Is vergelding barbaars?

Een van de principes achter straffen is het idee van vergelding. De centrale notie is dat als iemand iets misdaan heeft, we hem of haar moeten straffen om daarmee ons gevoel dat ons iets onrechtvaardigs aan gedaan mee te repareren. Iemand heeft een ander iets aangedaan en nu moet hem schade aan gedaan worden, om het geschonden rechtsgevoel te herstellen en om recht te doen aan de schade die aan mensen gedaan is.

Het beste komt dit naar voren in de reactie op de moord op Osama bin Laden. Dat was een verschrikkelijke terrorist die 3000 mensen heeft laten vermoorden. Hij verdient het om door Amerikaanse special ops gedood te worden zonder proces. Alleen zo kon er genoegdoening gegeven worden aan de families van de slachtoffers van 9/11.

Ik denk dat daar een fundamentele denkfout in zit. Als je straft uit vergelding dan behandel je iemand als middel maar niet als doel. Dan laat je de overheid iemand straffen om zo de gevoelens van het slachtoffer en van de gemeenschap weg te nemen. Immanuel Kant stelde zeer terecht dat de kern van moreel gedrag is dat je mensen behandelt als een doel op zich en niet als een middel. Als je andere mensen alleen maar ziet als middelen om je eigen gevoelens te bevredigen, dan behandel je ze niet als mensen maar als dingen.

En dat is precies wat het probleem is bij misdadigers. Veel misdadigers missen empathische vermogens: ze kunnen zich niet in anderen inleven. Ze realiseren zich niet dat ze andere mensen pijn doen. Als misdadigers dat wel empathische vermogens hebben hebben dan ontwikkelen manieren om ervoor te zorgen dat ze dat voor sommige mensen niet voelen: ze ontmenselijken hun slachtoffers en dan hoef je voor hen geen respect voor te tonen. Dehumanisering is de manier om misdadig gedrag te rechtvaardigen: die Moslim die ik neerschoot was geen mens maar een verschrikkelijke terrorist; die vrouw die ik verkrachtte was geen mens maar een slet; die Jood die ik opsloot was geen mens maar een rat. De ergste misdaden tegen de menselijkheid -massa-verkrachtingen, massa-slachtingen, de concentratiekampen waar massa-moord geindustrialiseerd werd- kunnen alleen maar plaats vinden als de slachtoffers van hun menselijkheid ontdaan worden.   

Als je mensen niet meer als mensen behandelt, maar hen zien als dingen, middelen die we gewoon kunnen gebruiken om onze eigen gevoelens op bot te vieren, dan gaat het mis. Als we stellen dat mensen geen respect meer verdienen, dan is allerlei immoreel gedrag gerechtvaardigd. Dat geldt voor de misdadiger en voor hen die straffen omdat ze wraak willen op de misdadiger. Ze overtreden beide de notie dat mensen geen dingen zijn en respect verdienen.

Je zou kunnen stellen dat mensen alleen maar respect verdienen zolang ze zich aan de regels houden, dat mensen die de wet breken hun recht op respect hebben verloren. Maar dat lijkt me verkeerde interpretatie van moraliteit: morele principes gelden niet alleen maar zolang het makkelijk is. Slechts als je je ook aan dat soort principes houdt als het moelijk wordt, hebben ze zin. In het Paradijs kunnen we allemaal moreel zijn, maar morele regels heb je om de moeilijke beslissingen te nemen. Ik kan me goed inleven in een vader wiens kind gedood is, en zint op vergelding, op wraak. Maar het lijkt me dat we niet moeten uitgaan van die wraakgevoelens, maar van onze morele principes.

Beste Arie Slob,

Van harte gefeliciteerd met uw verkiezing als fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Tweede Kamer. U kent mij niet maar toch draag ik de ChristenUnie een warm hart toe. Maar daarmee komen we meteen bij een groot probleem van uw partij: waarom zou een homoseksuele, agnostische, vegetarier sympathie hebben voor een partij die gevormd als een fusie van twee kleine rechtse orthodoxe Christelijke partijen?

De ChristenUnie is in de laatste 10 jaar sterk verandert: van een fusie van Vrijgemaakten en Gereformeerden naar een brede sociaal-Christelijke partij. Het is geen partij van God, Oranje en Vaderland meer, maar een groene en sociale partij die ontspannen wil omgaan met verschillen. Zo gezien, is de partij lastig te onderscheiden van GroenLinks: ook een groene en sociale partij die streeft naar een ontspannen samenleving. Net als GroenLinks en D66 kenmerkt de ChristenUnie zich door een inhoudelijke constructieve opstelling jegens het kabinet. Die ChristenUnie vind ik sympathiek.

Maar is dat electoraal een slimme strategie? De ChristenUnie bevindt zich op scharnierpunt van haar geschiedenis. Na een electorale tegenslag komt u er als nieuwe leider. Welke koers moet u gaan varen? In mijn ogen heeft ChristenUnie drie mogelijkheden. De partij kan de sociale-groene-ontspannen kant op en op zoek gaan naar ontevreden kiezers van de PvdA, zoals GroenLinks, de SP, de PvdD en D66 al doen. Het is druk op links. Hoe zeer ik ook sympathiseer met zo'n koers, denk ik niet dat het een slimme strategie is.

Daar staat een andere strategie tegenover: terug naar de basis van de partij, een echte Christelijke koers varen. Dat betekent een nadruk leggen op abortus, euthanasie, het traditionele gezin, zondagsrust. Daarmee schrik je kiezers af. Als je als ChristenUnie duurzaam een grotere partij wil vormen dan zal je moeten verbreden buiten orthodox Christelijke kring.

Dan komen we bij de derde mogelijkheid: de ChristenUnie heeft een ideale positie in het politieke landschap. Zij is de enige partij die economisch sociaal is en in cultureel opzicht conservatief. De meeste kiezers zijn conservatief en sociaal: ongeveer 40% van de kiezers is sociaal en conservatief. De PVV, de SP en 50+ zijn allemaal aan het vissen in die grote vijver. Waarom blijft de CU dan steken op 5 zetels? Dat komt omdat de partij niet in staat is om de juiste combinatie van conservatieve en sociale standpunten te vinden. De Christelijk-sociale koers betekent dat de ChristenUnie wat betreft de verzorgingssaat meer naar links is geschoven dan in de tijd van de RPF en het GPV. Op migratie heeft de partij een ambigu profiel: opkomen voor vluchtelingen maar wel kritisch over de islam. De euroskepsis die de partij ooit koesterde is in de regering verdwenen. Kies consistent voor een conservatieve lijn op de culturele thema's die nu domineren: veiligheid, migratie en Europa. Dat betekent niet dat je afstand doet van je huidige standpunten, maar dat je law & order standpunten op prostitutie en drugs helder naar voren brengt, je gehechtheid aan de Nederlandse, Christelijke cultuur niet verhult onder ontspannen omgaan met verschillen  en je skepsis over Europese integratie afstoft. Wees sociaal in het beschermen van de huidige verzorgingsstaat en conservatief in het beschermen van Nederlandse waarden. Die combinatie is electoraal goud.

Met de keuze voor een kamerlid met een Vrijgemaakt-Gereformeerde achtergrond, lijkt de ChristenUnie te kiezen voor een terugkeer naar de Christelijke koers. Een keuze voor vijf zekere zetels van orthodoxe Christenen. Als je wilt dat de ChristenUnie een macht van belang wordt, zult u moeten kiezen. Dit is het schakelpunt voor de ChristenUnie. Keer niet terug naar Christelijke koers, wordt ook geen kopie van GroenLinks. Als je echt een partijleider van belang wil worden, kies voor de ideale combinatie van conservatief en sociaal die de ChristenUnie kan vertegenwoordigen.

Vriendelijke groet,

Simon Otjes

Een linkse, homoseksuele, agnostische vegetarier

GroenLinks Gedachtegoed in Ontwikkeling

GroenLinks gaat terug naar haar roots. Bij het twintigjarige bestaan organiseren het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie een lezingencyclus over de idealen van GroenLinks. In vijf bijeenkomsten keken prominente partijleden terug over de ontwikkeling van het denken van de partij over milieu, militaire interventie, Europese integratie, de multiculturele samenleving en de verzorgingsstaat. Een vraag kwam iedere keer op in de lezingencyclus: is GroenLinks een ideeenpartij die voorop loopt op maatschappelijke ontwikkelingen of worden haar standpunten met name gevoed door externe omstandigheden? Is GroenLinks een voorhoedepartij of een speelbal van maatschappelijke ontwikkelingen?

 Speelbal van internationale ontwikkelingen

Alle sprekers benadrukte dat de ontwikkeling van het gedachtegoed van GroenLinks gevormd werd door externe factoren. Het sterkst kwam dit naar voren in het betoog van Joost Lagendijk: 'vraagstukken van oorlog en vrede hebben voortdurend tot discussie binnen de partij geleid. Nieuwe conflicten stelden GroenLinks voor nieuwe dilemma's.' Eén conflict zorgde voor fundamentele veranderingen over het denken over het gebruik van geweld binnen GroenLinks: de oorlog in Joegoslavië. Tussen 1992 en 1995 concentreerde de gewelddadigheden zich in Bosnië-Herzegovina: 'Serviërs zuiverden gebieden van Bosnische Moslims en Kroaten, en als zij de kans kregen deden de Kroaten en Moslims dat even hard terug. Op televisie verschenen beelden die deden denken aan de concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog. Er moest wat gebeuren. In 1995 hebben de Verenigde Staten uiteindelijk ingegrepen. Het algemene gevoel was: dit nooit meer, op de deurmat van Europa mogen mensen elkaar niet afmaken. En dan begint in 1999 hetzelfde in Kosovo als in Bosnië had plaatsgevonden: door Servische moordpartijen werden de Kosovaren de grens over gejaagd. Het geweten van de NAVO begint op te spelen: ze gaat zonder VN-mandaat over tot luchtaanvallen op militaire en civiele doelen. Na veel interne debatten koos GroenLinks ervoor om het ingrijpen te steunen.'

 Wetenschappelijke ontwikkelingen lossen groene conflicten op

Maar ook in het denken over het milieu spelen ontwikkelingen buiten GroenLinks een belangrijke rol over het denken binnen GroenLinks over economie en ecologie, zij het minder dramatisch. In de beginjaren een hevig debat tussen mensen diegene die voorstander zijn van beperking van de consumptie in Nederland door de invoering van een eco-tax en mensen die de positie van mensen met een laag inkomen willen beschermen tegen zo'n eco-tax. Marijke Vos: ' Groene en linkse doelen stonden haaks op elkaar.' Groene en sociale Kamerleden stonden hier recht tegenover elkaar. De angel zat hem in het idee dat de consumptie moest afnemen. In 1998 verschoof het denken onder andere door het boek Factor 4. Het boek stelde dat ‘als de overheid kiest voor duurzame technologie zoals zonne-energie, een verdubbeling van de welvaart gepaard gaan met een halvering van de druk op het milieu. In het verkiezingsprogramma van 1998 lezen we niets meer over krimp: GroenLinks is voorstander van ‘Nederland innovatieland’, een land dat goed is in allerlei nieuwe milieutechnologie waar groei samen kan gaan met het milieu. De win-wingedachte is geboren. Omdat groen juist goed is voor de economie, is de spanning tussen groen en links verdwenen.’ Wetenschappelijke ontwikkelingen halen de angel uit een van de centrale debatten van GroenLinks in de eerste jaren.

Individualisering als reactie op Fortuyn

Volgens Dick Pels, de directeur van het Wetenschappelijk Bureau, speelden ook externe factoren een belangrijke rol in het denken over de multiculturele samenleving: 'Tussen de tijd van de PSP en de PPR en de tijd van Femke Halsema is de balans verschoven van collectieve naar individuele emancipatie. De nadruk lag integratie met behoud van eigen cultuur en identiteit. We mochten geen kritiek leveren op andere culturen, dat was racistisch.' Dat is de lijn van GroenLinks tot eind jaren '90, dan komt Paul Scheffer met zijn essay 'Het Multiculturele Drama', Fortuyn met zijn kritiek op de gebrekkige integratie van Moslims en Ayaan Hirshi Ali met haar felle Islam-kritiek. Pels: 'Het besef is ontstaan dat dit onvoldoende is. Minderheden hebben ook hun eigen minderheden die ze onderdrukken. ' Pels wijst op Halsema's laatste speech over godsdienstvrijheid: Halsema stelde dat GroenLinks solidair moet zijn met de jonge islamitische meiden, die zich willen emanciperen uit de macht van oudere mannen.

 Vergrijzing noodzaakt tot harde ingrepen

In het denken over GroenLinks over de verdeling van arbeid en inkomen, was er jarenlang een radicale stroming in de partij aanwezig, volgens Kees Vendrik: 'de radicale traditie is de traditie van het basisinkomen. Mensen zouden een van overheidswege gegarandeerd inkomen moeten krijgen, om ze te bevrijden uit arbeidsdwang.' De doodslag voor het denken over het basisinkomen, en vormend voor veel ideeen van GroenLinks over de verzorgingsstaat is de vergrijzing: neem de AOW, dat is nu een soort basisinkomen met een leeftijdsgrens: 'als je niet werkt, dan ben je nu gratis mee verzekerd, zonder dat daar verplichtingen tegenover staan. Dat is niet te handhaven: we hebben straks iedereen nodig. De vergrijzing is een groot probleem. Er zullen evenveel mensen extra in de zorg nodig zijn als er jonge mensen op de arbeidsmarkt bij komen.' Daarom zat in Vrijheid Eerlijk Delen ook een AOW-voorstel, dat mensen stimuleert te gaan werken.

 

Voor Europa omdat het daar wel kan

In de laatste twintig jaar is GroenLinks ook veel positiever geworden over de Europese Unie. Lagendijk: ‘De CPN, PSP en PPR waren nog buitengewoon kritisch over de Europese Gemeenschap. Het was in hun ogen een economisch samenwerkingsverband dat niet groen en niet democratisch was. Ze zagen het als een instrument van het kapitalisme en de multinationals.' GroenLinks stemt tegen het Verdrag van Maastricht en Verdrag van Amsterdam. 'En dan komt in 2001 het Verdrag van Nice. Van de drie verdragen het slechtste verdrag. GroenLinks stemt vóór.' Ook is GroenLinks in 2005 één van de voorstanders van de Europese Grondwet. Geleidelijk is GroenLinks positiever over de Unie gaan denken, omdat deze steeds meer ging doen op milieugebied en ook de macht van het Europees Parlement werd uitgebreid. Lagendijk: ‘in Europa kun je een veel groener beleid krijgen dan op het nationale niveau. Dat heeft er mee te maken dat de Unie zelf veranderd is, van een economisch verband zonder controle, naar een verband waarin mensenrechten en milieu een belangrijke rol spelen.'

 Vooruitlopen of volgen?

Is GroenLinks dan een speelbal van internationale gebeurtenissen? Reageert ze slechts op maatschappelijke ontwikkelingen als vergrijzing of groeiende onvrede met integratie? In een aantal betogen is ook duidelijk te zien dat GroenLinks vooruitloopt in de ontwikkeling van haar ideeen.

In het denken over vergrijzing en de AOW liep GroenLinks vooruit. De voorstellen over de AOW werden al geformuleerd in Vrijheid Eerlijk Delen, een discussienota van Halsema en Van Gent over de toekomst van de verzorgingsstaat , uit 2004 vijf jaar voor de discussie over de AOW in Nederland losbarste. GroenLinks liep in Vrijheid Eerlijk Delen ver vooruit op het debat over de verzorgingssaat. Vendrik: 'Feministische en progressieve economen wezen op de nadelen van het Rijnlandse model (het dominante model van sociaal-economische verhouding in Nederland – SO): op de arbeidsmarkt ontstaat ongelijkheid en uitsluiting. We moeten het opnemen voor de mensen die aan de rand van de arbeidsmarkt staan. Het ontslagrecht, bijvoorbeeld, dat moet echt worden gemoderniseerd. Het is geen bescherming tegen ontslag, maar vooral een vergoedingsregeling. Het is nu zo dat naarmate je langer werkt en meer verdient, je een grotere vergoeding krijgt. Dat zorgt voor een absurd ongelijke verdeling.'

Maar dit is ook zichtbaar in andere onderwerpen, Lagendijk: 'Wat wel erg opvallend is in het eerste programma van uitgangspunten van GroenLinks uit 1992, is de vernieuwde visie op de rol van het Nederlandse leger: een klein professioneel leger moest ter beschikking staan van een multinationale vredesmacht om op te treden ter handhaving en eventueel herstel van de internationale rechtsorde. Deze opvatting getuigt van een groot inzicht in de ontwikkeling van het Nederlandse leger.' Gedurende de jaren '90 en '00 verschuift de functie van het Nederlandse leger steeds meer juist naar deze functies.

Volgens Vos liep GroenLinks ver vooruit in denken over vergroening van de belastingen: 'We waren voorstander van een ecotax in het eerste verkiezingsprogramma. Hans van Mierlo noemde vergroening van de belastingen toen een schreeuw in de nacht. De vergroening van de economie was een vinding van GroenLinks. We waren vanaf het begin modern: laat vervuilers betalen en beloon wie het goed doet.' Bas Eickhout, als Europees Parlementarier een van de nieuwe groene gezichten van GroenLinks is het met haar eens: 'In de jaren '90 waren we de tijd ver vooruit. Tien jaar later kregen we gelijk.'

GroenLinks in debat over democratie

Het debat over democratie komt langzaam op in GroenLinks. Na het schrappen van het referendum uit het verkiezingsprogramma door het congres, is het duidelijk dat de partij haar visie op democratisering moet vernieuwen. Ik bezocht voor het Magazine bezocht in April twee discussiebijeenkomsten over democratie: één georganiseerd door het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie en één georganiseerd door DWARS en de Eerste Kamerfractie.

Er is alle reden om over het onderwerp democratie in discussie te gaan. De minimale meerderheden waarmee het laatste verkiezingscongres het referendum uit verkiezingsprogramma heeft gehaald en het afschaffen van de Eerste Kamer er in heeft gehouden, zijn directe aanleidingen. Dick Pels, directeur van het Wetenschappelijk Bureau: ‘de discussie over democratie binnen GroenLinks staat stil. Ik zat in de laatste programmacommissie en we schreven de standpunten over democratie gewoon over uit het laatste programma: er wordt niet goed over dit onderwerp nagedacht.’

Marjolijn Februari, de NRC-columniste die op 15 april op de DWARS bijeenkomst sprak, schetst een veel breder kader: ‘Het denken over democratie is halverwege de vorige eeuw gestopt. Na de Tweede Wereldoorlog is democratie steeds minder een inhoudelijk begrip geworden als wel een criterium voor beoordeling: geen nastrevenswaardig ideaal, maar een meetlat. Het begrip is zelf niet meer in ontwikkeling. Alles wat wringt in onze samenleving wordt als anti-democratisch terzijde geschoven.’

 Democratie: Macht en Tegenmacht

Wat wordt er bedoeld met het begrip 'democratie'? Bas de Gaay-Fortman gaf een inleiding over de democratische idealen van GroenLinks op de door het Wetenschappelijk Bureau en de Academie georganiseerde bijeenkomst van 13 april, Hij maakt daarbij een onderscheid tussen twee aspecten van het democratische ideaal: het 'formeel-politieke' en het 'politiek-juridische'. Met het formeel-politieke aspect doelt De Gaay-Fortman op ‘het principe van de vervangbaarheid van de macht: verkiezingen geven de mogelijkheid om de macht te veranderen. De meerderheidsregel is maar een middel daartoe.'

Daarnaast is er het politiek-juridische aspect: ‘Machtsuitoefening is noodzakelijk. Macht vereist ook tegenmacht. De macht moet gespreid worden.’ De belangrijkste beperking op de macht van de overheid is de rechtsstaat: ‘De rechtsstaat betekent dat de overheid is gebonden aan de wet en dat er toegang is tot een onafhankelijke rechterlijke macht. De macht van de staat is beperkt: de overheid is niet totalitair.’

Hoe verhoudt het formeel-politieke aspect van de democratie zich tot het politiek-juridische? De Gaay Fortman: ‘Kan de rechtsstaat bij meerderheidsbeslissing worden afgeschaft? De bescherming die we daartegen hebben is dat het lastig is om de Grondwet te veranderen. Zulke beperkingen zijn er niet voor de handhaving van de Grondwet, dat doet de Staten-Generaal zelf. Maar zoals Juvenalis, de Romeinse dichter, al stelde: 'Wie bewaakt de bewakers?'

Hiervoor kun je institutionele oplossingen zoeken. Jan Laurier, scheidend senator, drukte de zaal DWARS'ers op het hart dat de Eerste Kamer een rol heeft in het beschermen van het politiek-juridische aspect van de democratie. Laurier: ‘Ik kan me alleen maar in een democratie vinden, als het gepaard gaat met recht en rechten. Als dat niet plaatsvindt, dan is democratie niets anders dan een dictatuur van de meerderheid. Er moeten waarborgen zijn voor mensen die iets anders vinden. Dat is een van de thema's die veel aan de orde komt in de Eerste Kamer. Je hebt ten opzichte van de democratie een aantal stabilisatoren nodig: zeker als kiezers snel heen- en weerschuiven." GroenLinks is officieel voor afschaffing van de Eerste Kamer, maar stelt daar een andere institutionele regeling tegenover: de toetsing van wetten aan de grondwet door de rechter.

Democratie als opdracht

De Gaay-Fortman heeft minder vertrouwen in institutionele oplossingen: ‘Hans van Mierlo stelde dat democratie georganiseerd wantrouwen is. Dat werkt zo niet; wantrouwen vraag steeds weer om nieuwe controles en regelingen. Democratie is bovenal een mentaliteit: willen en kunnen luisteren, belangen willen en kunnen afwegen en verantwoording willen en kunnen afleggen.’ Instemmend citeert De Gaay-Fortman een Amerikaanse opperrechter: ’Wij vertrouwen te veel op regelingen. Als democratie in de harten van mensen zit, dan heb je geen regels nodig. Zit het er niet in dan, dan hebben al die regelingen geen zin.’

Februari benadrukt het belang van een democratische houding. Democratie gaat volgens Februari ‘Om de actieve erkenning van wederzijdse belangen, om een sociale houding ten opzichte van mensen met een andere mening. Het is een manier van samenleven. Dat vereist het inzicht dat jouw keuzes effect hebben op anderen, en dat de keuzes van anderen effect hebben op jou. Democratie gaat om de vertegenwoordiging van de verscheidenheid van stemmen. Breng het conflict weer terug in het hart van de democratie. Het feit dat mensen verschillende opvattingen hebben, los je niet gemakkelijk op. Als je alles waar je het niet mee eens bent uitsluit, leidt dat tot de opkomst van de radicale verliezer: zij die over de rand vallen, komen radicaal terug. Als je democratie ziet als een plek voor conflicten, die niet per se opgelost kunnen worden, kunnen ook verliezers zich daarin herkennen.’

Een verkorte verkiezing van dit artikel verscheen ook in het GroenLinks Magazine van Mei 2011.

Dick Pels: Het Volk Bestaat Niet

  Kvdt300px

De laatste verkiezingsposter van GroenLinks was uitermate simpel: een foto van Femke in een grijs pak direct de kiezer aankeek: zelfverzekerd, ervaren, wilskrachtig. Ergens in de hoek stond de naam GroenLinks. De verkiezingscampagne van GroenLinks focuste zich op Halsema, het populaire boegbeeld van de partij. Het verbaasde dan ook niemand dat bij de verkiezingsuitslag bij GroenLinks van alle partijen de meeste stemmen op de lijsttrekker waren uitgebracht. Terwijl GroenLinks als campagnemachine de personalisering van de politiek met beide handen heeft aangegrepen, staat de visie van GroenLinks op de democratie ver af van de personendemocratie. GroenLinks is geen voorstander van een gekozen burgemeester, of van een gekozen premier. Dat soort voorstellen worden door GroenLinksers vaak afgedaan als populistisch.

Volk

En juist dan brengt Dick Pels, de directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks, een boek uit met een hartstochtelijk pleidooi voor de personendemocratie. In zijn boek "Het volk bestaat niet" probeert Pels een links antwoord te formuleren op de uitdaging van het populisme: een 'nieuwe, optimistische elitetheorie van de democratie.' Personalisering van de politiek speelt een cruciale rol in deze theorie. Politiek moet bestaan uit de wisselwerking tussen de elite en het volk. Het populisme bevat een gezonde dosis wantrouwen ten opzichte van de de politiek. Het volk kan het nodige weerwerk geven aan het bestuur als ze in de ogen van de bevolking de verkeerde kant uitgaan of door de macht gecorrumpeerd worden. De elite moet aan de andere kant ook een gezond wantrouwen ten opzichte van het volk koesteren: ook 'het' volk heeft de waarheid niet in pacht. De elite moet durven een voorhoede te zijn, uit te gaan van hun eigen programma, en er niet voor weg schrikken om het volk te willen verheffen, zelfs als dat paternalistisch lijkt.  Zoals er ook machtenscheiding is tussen uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht, is er ook een scheiding tussen het volk en de elite. Deze hebben allebei in een democratie een eigen rol te spelen. Zij zijn elkaars tegenhanger. De een kan plannen van de ander dwarsbomen. Hoe zorgen we ervoor dat volk en elite niet helemaal uit elkaar drijven?

Pels denkt dat de personendemocratie de uitweg kan bieden. Het overbrugt het de kloof tussen elite en volk, omdat juist lager opgeleide kiezers zich beter met personen kan identificeren dan met abstracte programma's. Het versterkt daarnaast ook de scheiding der machten binnen de politiek. Als premier en het parlement elk hun eigen mandaat hebben dan verzwakt dit de coalitiedwang die serieuze controle van de regering voorkomt. Als parlementariers op hun eigen mandaat gekozen worden, verzwakt dit de macht van partijen. De verkiezing van de burgemeester of de premier geeft de burger meer kiesmomenten, meer mogelijkheden om de politieke elite ter verantwoording te roepen, en maakt het de politiek spannender, dat versterkt interesse van burgers in politiek en zorgt voor een massalere opkomst.

De vraag is of een gepersonaliseerde democratie de problemen die Pels schetst kan oplossen. Personen zijn nauwelijks een beter bindt middel tussen elite en volk dan partijen dat zijn. De massale populariteit die Verdonk had opgedaan als minister, tweede vrouw van de VVD en onafhankelijk kamerlid, waren bij de laatste verkiezingen als sneeuw voor de zon verdwenen. En ook Wouter Bos, die in 2003 nog gehuldigd werd omdat hij echt de lessen van de Fortuyn revolte had geleerd, merkte in 2006 alweer hoe grillig en wisselvallig 'het' volk kan zijn. Het lijkt me dus niet dat personalisering een manier is om een duurzame brug tussen volk en elite te slaan, juist vanwege het emotionele en daardoor grillige karakter.

Door te stellen dat 'de' elite elitairder moet worden en 'het' volk populistischer, blijft Pels uitgaan van de populistische assumptie dat het volk en de elite een monolithische eenheid zijn. De opkomst van nieuwe rechtse bewegingen als de PVV heeft ervoor gezorgd dat de minderheid van de bevolking met rechtse opinies op integratie en diep wantrouwen hebben ten opzichte van de linkse kerk zich vertegenwoordigd weten in het parlement. Het populisme drijft volk en elite niet verder uit elkaar: in een democratisch bestel zijn populistische partijen democratisch mechanisme.

Ook moeten we oppassen dat personalisering wel hand hand gaat met controle op de macht. Een gekozen burgemeester of presidentiele premier kan ook alle macht in een hand brengen, zeker als zijn partij ook een meerderheid heeft in de gemeenteraad of het parlement heeft. We zien vaak het Amerikaanse stelsel als een perfect stelsel van machtenscheiding, maar als daar de partij van de president de meerderheid heeft in het Congres en in het Oppergerechtshof, dan zal niemand hem of haar kunnen stoppen. Dat betekent in de eerste plaats dat we moeten voorkomen dat personendemocratie zorgt voor een twee-partijen of twee blokkenstelsel. Zolang de macht getemperd blijft door een meer-partijenstelsel, kan personendemocratie zelfs goed uitpakken voor machtenscheiding.

Pels observeert en problematiseert twee ontwikkelingen die populistische onvrede over politiek voedt: partijdiscipline en coalitiediscipline. Partijen sluiten compromissen om in een regeringscoalitie te komen. Hiervoor moeten ze onvermijdelijk afstand doen van hun standpunten. Maar als ze vervolgens de compromissen die ze sluiten presenteren als hun eigen standpunten gaat dat ten koste van hun eigen geloofwaardigheid. Als politieke partijen zich onafhankelijker gaan opstellen van het kabinet, een helderder onderscheid maken tussen wat ze zelf willen, en wat ze hebben kunnen bereiken, zal dat het vertrouwen in de politiek versterken. Het zelfde geldt ook voor fracties. Fracties presenteren zich nu als monolithische blokken, waar alle kamerleden dezelfde mening zijn toegedaan. Veel kiezers stemmen op een partij die het dichtst bij hem of haar staat. Hij zal het met een deel van het programma niet eens zijn. Als kamerleden zich onafhankelijker opstellen van hun partij, dan zal dat ten goede komen van de mate waarin kiezerz zich kunnen herkennen in hun eigen partij, zeker als kiezers de mogelijkheid krijgen om een grotere invloed te krijgen op de samenstelling van fracties.

Omdat de personendemocratie die Pels voorstaat bijdraagt aan de onafhankelijkheid van het parlement tegenover het kabinet, en van kamerleden tegenover hun eigen fracties, kan het juist een versterking vormen van het huidige vertegenwoordigende stelsel. 

Een zeer verkorte versie van dit artikel verscheen ook in het GroenLinks Magazine van Mei 2011. 

GroenLinks: voor een groene wereld

GroenLinks gaat terug naar haar roots. Bij het twintigjarige bestaan organiseren het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie een lezingencyclus over de idealen van GroenLinks. Marijke Vos en Bas Eickhout keken naar het verleden en de toekomst van het denken over een duurzame economie.

Vos is nu de ‘groene topkandidaat’ voor de senaat en was daarvoor vier jaar wethouder Zorg en Milieu in Amsterdam (2006-2010), twaalf jaar het groene gezicht van GroenLinks in de Tweede Kamer (1994-2006) en de eerste partijvoorzitter van het net opgerichte GroenLinks (1990-1994). Zij keek naar de ontwikkeling van het denken over milieu en natuur in de eerste tien jaar. Eickhout is op dit moment lid van het Europees Parlement voor GroenLinks, werkte daarvoor als klimaatspecialist bij het Planbureau voor de Leefomgeving en schreef mee aan verschillende GroenLinks programma's. Hij keek naar de toekomst van het groene gedachtegoed.

 Groen, groei en links

Vanaf het begin was GroenLinks voor een duurzame economie, in plaats van voor ongerichte groei en consumptiedwang. Groei moest bijdragen aan welvaart en herstel van het milieu. Dat betekende selectieve groei en krimp.

Vos: ‘De naam van GroenLinks laat de twee poten van GroenLinks zien: groen én links.’ De discussie over wat groen en links inhielden en de spanning tussen groen en links beheerste de eerste jaren de partij: ‘De partijen die GroenLinks bij elkaar brachten, hadden behoorlijk verschillende opvattingen over de economie en het milieu. De PPR was meer met het milieu bezig, ook de PSP was op dit terrein actief.’ In het eerste programma van GroenLinks werd voorgesteld een belasting in te voeren op milieuvervuilende producten. Dat leidde tot een fel debat: ‘Mensen met een laag inkomen zullen zo'n belasting op milieuvervuiling voelen in hun portemonnee. We zijn voor een milieusparende economie, maar dat beperkt de consumptiemogelijkheden. Kamerleden Peter Lankhorst (afkomstig uit de PPR – SO) en Ina Brouwer (afkomstig uit de CPN -SO) stonden hier recht tegenover elkaar.’ In het eerste programma werd een compromis gesloten: ‘Een groentax op milieuvervuilende productie en producten [moet worden ingevoerd] in samenhang met maatregelen die de koopkracht tot aan modaal voor wat betreft dit effect op peil houden.’ Vos: ‘Groene en linkse doelen stonden dus haaks op elkaar; de angel zat hem in het idee dat de consumptie moest afnemen. Geleidelijk werd het idee ontwikkeld dat er naast milieubeleid sprake moest zijn van een rechtvaardige inkomenspolitiek.’

 In 1998 verschoof het denken onder andere door het boek Factor 4 (zie onder): ‘Als de overheid kiest voor duurzame technologie zoals zonne-energie, dan kan een groei van de welvaart gepaard gaan met een vermindering van de druk op het milieu. Het verkiezingsprogramma van 1998 ademt die sfeer uit, we lezen niets meer over krimp: we gaan van ‘Nederland distributieland’ naar ‘Nederland innovatieland’, een land dat goed is in allerlei nieuwe technologie, voorop loopt bij duurzame landbouw, windenergie et cetera, en waar groei samen kan gaan met het milieu. Dit type denken is voor veel partijen interessant, ook voor ondernemers. De win-wingedachte is geboren. Omdat groen juist goed is voor de economie, is de spanning tussen groen en links verdwenen.’

Eickhout plaatste daar in zijn betoog overigens wel vraagtekens bij: ‘Op de korte termijn levert de transitie naar een groene economie wel groei op in specifieke sectoren, maar op de lange termijn is dat echter niet zo. Eickhout verwees naar het boek van de Britse econoom Tim Jackson Welvaart zonder Groei (zie onder): ‘Een economie die gebaseerd is op efficiënt gebruik van hulpbronnen, heeft minder inputs nodig en zal dus minder groeien. Een stationaire economie is niet het doel. In ons maatschappelijk denken moeten we rekening houden met een lagere economische groei. Daar hebben we geen goed antwoord op: onze economie is gebaseerd op groei.’

Overheid, markt en milieu

Ook het denken over de verhouding tussen markt en staat is ingrijpend veranderd, volgens Vos. ‘Terwijl de CPN en de PSP traditioneel de nadruk hebben gelegd op een sociale planeconomie, heeft GroenLinks nooit gezegd “de staat moet het allemaal doen”. Al in het eerste programma van uitgangspunten (1991) werd gesteld: We willen naar een groene economie. Het markmechanisme speelt daarbij een belangrijke rol. De overheid moet door het stellen van randvoorwaarden en verboden groene productie stimuleren. GroenLinks wil een groene belastingverschuiving: een verschuiving van de belasting op arbeid naar milieuvervuiling’. Vos: ‘Groene belastingen moeten wat positief is bevorderen en wat negatief is afbouwen.’ Dat is uitgewerkt in allerlei heffingen zoals vliegtax en heffingen op bestrijdingsmiddelen. Het idee van beprijzen staat in alle verkiezingsprogramma’s van GroenLinks. ‘Die vergroening van de economie gaat deels via fatsoenlijke marktwerking, deels ook via een verboden. Naast de staat en maatschappelijk bewegingen biedt individueel koopgedrag een belangrijk handelingsperspectief: ook de consument kan veel doen. GroenLinks gaat steeds vloeiender gebruik maken van de markt: verleid consumenten, maak alternatieven aantrekkelijk. Persoonlijke verantwoordelijkheid past ook in het milieubeleid. Milieuvervuiling is niet alleen de schuld van grote bedrijven. Vervuilende bedrijven moeten worden aangepakt, maar tegelijk moeten burgers worden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid.’

 Volgens Eickhout is het milieubeleid de afgelopen tien jaar basisbeleid van allerlei regeringsbeleid geworden – er was milieubeleid ook zonder GroenLinks. Hij wees op een omslag die gaande is in het bedrijfsleven: ‘Steeds meer bedrijven gaan de kant op van een groene economie, los van wat de politiek doet. Voorbeelden daarvan zijn Philips en Unilever. Daarnaast zijn er ook behoudende krachten, zoals Shell en Corus, die zorgen voor een krachtige lobby richting de politiek. Die twee takken beconcurreren elkaar.’ Eickhout kiest duidelijk partij in deze concurrentie: ‘De nieuwe economie heeft dit soort progressieve multinationals nodig. Als GroenLinks moeten wij de groene ontwikkelingen in deze bedrijven toejuichen. Die koplopers hebben de overheid nodig. Een koploper steekt zijn kop uit. Unilever denkt: dat groene beleid dat komt wel, en dan kunnen we beter de eerste zijn.’ Als dat overheidsbeleid er niet komt, dan is dat slecht voor de koplopers.

 De vraag of we wel of niet moeten kiezen voor een groene economie, is volgens Eickhout zinloos: ‘De vraag is: hoe kunnen we zorgen dat Nederland leidend is in die agenda, want de groene economie, een economie gebaseerd op duurzame hulpbronnen, wordt vanzelf de agenda – er is namelijk geen alternatief. China investeert van alle landen het meest in zonne- en windenergie. Dat doen ze niet omdat ze zo begaan zijn met het milieu, maar omdat ze daar voordeel van hebben.’ Stroom speelt een belangrijke rol in de groene economie, voor elektrische auto’s bijvoorbeeld, want ‘het is een economie die afhankelijk is van batterijen. Batterijen betekenen metaal. En welk land is heeft veel schaarse metalen? China. Terwijl China volop bezig is met haar green deal, zit Europa af te wachten. China heeft momenteel baat bij traagheid op het gebied van internationaal klimaatbeleid, maar er komt een moment dat China zegt “wij hebben ons genoeg voorbereid”’. Het is daarom onverstandig dat Europa en de VS niet bewegen op gebied van klimaatbeleid, omdat China niet zou willen. Als Europa op China blijft wachten wordt ze daar het slachtoffer van.’

 Voor onze eigen economie is de overstap naar een groene economie gunstig, volgens Eickhout: ‘De rechtse partijen hebben het goed geframed, dat windmolens allemaal op subsidie draaien, maar er zijn genoeg voorbeelden van prima draaiende groene energie – zie Denemarken, Spanje en Duitsland. Groene energie wordt ook economisch steeds interessanter: de stijgende olieprijs maakt landen veel opener voor een ambitieus klimaatbeleid. Dat is precies de reden dat Groot-Brittannië vol inzet op een klimaatagenda. Dat doet Cameron (de conservatieve premier van Groot-Britannië – SO) niet omdat hij denkt dat morgen de wereld vergaat, maar om minder afhankelijk van natuurlijke hulpbronnen te worden. Als de Europese Unie haar klimaatambities verhoogt van 20% minder CO2-uitstoot naar 30% minder, dan scheelt dat 40 miljard euro minder aan olie-importen en levert dat 6 miljoen extra banen op. Een aantal sectoren zullen onder die selectieve krimp leiden; dat is de kern van de strijd tussen de progressieve en conservatieve bedrijven.’

 Landbouw en de groene economie

‘GroenLinks kan de beleidsvoorstellen voor vergroening van de belastingen wel blijven herhalen’ volgens Eickhout, ‘maar wat bedoelen we nu met die groene economie voor verschillende sectoren?’

Een van de voorbeelden die hij aanhaalt is de landbouw. In het verleden dat Marijke Vos beschreef ‘was biologische landbouw dé oplossing. De bestaande landbouw een beetje veranderen, daar waren we niet voor.’

Eickhout stelt echter: ‘Een bio-based economy gaat veel verder dan alleen biologische landbouw. Als er één sector is die op een slimmere manier om moet gaan met inputs dan is het de landbouw. Landbouw betekent namelijk een grote aanslag op de biodiversiteit: de belangrijkste input voor landbouw is land en grond is eindig. Malthus voorspelde daarom al dat de wereld te weinig voedsel zou produceren. Hij had alleen de ontdekking van kunstmest over het hoofd gezien. Het maken van kunstmest is een energie-intensief proces. In China wordt kunstmest gesubsidieerd, de rivieren worden vol gestort met dierlijke mest – als je die ziet, wil je spontaan in een Amsterdamse gracht zwemmen! Onze economie zal moeten gaan draaien op onze eigen mest. We halen nu fosfor uit de bergen van Marokko, maar onze eigen mest is heel fosforrijk. We zullen onze fosfor daaruit moeten gaan winnen. Allerlei van dit soort gesloten grondstofkringen zullen moeten worden ontwikkeld; het recyclen van afval wordt cruciaal!’

Meer lezen?

 Jackson, T. (2010), Welvaart zonder groei: economie voor een eindige planeet, Utrecht: Van Arkel

Weizsäcker, E. von, A.B. Lovins, and L.H. Lovins (1998), Factor Four: Doubling Wealth, Halving Resource Use – A Report to the Club of Rome

Dit artikel verscheen ook op de website van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.

Kiezers, Consumenten en het Milieu

Zondag schreef ik over de relatie tussen markt, overheid en het milieu. Ik kwam tot de conclusie dat groene politiek nog steeds noodzakelijk is, zelfs als (of misschien wel juist omdat) bedrijven steeds groener worden. De vraag is nu hoe we ervoor gaan zorgen dat mensen die wel groen gaan consumeren, ook groen gaan stemmen.

Het is belangrijk om een aantal verschillen tussen de markt en de overheid in het oog te houden. Eens in de vier jaar mogen we stemmen voor de Provinciale Staten, Tweede Kamer en Gemeenteraad, en eens in de vijf jaar voor het Europees Parlement. Maar we doen dagelijks aankopen. Tegenover honderden aankopen per jaar, staan dus niet veel meer dan gemiddeld een stemkeuze.

Een tweede verschil is dat de markt gaat om individuele keuzes. De overheid gaat om een collectieve keuze. Dat zorgt ervoor dat (zolang hij of zij er geld voor over hebben) ieder individu een product naar zijn keuze kan krijgen. Minderheden met groene voorkeuren kunnen dus ook producten krijgen. Welk product we krijgen van de overheid worden per meerderheid bepaalt. De markt is dus veel vriendelijker voor minderheden dan de overheid. De overheid geeft wel ruimte voor minderheden, maar dat is vaak om (met referenda of grondwetswijzigingen) om te voorkomen dat dingen gebeuren.

Hieruit komt ook het verschil tussen groene consumenten en grijze stemmers voort: groene consumenten leiden meteen tot groene producten, ook als ze in de minderheid zijn. Groene stemmen leiden tot groene beloften die geen meerderheid achter zich kunnen krijgen. En er zijn mensen die wel eens groene producten kopen, in de honderden aankopen die ze per jaar doen. Maar omdat er minder stemkeuzes gemaakt worden, zijn er minder mensen die wel eens een groene stemkeuze maken. Op de markt is er dus meer ruimte voor af en toe een groene keuze dan in verkiezingen. Hoe lossen we dit op?

Er zijn twee oplossingen. Er is een klassieke grap over de stemoproep die (corrupte) Democraten in het negentiende eeuwse Amerika deden aan hun electoraat: vote early and vote often. Hoe vaker mensen de kans krijgen om te stemmen, des te groter de kans dat ze af en toe een groene keuze maken. Zeker als een van de kernthema's van de bestuurslag het milieu is, zoals bij waterschappen, het Europees Parlement of provincies. Kom maar op met een direct gekozen Eerste Kamer of een direct gekozen regio-raad. Het afschaffen van bestuurslagen is niet goed voor groene politiek.

Maar misschien is het een te grote stap om de overheid zo te organiseren dat het goed is voor groene politiek. De tweede oplossing zit er in hoe GroenLinks campagne voert. Kiezers vertrouwen partijen op verschillende onderwerpen. GroenLinks wordt vertrouwd op het milieu. En toch praat GroenLinks nauwelijks over het milieu tijdens campagnes. We denken: die groene kiezers hebben we toch al. Maar het doel van verkiezingscampagnes is ze de verkiezingen framen dat het een referendum wordt over een onderwerp waar jij een meerderheid/groot deel van de kiezers achter je hebt. Kiezers wisselen regelmatig van partij binnen het linkse of het rechtse blok, afhankelijk van welk onderwerp ze belangrijk vinden. Gaat de keuze om de macht stemmen linkse kiezers PvdA, gaat het om sociaal-economisch beleid gaan ze voor de SP, gaat het om milieu dan kiezen ze voor GroenLinks. Dus moet GroenLinks niet mee gaan praten met andere partijen op integratie of de verzorgingsstaat. Onderwerpen waar relatief weinig kiezers achter onze oplossingen staan en waar we zelfs kiezers mee afschrikken? GroenLinks zou veel meer over het milieu moeten praten en de verkiezingen zo framen dat het gaat om een keuze tussen gezond, biologisch eten of ongezond eten; Tussen lagere energiekosten of torenhoge olierekeningen; of tussen zuurstof of een gasmasker voor je (klein)kinderen.

Het gaat er niet omdat we het beter uit leggen aan kiezers die het niet begrijpen, maar dat groene partijen zelfbewust zijn over hun eigen kracht. Hoe vaker we tijdens campagnes over het milieu praten, hoe meer kiezers zullen denken dat de verkiezingen daarover gaan. Hoe vaker we het over integratie hebben, hoe meer kiezers denken dat de verkiezingen daarover gaan. Als partijen over integratie praten in de campagne, spelen ze Wilders in de kaart, als partijen over het milieu praten GroenLinks.

Links, Rechts en het Milieu

De laatste tien jaar heeft het milieupolitiek in een verdomhoekje gezeten: andere onderwerpen, zoals integratie (volgens 75 sociale wetenschappers het meest overschatte probleem van de huidige tijd) domineert de politiek, in het Nederlandse parlement zitten 24 klimaatprobleemontkenners, milieu is nu verbannen naar een staatssecretariaat, internationaal komen de Verenigde Staten, Europa en de ontwikkelingslanden niet tot een oplossing.

Ondertussen heeft het bedrijfsleven het milieu wel opgepakt: duurzame auto's van Toyota, groene stroom van GreenChoice, biologische katoen bij de HEMA, duurzaam sparen bij de ASN, vleesvervangers van van de Vegetarische Slager, led lampen van Phillips. Grote bedrijven en kleine ondernemers, iedereen gaat duurzaam. Kleine innovatieve bedrijfjes springen in niches. Maar grote bedrijven vergroenen ook. Consumenten vragen erom: een groene lifestyle is hip en duurzaamheid is vaak goed voor je portemonee.

Dit stelt mensen met groene politieke idealen voor twee fundamentele problemen: als de markt het zonder de overheid redt waarom zet ik me dan nog in voor groene politiek? En als zoveel consumenten voor groen gaan, waarom zien we dat dan niet terug in stemgedrag?

Hoe zit de relatie tussen overheid, markt en milieu precies in elkaar? Jarenlang dachten we dat de overheid de maat moest zetten voor het milieubeleid. Waar de overheid het gemeenschappelijke belang vertegenwoordigde, zetten grote bedrijven zich alleen maar in voor hun eigen korte termijnwinsten.

Tegenwoordig is er steeds meer een verdeling tussen groene en grijze bedrijven. Volgens Bas Eickhout, die een college gaf over het groene gedachtegoed voor het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie,  gaan "steeds meer bedrijven de kant op van een groene economie, los van wat de politiek doet. Er zijn bedrijven die de progressieve kant op willen, zoals Philips en Unilever en oude krachten zoals Shell en Corus. Die twee takken beconcurreren elkaar. De nieuwe economie heeft multinationals zoals Unilever en Philips nodig nodig. Als GroenLinks moeten wij de groene ontwikkelingen in deze bedrijven toejuichen."

Er zit een soort onvermijdelijkheid in het verhaal van Eickhout. Die groene ontwikkelingen komen er toch wel: "de vraag is hoe kunnen we ervoor zorgen dat Nederland leidend is in de groene agenda. China investeert van alle landen het meest in zonne- en windenergie. Dat doen ze niet omdat ze zo begaan zijn met het milieu, maar omdat ze daar voordeel van hebben." Vergroening is onvermijdelijk: de overheid kan die ontwikkeling aanmoedigen, zodat we vooruit lopen in groene innovatie, ze kan die ontwikkeling negeren, dan moet het allemaal van het bedrijfsleven komen, of ze kan de ontwikkeling frustreren, zodat we achter liggen op groene koplopers in Europa en daarbuiten.

De overheid loopt onvermijdelijk achter op maatschappelijke ontwikkelingen: de eerste crematie vond in Nederland plaats in 1914. Dat was toen verboden, maar werd oogluikend toegestaan. Pas in 1968 werd crematie gelegaliseerd. De Christelijke politieke meerderheid had jarenlang tevergeefs geprobeerd crematie te beperken, maar de maatschappelijke realiteit was anders. En dat zie je nu ook met het milieu: voor consumenten en bedrijven is duurzaam produceren en consumeren een maatschappelijke realiteit. Een kleine meerderheid in de Nederlandse politiek wil de noodzaak hiervan niet erkennen, gesteund door een deel van de burgers en bedrijven dat apathisch is voor milieuproblemen.

Let wel: je kan ook onterecht geloven in onvermijdelijkheid. Orthodoxe Marxisten, die geloofden in de onvermijdelijkheid van de geschiedenis, zagen zichzelf niet zo zeer als agents of change, maar als onderdelen van een historische beweging. De partij moest revolutie niet zelf organiseren (zoals Leninisten dat wilden doen) of de maatschappij beetje bij beetje hervormen (zoals de sociaal-democraten deden), maar ze moest wachten tot het proletariaat vanzelf in opstand kwam om zichzelf te bevrijden en daarbij een beroep zou doen op de Socialistische Partijen. Zulk naief geloof in de onvermijdelijkheid van de geschiedenis heeft nooit tot concrete verandering geleid: het zijn de Leninistische revolutionairen en de reformistische social-democraten die ten goede (voor de sociaal-democratie) of ten kwade (voor de Leninisten) invloed hebben gehad op de loop van de geschiedenis. Orthodoxe Marxisten zijn nog steeds en attendant Godot.

Groenen hebben nooit 100% gelooft in de overheid. Groenen waren ooit de politieke arm van maatschappelijke bewegingen. Het waren maatschappelijke bewegingen die milieu op de agenda zetten. Het waren maatschappelijke bewegingen die tegen de wil van overheden en projectontwikkelaars in, natuurgebieden groen hebben gehouden. Naast overheden en de markt zagen Groenen een ruimte voor mensen die zelf hun eigen verantwoordelijkheden nemen: als consument, die duurzaam wil eten en als ouder die ervoor wil zorgen dat zijn kinderen ook buiten kunnen spelen. Maar GroenLinks komt uit een traditie van linkse politieke partijen die er op gewezen hebben dat maatschappelijke problemen alleen maar eerlijk en blijvend kunnen worden opgelost door overheidshandelen. De overheid is de plek waar burgers samen komen om hun gemeenschappelijke problemen op te lossen. Moeten wij als GroenLinks de overheid achter ons laten en ons richten op bedrijven en maatschappelijke bewegingen? Waarom bemoei ik me eigenlijk met politiek als de echte vergroening komt van bewuste consumenten en producenten?

Er zijn drie goede redenen waarom milieuproblemen toch om overheidsingrijpen vragen:

  • Ten eerste, de milieuproblemen zijn te groot om over te laten aan de individuele verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven – zeker als een deel daarvan hun verantwoordelijkheid niet wil nemen. Zoveel ingrepen zijn nodig die alleen de overheid kan nemen willen we echt naar een groene toekomst gaan: het gaat om verbieden wat echt niet meer kan en stimuleren door gunstige belastingen noodzakelijke ingrepen.
  • Ten tweede, groene bedrijven vragen om overheidsingrijpen, zij denken: we innoveren nu, die regels komen toch wel, en dan lopen we er ten minste op vooruit, dan moet de concurrent bij ons de groene producten afnemen. Maar als de overheid niet komt met regels, dan gaat dat dus met name ten koste van die bedrijven die wel willen.
  • Ten derde, een onbetrouwbare overheid, of een overheid die uitgaan van asfalt en kolencentrales, hindert de onvermijdelijke vergroening. Dan heb ik liever groenen aan het stuur, dan de politieke vertegenwoordigers van Shell, de boerenlobby en de klimaatsceptici. Zij staan in de weg van vergroening die linksom of rechtsom plaats zal vinden. Daardoor zetten ze Nederland achter op de vergroening die in andere landen plaats vindt. Waarom is Denenmarken koploper in windenergie terwijl ze evenveel wind hebben als aan onze Noordzeekust? Waarom loopt Duitsland voor in zonne-energie terwijl ze evenveel zon hebben als wij? Een overheid maakt uit. De onze belemmert nu vergroening.

Kortom: groenlinkse politiek is nu meer dan ooit noodzakelijk. Alleen is de vraag hoe krijgen we de kiezers zover?

GroenLinks: voor een democratische en vrijzinnige cultuur

GroenLinks gaat terug naar haar roots. Bij het twintigjarige bestaan organiseren het Wetenschappelijk Bureau en de GroenLinks Academie een lezingencyclus over de idealen van GroenLinks. Bas De Gaay Fortman, oud-PPR-leider, en Dick Pels, de directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks, keken terug en vooruit naar het denken van GroenLinks over de open, democratische samenleving.

De Gaay Fortman was tussen 1971 en 1977 leider van de Politieke Partij Radikalen, een van de voorlopers van GroenLinks. Het was volgens hem 'een klein uitstaptje uit de academie'. Hij sprak over de centrale dilemma's en spanningen die in het begrip democratie zitten. Ook Dick Pels heeft een academisch achtergrond: hij werkte aan verschillende universiteiten in Nederland en in het buitenland. In 2003 keerde hij terug naar Nederland als freelance publicist en is sinds 2010 directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. Hij richtte zich op de ontwikkeling van het denken van GroenLinks over de multiculturele samenleving.

De centrale vraag in het verhaal van De Gaay Fortman was: 'Hoe bewaak je de democratie tegen het volk?' Hij illustreerde dit aan de hand van het Zwitserse minarettenverbod: 'In Zwitserland sprak eind 2009 een meerderheid van de bevolking zich uit voor een wijziging van de grondwet om de bouw van minaretten te verbieden. Hoe kan een land met zo'n traditie van verdraagzaamheid, zo'n collectief discriminerende wijziging van zijn grondwet aannemen?'
De Gaay Fortman onderzocht de spanning tussen twee aspecten van de democratie: het 'formeel-politieke' en het 'politiek-juridische'. Met het formeel-politieke aspect duidde De Gaay Fortman op het principe van de vervangbaarheid van de macht: 'De kern van de zaak is dat verkiezingen de mogelijkheid geven om de macht te veranderen. De meerderheidsregel is maar een middel. Het is beter dan “de minderheid beslist”. Je kunt moeilijk anders en je moet een systeem hebben.'
Daarnaast is er wat De Gaay Fortman het politiek-juridische noemde: 'Machtsuitoefening is noodzakelijk, maar macht vereist ook tegenmacht. De macht moet gespreid worden.' De belangrijkste beperking op de macht van de overheid is de rechtsstaat. De Gaay Fortman: 'De rechtsstaat betekent dat de overheid is gebonden aan de wet en dat er toegang is tot een onafhankelijke rechterlijke macht. De macht van de staat is beperkt: de overheid is niet totalitair.'
Hoe verhoudt het formeel-politieke zich tot het politiek-juridische? De Gaay Forman: 'Kan de rechtsstaat bij meerderheidsbeslissing worden afgeschaft? De bescherming die we daartegen hebben, is dat het lastig is om de Grondwet te veranderen. Zulke beperkingen zijn er niet voor de handhaving van de Grondwet, dat doet de Staten-Generaal zelf: maar zoals Juvenalis stelde “Wie bewaakt de bewakers?”'
'Hans van Mierlo stelde dat democratie georganiseerd wantrouwen is. Dat werkt zo niet. Democratie is georganiseerd vertrouwen. Democratie is bovenal een mentaliteit: willen en kunnen luisteren, belangen willen en kunnen afwegen, en verantwoording willen en kunnen afleggen. Een Amerikaanse opperrechter zij ooit terecht: “Wij vertrouwen te veel op regelingen. Als democratie in de harten van mensen zit, dan heb je geen wetten nodig. Zit het er niet, dan hebben al die regelingen geen zin''.'

Waar De Gaay Fortman keek naar de politieke instituties, richtte Pels zich op de verhoudingen tussen burgers, in het bijzonder op de multiculturele samenleving: 'De voorlopers van GroenLinks waren voorstanders van een libertaire cultuur waarin elk individu zich vrij zou kunnen ontplooien zonder discriminatie. Er is een rechte lijn van de voorlopers, het eerste programma van uitgangspunten, dat spreekt over vrijheidslievende tradities van links en de wending van Femke Halsema in haar artikel “Vrijzinnig Links”.'
Het multiculturalisme staat volgens Pels echter in een langere Nederlandse traditie: 'De verzuilingstraditie zit Nederlanders in ons DNA. Dat is multiculturalisme avant la lettre: een maatschappelijke verdeeldheid in religieuze groepen, behoud van eigen cultuur en identiteit onder het mom van “soevereiniteit in eigen kring”. Het multiculturalisme is niet de schuld van de linkse kerk, maar van de katholieke en protestantse kerken.'
'In de jaren '60 verkleurt Nederland in snel tempo: groepen komen naar Nederland die cultureel ver af staan van wat in Nederland net is verworven. Etnische verschillen worden zichtbaar: de dorpscultuur komt in de grote stad. De islam loopt ineens erg achter de godsdiensten van de jaren '60. De grote verschillen zorgen ervoor dat het multiculturele repertoire niet kan worden gehandhaafd.'  
Pels ziet twee 'groen-rode draden' in de ontwikkeling van het multiculturele denken van GroenLinks; 'De eerste lijn is de individualisering van het multiculturalisme. Tussen de tijd van de PSP en de PPR en de tijd van Femke Halsema is de balans verschoven van collectieve naar individuele emancipatie. De nadruk lag integratie met behoud van eigen cultuur en identiteit. We mochten geen kritiek leveren op andere culturen, dat was racistisch. Via zelforganisatie in eigen kring moesten mensen zich gaan emanciperen. Het besef is ontstaan dat dit onvoldoende is. Minderheden hebben ook hun eigen minderheden die ze onderdrukken. ' Pels wijst op Halsema's laatste speech over godsdienstvrijheid: Halsema stelde dat GroenLinks solidair moet zijn met de jonge islamitische meiden, die zich willen emanciperen uit de macht van oudere mannen. 'Als je doorredeneert, dan zul je uiteindelijk de minderheid van één, een enkel individu, moeten beschermen. Het gaat om vrijzinnigheid, de dissident, het recht om anders te zijn.'
'De tweede groen-rode draad die je door de geschiedenis heen kunt trekken, is de relatie tussen sociaal-economische en sociaal-culturele verheffing. Hoe moet je mensen emanciperen?' In het verleden diende de overheid vooral voorwaarden te scheppen: 'De overheid moest de materiële kansen van mensen verzekeren: onderwijs, arbeid, huisvesting. De klassieke trits “leren, werken, wonen”.  Het antipaternalisme overheerst: je ziet een liberalisering van het emancipatie-ideaal: homo- en vrouwenemancipatie dienen als model. De overheid schept voorwaarden en daarna maken mensen een vrije keuze. Het goede leven is wat iedereen voor zichzelf het beste acht.'
Pels problematiseert dit geliberaliseerde emancipatie-ideaal: 'Er is geen debat over de betekenis van morele vrijheid. Er is grote terughoudendheid om kritisch te oordelen over andere culturen. Een drastische herverdeling van welvaart moet vrijheid van mensen zo groot mogelijk maken. Maar wat er gebeurt er daarna? Wat moeten mensen er dan mee doen? Individualisering is een goede ontwikkeling, maar er is weinig besef van de tegenkant. Er is een moreel project nodig: er is te gemakkelijk gedacht dat als je mensen vrijheid geeft, dit leidt tot vrijzinnigheid.' Met vrijzinnigheid bedoelt Pels 'Zelfrelativering, de wil om een democratische discussie aan te gaan, het vermogen je te verplaatsen in anderen. We moeten niet al te naief zijn over de verworvenheden van de jaren '60. Als we dat niet doen, dan leidt vrijheid tot lichtzinnigheid, onverschilligheid, vrijblijvendheid en losbandigheid.'

Dit stuk verscheen ook op de website van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks.

Progressief of Links?

Je hebt soms van die DWARS bestuurders: die zeggen dat ze niet zoveel hebben met het woord "links" had en meer met de term "progressief". Met links kon hij niet zo veel: hij wou over grenzen heen kijken, dynamiek, toch?. Let wel: dit was iemand die bestuurslid was van de GroenLinkse jongerenorganisatie. Ik heb zelf een haat-liefde verhouding met de betekenisloze term "Progressief". Maar een ding weet ik zeker: je kan je niet achter de term "progressief" verschuilen.

Onduidelijk is de term 'progressief' zeker. Progressief kan grofweg drie betekenissen hebben in de Nederlandse situatie: seculier (in tegenstelling tot religieus), multiculturalistisch (in tegenstelling tot monocultureel) of hervormingsgezind op sociaal-economisch terrein (in tegenstelling tot behoudend). Die drie dingen vallen niet samen: er is geen partij die verzorgingsstaat wil houden als hij is, monocultureel is en religieus. Aangezien er praktisch geen verschil tussen partijen die we traditioneel tot links rekenen en voorstander zijn van de multiculturele samenleving (SP, GL, PvdA, D66) is dit geen interessant verschil. Laten we er ook vanuit gaan dat progressiviteit op religieus gebied, niet een vervanger is standpunten op een veel breder scala aan onderwerpen. Dan rest dus maar een interpretatie van progressief: het gaat om hervormingsgezindheid op sociaal-economische onderwerpen, combineer dat met een internationale, pro-Europese orientatie en individualisme op culturele onderwerpen, en dan heb je de progressieve ideologie.

Alleen ben je er dan niet: als je conservatief bent: zeg je 'nee' tegen Europa, zeg je 'hou de verzorgingsstaat zoals hij is' dan hoef je niet te kiezen tussen links of rechts. Dan zeg je: houden wat je hebt. Maar als je kiest voor een nieuwe bestuurslaag, als je kiest voor een hervorming van de verzorgingsstaat, dan ben je er nog niet: dan moet je kiezen welke beleid die bestuurslaag gaat uitvoeren, dan moet je aangeven welke kant die hervormingen op moeten gaan. Als je zegt "Europa moet meer doen", dan moet je zeggen wat Europa moet doen: wordt het meer markt en munt, of meer mens en milieu? Krijgt Europa meer te zeggen over energiemarkt (moet die ook geliberaliseerd worden) of krijgt Europa meer te zeggen over milieu (moet Europa groener?) Wordt Europa een vrije handelszone of sociaal model? Als je zegt "ik wil minder Europa" dan hoef je die keuze niet te maken. Als je zegt "De huidige verzorgingsstaat voldoet niet", dan moet je zeggen wat voor'n alternatief je hebt: kies je voor ieder voor zichzelf of neem je het op voor outsiders die ook een eerlijke kans hebben? Verhoog je de AOW-leeftijd voor iedereen of verlaag je hem voor mensen die vroeg beginnen met werken? Wordt Nederland een nachtswakersstaat of krijgt het een vernieuwd sociaal model? Als je zegt "hou alles maar zoals het is" dan hoef je die keuze niet te maken. Als je conservatief bent, hoef je niet links of rechts te zijn. Maar als je progressief bent moet je kiezen tussen links of rechts.