid door een liberale premier te gedogen. Voor een deel van het beleid steunden ze de regering wel, maar op andere punten niet en daarom was steun van de oppositiepartijen in de Tweede en zeker in de Eerste Kamer noodzakelijk. 

De eeuw was de twintigste eeuw, de anti-establishmentbeweging was de SDAP en de minderheidsregering zonder meerderheid in de Eerste Kamer was het kabinet-De Meester. Het kabinet de Meester bestond uit conservatieve, klassieke en progressieve liberalen en werd dus gesteund door socialisten. Vanwege de precaire positie in de Staten-Generaal werd dit kabinet ook wel gekenmerkt als het kabinet van kraakporselein. De SDAP had samen met de liberalen een meerderheid van een zetel hadden in de Tweede Kamer. 'Rechts' en daarmee werd toen de Christelijke partijen CHU, ARP en de RKSP, bedoeld, had een meerderheid in de Eerste Kamer. De sociaal-democraten hadden geen senatoren. De defensiebegroting was in die tijd een politiek gevoelig onderwerp. De anti-militaristische SDAP steunde de defensiebegroting niet en daarom moesten de liberalen uitgaan van de steun van de Christelijke partijen. In 1907 lukte dat niet, in de Nacht van Staal, vernoemd naar minister van defensie Staal, werd de defensiebegroting afgewezen door de Eerste Kamer. Een kabinetcrisis volgde de Koningin accepteerde het ontslag van het kabinet echter niet en alleen de minister van defensie werd vervangen. Een jaar later wees de Eerste Kamer wederom de begroting af. Het kabinet bood haar ontslag weer aan aan de Koningin die het wel accepteerde.

Een politieke opstelling van de Eerste Kamer bij een minderheidskabinet terwijl een nieuwe anti-establishment politieke beweging opkomt en de val van een kabinet in de Eerste Kamer. Het is niets nieuws, Roel Kuiper.  

Brede en Paarse Colleges in de Provincies

We kunnen heel wat voorspellen en peilen over de uitslag van de Provinciale Statenverkiezingen. Maar hoe zal de formatie van de Gedeputeerde Staten in de twaalf provincies verlopen?

Als we kijken naar de formaties van provinciale staten in het verleden dan valt een aantal dingen op: ten eerste, de formaties van Colleges volgen de landelijke ontwikkelingen. In 2006 kwam de ChristenUnie landelijk in de regering, en in 2007 kwam zij in een meerderheid van de provincies in het college, vaak samen met de PvdA en het CDA, net als landelijk. Op landelijk niveau waren er in 2010 grofweg drie opties: een Paars+ coalitie, een rechtse coalitie en een brede centrum-regering. Dat zullen ook de opties voor de Provinciale Colleges zijn. Ten tweede, Provinciale Colleges zijn bijna altijd breed en bestaan uit te veel partijen, meer dan nodig zouden zijn voor een simpele meerderheid. In 50% van de Provinciale Colleges zaten in 2006 overbodige partijen.

Je kan de formatie in de provincie ook vergelijken met de formatie in een grote gemeente. In de zes grootste gemeente is een opvallend patroon te zien. Aan de ene kant zijn er Amsterdam, Utrecht en Eindhoven. In deze gemeenten is er een college gevormd met GroenLinks en de PvdA. In Amsterdam is dit aangevuld met de VVD, in Utrecht met D66 en in Eindhoven met de VVD en D66. Opvallend aan de verkiezingsuitslag in deze plaatsen: er is geen grote PVV-achtige partij. In Almere, Rotterdam en en Den Haag was dat wel het geval. En daar is stuk voor stuk een breed centrumcollege gevormd van PvdA, CDA, VVD en D66.

De positie van de PVV is dus cruciaal. Er komen denk ik geen minderheidscolleges of colleges met de PVV. Het nationale minderheidskabinet is te veel een experiment om op provinciaal niveau uitgevoerd te worden. Daarnaast wil de PVV geen verantwoordelijkheid dragen, en kan een college met de PVV nooit heel breed worden. Waar dat noodzakelijk is kan er om de PVV "heen" geformeerd worden en waar dat niet noodzakelijk is is er ruimte voor een Paars+ college.

Dat lijkt me ook een waarschijnlijk scenario voor de provincies: een breed Paars+ college in die provincies waar de PVV klein blijft, en een breed centrumcollege in die provincies waar de PVV groter wordt. Dat heeft met name implicaties voor GroenLinks: zij is in alle opzichten het tegenovergestelde van de PVV, groen, progressief-sociaal en tolerant. Een onwaarschijnlijke keuze om in een college gevraagd te worden als er een grote PVV aan de zijkant staat om oppositie te voeren. Dan liever met grijze middenpartijen als D66 en het CDA.

In Zuid-Holland, Noord-Holland, Flevoland, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel doet de PVV het bovengemiddeld goed. Een coalitie van CDA/VVD/PvdA/D66 lijkt me hier een logische keuze. In Utrecht, Gelderland, Drenthe, Friesland en Groningen doet de PVV het ondergemiddeld slecht. Hier hebben Paars+-coalities een grote kans. Zeeland en Friesland ten slotte zijn een klasse appart: een zwakke PVV, maar ook geen meerderheid voor Paars+. Een "Staphorster-variant" van CDA, VVD, CU en SGP lijkt me waarschijnlijk in Zeeland en een Friese variant van FNP, CDA, VVD en PvdA lijkt me waarschijnlijk in Friesland.

GroenLinks Prisma op Sport

Een van de manieren om GroenLinkse ideeen te ontwikkelen is het GroenLinks Prisma, door te kijken naar gestileerde ideaalposities vanuit een groen-duurzaam, rood-sociaal en blauw-vrijzinnig perspectief kunnen de positie van GroenLinks expliciteren. Ik heb dit eerder al gedaan voor kunst, democratie, milieu en gezondheid.

  • Groen: in het groene perspectief staat het ideaal van een gezond leven in balans met de natuur centraal. En hoe kan dat beter dan door buitensport en recreatie in de natuur? Spelen in groene speelplekken voor kinderen, fietsen door prachtige polders, en wandelen door natuurgebieden. Friluftsliv, recreatie in de vrije natuur, is een prachtige manier om behoud van het landschap en gezonde ontspanning met elkaar te verenigen. Het gaat hier dus om individuele sport en ontspanning in de vrije natuur. Dat betekent meer groene speelruimte in de openbare ruimte, meer fiets- en wandelpaden in de vrije natuur.
  • Rood: in het rode perspectief staat maatschappelijke solidariteit en participatie in de samenleving centraal. Iedereen moet de kans krijgen om te participeren in alle aspecten van de maatschappij. En dat betekent ook dat iedereen moet deel kunnen nemen aan sport. Natuurlijk is sport een goede manier om te ontspannen na een harde dag werken, maar het is ook een goede manier om contacten te leggen en te onderhouden. Iedereen moet dus de kans krijgen om lid te zijn van een sportvereniging. Als mensen dat niet kunnen moet de overheid bijspringen. Sport is ook een manier om mensen te verbroederen en het kan dus bijdragen aan integratie.
  • Blauw: in het blauwe perspectief staan emancipatie en vrijheid centraal. In dat perspectief moet de overheid zich niet bemoeien met sport, net zoals zich niet moet bemoeien met kunst. Dat is onderdeel van de civiele samenleving. Toch kan sport een belangrijke rol spelen in de maatschappij, en dan met name als topsport. Topsport is een prachtig voorbeeld van persoonlijke ontwikkeling, van het beste uit jezelf halen, je talenten gebruiken. Het laat zien  dat je door inzet en training de top kan bereiken kan komen. In die zin is topsport het visitekaartje van een liberale samenleving. Daarnaast kunnen topsportwedstrijden (denk Olympische Spelen) zijn goed voor de werkgelegenheid en de reputatie van een land of gemeente.

Ik denk dat het blauwe en rode perspectief al genoeg zijn vertegenwoordigd in de landelijke en de lokale politiek. De amateur en profsport clubjes hebben algenoeg vertegenwoordiging. En daarom heb ik meer sympathiek voor het groene perspectief: de ongebonden speler, sporter of beweger. En juist daar kan de overheid veel voor betekenen: zorg voor goede fietspaden vanuit steden naar de natuur, zorg voor groene speelplekken in de stad,  en zorg zo voor een gezonde, ontspannen maatschappij. "Lekker leven" noemde GroenLinks Amsterdam dat vier jaar geleden. 

GroenLinks: pragmatisch idealisme versus principieel populisme

Het beeld dat GroenLinks in de aanloop naar de Provinciale Staten- en Eerste Kamerverkiezingen naar buiten stuurt is steeds diffuser. GroenLinks neemt zeer linkse, principiele posities in in de electorale arena, maar toont zich in de parlementaire arena een bijzonder pragmatische partij. Dat noemen wij "ideeenpartij op zoek naar macht", maar het is voor kiezers misschien lastig te begrijpen.

Als we kijken naar de provinciale kieskompassen dan valt de extreme positie van GroenLinks op. In vijf van de tien provincies is GroenLinks de meest linkse partij en in zes van de tien provincies is het de meest progressieve partij. GroenLinks is vaak linkser dan de SP, groener dan de PvdD en progressiever dan D66. We beloven groene polders aan onze kiezers. In de electorale arena toont GroenLinks zich echt een excentrische ideeenpartij.

Aan de andere kant is GroenLinks in de ogen van kiezers in de laatste maand naar rechts geschoven. Het compromis dat met het kabinet-Rutte gesloten is over Kunduz kenmerkt de parlementaire opstelling van GroenLinks: constructief op zoek naar alternatieven, pragmatisch en bereid om verantwoordelijkheid te nemen. In de parlementaire arena toont GroenLinks zich een pragmatische partij die op zoek is naar macht om haar ideeen te realiseren.

En dat is niet een verschil tussen provinciale Prinzipienreiters en landelijke pragmatici. Neem de Zuid-Hollandse lijsttrekker Oscar Dijkhoff: GroenLinks staat in Zuid-Holland verreweg aan de meest linkse kant in het spectrum in Zuid-Holland. Maar hij is trots op wat zijn fractie als constructieve oppositiepartij heeft willen bereiken met rechts college van gedeputeerde staten en wil graag (zelf) de gedeputeerde staten in.

GroenLinks is dus van pragmatisch en principieel. Ze belooft een groen land aan haar burgers en wil zich altijd in zetten om deze doelen te bereiken. Dat noemen we "ideeenpartij op zoek naar macht".

Dit lijkt een mooie strategie maar deze strategie heeft ook zo zijn nadelen: met onze principiele posities in de electorale arena schrikken we veel kiezers af. Veel kiezers zitten in het centrum, en GroenLinks juist in de extreme. Met de pragmatische opstelling in de parlementaire arena schrikt GroenLinks juist de zeer linkse kiezers af. Als principiele groene, linkse, internationaal-solidaire partij, wil de partij wel compromissen sluiten zelf met dit rechtse kabinet. Dat begrijpen veel van de principiele linkse kiezers dan weer niet.

Vergelijk deze positie met die van de Socialistische Partij. Deze partij stelt zich pragmatisch op richting haar kiezers. Op principiele onderwerpen als het AOW (niet verhogen), verkeer (tegen rekening-rijden), koningshuis (niet in het verkiezingsprogramma), veiligheid of integratie (harde opstelling) luistert ze veel vaker naar haar kiezers, dan GroenLinks. Je kan deze strategie afdoen als populistisch maar hij is electoraal wel succesvol. Daar staat een heel andere parlementaire strategie tegenover. De opstelling van de SP daar is veel principieler. De SP is de parlementaire vertegenwoordiging van het maatschappelijke protest tegen de bezuiniging van het kabinet-Rutte en voert dus keiharde oppositie. De parlementaire activiteit van de SP is alleen maar gericht op het vergroten van de electorale steun van de partij in de komende verkiezingen.

De SP stuurt een helder signaal af: de SP vertegenwoordigt u, de gewone man in de straat, in de politiek. Dat is helder en duidelijk voor de kiezer, maar misschien niet heel succesvol in het parlement. GroenLinks is een veel complexere partij, ze toont zich in de verkiezingscampagne principieel, idealistisch en visionair, maar in het parlement is zij pragmatisch, constructief en verantwoordelijk. Deze combinatie van pragmatisch-idealisme is gericht op het realiseren van het groene, sociale en progressieve programma, maar het is moeilijk te begrijpen in de ogen van de kiezer

Sturen met techniek

Kan techniek stimuleren dat mensen de juiste keuze maken zonder hen daartoe te dwingen? Ja, leert de zware sleutelhanger in hotels.

Tussen individuele keuzevrijheid en sturing door de overheid bestaat altijd een zekere spanning. Het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks en de GroenLinks Academie verkennen een 'derde weg' met een lezingencyclus over 'vrijzinnig paternalisme'. Emeritus hoogleraar filosofie Hans Achterhuis sprak op de laatste discussieavond van de cyclus over de mogelijkheid techniek in te zetten bij het stimuleren van mensen om de moreel juiste keuze te maken zonder hen daartoe te dwingen. Vrijzinnigheid en moralisme hoeven dus niet tegenover elkaar te staan. Een relevante les voor GroenLinks, dat probeert als vrijzinnige partij groene en sociale doelen in de praktijk te brengen.

Neutrale techniek bestaat niet

Het klinkt raar: techniek die mensen stimuleert de juiste keuze te maken. Is techniek niet gewoon een neutraal middel? Achterhuis: ‘Er is een common sense opvatting over techniek die stelt: mensen hebben een bepaald doel en technische middelen kunnen helpen om dat doel te bereiken. Dat is ook de mening van de Amerikaanse National Rifle Association: guns don't kill people, people kill people.’ Maar volgens Achterhuis is de relatie tussen de mens en de techniek veel complexer. Apparaten hebben invloed op de keuzes die we maken: 'Neem de zware bal die aan hotelsleutels hangt. Je kunt die sleutel met zo'n bal in je zak niet makkelijk vergeten.’ En zo word je eraan herinnerd om de sleutel in te leveren. De zware sleutelhanger doet als het ware een beroep op je.

Achterhuis noemt nog een ander voorbeeld: dat van de Amsterdamse metro, die werd ontworpen in de jaren zestig. Achterhuis: ‘Die metro had geen toegangspoortjes. Het was een algemene opvatting in die tijd dat mensen zelf vrij en zelfstandig moesten bepalen hoe ze wilden reizen. Men zette zich af tegen het paternalisme van de jaren vijftig. Er ontstonden grote problemen in de metro: veel vandalisme, veel mensen reden zwart. De zaak werd onhoudbaar. Er deden allerlei verhalen de ronde over de verloedering van de Amsterdamse moraal. Daarom werden er op scholen grote campagnes gevoerd om jongeren te wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid. Dit leverde bitter weinig op. Toen werden er simpele toegangspoortjes neergezet. Het zwartrijden nam af van 35 naar 15 procent. Was het ontwerp van de metro van begin af aan anders geweest, dan was in Amsterdam niet zo gesproken over de verloedering van de moraal in de stad.’

Het is dus mogelijk technische middelen in te zetten om mensen de juiste keuze te laten nemen. Maar beperkt de inzet van technische middelen de vrijheid van mensen niet te veel? Achterhuis: ‘De dwingendheid van de middelen verschilt: soms zijn ze meer en soms minder dwingend. Die zware sleutelhanger bijvoorbeeld is niet dwingend: je kunt de bal gewoon losmaken.’

Vrijheid is hoe je omgaat met sociale druk

Sterker nog, we kunnen ons, volgens Achterhuis, door inzet van techniek vrijer gaan voelen. Hij noemt het voorbeeld van een snelheidsbegrenzer. ‘In een Tilburgse wijk is met een snelheidsbegrenzer geëxperimenteerd. Na het experiment bleken mensen zeer tevreden. Er ontstond een andere levenshouding: mensen voelden zich vrij. Men had niet meer de behoefte om steeds te proberen net even wat sneller te rijden. Ze waren echter niet vrij in de zin dat hun autonomie niet begrensd werd. Maar mensen hebben altijd te maken met technische of sociale druk. Vrijheid is de vraag hoe je omgaat met die gegevens. Gehouden aan dertig kilometer per uur hadden mensen een vrijer levensgevoel.’

Dit was de laatste lezing van deze cyclus. Het Wetenschappelijk Bureau verzamelt de opgedane ideeën in een publicatie waarin de spanning tussen vrijzinnigheid en paternalisme aan de hand van verschillende thema's uitgewerkt wordt.

Dit artikel verscheen ook op magazine.groenlinks.nl

Regionale Voorkeursactie: onrechtvaardig, onnodig en tegen de afspraken in

Nadat de strijd tussen de oud-linkse pacifistische stroming en de nieuw-linkse internationalistische stroming op het GroenLinks congres net was afgelopen met een sisser, kwam het volgende conflict al weer op: de Noordelijke Provinciale Statenfracties vroegen min-of-meer toestemming om bij de Eerste Kamerverkiezingen op een regionale kandidaat te mogen stemmen. Dat werd afgewezen door het congres maar als nog presenteerde een der kandidaten Han Warmelink zich als 'Noordelijke' kandidaat. Maar zijn de Noordelijke provincies ondervertegenwoordigd?

Laten we eens uitgaan van de Provinciale Statenverkiezingen van 2007, een redelijke graadmeter van de spreiding van GroenLinks stemmers. (Deze spreiding verschilt niet fundamenteel van de scheiding van GroenLinks kiezes bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2010). Ruim 54% van de GroenLinks kiezers woonde toen in de Randstad Provincies: Utrecht, Noord- en Zuid-Holland. In Noord-Holland alleen al woont 24% van de GroenLinksers. In de Oostelijke provincies, Gelderland, Overijssel en Flevoland woont 19% van de GroenLinks stemmers. In de Zuidelijke provincies (Noord Brabant, Limburg en Zeeland) woont bijna 16% van de GroenLinksers. Slechts 11% van de GroenLinks-stemmers woont in een der Noordelijke provincies (Friesland, Groningen, Drenthe).

PS

En hoe zijn deze provincies vertegenwoordigd? Laten we eens beginnen met de Tweede Kamer. Negen van de tien GroenLinks Kamerleden wonen in Randstad en maar 54% van de GroenLinksers.  Vier van de tien GroenLinks Tweede Kamerleden woont in Noord-Holland, drie daarvan in Amsterdam. Dat is bijna 15% meer dan het aantal GroenLinks stemmers 'rechtvaardigt'. In Zuid-Holland wonen drie van de tien GroenLinks Kamerleden, 19% van de GroenLinks stemmers woont daar. Dat is 12% meer dan het aantal stemmen rechtvaardigt. Ook in Utrecht wonen meer GroenLinks Kamerleden dan stemmers: 12% van de stemmers versus 20% van de Kamerleden. In de rest van het land wonen dus 45% van de GroenLinks stemmers en maar GroenLinks Kamerlid: Ineke van Gent. Opvallend genoeg een kamerlid uit het Noorden. De provincie Groningen heeft 10% van de Kamerleden en maar 5% van de GroenLinks stemmers. Let wel in de drie Noordelijke provincies woont ongeveer 11% van de stemmers: een ruime vertegenwoordiging.

Als we eens kijken naar de Eerste Kamerlijst ontstaat het volgende beeld: bij de eerste vier kandidaat-senatoren, de meest verkiesbare plekken. Een woont in Amsterdam, een woont in Utrecht, een woont in Limburg en een in Gelderland. Als we dit in delen in landsdelen dan zien we dat 55% van de kiezers in de Randstad woont, en twee van de vier eerste kandidaat-senatoren. In het Oosten woont er een en 19% van de eerste vier kandidaat-senatoren. In het Zuiden woont een kandidaat-senator en 16% van de kiezers. En in het Noorden woont geen der vier top-kandidaten en 11% van de kiezers. In die zin is er waar het gaat om de verkiesbare topkandidaten geen probleem.

Als we kijken naar de hele lijst dan is de lijst minder vertegenwoordigend: 67% van de kandidaten woont in de Randstad, en maar 54% van de GroenLinks kiezers: 27% in Noord-Holland (allen in Amsterdam), dat is net meer dan kiezers, 20% in Zuid-Holland, dat is net meer dan kiezers, 20% in Utrecht tegenover 11% van de kiezers. De lijst is dus niet te veel Grachtengordel, maar te veel Oude Gracht. Alle andere provincies lopen dus iets achter: 7% van de kandidaten woont in het Noorden, tegenover 11% van de stemmers. 13% van de kandidaten woont in het Zuiden en 16% van de stemmers. In de oostelijke provincies woont 19% van de stemmers en maar 13% van de kandidaten. Vijf provincies worden niet vertegenwoordigd op de lijst, allen leveren deze minder kiezers dan een plek op de lijst zou rechtvaardigen, behalve Noord-Brabant. Deze situatie is aanzienlijk beter dan de huidige Tweede Kamerfractie. Ik denk niet dat deze situatie een actie van de noordelijke provinciale statenleden vereist. Ze zijn op de lijst aardig vertegenwoordigd.

Een actie van de Noordelijke statenleden gaat dus niet alleen in tegen de goede afspraken die binnen GroenLinks gemaakt zijn en is niet alleen onnodig, gezien de redelijke spreiding van kandidaten op deze lijst. Sterker nog als er een provincie mag klagen over een gebrek aan vertegenwoordiging dan zijn dit niet de meest noordelijke, maar Noord-Brabant waar 9% van de GroenLinks kiezers woont, maar geen van de kandidaten op de Eerste Kamerlijst en geen de zittende kamerleden.

Maar gelukkig is de actie van de Noordelijke provinciale statenleden ook niet heel kansrijk: de wet is veranderd zodat 100% van de stemmen voor een zetel nodig is om een kandidaat met voorkeursstemmen in de Eerste Kamer te krijgen. Hier wordt gebruik gemaakt van een stelsel met gewogen stemmen: ongeveer 2000 stemmen zijn nodig. Als we uitgaan van de score van de laaste provinciale statenverkiezingen (2007), in de drie Noordelijke provincies hebben we nu zeven statenleden: 22% van de statenleden, maar door het stelsel van stemgewichten zijn ze maar goed voor 948 stemmen bij de Eerste Kamer. Kijken we naar de vijf meest noordelijke provincies (Groningen, Drenthe, Friesland, Overijssel en Flevoland) dan zij ze nog maar goed voor 1628 stemmen. En dat is niet genoeg om een hele kiesdeler te halen

Kortom: ongerechtvaardigd, onnodig en tegen de afspraken in.

Catharsis

Vanaf het eerste moment dat Jolande Sap het podium betrad wist ik dat het die dag goed zou komen. Met een luid applaus werd de nieuwe fractievoorzitter van GroenLinks onthaalt. Ze kwam verantwoording voor haar controversiele beslissing over de politietrainingsmissie naar Kunduz af leggen. De nieuwe partijleider nam het applaus onwennig in ontvangst en wilde snel aan haar inhoudelijke betoog beginnen. Maar voor de aanwezige leden was het applaus een catharsis, een zuivering bij voor- en tegenstanders van de opgebouwde wrok over de discussie en de groeiende angst voor een lang uitgesponnen gevecht. De aanwezigen waren het eens of oneens met de beslissing van de fractie om de missie te steunen maar voelden zich allemaal nog steeds betrokken bij GroenLinks, en de groene, sociale en vrijzinnige idealen van de partij.

Er moest nog formele besluitvorming komen: zo hadden de sterkste tegenstanders kritische moties in gediend, waaronder een motie van afkeuring, een groep gematigde tegenstanders hadden een motie van treurnis, eenheid en vertrouwen ingediend en er was een motie van respect en waakzaamheid. Maar de uitslag daarvan was al lang al duidelijk. Er is kritische minderheid binnen GroenLinks. Maar in vergelijking met eerdere congressen was er een interessant patroon: waar er eerder een grote groep GroenLinksers tegen Vrijheid Eerlijk Delen was, de kandidatuur van Leo Platvoet hadden gesteund in 2007, was nu de groep die uitermate kritisch was over het besluit van de fractie om de politietrainingsmissie naar Afghanistan te steunen, kleiner. Steunde nog maximaal 45% de kandidatuur van Platvoet, keerde zo'n 35% van het congres zich tegen Vrijheid Eerlijk Delen of de pensioenplannen van GroenLinks. Nu keurde 25% compromisloos het besluit van de fractie af. De meest fractie-gezinde motie van respect en waakzaamheid kreeg steun van 76% van de leden: dit lijkt er op dat de meest extreme tegenstanders van de politiemissie zo'n 25% van de aanwezige leden vormde. De meerderheid van het congres stond er anders in: de motie van motie van Treurnis, Eenheid en Vertrouwen, die zich tegen de missie keerde, maar de eenheid binnen GroenLinks benadrukte kreeg steun van 52% van de aanwezigen.       

En hiermee wass de kous af in de ogen van het congres: er werd geluncht, een kandidatenlijst voor de Eerste Kamer werd samengesteld, en toen Femke Halsema, de voormalige leider, en Ineke van Gent, de dissident, aan het einde van het congres spraken over een ander onderwerpen maakten ze allebei, na een lang applaus voor hun moedige keuzes, grapjes over de hectiek van de afgelopen weken. Het hoofdstuk "debat over Kunduz" lijkt nu afgesloten. De fractie gaat de uitvoering van de missie controleren, vanuit Den Haag en vanuit hun contacten op de grond. De partij richt zich nu op de provinciale statencampagne, om te strijden voor groene provincies en een linkse senaat.