Belgische formatie in een politieke ruimte

Het gaat niet goed met de Belgische formatie. Nadat, nu ongeveer 3 maanden geleden de Franstalige liberale Mouvement Reformateur en de Vlaamse Christen-democratische CD&V de verkiezingen hebben gewonnen is er nog steeds geen regering gevormd. Een heel leger aan formateurs, informateurs en koninklijke onderzoekers is er al op vast gelopen. Wat is de verklaring van de moeilijke formatie? Ik denk dat de moeilijkheden van de formatie zijn terug te brengen naar de bijzondere manier waarop de meest waarschijnlijke coalitiepartners zich tot elkaar verhouden in de politieke ruimte.

In Belgie zijn er twee belangrijke dimensies: de links-rechts dimensie die gaat over inkomensgelijkheid en overheidsingrijpen in de economie. De belangrijkste vraag is: welke verantwoordelijkheden krijgt de overheid en welke zaken worden aan bedrijven en burgers zelf over gelaten.
En de communotaire dimensie die franstaligen van nederlandstaligen scheidt. Het belangrijkste vraagstuk: hoeveel verantwoordelijkheden krijgen de gewesten en de gemeenschappen? Er zijn partijen die vinden de huidige situatie goed en er zijn partijen die nog meer verantwoordelijkheden aan de gewesten en gemeenschappen willen doorsluizen. Veel hervormingen zijn een win-win situatie voor zowel de vlamingen als de walen. In veel andere gevallen echter, met name in Brussel, levert meer autonomie voor de walen, minder autonomie voor de vlamingen op. Daarom kan je deze as het beste weer geven als een continuum van sterk pro-vlaams tot gematigd pro-vlaams, gematigd pro-waals tot sterk pro-waals. Of wel een continuum van pro-vlaams tot pro-waals met in het midden de gematigde partijen.

De partijen zijn als volgt verdeeld: de groene groen! en ecolo zijn uiterst links, maar gematigd pro-vlaams/waals. De socialistische SP.a en PS zijn links en gematigd pro-vlaams/waals. CDh, de franstalige christen-democraten zijn gematigd pro-waals en centrum-links. Centrum-links is ook spirit, de sociaal-liberale partner van de sp.a , deze partij is echter wel voor meer autonomie voor vlaanderen. Centrum-rechts staan meerdere partijen, de waalse MR is gematigd pro-waals, hun partner FDF is ook centrum-rechts maar voor meer autonomie. De vlaamse liberale VLD is ook centrum-rechts en gematigd pro-vlaams. De christen-democratische CD&V is centrum-rechts en voor meer autonomie. De partner van het CD&V, de NVA is separatistisch en centrum-rechts. Verder rechts staat lijst Dedecker, een voormalige liberaal die ook voor meer autonomie voor Vlaanderen is. Uiterst rechts is het Vlaams Belang, dat separatistisch is, en het Front National, dat meer autonomie voor Wallonie bepleit.
Grofweg zijn de Belgische politieke partijen in een driehoek over de ruimte verdeeld. Links is gematigd pro vlaams/waals en rechts worden de partijen steeds radicaler pro-vlaams/waals. Ik heb deze politieke ruimte inclusief partijen in deze .ppt

gezet.

Het Belgische probleem is het volgende: de centrum-rechtse oranje/blauwe partijen die nu formeren (CD&V, NVA, VLD, CDh, MR en FDF) nemen grofweg dezelfde positie op de links-rechts as in. Ze zijn allemaal centrum-rechts: beperkt overheidsingrijpen in de economie. Ze zijn echter sterk verdeeld over het communotaire vraagstuk (de staatshervorming), zoals heel rechts in Belgie dat is. Met deze communotaire as is echter iets raars aan de hand: de partijen kunnen moeilijk een consensuspositie in nemen over staatshervorming, immers midden tussen de NVA en de FDF ligt de positie "niets wijzigen." Nou juist wat ze beide niet willen.
In een normale formatie zou je dan bepaalde dingen uitwisselen: jij krijgt meer autonomie, ik krijg een eco-tax. Maar omdat de partijen allemaal dezelfde positie op de andere relevante as in nemen (ze zijn namelijk allemaal centrum-rechts) valt er niets uit te wisselen. De formatie ligt dus rotsvast omdat er aan vlaams en waalse zijde heel sterk aan het communotaire vraagstuk wordt getrokken en zo komen ze niet dichterbij elkaar.

Van Bommel vs. Marijnissen: of wel hoe slim is de SP

Maandag liet Harry van Bommel in de Metro optekenen dat hij voor de scheiding van de functies van partijvoorzitter en fractievoorzitter is. Functies die nu binnen de SP bezet worden door een man: Jan Marijnissen. Een verspreking in een bijzin van een interview dat eigenlijk over zijn liefde voor zijn vriendin en kind ging of een tactische politieke zet van de best geoliede politieke machine van Nederland?

Er zijn twee dingen opvallend aan de timing van de uitspraak. Enerzijds is de scheiding van de functies binnen de SP al bijna daily practice. Omdat Jan Marijnissen met enige regelmaat ziek weg valt, geeft vice-fractievoorzitter Agnes Kant leiding aan de fractie en partijsecretaris Hans van Heijningen had ueberhaupt al leiding over de dagelijkse gang van zaken van de partijorganisatie.

Belangrijker is echter de timing in het politieke debat rond de SP. Met de rel rond Yildrim dreigen allerlei lokale politici de SP te verlaten of hebben ze dat al gedaan. Het debat over de democratisering van de SP kan schijnbaar alleen maar buiten de SP plaats vinden.
De boodschap van Van Bommel is duidelijk: je kan binnen de SP een debat hebben over de interne partijdemocratie. Blijf in de SP! Democratiseer mee!
Volgens mij is dit een uitermate tactische zet van de SP-top om zo het primaat in het debat over de SP terug te krijgen en hun imago als "debatpartij" op te krikken.

De partijraad als uitdagend controle orgaan

Ik ben een radicaal in de partijraad: zo’n twee jaar geleden was ik een van de weinigen die stemde voor verkleining van de partijraad en verkiezing van door het congres. Ik zal hier kort uiteen zetten wat ik denk dat de rol van de partijraad zou moeten zijn en hoe we daar het beste invulling aan kunnen geven.

De rol van de partijraad is het controleren van het partijbestuur en de fracties in die maanden dat het congres niet samen komt. Dit houdt in dat ze grofweg twee dingen moet doen: aan het begin van allerlei processen kijken of deze juist, legitiem, democratisch, efficient en effectief zijn opgezet en vervolgens controleren of aan het eind deze processen inderdaad zo waren. De partijraad controleert het partijbestuur: de financien (de begroting en de jaarrekening), de kandidatenprocedures (via de samenstellingen en de opdracht van de commissies en de mogelijkheid van beroep) maar bij ook de uitvoering van moties (zoals het toekomst.groenlinks-project) zou de partijraad moeten door een projectopzet vooraf en een evaluatie achteraf, het proces moeten controleren. Ook de fracties worden door de partijraad gecontroleerd, als zij belangwekkende beslissingen willen nemen, zouden ze om feedback van de partijraad moeten vragen. Is er over genomen beslissingen van de fracties debat (een goed voorbeeld: wel of niet regeren?) dan moeten ze in de partijraad verantwoording afleggen.

Welke middelen moet de partijraad hebben om deze functie uit te kunnen voeren?

  • Formele macht: dat is nu geen probleem. De partijraad maakt nauwelijks weinig gebruik van haar mogelijkheden om bv politieke uitspraken te doen
  • Informatie: de fracties en het bestuur zouden de partijraad tijdig moeten informeren over wat ze van plan zijn en wat ze gedaan hebben. Zonder informatie over wat er gebeurt staat de partijraad nergens. Daarnaast moeten partijraadsleden weten wat hun functie inhoudt.
  • Leden: de partijraad moet leden hebben die verstand en ervaringen hebben van controleren, van procedures en van de inhoud (financien bv). De manier waarop de partijraad wordt samengesteld moet erop gericht zijn de beste controleurs te krijgen. Andere eigenschappen van partijraadsleden, regio, geslacht, afkomst, sexuele voorkeur, leeftijd, zijn van secundair belang. 
  • Reputatie: de partijraad moet een reputatie hebben een constructieve, geinformeerde en uitdagende controleur te zijn de fracties en het bestuur. Niet iets wat je kan vergeten, met een kluitje het riet in kan sturen of niet naar luisteren.

Hoe zou je dit dan moeten uitvoeren?

1. De partijraad moet anders worden samengesteld:

  • De partijraadsleden zullen altijd verkozen moeten worden uit meer kandidaten dan plekken. Een andere vorm van verkiezing mist iedere vorm van democratische legitimiteit.
  • Mensen zouden niet de partijraad in moeten kunnen komen zonder een kandidatencommissie gesproken te hebben. Deze kan de expertise van kandidaten beoordelen.
  • De partijraad moet worden verkleind. Met 80 mensen vergaderen heeft
    geen zin als je wilt controleren. 40 mensen is genoeg om alle nodige
    expertises te verzamelen.
  • Niet de afdelingen in achterzaaltjes moeten partijraadsleden benoemen om regionale spreiding te hebben, maar het congres is de plek om ervoor te zorgen dat de beste controleurs benoemd worden. Persoonlijke kenmerken als regio zijn van secundair belang. Dit houdt niet in dat afdelingen helemaal irrelevant moeten worden. Afdelingen en werkgroepen zouden kandidaat-partijraadsleden kunnen steunen.

Let wel dit stelsel is een bouwpakket. De verschillende onderdelen kunnen onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd: een kandidatencommissie houdt niet per definitie in dat er landelijk verkozen hoeft te worden, je zou ook kandidatencommissies van afdelingsbesturen verantwoordelijk kunnen maken voor de werving en beoordeling van kandidatencommissies.

2. De partijraad moet beter worden geinformeerd.

  • Partijraadsleden moeten weten wat hun functie inhoudt, wat hun eigen macht en mogelijkheden zijn. Een cursusmiddag na hun verkiezingen en voor de eerste vergadering kan helpen. Je moet ze niet meteen in het diepe gooien.
  • Het bestuur en de fracties moeten de partijraad serieus nemen en tijdig informeren. Het partijbestuur moet helder zijn wat voor initiatieven zij neemt om congres besluiten uit te voeren en hoe zij aan zulke processen vorm wil geven. De fracties moeten de partijraad informeren over wat zij doen en waar zij feedback over willen.

Een tegen-argument tegen verkiezing door het congres is dat dan alleen ambitieuze hoogvliegers verkozen kunnen worden. Dat lijkt me onjuist. De steun van afdelingen en werkgroepen lijkt me cruciaal bij verkiezing. Uit hun geledingen kunnen juist de beste controleurs naar voren worden geschoven. Een kandidatencommissie zorgt ervoor dat mensen niet worden verkozen op hun blauwe ogen of talent zich te presenteren, maar zij geeft een beoordeling van hun expertise. Het lijkt me een motie van wantrouwen richting het congres om te zeggen dat zij niet naar expertise kan kijken. Daarnaast kan een slim samengesteld kiesstelsel (zie deze link) ervoor zorgen dat de verkiezing niet eindeloos lang duurt.

Als de partijraad is samengesteld door GroenLinks leden, die op een legitieme manier zijn verkozen en die geinformeerd zijn en verstand van zake hebben, dan krijgt de partijraad de reputatie van uitdagend controle orgaan. En dat lijkt me het doel!

Andere GroenLinkse partijfusies

Mijn eerdere buitenlandse excursie naar aanleiding van de vraag "Wat zou je stemmen in een ander land?" heeft me erop gewezen dat GroenLinks op zich geen bijzondere partij is, als kleinlinkse fusie partij. Over heel Europa zijn er kleinlinkse fusiepartijen gevormd. Echter GroenLinks heeft zich als een van de weinige van deze partijen radicaal veranderd in een progressieve, groene en linkse partij, die geen socialistisch karakter heeft.

  • In Spanje werd in 1986 de Izquierda Unida gevormd, een alliantie rond de Spaanse Communistische Partij, waaraan allerlei andere marxistische communistische, syndicalistische en socialistische partijen deelnamen en nemen. De alliantie is radicaal links. IU zit in het euroskeptisch linkse European United Left-fractie van het Europees parlement.
  • In Portugal werd in 1999 de Bloco de Esquerda gevormd, een alliantie van drie radicaal linkse partijen, een trotskistische, een maoistische en een socialistisch. Ook deze alliantie is met name radicaal links. Naast de BE bestaat nog steeds de grote communistische PCP. De BE is geaffileerd met de euroskeptisch linkse European United Left-fractie van het Europees parlement.
  • In Griekenland bestaat sinds 1989 Synaspismos, onstaan als een alliantie van de pro-sovjet communistische partij en de euro-communistische partij, is het nu een alliantie van marxisten, eco-socialisten, en democratisch socialisten, die weer de spil vormt in een alliantie van trotskisten, eco-communisten en andere kleine linkse groeperingen. Naast Synaspismos bestaat nog steeds de communistische KKE. Synapsimos zit in het euroskeptisch linkse European United Left-fractie van het Europees parlement.
  • In Denemarken bestaat sinds 1989 de Enhedslisten, een rood-groen samenwerkingsverband van communisten, linkse socialisten, maoisten en trotskisten. Ook deze partij is met name links. Naast de Enhedslisten bestaat ook nog de Socialistisk Folkeparti, een soort grote PSP. De Enhedslisten is geaffileerd met de euroskeptisch linkse European United Left-fractie van het Europees parlement.

Wat opvallend is aan deze opsomming is het volgende. Overal in Europa zijn fusiepartijen als GroenLinks onstaan. Soms met communisten, soms zonder, soms met PSP-achtige derde weg socialisten, soms zonder. Dat christelijke groeperingen als de PPR of de EVP deelnamen, is Nederlands unicum. Al deze partijen hebben echter een radicaal links profiel maar missen GroenLinkse nadruk op duurzaamheid, diversiteit en internationalisme. Je zou kunnen stellen dat GroenLinks zich op meerdere assen profileert (zowel groen als links als progressief), terwijl al de andere partijen met name links zijn, en zich dus maar op een as profileren.

Er zijn een aantal verklaringen voor de tamelijk bijzondere profilering van GroenLinks als progressief-linkse partij:

  • De deelname van de PPR, een partij met een ambigue links, christelijke, groene identiteit heeft ervoor gezorgd dat GroenLinks een veel ambiguere progressief-groen-linkse positionering heeft, dan andere linkse fusies. De PPR is ueberhaupt een partij van de bijzondere positionering. Zij is onstaan als christelijk-linkse splitsing, die in de jaren ’70 zo een unieke positie had, vervolgens is zij in de jaren ’80 verandert in een progressieve, groene en linkse partij, weer een unieke positionering die sterk overeenkomt met het huidige GroenLinks.
  • De vernieuwing die in de jaren ’80 binnen de CPN plaats vond, van stalinistische arbeiderspartij naar progressieve emancipatiepartij en de electorale verzwakking die dat tot gevolg heeft gehad, heeft ervoor gezorgd dat GroenLinks geen stalinistisch stempel heeft gekregen.
  • Ook de deelname in de Europese Groene partij heeft GroenLinks als fusie partij een vernieuwende niet-socialistische, groene identiteit gegeven.
  • Opvallend is tenslotte dat de Europese partij die het meest op de PSP leek, de Deense Socialistisk Folkeparti, nu een profiel heeft dat steeds meer op GroenLinks lijkt: progressief, pro-Europees, links en groen. De stelling die je wel eens in kranten leest dat de SP de plaats van de PSP heeft overgenomen lijkt me dus onjuist, was de PSP onafhankelijk verder gegaan is het waarschijnlijk dat de ze net als de Deense SF was geworden.

Wat zou je stemmen als GroenLinks niet bestond?

De laatste van mijn drie wat-if scenarios. Wat zou je stemmen als GroenLinks niet bestond? Ik zal hier een preferentie ordening maken van welke partij ik het liefst zou stemmen en welke het minst lief.

GroenLinks staat uiteraard op 1.

De tweede keuze was lange tijd voor mij de SP, maar ik maak me tegenwoordig steeds meer zorgen over de groei van de SP. Kijk bij de SP van de activistische, doopgezinde, non violent, vegetarische, lesbische Krista van Velzen zou ik me nog wel thuis kunnen voelen, maar de groeiende, conservatieve, populistische, opportunistische, centralistische, euroskeptische, dogmatische, nationalistische tegen-partij, vind ik nogal … eng.

De PvdA daarentegen vind ik steeds sympathieker worden. Het is nu zo’n beetje de underdog van de Nederlandse politiek, met min-of-meer dezelfde ideeen als GroenLinks alleen dan gematigder. In het kabinet leveren ze sympathieke en capabele ministers. Ik heb wel vertrouwen in de partij van Pronk en Bos. Een goede tweede keus.

Bij de derde keus gaat het tussen D66 en de SP. Beide partijen lijken op GroenLinks in een aspect (D66 is net als GroenLinks progressief, de SP net als GroenLinks sociaal) maar niet in een ander (D66 is markt-liberaal en de SP is conservatief). Waar D66 amateuristisch en genuanceerd is, is de SP strak georganiseerd en "tegen". D66 en de SP eindigen ex aequo op drie.

Op vier komt de Partij voor de Dieren, naief, idealistisch, gericht op diegene die ons hulp het meest nodig hebben, maar toch zeker ook een anti-politieke partij die politiek behandelt als een ethische kwestie en met enige regelmaat treedt in de autonome sfeer van organisaties en individuen.

Dan is de keuze min-of-meer tussen seculier rechts en de christelijke centrum partijen.  De christelijk-sociale ChristenUnie verkies ik boven de VVD van Rita Verdonk, maar ik zou een stuk meer twijfelen bij de VVD van Hans Dijkstal. Het CDA als arrogante partij van de macht, gevuld met glibberige politici als Verhagen staat onder de VVD, maar boven de PVV. Laatste vraag is dan: homo-rechten of migranten-rechten? Dictatuur van de onderbuik of de kerk? PVV of SGP? Dat is geen eerlijke keuze: ex aequo bungelen onderaan PVV of SGP.

Uiteindelijke ordening is dus:
1 GroenLinks
2 PvdA
3 D66 en de SP
4 Partij voor de Dieren
5 ChristenUnie
6 VVD
7 CDA
8 PVV en SGP

Wat zou je stemmen in Israel?

Een ander "what if"-scenario. Wat nou als ik mocht stemmen in een ander land dan Nederland? Nog steeds streef ik naar echte vrijheid voor allen.

Laten we eens beginnen dichtbij thuis. De oprichters van de EEG bijvoorbeeld. In de meeste van deze partijen is een redelijk grote groene partij, vaak ook nog met regeringservaring. Vaak is groene politiek ook nodig, niet alleen vanwege de klimaatverandering maar ook vanwege het culturele klimaat. In Vlaanderen wordt het zeker Groen! en in Wallonie Ecolo. In Frankrijk zou ik waarschijnlijk Les Verts stemmen, maar zeker ook Sego bij de presidentsverkiezingen. In Duitsland Die Gruenen en in Luxemburg Dei Greng. Italie is het eerste twijfel geval naast de Verdi is er ook nog de Radicali: links, liberaal en zeer belangrijk in Italie: radicaal seculier en voor homo-rechten. Misschien dat ik mijn stem wel wissel.
In de andere leden van de EU-15 doen groenen het minder goed. In het Verenigd Koninkrijk zou ik LibDem stemmen: de meeste linkse en progressieve partij in het parlement, pro-Europees en heel belangrijk in het Verenigd Koninkrijk: voor hervorming van kiesstelsel. In Ierland is er wel een Green Party, maar die zijn erg Euroskeptisch, daarnaast is er een kleine Labour Party en de politieke arm van de IRA Sinn Fein. Toch maar groen denk ik…
In Denemarken zou ik Socialistisk Folkeparti stemmen, een bevriende partij van de Europese groenen, een progressief linkse partij net als de PSP. In Zweden en Finland is er zowel een groene partij als een progressief linkse partij als de SF. In Finland zou ik moeten kiezen tussen Vihrea Liito, een zeer centristische groene partij, de Euroskeptische en voormalig communistische Vasemmistoliito of misschien toch de SDP, de sociaal-democraten die in Noord Europa zo’n goede reputatie hebben. Bij de presidentsverkiezingen zou ik zeker de sociaal-democraat Halonen gesteund hebben en voorts waarschijnlijk de Groenen om dat ze meer voor Europese samenwerking zijn dan Vasemmistoliito. In Zweden wordt de keuze niet veel makkelijker: de Euroskeptische voormalige communisten van de Vansterpartiet of de Euroskeptische gematigde Miljopartiet de Grona of de sociaal-democraten, de SSAP, die Zweedse verzorgingsstaat hebben opgebouwd en hervormd en Zweden buiten de koude oorlog hebben gehouden en in de Europese Unie. SSAP dan maar? In Oostenrijk is de keuze een stuk simpeler: Die Gruenen zijn groen, links, progressief en pro-Europees.
Waar Noord Europa veel keuzes bood, is Zuid-Europa veel lastiger: in Griekenland is er de sociaal-democratische PASOK en de communistische KKE en een brede alliantie van kleine radicaal linkse partijen Synaspismos, ik zou de laatste stemmen. In Portugal is er de sociaal-democratische PS, de communistische PCP en de hele linkse BE. De PCP is geallieerd met de kleine groene PEV. Bij twijfel groen dan maar? Eenzelfde situatie in Spanje: sociaal-democratische PSOE en een links blok geleid door de communisten, de Izquierda Unida, van die laatste zijn ook de groenen lid. Bij twijfel dan maar groen.
In de Noordelijke landen die niet lid zijn van de Europese Unie, is de keuze simpel: een progressieve en linkse partij die voor toetreding tot de EU is: de sociaal-democratische Samfylkingin in IJsland, de Arbeiderpartiet in Noorwegen en de Gruene Partei der Schweiz.
Terug naar de Europese Unie: de tien nieuwe staten. Een stuk moeilijker omdat de partijsystem minder ontwikkeld zijn. Het simpelste principe hier is toch: alleen op partijen stemmen die homodiscriminatie willen aanpakken, als er dan nog keuze is: niet-communistische links. De sociaal-democratische SLD in Polen, de Groene Strana Zelenych in Tsjechie, in Slowakije de minderhedenpartij MKP, in Hongarije de liberale SzDSz, de jongerenpartij SMS is Slovenie, de sociaal-democratische SDE in Estland, de groene LZP in Letland, de sociaal-liberale Naujoji sÄ…junga in Litouwen, in Cyprus de liberale ED, die een voorstander is van hereniging van het eiland en in Malta de groene AD.
Tenslotte dan nog enkele westerse landen: in de VS zou ik Green zijn, met name omdat het kiesstelsel daar gewijzigd moet worden. Toch zou ik op Hillary Clinton stemmen als president, terwijl ik dichterbij "loonly left" Dennis Kucinich sta. Green ook in Australie en Nieuw Zeeland. In Canada wordt het sociaal-democratische New Democratic Party. In Israel tenslotte Meretz-Yachad, de politieke arm van de vredesbeweging.

Wat zou je stemmen in 1918?

Stel dat ik geboren was in 1895 in plaats van 1984 wat zou ik dan hebben gestemd bij de verkiezingen van 1918? Een zeer hypothetische vraag, maar wel een interessante.

Laat ik als uitgangspunt nemen dat ik, onafhankelijk van welke omstandigheid dan ook, zal stemmen op een partij die op komt voor echte vrijheid voor allen.

Bij de verkiezingen van 1918 waren er zeventien partijen, die een zetel haalden. Vijf daarvan zijn, anders dan ik, christelijk. Twaalf to go.  Acht andere partijen zijn rechts-liberaal, dat houdt in dat ze opdat moment tegen de verstrekkende hervorming van het nachtwakersstaat waren. Blijven er vier over: de vrijzinnig-democratische VDB, democratisch socialistische SDAP, de revolutionair socialistische (later communistische) SDP en de libertarisch socialistische SP. Het is een keuze tussen pragmatisch en idealistisch. Dus wordt het SP. De SP is echter geen lang leven beschoren. Bij de verkiezingen van 1922 is zij door een strenge kieswet kansloos. De VDB, de SDAP en de CPH blijven over. Je ziet mij niet snel de CPH steunen. De VDB is weinig radicaal, SDAP dus.

In 1932 breekt de marxistische oppositie uit de SDAP, onder leiding van Jacques de Kadt. Zij vormende Onafhankelijke Socialistische Partij. Een groep die zeker mijn sympathie zal hebben met name omdat zij zich zeer verzetten tegen het fascisme en het oorlogsgevaar. Helaas redt deze partij in 1933 de kiesdrempel net niet. In 1935 fuseren ze met de trotskistische Revolutionair Socialistisch Partij tot de Revolutionair Socialistische Arbeiderspartij. Ik denk niet dat ik me had thuis gevoeld bij deze nieuwe organisatie, die onder andere een eigen knokploeg heeft. En ik zal in 1937 terugkeren tot de SDAP. De VDB, die in de crisisjaren in het kabinet heeft gezeten en rechts bezuinigingsbeleid heeft gesteund heeft dan allang af gedaan.

Na de Tweede Wereldoorlog is het Nederlandse politieke landschap radicaal veranderd. Veel oude partijen zijn opgeheven en nieuwe ontstaan. Met name wederopbouw en de onafhankelijkheid van Indonesie zijn belangrijke thema’s. Bij de verkiezingen van 1946 halen slechts zeven partijen de kiesdrempel. Vier daarvan zijn christelijk en een is rechts-liberaal. Blijven de CPN en de PvdA over. Het Indie-standpunt van de PvdA, die later ook de politionele acties zal gaan steunen, vind ik te laf. Indonesie moet zo snel mogelijk onafhankelijk en dus stem ik, met zekere tegen zin, communisten. In 1948 waarschijnlijk ook. Dan blijf ik tot 1959 PvdA stemmen, met tegen zin, maar die stalinisten zijn ook niet alles.

Dan vormt zich in 1959 een nieuwe partij rond nucleaire ontwapening, solidariteit en vrijheid: de PSP. Een echt progressief linkse partij. Zeker tot 1971 een goede keuze. Dan twijfel ik toch even. Onder Nieuw Links veranderd de PvdA: met Joop den Uyl als een inspirerend leider naar een nieuwe wereld. Daarnaast stelt de PSP zich weigerachtig op waar het gaat om progressieve samenwerking. Misschien dat ik een of twee keer toch PvdA stem in 1971, 1972 of 1977. Mijn hart blijft echter bij de PSP en zeker na 1982 (na het beschamende kabinet Van Agt II en de anti-kernwapenmanifestaties).

In 1989 fuseert de PSP met CPN en de progressief-christelijke PPR en EVP tot GroenLinks, die opnieuw progressieve met linkse idealen combineert met een nieuw besef dat de aarde eindig is. Dat GroenLinks sinds 2004 de laatste links-liberale partij van Nederland schijnt te zijn, doet hier geen afbreuk aan: we blijven op komen voor duurzaamheid, diversiteit, democratie, vrede en solidariteit.

DWARS & diversiteit?

Vorig weekend was het DWARSkamp in Assen. Zo’n 30 groene/sociale/vrijzinnige/kosmpolitische jongeren bijelkaar in de Assense bossen. Ik zal de lezer niet vervelen met een persoonlijk relaas over in het hooi slapen, kapot gestoken worden door muggen, gescheurde broeken in het bos en doorrookte kleren. Maar mij richten op iets interessanters: het thema van het kamp, namelijk diversiteit.

Dit thema werd ingezet met een wat stichtelijk gesprek over "jong zijn in een diverse maatschappij" wat door de gespreksleider al snel naar het meer interessante onderwerp "hebben je ouders je beinvloed om DWARS’er c.q. GroenLinks’er te worden?" werd gedirigeerd. Bij de meeste DWARS’ers werd thuis de VPRO of VARA-gids en de Volkskrant gelezen. Het Jeugdjournaal (toch min of meer de bron van linkse gevoelens bij jonge kinderen) was voor iedereen verplichte kost. Hun ouders stemden bijna allemaal links en vaak GroenLinks. Toen er bij het kampvuur liedjes gezongen werden bleek ook ons repetoire te overlappen: Jeugdsentiment als Kinderen voor Kinderen (weer zo’n typisch geval van linkse indoctrinatie bij jonge kinderen) en alternatieve rock als favoriet nu.

Dat wil niet zeggen dat DWARS ondivers is. Er waren ongeveer evenveel vrouwen als mannen en ook homo’s en lesbo’s waren (over)vertegenwoordigd. Alhoewel het gezelschap blank was, waren als je na telt allochtonen niet ondervertegenwoordigd. Van de dertig mensen waren er ongeveer vier (ten opzichte van 10% in Nederland; let wel ik reken hier hypergeintegreerde DWARS’ers als Selcuk en Jesse mee). Opleidingsniveau is eigenlijk dan het enige wat echt niet goed zit: van de aanwezige DWARS’ers studeerden de meeste op WO of HBO-niveau.

Tussen deze op sommige aspecten verschillende en andere aspecten gelijke DWARS’ers was er veel verbondenheid en solidariteit, vriendschappelijke en ontspannen verhoudingen. Iets wat ik bij GroenLinks nog wel eens mis, met al de conflicten, frustratie over de TK-fractie en beroepspolitici.

Trouwens, onder de aanwezige ook enkele van mijn lezers (de enige?) met radicale kritiek op mijn weblog: ik schreef te lang, niet vaak genoeg en te veel over wijsbegeerte. Ik hoop dat ik hen een plezier heb gedaan met dit nieuwe korte stukje over hun eigen leef- en denkwereld.

internationale solidariteit

Een nieuw onderwerp van debat binnen de politieke filosofie is internationale solidariteit. Naar aanleiding van Rawls‘ the Laws of Peoples onstond er een debat over hoe en op welke wijze middelen, geld en goederen tussen staten verdeeld zouden moeten worden. Er zijn grofweg vier redenen om her te verdelen tussen de de rijke en arme landen. Ik zal ten slotte mijn eigen positie innemen.

Rawls geeft zelf de eerste. Hij meent dat "Volkeren de plicht hebben andere volkeren te helpen, die onder omstandigheden leven die voorkomen dat zij een rechtvaardig en fatsoenlijk politiek en sociaal regime hebben." Rawls denkt dat de belangrijkste van deze omstandigheden gevormd worden door cultuur. Herverdeling is tijdelijk: tot dat alle volkeren een rechtvaardig en fatsoenlijk regime hebben moeten diegene die rijker zijn dan anderen middelen afstaan aan diegene die er minder goed voorstaan. Het gaat hier dus om echte ontwikkelingshulp: bijstand die volkeren instaat stelt om fatsoenlijk en rechtvaardig te worden.

Een ander perspectief wordt verdedigd door Steiner (in Political Philosophy of Cosmopolitanism), die voortbouwt op het werk van Henry George. De claim is hier dat verschillen in inkomen tussen volkeren het gevolg is van verschillen tussen de vruchtbaarheid, de bodemschatten en het klimaat van het land waar ze leven. Er zou dus een wereldwijde belasting moeten komen op de baten van het land die wordt gebruikt om landen die een onvruchtbaar, onbruikbaar land hebben compenseert voor hun onfortuinlijke positie.

Een derde perspectief komt, opvallend genoeg van Robert Nozick. Aangezien wij de armste landen vaak niet het meest rechtvaardig hebben behandeld (denk aan slaverij, kolonialisme, leegroven van de bodemschatten) hebben zij recht op compensatie. De kolonisatoren hebben een historische schuld ten opzichte van de kolonies.

Een laatste perspectief verdedigd door Cob (ook in Political Philosophy of Cosmopolitanism). Hij meent dat alle mensen, onafhankelijk van waar ze wonen recht hebben op een basisinkomen
dat voorziet in de eerste levensbehoeften. Zo kunnen mensen zich
richten op zelfontplooing in plaats van de strijd om het bestaan.
Internationale solidariteit moet er op gericht zijn alle mensen in hun
basisbehoeften te voorzien. Zo’n basisinkomen zou heel laag kunnen zijn, bijvoorbeeld een euro per wereldburger: genoeg om in de derde wereld geen honger te hoeven leiden.

De belangrijkste argumenten om een van deze posities in te nemen, zouden zich moeten richten op de redenen waarom arme landen arm zijn: zijn ze dat omdat ze 1) een bepaalde cultuur hebben 2) bepaalde grondstoffen missen, 3) vroeger gekoloniseerd zijn? Dit is een empirische vraag maar aan de hand van een aantal voorbeelden kan wel bepaald worden wie het dichtst bij de waarheid zit.

Grondstoffen zijn geen directe determinant van inkomen van een staat: denk maar aan Japan, dat geen grondstoffen heeft en heel rijk is en Brazilie wat veel armer heeft een veel (onontgonnen) grondstoffen bezit. Daarnaast kunnen grondstoffen op bijzondere manieren de ontwikkelingen van een volk bepalen. In het middenoosten zijn veel grondstoffen, is het gemiddelde inkomen hoog, maar zijn er grote verschillen in inkomen. Daarnaast kunnen dictaturen met olie geld hun volk te vreden houden en zo een onrechtvaardige situatie perpetueren. Grondstoffen lijken dus niet de belangrijkste reden van inkomensverschillen in de wereld.

Cultuur is een heel moeilijke factor. Bijvoorbeeld Chili was zo’n 30 jaar geleden redelijk arm en corrupt. Dat werd gewijd aan de katholieke cultuur die corruptie en patronage instand hielden. Toen het land in de jaren ’90 veel rijker werd, werd dit gewijd aan de katholieke cultuur, die gemeenschapszin en hard werken zou stimuleren. Het zelfde werd gezegd over China met haar confucianistische cultuur die aan de ene kant berusting en authoritaire regimes instand zou houden en anderszijds hardwerken in de hand zou werken. Uiteraard zijn er landen die hun welvaart te danken hebben aan hun cultuur (denk aan Japan, dat een soort spons is voor allerlei ontwikkelingen).

Ik denk dat de derde factor het belangrijkst van de drie, is: de landen die het armst zijn door de Europeanen opgedeeld, gekolonialiseerd en uitgezogen. Een opvallende factor hierbij is dat sommige kolonisatoren een veel positiever effect hebben gehad op hun kolonien dan anderen. De voormalige kolonien van het Verenigd Koninkrijk zijn, gemiddeld genomen veel stabieler, democratischer en rechtvaardiger dan die van haar grootste tegenstrever Frankrijk. Het Verenigd Koninkrijk legde namelijk een bestuurlijke en economische infrastructuur neer in haar kolonien.

Ten slotte: hebben mensen (daarnaast) recht op een basisinkomen. Uiteindelijk wel: immers ik ben voor een basisinkomen en tegen staten en daarmee dus voor een universeel basis inkomen. Maar nu nog niet. Ik denk dat zo lang er nog grote verschillen in rijkdom bestaat tussen staten het onrechtvaardige gevolgen heeft om mensen zonder voorwaarde inkomen te geven. Dat zou namelijk er voor zorgen dat in Derde Wereldlanden mensen niet meer hoeven te werken om te overleven, en als zij niet meer werken en alleen maar consumeren brengen ze hiermee de ontwikkeling van hun eigen economie en economische infrastructuur een gevoelige klap toe. De consumptiemiddelen die zij kopen worden (zeker in het begin) uit het westen geimporteerd. Zo’n economie wordt dan sterk afhankelijk van onze productie. Daarnaast zulle minder mensen in die landen gaan werken, maar een ontwikkelende economie heeft juist mensen nodig die willen werken, bedrijfjes willen beginnen. Door mensen zonder voorwaarde een inkomen te geven, hou je de derde wereld arm, afhankelijk en onderontwikkeld.

Ik denk dus dat voormalige kolonien recht hebben op compensatie van hun
kolonisatoren voor de manier waarop ze behandeld zijn en dat niet
alleen gekeken moet worden naar of ze onrechtvaardig behandeld zijn,
maar daarnaast ook of de koloniale macht heeft geinvesteerd in haar
kolonie. Koloniale machten, die op beide punten het slechts scoren,
zouden het meest moeten bijdragen aan haar kolonien. Ook landen die geen eigen kolonien hebben gehad maar die indirect ervan hebben geprofiteerd, zoals de VS (door de slavernij), moeten hun bijdrage leveren. Met deze steun kunnen landen zich ontwikkelen, om zoals Rawls wil op gelijke voet te komen met het Westen. Als er dan geen grote verschillen meer bestaan kan het systeem langszaam worden omgevormd tot een mondiaal basisinkomen voor allen.

Republicanisme vs. Liberalisme

Er valt op het boek van Held (zie vorige post) ook heel wat af te dingen. Zijn schematisering van verschillende vormen van democratie is uiterst complex. Ik zal hier een uiterst simpel onderscheid voorstellen tussen liberale democratie en republikeinse democratie. De fundamentele vraag die liberale van republikeinen scheidt, is een vraag van waarde: is democratie op zich waardevol of is het slechts een middel.

Liberalen menen dat democratische besluitvorming slechts ten doel heeft de vrijheid c.q. het welzijn van de burgers te bewaren door de macht van de elite te beperken. Vrijheid (of welzijn) is het hoogste goed. Bijvoorbeeld: door regelmatige verkiezingen  wordt de macht van politici beperkt.  Zo’n opvatting van democratie gaat ook goed samen met de rechtsstaat, waar de macht van de overheid beperkt is door de grondwet, ten bate van de rechten van burgers. Representatieve democratie is hierbij een passende uitvoering.

Machiavelli was een van de eerste die zo’n soort mening debiteerde. Zijn kernthese is dat een prudent politicus oog heeft voor de behoeften van de burgers omdat hij zonder hun steun niet kan regeren. Hobbes had vergelijkbare, zij het wat minder democratische, opvatting. Hij meende dat het hoofddoel van de overheid de bescherming van haar burgers was. De meest prominente aanhanger is Mill en andere 19e eeuwse utilitaristen. Zij menen dat de overheidsmacht beperkt moet zijn en door de burgers gecontroleerd omdat dit tot het hoogste totale geluk leidt. Prominenten 20e eeuwse liberale democraten zijn Weber en Schumpeter. Zij zijn beide skeptisch over het idee dat in een democratie het algemeen belang wordt nagestreefd, en zien democratie als een methode om elites te kiezen en on-their-toes te houden. Na oorlogse Amerikaanse pluralisten, als Dahl staan ook in deze traditie.

Republikeinen daarentegen menen dat participatie in democratische besluitvorming op zich waardevol is. Volkssoevereiniteit is de enige basis voor legitieme besluitvorming. Zo’n opvatting past ook beter bij een overheid die niet beperkt is door een grondwet of burgerrechten. Het volk heeft het absoluut te zeggen. Zo’n ideaal van democratie hangt goed samen met directe democratie, in de vorm van lekenjury’s, referenda, townhall meetings etc.

Deze opvatting vindt zijn basis bij de Atheense democratie en bij Marsilius van Padua, die voor het eerste het idee van volkssoevereiniteit formuleerde. De belangrijkste exponent is echter Rousseau, die meende dat mensen slechts echt vrij kunnen zijn als zij zich onderwerpen aan de algemene wil. In de 20e eeuw is er een traditie van deliberatieve democratie. Dit legt de nadruk op de waarde van onderlinge communicatie bij het vormen van meningen. Als er sprake is van echte democratische besluitvorming is er een kwalitatieve sprong van de meningen van alle individuen naar de mening van iedereen samen. Habermas is hier een belangrijke exponent van.