Het Dierloze Gerecht

Dirk-Jan Verdonk schreef een vegetarische geschiedenis van Nederland. Een mooi kijkje in de geschiedenis van groene politiek, activisme en het dagelijks leven.

Het boek bestaat uit zes casussen, die chronologisch worden gepresenteerd. We beginnen bij de eerste idealistische vegetariërs als Domela Nieuwenhuis en Felix Ortt. Bij Domela Nieuwenhuis zien we hoe vegetarisme al vroeg verbonden is met andere linkse idealen. Bij Felix Ortt, die probeerde een vegetarische landbouwcommune te stichten zien we hoe idealisme het verliest van de realiteit. Vervolgens bezoeken we het succesvolle vegetarische restaurant Pomona uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Dan slaan we ongeveer 25 jaar over en kijken we naar de kabouterrevolutie en de groei van de alternatieve winkeltjes, met hun ongeorganiseerde gezelligheid. Daarop volgen twee hoofdstukken over dierenrechtenactivisme: dat begint bij Wakker Dier en eindigt bij het dierenterrorisme van de jaren ’00.

De eerste drie delen zijn de sterkste delen omdat ze meer dan een geschiedenis van dierenrechtenactivisme, een geschiedenis zijn van het vegetarische dagelijks leven. Het biedt een antwoord in de vraag wat vegetariërs aten voordat er gehacktballen in de schappen van de supermarkt lag: rauwkost, schijngehakt gemaakt van linzen en allerhande kroketten. Maar hierachter ligt een hele discussie over wat gezond voedsel is en of vlees daarvoor nodig is. Want aan het einde van de negentiende eeuw wordt er voor het eerst systematisch onderzoek gedaan naar voedsel, voedingswaarden en gezondheid. Groenten worden eerst weggezet als ‘genotsmiddel’ zonder voedingswaarde maar ook de eerste schandalen over bedorven vlees komen naar buiten. Als vlees tijdens de Eerste Wereldoorlog op de bon moet, moeten huisvrouwen leren om gebalanceerd vegetarisch te koken. Door het restaurant Pomona wordt vegetarisch eten hip.

In het derde hoofdstuk, over Pomona, zien we de hoe vegetarisme populairder wordt, maar daarna volgen we meer kleine groepen buiten de mainstream. We eindigen met verhalen over geweld en inbraak. Alsof dat de kern zou zijn van vegetarisme. Alsof na de Kabouterrevolutie vegetarisme eerder kleiner en sektarischer werd en met name verbonden was met buitenparlementair activisme. Vegetarisme wordt steeds groter: Jort Kelder is gezicht van een soort VVD-vegetarisme, de vegetarische slager verkoopt vleesvervangers bij de Jumbo en ook juist parlementaire politiek loopt harder voor dierenrechten, dankzij de Partij voor de Dieren.

Wat zich hier wreekt is dat het boek verschenen is in 2009 en waarschijnlijk in de 5-6 jaar daarvoor geschreven is, in een periode na de moord op Fortuyn dat terrorisme van dierenrechtenactivisme een ding leek. Tien jaar daarna blijkt, gelukkig, dat gewelddadig dierenrechtenactivisme een vrij marginaal fenomeen is gebleven maar daarmee is het boek wel meteen verouderd.

Hoe hangen welvaart en sociale voorzieningen samen?

Heleen Dupuis is een vooraanstaand lid van één van onze regeringspartijen. Filosoof, emeritus professor emeritus, liberaal, senator. Daarvan kunnen we alleen maar scherpe redeneringen verwachten. In Trouw werpt zij haar licht op de verzorgingsstaat. Daarin zegt zij het volgende.

“Nederland is een van de rijkste landen ter wereld, maar tegelijk maakt zowat iedereen gebruik van sociale voorzieningen. Dat is voor mij een aanwijzing dat we het systeem verkeerd hebben ingericht.”

Het is mij niet duidelijk hoe uit het feit dat [1] Nederland rijk is en [2] mensen gebruik maken van sociale voorzieningen volgt [3] dat het systeem verkeerd is ingericht. Als we welvaart als belangrijk goed nastreven, dan laat professor Dupuis zelf zien dat er geen probleem is. Immers: alhoewel bijna iedereen gebruik maakt van sociale voorzieningen, is Nederland één van de rijkste landen ter wereld.

Sterker nog. Misschien is deze redenering is bijziend. Het gaat er vanuit dat er een directe causale relatie is tussen welvaart en verzorgingsstaat. Je kan ook zeggen: Nederland is een open economie, die haar geld verdient door handel. Dat betekent dat Nederland sterk afhankelijk is van de schokken van de internationale markten. Om die schokken op te vangen hebben we een verzorgingsstaat die spaart in goede tijden en uitgeeft in slechte tijden. Zo kunnen we welvaart (door de open economie) en stabiliteit (door de dempende werking van de verzorgingsstaat) combineren. Het minste wat je dan zou kunnen zeggen is dan Nederland is één van de rijkste landen ter wereld en bijna iedereen maakt gebruik van sociale voorzieningen. Dat is voor mij een aanwijzing dat het een niet onverenigbaar is met het ander.

Maar misschien is er wel een causaal verband tussen de door professor Dupuis geobserveerde grote welvaart en het niveau van sociale bescherming: Nederland krijgt haar welvaart ook vanwege haar goed opgeleide beroepsbevolking. Dit komt omdat Nederland een van de beste onderwijssystemen van de wereld heeft dat op het basis- en middelbaar niveau gratis ter beschikking wordt gesteld en door toegankelijk beroeps- en hoger onderwijs van hoge kwaliteit. Dat kost natuurlijk wat, maar daar betalen we samen aan mee. Immers iedereen heeft er voordeel van als er artsen zijn (want die maken ons gezond), ICT’ers (want die verdienen geld) of emeritus-professoren medische ethiek (want wat zouden we anders moeten doen op een druilerige woensdagmiddag). Misschien moet de redenering wel zijn, dus: Nederland is één van de rijkste landen ter wereld, dat komt omdat zowat iedereen gebruik heeft gemaakt van onze sociale voorzieningen waaronder scholen, ROCs, hoge scholen en universiteiten. Dat is voor mij een aanwijzing dat we het systeem goed hebben ingericht.

Dupuis beroept zich later op Rawls. En dat brengt mij op de laatste manier waarop verzorgingsstaat en welvaart zouden kunnen samenhangen: een rechtvaardige samenleving waarin iedereen naar school kan, niemand zich zorgen hoeft te maken of hij de rekening van de medische zorg wel kan betalen en iedereen een dak boven zijn hoofd heeft is een groot goed. Verschillen in inkomen zijn gerechtvaardigd en een dynamisch bedrijfsleven is waardevol zolang ze bijdragen aan het in stand houden van een systeem van sociale rechtvaardigheid. Dat betekent het volgende: Nederland is één van de rijkste landen van de wereld. Het is voor mij een aanwijzing dat we het systeem goed hebben ingericht dat er goede sociale voorzieningen zijn waarvan iedereen gebruik kan maken.

Was 2013 inderdaad een ***-jaar?

Eind 2012 voorspelde ik dat 2013 een ***-jaar zou worden. Wat is er uitgekomen van deze voorspelling?

Zes voorspellingen die ik in 2013 deed hingen samen met de verkiezingsuitslag in Italië. Ik voorspelde dat er geen heldere verkiezingsuitslag zou zijn. Dat klopte!
Maar de gevolgen die ik voorspelde, klopten niet. De uitslag leidde niet tot een economische crisis, tot het uitkomen van corrupte Italiaanse bankpraktijken of een radicale uitbreiding van de macht van de Europese Commissie die nieuwe Nederlandse bezuinigingen eiste. De corrupte bankpraktijken kwamen voor in Cyprus. De economische macht van de Europese Commissie blijft wel groeien. Nederland moest weer verder bezuinigen. Anders dan ik voorspelde profiteerden niet zo zeer de linkse anti-bezuinigingspartijen van de verdere bezuinigingen maar juist de rechtse partijen, zowel D66 (pro) en de PVV (anti). Maar de PvdA kreeg het wel lastig met het anti-illegalenbeleid van het kabinet, die leidde echter nog niet tot Razzia’s.

Daarnaast voorspelde ik dat non-nieuws de media zou domineren: over het Koningshuis (dat werd de abdicatie), een rel over Rusland en het milieu (dat werden de Arctic 30 die aandacht vroegen voor milieuvervuiling maar met name wezen op het sinistere karakter van de Russische regering) en aan het eind van het jaar Zwarte Piet (en niet The Hobbit).

Dat non-nieuws zou het echte nieuws verbloemen: klimaatverandering (nog steeds een probleem volgens de wetenschappers), een ingrijpende verandering van de financiering van de Amerikaanse wetenschap (die in werkelijkheid alleen politieke wetenschap betrof) en de Syrische burgeroorlog (waarbij Assad in elk geval een Amerikaanse inval wist te voorkomen).

In alle eerlijkheid is maar één voorspelling echt uitgekomen. Maar de voortslepende economische crisis, de dominantie van non-nieuws en een overwinning voor de Bad Guys in het Midden-Oosten klopten werden deels bewaarheidt, maar ja dat zijn niet echt kritische voorspellingen.

Voor 2014 sluit ik me aan bij John Green: 2014 wordt misschien wel het beste jaar ooit!

Is de SP homofoob?

De laatste weken is er veel debat over de grenzen van de humor. Maar anders dan komieken en zangers heeft de politiek een voorbeeldpositie. Daarom viel mij dit spandoek van de SP-jongerenorganisatie ROOD, op, twee weken geleden bij de FNV-demonstratie tegen de bezuinigingen. Op de poster staat de tekst ‘Samsom bij Rutte in bed, VVD’s bezuinigingsslet’ en toont expliciete beelden van stokfiguur Rutte en stokfiguur Samsom.

Samsom wordt hier neergezet als de receptieve partner bij geslachtsgemeenschap tussen twee mannen. Dit staat er symbool voor dat volgens ROOD, de PvdA op belangrijke onderwerpen toegeeft aan de VVD. Schijnbaar is een receptieve partner een passief en willoos object. Schijnbaar kan iemand die zich laat penetreren geen krachtige politiek leider zijn. Schijnbaar is er volgens ROOD iets verkeerds aan om op zo’n manier gestimuleerd te worden. Schijnbaar is receptieve homoseksualiteit volgens ROOD iets abjects, iets walgelijks. En dit komt van een partij die zegt: ‘discriminatie van homo’s, lesbo’s, biseksuelen, transseksuelen etc. tolereren we niet.’

Nou zou ROOD zich kunnen verdedigen door te stellen dat het beeld niet homofoob is, immers Samsom wordt neergezet als een ‘slet’ en een slet is een ontuchtige vrouw. Maar daar wordt de zaak niet beter van. Want dan is het schijnbaar vernederend voor een man om neergezet te worden als een vrouw. Want een vrouw is minder dan een man? Is dat wat ROOD wil uitstralen?

Nee, Samsom is niet zo maar een vrouw, hij is een slet: een vrouw die gemakkelijk seks heeft met verschillende mannelijke partners. Het is namelijk verkeerd als een vrouw vrijwillig seks heeft met verschillende partners. Een man die dat doet is stoer. Een vrouw die dat doet is een slet. Want voor mannen en vrouwen gelden verschillende standaarden. Is dit echt de visie op vrouwelijke seksualiteit die de ROOD wilt uitdragen? Staat er in het programma van de SP niet: ‘Nederland hoort pal te staan voor het recht op vrije seksualiteit’?

Ik ken mensen die zich druk maken over Mario seksistisch is en of Gordon of Zwarte Piet racistisch zijn. Ik denk niet dat het de rol van de politiek is om hier meteen wetten en regels over te maken. Maar het minste wat je van de politieke partijen kan vragen is dat ze zelf niet uitgaan van discriminatoire opvattingen over mannen en vrouwen of het idee dat homoseksualiteit abject is. Zeker een partij die in haar programma zegt te hechten aan seksuele vrijheid en gelijkberechtiging.

Is alles te koop?

Sandel is één van de meest prominente linkse filosofen van onze tijd. In Niet alles is te koop analyseert hij de corrumperende werking van de markt op de samenleving. Daarbij verzint hij allerlei problemen die er niet zijn en negeert hij centrale problemen

Sandel’s karakteristieke stijl, die we kunnen zien in zijn wereldberoemde lezingen aan Harvard University, is socratisch. Hij valt niet aan, maar hij stelt vragen, zet je aan het denken. Toch is zijn eigen perspectief helder. Hij is aristoteleaan. Dat betekent dat hij denkt dat er allerlei maatschappelijke sferen zijn die hun eigen principes van rechtvaardigheid hebben. De markt is daar maar een van, maar niet de enige. Hij illustreert dit vrij simpel: wat als we Olympische gouden medaille niet geven aan de snelste zwemmer maar aan diegene die er het meest voorbetaalt. Dat voelt toch onrechtvaardig? Een sportwedstrijd heeft een eigen verdelend principe, dat van merite en dat is een ander principe dan dat van de hoogste bieder.

Een ander bezwaar dat hij benoemt, is ongelijkheid. Het is de vraag of het rechtvaardig is dat als we alles verkopen als op een markt, rijke mensen meer kunnen krijgen dan arme mensen. Laten we als eerste observeren dat dit logica’s zijn op twee verschillende niveau’s. Het eerste is de stelling dat er fundamenteel verschillende verdelingslogica’s zijn: het recht van de eerste (in een rij), de sterkste (in een wedstrijd), van de slimste (op een school), de van de rijkste (op de markt). Het tweede formuleert een ander universeel verdelingsprincipe, namelijk dat van gelijkheid: iedere burger moet een gelijke toegang hebben tot goederen en diensten. 

Geheel volgens de socratische traditie kijkt Sandel naar verschillende gevallen, om te kijken of het marktprincipe hier rechtvaardig wordt toegepast. Het boek zit vol sprekende voorbeelden. Ik wil hier naar drie voorbeelden kijken en naar een voorbeeld dat Sandel niet of nauwelijks bespreekt.

In de rij voor zorg

In China is zorg door de overheid georganiseerd. Als je naar een dokter wil dan moet je urenlang in de rij staan. Mensen waarvan de tijd waardevol is, betalen andere mensen om in de rij te staan. Dit is illegaal maar vrij normaal. Zo kunnen mensen die naar de dokter willen met geld zorg krijgen zonder daarvoor eerlijk in de rij te staan.

Dit geval stuit hem tegen de borst. Gezondheidszorg zou niet verdeeld moeten worden naar inkomen, maar naar een ander principe. Sandel toont zich regelmatig een aanhanger van het principe van wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Dit heeft volgens hem egalitaire eigenschappen. Dit lijkt me absurd. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt, heeft arbitraire eigenschappen. Bij gezondheidszorg zou uiteindelijk noodzaak bovenaan moeten staan. Mensen die zorg nodig hebben, moeten dat krijgen. Is rechtvaardig dat persoon A dood bloedt maar persoon B eerder wordt behandeld omdat hij eerder in de spreekkamer is? Of omdat hij meer betaalt? Volgens mij niet.

Markten voor leven en dood

In de VS kunnen bedrijven een levensverzekering nemen tegen het overlijden van hun medewerkers. Als er een medewerker overlijdt, krijgt het bedrijf een uitkering en de familie niet. Bedrijven die dit doen zeggen: ik heb veel geïnvesteerd in mijn medewerkers om weer zo’n goede werknemer te krijgen moet ik veel geld investeren. De familie krijgt niets.

Sandel beroept zich op gevallen waarbij de familie na het overlijden van de vader met lege handen achterbleef. Natuurlijk is het tragisch als een familielid overlijdt. Zeker als een familie dan lastig rond kan komen. Maar moeten bedrijven verboden worden om voorzorgsmaatregelen te nemen? Net als een machine is een werknemer voor een bedrijf een productiemiddel. Een productiemiddel waarin ze veel investeren. Is het onrechtvaardig om de kosten van die investering te verzekeren?

Wat volgens mij op de achtergrond onrechtvaardig is, is dat in de Verenigde Staten er een beperkte verzorgingsstaat is: en dat als de kostwinner overlijdt, gezinnen op weinig terug kunnen vallen, bovendien is middelbaar onderwijs en zorg ongelofelijk kostbaar. De dood van een ouder is niet alleen een tragische gebeurtenis maar veroordeelt het hele gezin tot armoede en achterstand.

Te laat opgehaalde kinderen

Een voorbeeld dat Sandel een aantal keer aanhaalt, is een Israëlische kinderopvang. Om ouders te stimuleren hun kinderen op te halen zetten ze een boete op het te laat ophalen van kinderen. Ouders zagen dat echter niet als een boete maar als een prijs. Meer ouders haalden hun kinderen later op en betaalden daar grif voor. Volgens Sandel laat die de perverterende werking van markten zien: mensen houden zich niet meer aan de afspraak hun kinderen op tijd op te halen, maar zien het als een dienst.

Ik zie eigenlijk het probleem niet: Een kinderopvang is een bedrijf. Ouders  betalen geld, veel geld, voor een dienst. Als kinderen te laat op worden gehaald maakt dat bedrijf kosten. Kosten waarvoor door de boetes, de ouders die hun kinderen te laat ophalen opdraaien. Wat is het probleem precies? Dat mensen gebruik maken van een mogelijkheid die er eerst niet was?

Geld en politiek

Heel eventjes raakt Sandel aan het onderwerp geld en politiek, als hij heeft over bedrijven die mensen betalen om in de rij te staan voor congressional hearings. Die zouden volgens Sandel ook arbitrair verdeeld moeten worden volgens first come first served.

Maar de rol van geld in de politiek is een waarbij zowel de corrumperende werking van geld als ongelijkheid in beeld kunnen worden gebracht. In de Amerikaanse politiek gaat veel geld om. Een deel van de politieke strijd wordt namelijk uitgevochten in televisiereclames. Omdat te financieren gaat, zijn politici afhankelijk van giften van bedrijven, rijke individuen en maatschappelijke organisaties die veel geld hebben. Daardoor luisteren politici sterker naar deze belangen dan naar de belangen van de gemiddelde burger.

Hier zien we de corrumperende werking van de politiek, omdat geld politici een incentive geeft om niet te luisteren naar de meerderheid van het volk maar naar deze belangen. En we zien de ongelijkheid om dat belangen met geld tijd en aandacht kunnen kopen van politici.

Pluralisme of monisme
Sandel en ikzelf verschillen fundamenteel in onze aannames over rechtvaardigheid. De Gouden medaille gaat misschien niet naar de hoogste bieder, maar we kunnen niet ontkennen dat succes ook in sport in hoge mate afhankelijk is van inkomen. Dan kan je als oplossing muur om de sport zetten en commercie niet toe laten. Het verschil tussen een talent en winnaar is duizende uren oefenen. Dat kan je niet als je gewoon moet werken om je gezin te onderhouden. Dat geldt ook in de wetenschap: je kan nog zulke mooie ideeën hebben over kernfysica maar een deeltjesversneller kost gewoon geld.

Het pluralisme klinkt mooi, maar het is uiteindelijk een conservatieve strategie. Het probeert de macht van geld in te dammen en tegen te gaan. Met morele bezwaren en misschien met wetten. Maar daarmee lost het fundamentele ongelijkheden niet op: het zorgt er niet voor dat een kind in de Derde Wereld ooit de kans gaat krijgen om een Nobelprijs te winnen. Wat daarvoor nodig is, is herverdeling van inkomen: we moeten erkennen dat geld een rol speelt. Je moet alleen proberen, de vrijheid, kansen en mogelijkheden die geld geeft, zo eerlijk mogelijk te verdelen tussen rijk en arm.

Der Unvollendete

Ik heb Peter Mair altijd een heel inspirerende politicoloog gevonden: erudiet, kritisch, doordacht. Twee jaar geleden overleed hij. Hij was bezig met een boek. Wat er al als manuscript lag, is nu verschenen onder de onheilspellende titel Ruling the void. The hollowing of Western Democracy. Het is natuurlijk onmogelijk om een onvoltooid boek te beoordelen alsof het een afgerond boek zou zijn, maar wat vertelt Mair in zijn boek?

Mair richt zich op het falen van de partijen, van het vermogen van partijen om kiezers te betrekken bij de politiek en het vermogen van de partijen om te fungeren als uitvalsbasis voor politici. Het falen van partijen is volgens Mair een groot probleem omdat representatieve democratie alleen maar kan functioneren in termen van politieke partijen.

Verwijdering tussen kiezers en partijen

De eerste these is wel bekend. En Mair toont dezelfde getallen die we allemaal kennen. Teruglopende ledenaantallen, grotere electorale volatiliteit.  teruglopende opkomstcijfers. Hij verwijst hierbij veelvuldig naar studies uit het begin van 2000s. Dat leidt, in mijn ogen, tot twee vragen: ten eerste, is sinds 2000 de situatie fundamenteel verslechterd. En zijn volatiliteit, lage opkomst en lage ledenaantallen een probleem?

Ten eerste, de situatie lijkt sinds de jaren ’90 niet fundamenteel verslechterd te zijn. Ledenaantallen, opkomstcijfers, volatiliteit zijn niet sterk verslechterd. Mair laat zelf zien dat de jaren met de laagste opkomst en sterkste volatiteit geconcentreerd zijn in de jaren ’90.

Ten tweede, is dit echt een probleem? Is volatiliteit, bijvoorbeeld, niet een teken van een kritisch electoraat. Is het niet goed dat kiezers weglopen als partijen hun beloften niet nakomen, slecht besturen of onderling ruzie maken? Is een democratie gezonder als kiezers dat allemaal slikken en op een partij blijven stemmen omdat ze luisteren naar priesters of vakbondsleiders?

Opkomst, is in mijn ogen, wel een zorgwekkende trend: dit zijn burgers die niet betrokken zijn bij de politiek. Daarbij wil ik wel opmerken dat de systemen die de meeste alternatieven hebben voor de partijendemocratie, de Verenigde Staten en Zwitserland, lagere opkomst hebben. In de VS worden meer ambtsdragers direct verkozen en vaak meer vanwege hun individuele reputatie dan vanwege hun partijlidmaatschap. En in Zwitserland kunnen groepen burgers vragen om referenda. Je moet je daarom afvragen een lage opkomst het gevolg is van het falen van partijen.

Verzwakken van partijendemocratie

De tweede trend die Mair observeert is dat het fenomeen ‘party government’ is verzwakt. Onder ‘party government’ bepaalt de de verkiezingsuitslag welke partij in de ministerraad komt, worden politici geselecteerd uit partijen, bieden partijen heldere beleidsalternatieven en zijn ministers verantwoordelijk door partijen. Volgens Mair zijn partijen op al deze punten verzwakt, behalve de eerste. Maar met echt overtuigend bewijs komt hij niet: in de strijd tussen Blair en Brown speelde het een rol wie het goed deed op televisie. Maar dat is een anekdote geen bewijs van een fundamenteel falen van partijen: Mair gaat er aan voorbij dat meer dan ooit hebben partijleden door interne verkiezingen direct grip op wie er partijleider wordt.

Partijen bieden ook geen beleidsalternatieven maar volgens Mair, omdat de links/rechts-dimensie verzwakt is en partijen naar elkaar toegegroeid zijn. Maar dat juist op allerlei thema’s (zoals immigratie en integratie) voor het eerst echt politieke competitie is wordt door Mair niet benoemd.

Partijen zijn, ten slotte volgens Mair ook minder verantwoordelijk voor beleid. Hij verwijst hierbij naar delegatie van verantwoordelijkheden naar niet-majoritaire instituties. Dit is een trend naar depolitisering. Voor een Nederlander klinkt dit maar al te bekend in de oren. Een van de hoofdregels van onze consensusdemocratie is depolitisering: de manier om politieke conflicten te voorkomen. En denk maar aan het idee van publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie uit de jaren ’50, waar politici werknemers en werkgevers samen verantwoordelijk maakten voor beleid. Dit is volgens mij niet onverenigbaar met partijendemocratie.

Onthechting, Europeanisering en Populisme

Dan zijn er drie opmerkelijke ontwikkelingen die Mair ziet: ten eerste de onthechting van partijen van hun maatschappelijke banden. Dit was de kernthese van zijn zeer invloedrijke artikel samen met Katz uit 1995. Dit vermindert het vermogen van partijen om verschillende maatschappelijke belangen te integreren en de eisen van burgers te articuleren. De beweging van partijen van de maatschappij naar de overheid leidt tot een verandering in de rol van partijen: van vertegenwoordiger van het volk bij de overheid naar de vertegenwoordiger van de overheid bij het volk. Partijen zijn de PR-bureau’s van de overheid, citeert Mair Andeweg.

Ten tweede, is er de Europeanisering. In de Europese Unie komen een boel problemen die Mair observeert samen: burgers zijn niet betrokken bij het Europese project, komen niet op bij verkiezingen. Europese instellingen zijn bij uitstek niet-majoritaire instellingen, waarbij vaak besloten wordt door experts in plaats van door politieke meerderheden. Bovendien hebben Europese partijen nauwelijks worteling in maatschappelijke organisaties of onder burgers.

Maar in dat zelfde hoofdstuk observeert Mair de opkomst van populistische partijen in Europa. Hierin zien we volgens mij juist de kracht van partijendemocratie. Want de onvrede die Mair observeert, tegen een elite die geen contact meer onderhoudt met de maatschappij, die geen verschillende oplossingen biedt, tegen een Europees democratisch deficiet en die beleidsmaker probeert te isoleren van de samenleving, vindt uiting in populistische partijen. En zo organiseert de partijendemocratie haar eigen correctiemechanisme. Ook populisten doen met partijen mee aan verkiezingen om zo de stem van het volk te laten horen. Partijendemocratie betekent niet de organisatie van de politiek door de huidige partijen, juist de opkomst van nieuwe partijen en de ondergang van oude partijen is een belangrijk onderdeel van haar zelfcorrigerend vermogen.

Eindoordeel

Het is eigenlijk onmogelijk om een eind oordeel te geven voor een onvoltooid boek, maar het is mijn indruk dat Mair te cynisch is over de ontwikkelingen in de partijendemocratie. De ondergang van politieke partijen, kortom die Mair observeert, is volgens mij onterecht. We zien kritische burgers die misschien minder hebben met de huidige partijen, maar een partijenstelsel dat ruimte biedt voor nieuwe partijen.

Een kat met negen levens. De politieke carrière van Jan Nagel.

Vanwege de val van Henk Krol en de voortdurende onrust in 50+ is hij weer in het nieuws: Jan Nagel. Nagel’s politieke carrière toont een uitzonderlijk overlevingsvermogen.

Jan Nagel komt uit de sociaaldemocratische politieke familie: hij was redacteur bij de ‘rode’ VARA en voorzitter van een NVV-bond voor omroeppersoneel. Hij bedacht het populaire programma De Rode Haan en daar bracht hij samen met Maurice de Hond de maandelijkse zetelpeiling naar de Nederlandse radio.

Nagel was tegelijkertijd actief in de PvdA: vanaf 1965 zat hij in het partijbestuur. Daar toonde hij al een dwarse en democratische inslag: hij sprak zich uit tegen de kabinetsdeelname van de PvdA aan het kabinet-Cals, omdat er geen nieuwe verkiezingen waren geweest. Hij verzette zich tegen het regenteske optreden van sociaaldemocratische voormannen van de vorige generatie. Hij sloot zich aan bij Nieuw Links. Nieuw Links was een verjongingsbeweging in de PvdA. Het was een generatiebeweging die een nieuwe generatie sociaaldemocraten aan de macht wil helpen. Een generatie die meer oog had voor democratische verhoudingen.

Nagel bleef tot 1977 lid van het partijbestuur.  In 1977 werd hij lid van de Eerste Kamer voor de PvdA. Hij bleef dat zes jaar. Hij stelde zich onafhankelijk op en stemde vaak met een minderheid van zijn fractie tegen wetsvoorstellen. Tegelijkertijd klom hij op in de VARA en schopte het tot hoofd radio en televisie. Bij de VARA richtte hij zich op de kloof tussen burger en politiek met het programma De Kloof. De relatie tussen Nagel en zijn collega’s bij de VARA was lastig: hij kwam in conflict met VARA-voorzitters André Kloos en Marcel van Dam.

Begin jaren ’90 was hij nog actief in de PvdA. Er was veel onvrede over de koers van de partij, die onder Kok een hardvochtig bezuinigingsbeleid voerde. Samen met oud-Nieuw Linkser André van der Louw zocht Nagel naar een manier om de achterban en de partijtop bij elkaar te brengen. De partijleiding zag dit als een coup.

In 1993 richtte Nagel Leefbaar Hilversum op. De partij boekt in de jaren ’90 grote successen en zo wordt Nagel het gezicht van een nieuwe politieke stroming die een grote onvrede in de maatschappij weet aan te spreken. Een stroming die zich verzette tegen de arrogantie van ambitieuze bestuurders, die geen oog hadden voor de leefbaarheid van de stad en met grote infrastructurele problemen slechts wilden bijdragen aan de prestige van de gemeente. Nagel moest wel er zijn PvdA-lidmaatschap voor inleveren. In 1998 had Leefbaar Hilversum één derde van de raadszetels in Hilversum. En kwam ze in het college, kortstondig want al binnen een half jaar ontstonden er conflicten binnen de coalitie. In 2001 wordt Nagel als nog wethouder voor Leefbaar Hilversum.

In 1999 bundelen deze lokale leefbaarheidspartijen zich in Leefbaar Nederland. Nagel werd voorzitter. De partij kwam eerst in een electorale stroomversnelling maar even later evenzeer in zwaar water als  Pim Fortuyn aantrad en aftrad als lijsttrekker. Het bestuur, geleid door Nagel, zette uiteindelijk Fortuyn de wacht aan vanwege zijn extreme uitspraken over de Islam.

Leefbaar Nederland koos crime fighter Fred Teeven tot lijsttrekker. In de verkiezingen werd Leefbaar Nederland overvleugelt door de LPF die dezelfde populistische retoriek koppelde aan een anti-Islam-sentiment. Leefbaar Nederland haalde twee zetels en ging vervolgens ten onder aan interne conflicten: de afwezigheid van een bindende leider, van een gedeelde ideologie of van een gemeenschappelijke partijcultuur brak de partij op.

Nagel, die raadslid in Hilversum bleef, laat zijn idee van een politieke partij die stem kan geven aan de onvrede van mensen, niet varen. In 2005 experimenteerde hij met een populistische middenpartij rondom om misdaadjournalist Peter R. de Vries, de Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang. Die club kwam niet tot de grond. De partij moest de steun halen van 41% van de leden van het opiniepanel van Maurice de Hond. In 2009 volgde er een nieuw experiment, de Onafhankelijke Ouderen en Kinderunie (Ooku), een ouderenpartij. Formeel was dit een rechtsopvolger van de PRDV. Ooku werd op haar beurt omgevormd tot 50+. Deze partij raakte een sentiment onder ouderen die vanwege bezuinigingen (zoals de verhoging van de AOW-leeftijd) zich in hun financiële zekerheid  gepakt voelen. Net als Nieuw Links is 50+ een generatiebeweging: ze vertegenwoordigden dezelfde generatie die met Nieuw Links een nieuwe positie voor zichzelf moest bevechten.

In 2011 deed de partij mee aan de provinciale statenverkiezingen. In Noord-Brabant was oud-VVD’er en oud-homojournalist Henk Krol lijsttrekker. Veel andere 50+’ers waren afkomstig uit andere middenpartijen: CDA, PvdA en VVD. Ze wonnen genoeg zetels voor één senaatszetel. Via een slimme samenwerking met een aantal lokale partijen werden het er twee. Nagel raakte echter als snel gebrouilleerd met zijn collega senator De Lange. Ook binnen 50+ ontstonden er conflicten oud-PPR staatssecretaris (en politiek zwerver) Michel van Hulten verliet al snel de partij over de politieke koers. Nagel bleef de machtigste speler in 50+: het congres, dat hij als enige politieke vertegenwoordiger en partijvoorzitter ook nog eens zelf voorzat, bespeelde hij als een viool. In 2012 won Krol twee zetels. Na de vorming van het kabinet schoot de partij in de peilingen omhoog. Het wetenschappelijk bureau van de partij laat met name Maurice de Hond kiezersonderzoek doen.

In 2013 ontstonden er conflicten. Hoofdvraag was of de partij zou deelnemen aan gemeenteraadsverkiezingen. Nagel, die veel banden heeft met lokale partijen zag daar weinig in. Andere 50+ leden wilden dit wel: politieke zwerver Dick Schouw (ex-VVD, ex-Piraat, ex-DS70, ex-Trots) wil met lokale OPA’s aan de slag. Dit leidde tot een conflict. Parallel daaraan werd de positie van Krol vorige week onhoudbaar vanwege het niet-betalen van pensioenpremies.

Er zijn drie thema’s die voortdurend terugkomen in het politieke leven van Nagel. Het eerste thema is zijn anti-autoritaire houding. Hij verzet zich tegen paternalisme: ‘een houding van stil maar we weten wel wat goed voor u is’, aldus Nagel in een interview in 1999. Die houding tekende hem als Nieuw Linkser die zich verzette tegen de regenteske sociaaldemocraten, als VARA-journalist die de burger een stem wou geven, maar ook als oprichter van lokale en landelijke protestpartijen. Nagel behoorde nooit tot de inner circle van de Nederlandse politiek maar was voortdurend de outsider die stem vergeten groepen wou vertegenwoordigen. Een opvallende bondgenoot in deze is de opiniepeiler Maurice de Hond, die ook afkomstig was uit de rode familie maar die zich sindsdien tot geluidsversterker van de gewone man heeft gemaakt.

De tweede hoofdlijn is ruzie. Nagel is eigenzinnig en strategisch. Hij wordt wel de ‘Raspoetin van Hiversum’ genoemd. Bij de VARA, de PvdA, Leefbaar Nederland en 50+ waren er in de tijd dat Nagel er zat conflicten. Soms vanwege Nagel maar vaak ook buiten hem om. Politiek is voor Nagel, een getalenteerd schaker een spel van confrontatie. Een spel dat je speelt om te winnen. Maar nieuwe partijen en vernieuwingsbewegingen trekken ook een bepaald soort mensen aan.

Het derde thema is het politieke overlevingsinstinct van Nagel. In die zin lijkt het ook op Raspoetin die volgens de overlevering verschillende moordaanslagen overleefde. Als hij bij de PvdA definitief aan de zijkant geschoven is, vindt hij zichzelf opnieuw uit: de oud-senator en -partijbestuurder gaat als outsider de strijd voor de gemeenteraad van Hilversum aan. Daar blijft hij twaalf jaar lid van. Als Fortuyn hem Leefbaar Nederland uit zijn handen dreigt te slaan komt er een nieuwe lijsttrekker. Vlak na de uiteindelijke ondergang van Leefbaar Nederland in 2006 werkt hij zes jaar aan een nieuwe protestpartij van het midden. Die dreigt het tot twee keer toe niet te redden, maar Nagel geeft zich niet gewonnen: hij geeft nooit op.

Oktober opdracht 2013

Het is een jaarlijks terugkerend ritueel. De oktober opdracht. Een CD met de nieuwe muziek die ik dit jaar heb leren kennen. In 2011 en 2012 zette ik hem ook al online. Dit jaar maakte ik twee CDs, maar naar aanleiding van een tweet vorige week heb ik al een boel inspiratie van een nieuwe CD.

Dance with a post-modern swing

#

Naam Band Album Jaar Genre

1

Dragons Caravan Palace Caravan Palace 2008 Electro-swing

2

Get Lucky PV Nova Get Lucky Covers 2013 Multi-genre

3

Impartial (The Battle) The Clockwork Dolls Dramatis Personae 2009 Steam Punk

4

Jolie Coquine Caravan Palace Caravan Palace 2008 Electro-swing

5

Get Lucky Daughter Get Lucky Covers 2013 Punk

6

Maniac Caravan Palace Panic 2012 Electro-swing

7

Battle Of Jericho Hugh Laurie Let Them Talk 2011 Blues

8

Get Lucky PelleK Get Lucky Covers 2013 Metal

9

Panic Caravan Palace Panic 2012 Electro-Swing

10

Comatose Luck Xploding Plastix Amateur Girlfriends Go Proskirt Agents 2001 Electro-Jazz

11

Je m’amuse Caravan Palace Caravan Palace 2008 Electro-Swing

12

Angels The Baseballs Strike  2011 Swing

13

Beatophone Caravan Palace Panic 2012 Electro-Swing

14

Brotherswing Caravan Palace Caravan Palace 2008 Electro-Swing

15

Get Lucky Daft Punk Random Access Memories 2013 Dance

Het kernidee achter Dance with a post-modern swing is om moderne nummers te nemen die een cover of een verwijzing zijn naar een ander of ouder nummer.  Er zitten twee grote lijnen in de CD: de eerste is Caravan Palace, een Franse band die elektro-swing maakt. Van Caravan Palace zijn zes nummers opgenomen. Zij combineren swing uit de jaren ’50 met dance. Dat is wat mij betreft een combinatie die je lastig uit je hoofd kan krijgen.

En de tweede zijn covers van het nummer van deze zomer, Get Lucky van Daft Punk en het origineel. Alle covers komen van YouTube dat een prachtig medium geeft voor het remixen van muziek. De meest fascinerende komt van PV Nova, die laat horen hoe Get Lucky had gehoord in versies van vooroorlogs tot futuristisch. Daughter maakte van het vrolijke feestnummer een fatalistische verschrikking. De melodic metal versie van PelleK past misschien niet zo goed op de CD maar is wat mij betreft beter dan het origineel.

In lijn met Caravan Palace zijn de Xploding Plastix die met hun elektro-jazz heel dicht in de buurt komen van de elektro-swing: beide verwerken geluidselementen van zwartwitfilms in hun muziek. Ook the Baseballs laten de swing terugkomen, maar wel met swing covers van moderne popnummers. Hugh Laurie covert de klassieke zwarte spiritual Battle of Jericho.

Death Cab For Cutie

# Nummer Band Album Genre

1

I Will Follow You Into The Dark Death Cab For Cutie Plans Indie

2

Home Is a Fire Death Cab For Cutie Codes and Keys Indie

3

You Can Do Better Than Me Death Cab For Cutie Narrow Stairs Indie

4

Marching Bands Of Manhattan Death Cab For Cutie Plans Indie

5

Codes and Keys Death Cab For Cutie Codes and Keys Indie

6

Information Travels Faster Death Cab For Cutie The Photo Album Indie

7

Bend To Squares Death Cab For Cutie Something About Airplanes Indie

8

President Of What? Death Cab For Cutie You Can Play These Songs With Chords Indie

9

Title And Registration Death Cab For Cutie Transatlanticism Indie

10

St. Peter’s Cathedral Death Cab For Cutie Codes and Keys Indie

11

Brothers On A Hotel Bed Death Cab For Cutie Plans Indie

12

I Will Follow You into the Dark Amanda Palmer Who Killed Amanda Palmer Brechtian Punk Cabaret

De CD Death Cab for Cutie heeft een simpelere opzet. Dit zijn mijns inziens de elf beste nummers van de Amerikaanse band, Death Cab For Cutie, een band die ik al iets langer ken en waar ik het laatste jaar veel naar heb geluisterd, en een cover door de onvolprezen Amanda Palmer.

Maar ik verwacht dat ik eind van deze maand een tweede Oktober Opdracht met nieuwe nummers. Dus laat me vooral weten: wat heb jij dit jaar voor nieuwe muziek leren kennen?

95% wat?

Het internationale klimaatpanel IPCC bracht vandaag wederom een rapport uit. De interpretatie door groene politici, journalisten en lobbyisten laat zien dat het misschien maar goed is dat we klimaatwetenschap overlaten aan klimaatonderzoekers.

Het grootste probleem in de interpretatie vormt de term ‘95%’. Zowel de Trouw, de VARA als de Volkskrant schrijven dat volgens het IPCC ‘de mens sinds het midden van vorige eeuw voor 95 procent verantwoordelijk is voor de oplopende temperaturen op aarde.’ Deze interpretatie wordt overgenomen door Marianne Thieme, de voorvrouw van de Partij voor de Dieren en Jan Vos, de energiewoordvoerder van de Partij van de Arbeid. Olof van der Gaag, werkzaam bij Stichting Natuur en Milieu interpreteert het zo: ‘95% van de wetenschappers: de mens warmt de aarde op’. Europees Commissaris Janez Potocnik gebruikt een analogie: wat zou je doen als de dokter 95% zeker was dat je een serieuze ziekte had. Wie heeft er gelijk? Journalisten en de politici, de lobbyist of de commissaris? Is het 95% zekerheid, 95% verantwoordelijkheid, 95% instemming?

In de samenvatting van het rapport staat het volgende: “[i]t is extremely likely that more than half of the observed increase in global average surface temperature from 1951 to 2010 was caused by the anthropogenic increase in greenhouse gas concentrations and other anthropogenic forcings together.” In een voetnoot wordt uitgelegd dat ‘extremely’ likely’ betekent 95%-zekerheid.

VARA, Vos en Volkskrant zitten er dus naast. De mens is niet voor 95% van de klimaatverandering verantwoordelijk. Het stuk zegt letterlijk dat de helft van de klimaatverandering veroorzaakt wordt door de mens. De zekerheid dat dit zo is, is groter 95%. Aan het rapport hebben 71 wetenschappers gewerkt. Dat is -gelukkig- niet 95% van de klimaatwetenschappers.

Het erkennen dat we dingen nooit zeker weten is een cruciaal onderdeel van alle wetenschap: we nemen steekproeven, maken modellen die voorspellingen doen. Hiervan weten we nooit 100% zeker of ze kloppen. Dat is in de politiek soms lastig, omdat je overtuigd moet zijn van je eigen gelijk wil je in dit spel overleven. Maar ook een journalist wil vaak stelligheid. Gelukkig is wetenschap is een vak apart.