Het effect van nieuwe politieke partijen

Sommige nieuwe partijen komen met grote ambities naar Den Haag. Pim Fortuyn zei ooit: “Ik word de volgende minister-president, let u maar op”. Vaak zien nieuwe partijen een andere rol voor zichzelf: de Unie 55+, een ouderenpartij die in 1994 met één zetel in de Tweede Kamer kwam, omschreef het ooit als volgt : “Natuurlijk zal de Unie, alhoewel er reeds circa 3,5 miljoen potentiële kiezers van vijfenvijftig jaar en ouder zijn, geen meerderheid in de Kamer verkrijgen, zelfs niet op korte termijn tot de grote partijen gaan behoren. Toch kan haar invloed groot zijn. Elke zetelwinst zal ten koste gaan van andere partijen. Vooral omdat het programma het Nederlandse volk zal aanspreken en zeker niet als extreem kan worden beschouwd, zullen bestaande partijen, teneinde zetelverlies te beperken, punten uit dit programma overnemen (…).”

Die laatste ambitie van nieuwe partijen om de prioriteiten van bestaande partijen te beïnvloeden, staat centraal in het proefschrift van Simon Otjes, waarop hij op 31 oktober 2012 is gepromoveerd aan de Universiteit Leiden. Hij onderzocht het effect van nieuwe partijen op de aandacht die bestaande partijen besteden aan thema’s in zowel verkiezingsprogramma’s en parlementaire debatten. Het proefschrift richtte zich op alle nieuwe partijen die het Nederlandse parlement zijn gekomen sinds de Tweede Wereldoorlog.

De centrale uitkomst van het onderzoek is dat in de parlementaire arena nieuwe partijen wel een sterk effect hebben op de aandacht die bestaande partijen besteden aan bepaalde onderwerpen, maar dat in de electorale arena zo’n effect afwezig is. In verkiezingsprogramma’s van de bestaande partijen is er geen consistent effect van de aanwezigheid van nieuwe partijen zichtbaar. In de aandacht die partijen aan onderwerpen besteden in parlementaire debatten is er wel een helder effect van nieuwe partijen zichtbaar. De aanwezigheid van een nieuwe partij leidt tot een toename in aandacht voor het thema dat die nieuwe partij centraal stelt. Als nieuwe partijen sterk gefocust zijn op hun eigen onderwerp of als ze groter zijn is dit effect sterker: zowel de Partij voor de Dieren (PvdD, een kleine partij die sterk gefocust is op dierenwelzijn) als de Lijst Pim Fortuyn (LPF, een grote partij die in haar parlementaire werk geen concentratiepunten had maar zich breed oriënteerde) zijn voorbeelden van partijen die het onderwerp dat centraal stond in hun programma (voor de PvdD landbouw en dierenwelzijn en voor de LPF  immigratie en integratie) hoog op de agenda hebben gezet. Dit duidt erop dat er verschillende mechanismes een rol spelen: de LPF vormde omdat ze zo’n grote groep kiezers wist te mobiliseren een serieuze bedreiging voor de bestaande partijen. Bestaande partijen hebben dan ook het voorbeeld gevolgd van deze electoraal succesvolle partij. De PvdD heeft omdat ze zo gefocust was op landbouw het parlementaire debat daarover gedomineerd. Bestaande partijen hebben niet alleen deelgenomen aan de debatten die de PvdD agendeerde omdat dat van hen verwacht werd, maar ook om dat ze alleen zo grip konden houden op manier waarop er in de Tweede Kamer gepraat en gestemd wordt over landbouw: als ze niet meededen, dan werd alleen het radicale anti-dierenrechtengeluid van de Partij voor de Dieren gehoord.

Niet alle nieuwe partijen zijn succesvol: de Unie 55+, die juist de ambitie had om via de bestaande partijen invloed uit te oefenen op het ouderenbeleid, is een voorbeeld van een weinig succesvolle nieuwe partij in de termen van dit onderzoek. Zij kwam in 1994 met één zetel in de Tweede Kamer, op de vleugels van grote maatschappelijke onrust over bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid: tijdens de campagne stelde het CDA voor om de AOW te bevriezen. De Christendemocraten leden een zwaar verlies. De bestaande partijen hadden aan het verlies van het CDA gezien dat alleen al het doen van voorstellen op het gebied van zorg of sociale zekerheid kon leiden tot een slechte verkiezingsuitslag en lieten het onderwerp rusten. Bovendien focuste het enige Kamerlid van de Unie 55+, Bertus Leerkes, zich niet sterk op ouderenbeleid: hij diende in totaal drie moties in: over verkeer, de economie en de zorg.

Het promotie-onderzoek laat zien dat nieuwe partijen hun eigen onderwerp hoog op de politieke agenda kunnen zetten – noet zozeer op de electorale,maar vooral op de  de parlementaire agenda. Deels hebben nieuwe partijen dit zelf in de hand: als ze zich niets aantrekken van de agenda van de Tweede Kamer en zich sterk focussen op hun eigen onderwerp, kunnen ze de agenda mede bepalen.

Dit artikel verscheen in de Hofvijver van December 2012

Stelling 11: Het is niet genoeg de wereld te begrijpen, we moeten haar veranderen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tiende: over het ambacht van de politieke wetenschap.

Stelling 11: “Het is niet genoeg de wereld te begrijpen, we moeten haar veranderen.”

Gedurende mijn hele universitaire opleiding ben ik politiek actief geweest.  Want het is voor mij nooit genoeg geweest om te leren hoe de politieke wereld in elkaar zat, ik heb me altijd ingezet voor maatschappelijke verandering. Mijn studie was lange tijd mijn voornaamste bezigheid en politiek een hobby, maar in het laatste jaar heb ik gezocht naar een nieuwe balans door zowel te werken in de politiek, bij Bureau de Helling, als in de wetenschap, bij de Universiteit Leiden.

Het is een precaire balans omdat in de wetenschap objectiviteit en integriteit centraal staan. Een partijgebonden partijonderzoeker heeft een lastige positie. Hij kan voor zich zelf waarde en waarheid misschien wel scheiden, maar voor anderen is het lastig om dat te zien. Overigens juist als kiezersonderzoeker moet je bij een partij niet geleid worden door wat jezelf belangrijk vindt, maar door wat uit kiezersonderzoek blijkt belangrijk te zijn voor kiezers. Ik zou bijvoorbeeld zelf het liefst Nederland morgen onderdeel maken van een Europese federatie, het minimumloon afschaffen en alle panda’s over de kling jagen, maar ik realiseer me dat die standpunten electoraal lastig liggen. Het is mijn rol geweest binnen GroenLinks om matiging te adviseren over ons pro-Europese programma, een meer herkenbaar linkse koers te adviseren en vol in te zetten op groen. Mijn neutraliteit en objectiviteit heb ik nooit opgegeven.

Even zo zeer heb ik het laatste jaar gemerkt dat als je onderzoek doet naar iets waar je niet 100% vol voor gaat, dat de drive om urenlang zelfstandig te werken niet heel groot is. Ik rond daar nu mijn onderzoek naar belangengroeperingen af. Dat is grotendeels dezelfde theorie en dezelfde methoden als in mijn partijenonderzoek, maar het onderwerp kan mij veel minder motiveren. Ik ben daarom bijzonder blij dat ik de mogelijkheid krijgen om bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen me in te zetten voor mijn grote passie, het onderzoek naar politieke partijen. In mijn onderzoek naar bijvoorbeeld de Partij voor de Dieren probeer ik erachter te komen hoe zelfs kleine partijen een grote invloed hebben op de aandacht voor hun onderwerp. Daarmee hoop ik niet alleen bij te dragen aan een beter begrip van de politiek, maar ook mensen aan te moedigen om zich in te zetten voor maatschappelijke verandering, want zelfs met twee zetels kan je een grote verandering inzetten.

En zo zie je: als partijgebonden kiezersonderzoeker heb je de kille neutraliteit nodig van de empirist, want anders wordt je advies gekleurd door je eigen standpunt; en als neutrale partijenonderzoeker heb je de passie nodig van de partijactivist, want anders heb je de motivatie niet om iedere dag onderzoek te doen. Ik ben bijzonder blij dat ik de komend jaren deze precaire balans mag door zetten, als onderzoeker bij het DNPP en als bij Bureau de Helling.

Stelling 10: Politicoloog, computerprogrammeur, journalist en filosoof

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tiende: over het ambacht van de politieke wetenschap.

Stelling 10: “Een politicoloog is een computerprogrammeur in de ochtend, een journalist in de middag en een filosoof in de avond.”

Politicologie is een bijzondere discipline. Een politicoloog combineert veel verschillende perspectieven. In mijn proefschrift heb ik verschillende perspectieven gecombineerd: kwantitatief onderzoeker, kwalitatief onderzoeker en theoreticus.

Een belangrijk deel van mijn proefschrift bestaat uit een statistische analyse. Dit is gebaseerd op data over parlementaire stemmingen die ik samen met mijn collega heb verzameld uit online bestanden. In dat werk ben je eigenlijk meer een computerprogrammeur dan een politiek wetenschapper. Websites geautomatiseerd downloaden, de gedownloadde bestanden parsen, data bestanden maken en statistische analyse draaien. Dat hadden ze me allemaal niet tijdens de bachelor geleerd. Ik had me veel nieuwe methoden eigen moeten maken, waaronder het statistische programma R. R is meer dan een statistiekprogramma, het is een computertaal. Je bent bezig met for-loops, if … else statements etc. Zo krijg je uiteindelijk cijfers, die je kan analysere en mooi als figuur weer kan geven.

Daarmee was met mij betreft het onderzoek af, maar mijn promotor wees me er terecht op dat al die statistiek wel leuk is maar betekenisloos is zonder context. Dus moest ik ook een historische analyse schrijven. Het effect van nieuwe partijen in context plaatsen. Waar het werk van een kwantitatief politicoloog steeds meer lijkt op een computerprogrammeur zonder formele training, lijkt het werk van een kwalitatief politicoloog nog steeds op een journalist zonder deadline. Uiteindelijk heeft dat een mooie historische beschrijving van alle nieuwe partijen in Nederland opgeleverd in de context van de Nederlandse politieke geschiedenis: de democratisering van de jaren ’60, de debatten over abortus in de jaren ’70, de kernwapendebatten van de jaren ’80.

De laatste rol van de politicoloog is de filosoof. Los van de data en de context een theoretisch argument maken. Mij lag de rol het minst omdat ik een vrij platte empiricus ben en een gediplomeerd filosoof. Rollen die ik altijd gescheiden had. Meer dan de theorievorming over nieuwe partijen (alhoewel ik ook wel gestoeid heb met de klassieke definities en schema’s van nieuwe partijen) heb ik proberen bij te dragen aan het begrip van de arena’s waarin partijen opereren, de parlementaire arena en de electorale arena. Toen ik er achter kwam dat nieuwe partijen geen effect hebben in de electorale arena, maar wel in de parlementaire arena, was dat voor mij eerst een teleurstellende uitkomst, maar uiteindelijk een waardevolle uitkomst.

En zo ben je als politicoloog een computerprogrammeur, een journalist en een filosoof. Bezig met for loops, bronnenonderzoek en grote verhalen.

Stelling 9: Party democracy is not dead yet

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de negende: over de veerkracht van de partijpolitiek.

Stelling 9: “De partijendemocratie vertoont een opvallende gelijkenis met Mark Twain, immers de veelvuldige berichten over haar dood zijn overdrijvingen.”

Een van de meest kritische opmerkingen van de commissie was: “u doet onderzoek naar het effect van nieuwe partijen op bestaande partijen, maar wat doet dat er toe? Partijen zijn toch steeds minder relevant?”

Sinds de politicologie bestaat verklaart iedere generatie politicologen de politieke partij dood. Verouderd, sluit niet meer aan bij de huidige maatschappij, regentesk, geïsoleerd van de samenleving, niet-responsief, niet-representatief. Wat zou verouderde partijen bij de les kunnen houden?

In dit onderzoek kijk ik of nieuwe partijen deze rol zouden kunnen spelen Zouden nieuwe partijen die door kiezers naar Den Haag worden gestuurd om nieuwe onderwerpen op de agenda te zetten, om het beleid naar links of naar rechts te sturen en om “die malle boel te grazen te nemen”? En in mijn onderzoek blijkt dat onder specifieke voorwaarden nieuwe partijen een effect kunnen hebben.  Laat dit niet zien dat politieke partijen hun relevantie niet hebben verloren omdat er een dynamiek is tussen nieuwe en bestaande partijen die zorgt voor aansluiting voor partijen bij de samenleving, die zorgen voor vernieuwing, die een brug kunnen slaan tussen burger en maatschappij, die zorgen voor responsiviteit en representativiteit?

Een logische casus om naar te verwijzen is de LPF: in de jaren ’90 heerste er in Nederland een politieke correctheid in Nederland rond migratie en integratie. In de samenleving ontstond een grote onvrede over immigratie en integratie. De opkomst van de LPF dwong de bestaande partijen om meer aandacht te besteden aan migratie. Dat laat zien dat nieuwe partijen de link kunnen vormen tussen de kiezers en de bestaande partijen.

Dit is deels een vertekening: tijdens het tweede paarse kabinet werd er al een meer stringente vreemdelingenwet (de wet-Cohen) aangenomen en werd er dus al gedebatteerd over immigratie in de Tweede Kamer.  Dat laat zien dat de LPF er niet voor heeft gezorgd dat aandacht voor migratie van 0% naar 100% is gegaan. Het effect van nieuwe partijen is beperkt. Maar in dit geval laat dat alleen maar zien dat bestaande partijen ook zonder de druk van nieuwe partijen reageren op maatschappelijke ontwikkelingen als migratie.

Stelling 7: links/rechts is een culturele tegenstelling

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de zevende: over de veranderende aard van de links/rechts-tegenstelling.

Stelling 7: “Wat betreft sociaaleconomische onderwerpen heeft de links/rechts-tegenstelling aan kracht ingeboet, terwijl deze wat betreft sociaalculturele onderwerpen nog steeds dominant is.”

Een van de meest interessante benaderingen van de politiek vind ik het modelleren van het politieke landschap in ruimtelijke modellen. Dit wordt in de laatste jaren steeds minder helder: onderwerpen als de AOW, het ontslagrecht, de studiefinanciering, het aanpakken van scheefhuurders, het eigen risico in de zorg. Volgens sommige mensen wordt de PVV steeds linkser omdat ze tegen hervormingen zijn, en GroenLinks steeds rechtser omdat ze hier voor zijn.

De opkomst van niet-economische onderwerpen als migratie en milieu maakt ruimtelijke modellen ook steeds gecompliceerder. Op migratie zien we PVV en VVD tegenover GroenLinks en SP elkaar staan. De ordening is vrij duidelijk. Op sociaaleconomische onderwerpen wordt de tegenstelling steeds minder helder: bijvoorbeeld bij het verhogen van de AOW-leeftijd staan GL en VVD tegenover PVV en SP. Daarnaast zijn er onderwerpen als belasting en privatisering waarop GL en SP tegenover VVD en PVV staan. Europese integratie is een onderwerp dat vrij goed samenvalt met de tegenstelling over sociaaleconomische hervorming.

 

 

 

 

 

 

Kortom: in het sociaaleconomische terrein vervaagt de links/rechts-tegenstelling. Maar juist op sociaalculturele onderwerpen en milieu zie je het voortduren van de tegenstelling SP en GroenLinks versus VVD en PVV. Wat betreft betekent dat op de sociaalculturele tegenstelling de links/rechtstelling van sterk belang is.

Bi de laatste verkiezingen zagen we in debatten het patroon links tegen rechts, PvdA versus VVD, over eerlijk delen, bezuinigen versus investeren. Hoe verhoudt dat zich tot elkaar? Mijn betoog over een nieuwe sociaaleconomische tegenstelling en zo’n evidente links/rechts-tegenstelling  tussen VVD en PvdA? Vlak voor de verkiezing sloot een hervormingsgezinde alliantie van VVD/CDA/CU/GL/D66 het Lenteakkoord dat zich hield aan Europese begrotingsregels, hervormingen en vergroeningen inzette. Na de verkiezingen sloten de PvdA en VVD een herfstakkoord dat de groene laag van het Lenteakkoord afpoetste maar de sociaaleconomische hervormingen (met name de AOW-leeftijd) versterkte.

Tijdens de campagne werd de illusie gewekt dat het gaat om links tegen rechts over bezuinigen of investeren, na de campagne liet de PvdA en de VVD zien waar het omgaat: Europese regels en sociaaleconomische hervormingen.

Stelling 6: maak parlementaire stemmingen publiek

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de zesde: een open brief van Anouchka van Miltenburg.

Stelling 6: “Voor de vooruitgang van de wetenschap en voor de betrokkenheid van burgers bij politiek, zou de Staten-Generaal er goed aan doen uitslagen van parlementaire stemmingen publiek te maken.”

Geachte Mevrouw de Voorzitter, Beste Mevrouw van Miltenburg,

Eerst wil ik deze kans grijpen om u te feliciteren met uw uitverkiezing tot voorzitter van de Tweede Kamer. Ik was bijzonder blij dat juist u de voorzittershamer heeft gekregen omdat u pleitte voor het invoeren van elektronisch stemmen door Tweede Kamerleden. Ik ben hier een groot voorstander van. Niet alleen omdat hiermee het proces van hoofdelijk stemmen efficiënter wordt, maar juist ook omdat dit een belangrijke stap mogelijk maakt voor het betrekken van burgers bij de politiek en voor de vooruitgang voor de wetenschap der politiek: het direct beschikbaar maken van stemmingsuitslagen.

Het is nu voor kiezers die niet de handelingen van de Tweede Kamer niet spellen niet mogelijk om te zien hoe hun volksvertegenwoordigers hebben gestemd. Als het met een druk op de knop mogelijk is voor volksvertegenwoordigers om te stemmen, is het ook voor burgers met een druk op de knop mogelijk om te zien hoe hun vertegenwoordigers gestemd hebben. Je hoort dat Kamerleden vaak mee wegen in hun stemming hoe het onderwerp ligt in het electoraat. Maar hoe Kamerleden stemmen is een van het best bewaarde geheim binnen de muren van de Kamer.

Maar het zou ook bijzonder helpen om de Tweede Kamer te leren begrijpen. We weten namelijk vrij veel over wat Tweede Kamerleden vinden via bijvoorbeeld het Nederlands Parlementair Onderzoek, maar vrij weinig over wat Kamerleden doen: met welke collega’s werken Tweede Kamerleden samen? Maakt een minderheidskabinet uit  voor hoe Kamerleden stemmen in de Tweede Kamer? Volgen stemmingen eigenlijk de patronen in parlementaire debatten? Hoe sterk in de tegenstelling tussen oppositie en coalitie? En wat bepaalt het succes van Kamerleden? Daar weten we eigenlijk heel weinig over? Het beschikbaar stellen van data wat als u uw voorstellen mag uitvoeren, zal zeker een impuls krijgen, zal een impuls geven aan politicologisch onderzoek.

Veel succes met uw Kamerwerk,

Met de gevoelens van hoogachting,

Simon Otjes

Stelling 5: Coalitiepartijen zijn nee-zeggers

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de vijfde: over de tegenstelling tussen coalitie en oppositie.

Stelling 5: “De tegenstelling tussen regering en oppositie in het Nederlands parlementair stemgedrag wordt veroorzaakt door het feit dat de regeringspartijen tegen de voorstellen van de oppositie stemmen, en niet andersom.”

Een van de dingen die ik heb onderzocht zijn parlementaire stemmingen. Ik heb deze gebruikt om te kijken of de ideologische tegenstellingen in de Tweede Kamer kunnen veranderen. Waar ik al snel achter kwam is dat er behalve ideologische tegenstellingen in de Tweede Kamer, ook een sterke tegenstelling in de Tweede Kamer is tussen coalitie en oppositie. De substantiële vraag is wie veroorzaakt deze tegenstelling. De literatuur wijst naar zowel de coalitie en de oppositie. De oppositie stemt tegen de voorstellen van de coalitie, en de coalitie stemt voor de voorstellen van de coalitie. De oppositie zegt overal nee tegen.

Dit patroon is echter niet zichtbaar in de stemmingen in de Tweede Kamer. We zien dat Tweede Kamerleden van de oppositie niet vaker tegen de voorstellen van de coalitie stemmen dan tegen voorstellen van andere oppositiepartijen. In ongeveer 70% van de moties van de coalitie stemmen oppositiepartijen voor. Bij de coalitie zie we het tegenovergestelde: zij stemmen tegen een groot deel van de voorstellen van de oppositie (zo’n 75%).  De tegenstelling die we zien in parlementair stemgedrag zien we dus niet in het stemgedrag van de oppositie maar slechts in het stemgedrag van de coalitie.

Waarom? De coalitie is gebonden aan het regeerakkoord, aan de wensen van haar coalitiepartners, en aan financiële deugdelijkheid. Een lid van de oppositie kan alles voorstellen wat hij goed vindt, zonder te kijken naar wat er afgesproken is in het regeerakkoord, wat acceptabel is voor de coalitie en wat betaalbaar is.

Sterker nog: als zij voorstellen doen, dan hebben leden van de oppositie er belang bij om voorstellen te doen die lastig liggen bij de coalitiepartners, het regeerakkoord en de rekenmeesters. Kleine linkse partijen kunnen zo bijvoorbeeld de PvdA kleur laten bekennen.

In de kern wordt de tegenstelling tussen coalitie en oppositie gevoed door het stemgedrag van de coalitie. Veel meer dan de oppositie zijn zij namelijk nee-zeggers.

 

Stelling 3: nieuwe partijen versterken de links/rechts-tegenstelling

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de derde: over de aard van de links/rechts-tegenstelling.

Stelling 3: “De deelname van nieuwe partijen aan het parlementaire spel versterkt eerder de links/rechts-tegenstelling dan dat dit nieuwe tegenstellingen creëert”

De felste discussie met mijn promotoren betrof deze stelling. Mijn co-promotor heeft namelijk het tegenovergestelde gevonden voor de electorale arena. Sommige nieuwe partijen introduceren volgens hem nieuwe tegenstellingen. Ik vond dit patroon in mijn eigen onderzoek in het parlement niet. Nieuwe partijen versterken eerder bestaande tegenstellingen.

Hiervoor zijn twee oorzaken: de onderwerpen die nieuwe benadrukken zijn bijvoorbeeld migratie (CD, LPF, PVV), landbouw (PvdD), defensie (EVP) en arbeidsmarkt (SP).  Het conflict op deze onderwerpen volgt de links/rechts-tegenstellingen. De PvdD vindt haar bondgenoten volgens haar eigen zeggen aan de linkerkant van de Kamer; de PVV vond in 2006 de Generaal Pardon meerderheid tegenover zich. Als je meer aandacht besteedt aan deze onderwerpen wordt de links./rechts-tegenstelling over het algemeen sterker. Ten tweede, worden veel nieuwe partijen opgenomen in linkse en rechtse bondgenootschappen: de LPF in het rechtse kabinet-Balkenende, D66 en PPR in het linkse Progressief Akkoord, DS’70 in het rechtse kabinet-De Jong. De tegenstelling over democratisering stond haaks op de links/rechts-tegenstelling voor 1967 (PvdA/VVD tegen ARP/CHU/KVP). In de jaren ’70 volgde stemmingen over democratisering het algemene patroon (PvdA-KVP-ARP-CHU-VVD). Dit komt mede omdat D66 was toegetreden tot het Progressief Akkoord en zo democratisering onderdeel was geworden van de links/rechts-tegenstelling.

Wat uiteindelijk de felle discussie met mijn co-promotor onderlag, was een verschil in inzicht in wat de links/rechts-tegenstelling inhoudt. Mijn co-promotor ziet de links/rechts-tegenstelling als een sociaaleconomische tegenstellingen. Andere onderwerpen modelleert hij als haaks op de die tegenstelling. Voor mij heeft de links/rechts-tegenstelling geen intrinsieke betekenis, maar het gaat om de volgorde van partijen: als we zien dat op veel onderwerpen PVV en VVD aan een zijde staan en SP en GroenLinks aan de andere zijde, dan vormen deze onderwerpen samen de links/rechts-tegenstelling. Mijn onderzoek naar parlementair stemgedrag laat zien dat deze tegenstelling zo sterk is dat zij allerlei onderwerpen als migratie, landbouw en defensie, in zich kan integreren, zelfs als deze geen ‘intrinsiek ‘ onderdeel zijn van de sociaaleconomische links/rechts-tegenstelling; en de links/rechts-tegenstelling is zo sterk dat ze ook juist onderwerpen  die nieuwe partijen op de agenda zetten, in zich kan integreren.

Peter Mair stelde dat het politieke conflict niet zo zeer ging tussen de bestaande partijen op de bestaande conflictslijnen, maar tussen nieuwe en bestaande partijen over de definitie van het politieke conflict. De bestaande linkse en rechtse bestaande partijen hebben baat bij de links/rechts-tegenstelling. Een nieuwe groene partij wil misschien juist een conflict zoeken tussen groene en grijze partijen. Ik denk dat hij daarin gelijk had, maar dat de bestaande partijen en de bestaande links/rechts-tegenstelling zeer sterk zijn gebleken.

Stelling 2: Bestaande partijen zijn conservatief

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de tweede: wat te doen met onbevredigende resultaten.

Stelling 2: “In de electorale arena zijn politieke partijen conservatieve organisaties die alleen reageren op nieuwe partijen als ze verkiezingen hebben verloren.”

Een van de minst bevredigende uitkomst van mijn onderzoek was dat ik voor verkiezingsprogramma’s geen of nauwelijks een effect heb kunnen vinden voor nieuwe partijen. Het lijkt erop dat bestaande partijen nieuwe partijen grotendeels negeren. Ze focussen op hun eigen thema’s. Onder beperkte voorwaarden kunnen nieuwe partijen een effect hebben op bestaande partijen in de electorale arena. Alleen als we kijken naar anticipatie in plaats van reactie. En vervolgens kijken naar partijen die de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Alleen dan ontstaat er een effect van nieuwe partijen. Dat wil zeggen nieuwe partijen hebben alleen een effect in de verkiezingen waarin ze waarin ze in de Tweede Kamer komen en alleen op partijen die de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Het idee is dat het verliezen van verkiezingen een wake-up call is voor bestaande partijen die vervolgens meer letten op de politieke omgeving.

Dat nieuwe partijen alleen effect zouden hebben op programma’s in de verkiezingen dat ze in de Kamer komen, zet wel vraagtekens bij het effect. Want immers het kan zo zijn dat zowel de bestaande partij die de verkiezingen heeft verloren en dat succesvolle nieuwe partijen allebei bij het schrijven van hun programma onafhankelijk vaan elkaar dezelfde maatschappelijke onderstroom hebben geraakt?

Dat laat zien dat waar zover het nieuwe partijen betreft bestaande partijen in de electorale arena bijzonder non-responsief zijn. Bestaande partijen focussen op hun eigen thema’s, bij verkiezingen laten zich niet van de wijs brengen door nieuwe partijen. Een onbevredigend resultaat, maar een niet te min een resultaat.

De Nieuwkomer Nadoen

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Hieronder de volledige Nederlandstalige samenvatting.

Nieuwe politieke partijen hebben mogelijk een bijzondere rol in de politiek. Ze zouden invloed kunnen hebben op hoeveel aandacht bestaande politieke partijen besteden aan thema’s en de posities die ze innemen op thema’s. Sommige nieuwe partijen, zoals de dierenwelzijnspartij Partij voor de Dieren en de ouderenpartij Unie 55+ stelden dit doel expliciet voor zichzelf: ze gaven in interviews en programma’s aan dat ze niet verwachten dat ze meteen een grote kiezersschare zullen krijgen, maar dat ze door hun aanwezigheid bestaande partijen willen dwingen om meer aandacht te besteden aan hun thema’s of hun standpunten over te nemen. Andere partijen tonen grotere ambities. Zo wilde D66 het bestaande politieke stelsel opblazen. Nieuwe partijen kunnen op allerlei manieren indirect invloed uitoefenen op de bestaande partijen en het partijensysteem. Ze kunnen nieuwe onderwerpen op de agenda zetten, bestaande partijen dwingen om hun posities te veranderen, of de structuur van het partijensysteem veranderen. Dit onderzoek richt zich op deze indirecte effecten van nieuwe partijen.

Natuurlijk zijn er ook partijen die nog grotere verwachtingen hebben. Pim Fortuyn, de leider van de Lijst Pim Fortuyn zei ooit: “Ik word de volgende premier. Let maar op!”[1] Door toe te treden tot de regering kunnen nieuwe partijen direct invloed uitoefenen op beleid. Er zijn echter goede redenen van uit de politicologische theorie om een onderzoek te richten op het indirecte effect van nieuwe politieke partijen. Een aantal voorname politicologen, zoals Downs, Daalder, Lijphart en Mair hebben voorgesteld dat nieuwe politieke partijen indirect effect kunnen hebben op het partijensysteem. Downs, bijvoorbeeld, stelde dat nieuwe partijen gevormd kunnen worden met het expliciete doel om de bestaande partijen te dwingen hun posities aan te passen. Hun hypothesen zijn echter nooit uitgebreid onderzocht. Dat is het doel van dit onderzoek.

Politieke partijen zijn conservatieve organisaties, die niet snel geneigd zijn om hun politieke posities te veranderen, behalve als ze zich daartoe voelen gedwongen vanuit electorale overwegingen. Iedere zetel die een nieuwe partij wint, is afkomstig van een bestaande partij. Dus zelfs als nieuwe partijen kleine oppositiepartijen blijven, kunnen ze invloed uit oefenen op de beleidsposities van bestaande partijen, en daarmee op het overheidsbeleid. Zo kunnen nieuwe partij invloedrijke actoren zijn – zij het indirect door hun invloed op bestaande partijen.

Maar nieuwe partijen kunnen niet alleen invloed uitoefenen door stemmen te winnen van bestaande partijen. In het parlement kunnen andere mechanismen een rol spelen. De besluitvorming in het parlement volgt vaak vaste paden: de aard van het politieke conflict staat vast, de conflictslijnen zijn getrokken, daarom staan de meerderheden ook al vast en dus ook de uitkomsten van besluitvorming. De geïnstitutionaliseerde, gestructureerde besluitvorming in het parlement kan nieuwe politieke partijen marginaliseren. Het is echter ook mogelijk dat nieuwe partijen deze mechanisme uitbuiten en een grote invloed kunnen hebben op besluitvorming. Nieuwe politieke partijen kunnen een externe schok zijn die de geïnstitutionaliseerde parlementaire besluitvorming ontregelen. Zo kunnen ze nieuwe onderwerpen op de parlementaire agenda zetten en de aard van het politieke conflict veranderen.

Volgens Mair hebben nieuwe partijen een bijzondere rol in politieke competitie. Mair dat de politieke competitie tussen nieuwe en bestaande partijen even belangrijk is als de competitie tussen bestaande partijen. Bestaande partijen hebben er belang bij om de bestaande conflictslijnen in stand te houden: de bestaande linkse en rechtse partijen ontlenen hun posities in het partijenstelsel en hun legitimiteit aan deze conflictslijn. Nieuwe partijen hebben er belang bij om nieuwe conflictslijnen te introduceren en daarmee het politieke conflict te herdefiniëren. Dit betekent echter ook dat bestaande partijen er een bijzonder belang bij hebben om nieuwe partijen op te nemen in politieke bondgenootschappen. Mair en Bale stellen dat de coöptatie van nieuwe partijen in linkse of rechtse politieke allianties de bestaande links-rechts-dimensie versterken. Hierdoor zou het aantal dimensies in het politieke systeem zelfs kunnen verminderen.

Nieuwe politieke partijen kunnen dus politieke verandering teweeg brengen. Het onderzoek in dit veld is beperkt, zo stelde Harmel. Sindsdien zijn er een aantal studies naar het effect van nieuwe partijen geweest. Norris noemt de case-study van Harmel and Svåsand het meest systematische onderzoek. Er zijn een aantal studies gepubliceerd daarna maar deze richten zich op specifieke nieuwe partijen of specifieke partijfamilies.[2] Dit onderzoek is uniek omdat het zich richt op alle nieuwe partijen, die een parlement binnen treden.

Dit onderzoek probeert een antwoord te geven op de vraag in welke mate en onder welke voorwaarden nieuwe partijen invloed uitoefenen op bestaande partijen en partijsystemen. Dit onderzoek kijkt naar alle reacties van bestaande partijen, zowel in termen van aandacht voor onderwerpen als de positie op die onderwerpen. Het richt zich zowel op de parlementaire arena, als op de electorale arena. Ten slotte, kijkt het zowel naar het effect van nieuwe partijen op bestaande partijen en op het partijenstelsel.

Dit onderzoek richt zich op de reacties van alle bestaande partijen op alle nieuwe partijen in één land, Nederland, sinds 1946. De reden om een enkel land te onderzoeken is dat op deze manier eigenschappen van het politieke stelsel die invloed kunnen hebben op de mate nieuwe partijen invloed kunnen hebben op bestaande partijen, constant worden gehouden. Omdat Nederland zo’n open politieke systeem heeft, zeker in termen van het kiesstelsel is er een groot aantal nieuwe en bestaande partijen om te onderzoeken. Nieuwe partijen zijn in dit onderzoek gedefinieerd als organisaties die verkozen vertegenwoordigers in het parlement hebben voor de eerste keer en niet gevormd zijn als een transformatie van een bestaande partij of als een fusie van twee bestaande partijen. Dit onderzoek richt zich op de invloed van negentien nieuwe partijen op gemiddeld negen bestaande partijen. De uitkomsten van dit onderzoek hebben ook betekenis buiten de grenzen van Nederland. Nederland is geselecteerd als een meest waarschijnlijke casus om effecten te zien van nieuwe partijen. Met het grote aantal en zeer diverse aanbod van nieuwe partijen is het waarschijnlijk dat als nieuwe partijen invloed hebben op bestaande partijen, men dat hier kan zien. Als er geen effect van nieuwe partijen wordt waargenomen in Nederland, dan is het onwaarschijnlijk dat dit buiten Nederland wel gevonden kan worden.

De belangrijkste uitkomst van dit onderzoek is dat er een groot verschil is tussen de parlementaire en de electorale arena. Terwijl in de parlementaire arena de binnenkomst van een nieuwe partij over het algemeen leidt tot een reactie van de bestaande partijen, is dit minder duidelijk voor de electorale arena. Waar het gaat om aandacht voor onderwerpen kan er een directe vergelijking gemaakt worden tussen beide arena’s. In de parlementaire arena leidt de aanwezigheid van een nieuwe partij tot een verandering van de aandacht voor het onderwerp van die partij. In de electorale arena gaat dit niet op: er kan wel voor sommige nieuwe partijen een effect gevonden worden voor sommige bestaande partijen. Het verschil in de reacties tussen deze twee arena’s heeft te maken met de aard van deze twee arena’s. In de parlementaire arena is er een parlementaire agenda waar bestaande partijen zich aan moeten houden, terwijl in de electorale arena bestaande partijen er belang bij hebben om zich te richten op hun eigen onderwerpen.

De aard van de politieke arena heeft effect op de manier waarop bestaande partijen reageren op nieuwe partijen. De parlementaire agenda is een bijzonder politiek construct: aan de ene kant, geven politieke partijen zelf vorm aan de parlamentaire agenda door hun eigen initiatieven. Aan de andere kant beperkt de parlementaire agenda waar nieuwe partijen over kunnen spreken. Door de parlementaire agenda te veranderen, kunnen nieuwe partijen de activiteiten van individuele partijen beïnvloeden. Door bijvoorbeeld zelf actief te zijn op het eigen onderwerp, kunnen nieuwe partijen de definitie van het politieke conflict beïnvloeden. Om controle te houden over de definitie van het conflict op dat onderwerp, moeten bestaande partijen zelf actief worden op dat onderwerpen. Door zich zelf los te maken van de parlementaire agenda kunnen nieuwe partijen de parlementaire agenda beïnvloeden.

In de parlementaire arena hebben de eigenschappen van nieuwe partijen een effect hebben op de reacties van bestaande partijen: sterker georganiseerde nieuwe partijen, nieuwe partij die meer zetels hebben gehaald en nieuwe partijen die meer aandacht besteden aan hun eigen onderwerpen, veroorzaken meer reacties dan nieuwe partijen die slechter zijn georganiseerd, kleiner zijn en minder aandacht besteden aan hun eigen onderwerpen. Ook kan er een onderscheid gemaakt worden tussen mobiliserende en uitdagende nieuwe partijen. Mobiliserende nieuwe partijen proberen een nieuw onderwerp op de agenda te brengen, terwijl uitdagende nieuwe partijen een bestaande partij uitdagen op zijn eigen onderwerp. Dit onderzoek laat zien dat mobiliserende nieuwe partijen inderdaad nieuwe onderwerpen op de agenda zetten: er is meer aandacht voor die onderwerpen en er wordt vaker verdeeld overgestemd over deze onderwerpen. Voor uitdagende partijen is er geen verandering in aandacht zichtbaar. Noch is het zo dat de partijen die ze uitdagen van positie veranderen. Wel is het zo dat grote partijen aan de overkant van het politieke spectrum een extremere positie innemen. Dit kan begrepen worden vanuit het strategisch perspectief van Meguid: deze grote partijen proberen de uitgedaagde partij in het nauw te brengen door het conflict aan te gaan met diens uitdager.

Waar het gaat om de posities van bestaande partijen op vraagstukken, zien we dat de binnenkomst een nieuwe partij in de parlementaire arena samenhangt met de polarisatie van eerder nog niet-gepolariseerde vraagstukken en het versterken van het politieke conflict op dat onderwerp. Nieuwe partijen creëren geen nieuwe conflicten, maar brengen nieuw leven in bestaande conflicten.

Er is geen bewijs dat de aanwezigheid van nieuwe partijen per se ertoe doet voor de aandacht die nieuwe partijen besteden aan onderwerpen in hun verkiezingsprogramma’s na hun binnenkomst. Voor zo ver we betekenisvolle patronen vinden, lijken bestaande partijen nieuwe partijen sterker te anticiperen, dan dat ze op nieuwe partijen reageren na hun binnenkomst. Zowel voor aandacht als voor posities geldt dat er meer betekenisvolle relaties gevonden zijn voor anticiperend gedrag dan voor reactief gedrag. Bij het schrijven van verkiezingsprogramma’s zijn nieuwe partijen niet zo zeer bezig met het winnen van de laatste slag, maar -onder specifieke voorwaarden- zijn nieuw partijen zeer bewust van het conflict dat ze die verkiezingen aan zullen gaan. Bestaande politieke partijen zijn conservatieve organisaties die alleen op hun omgeving reageren als ze verkiezingen hebben verloren: Als bestaande partijen de verkiezingen hebben verloren hebben ze een reden om op hun omgeving te reageren. Het meest consistente patroon dat is gevonden in de electorale arena is dat nieuwe partijen het sterkst reageren en anticiperen op nieuwe partijen, als ze de voorgaande verkiezingen hebben verloren. Dit geldt zowel voor aandacht als voor positie.

Het effect van nieuwe partijen op het partijsysteem is onderzocht in het parlement, waar op het niveau van de individuele partij de sterkste reacties zijn waargenomen. Als nieuwe partijen effect zouden hebben op de conflictslijnen dan is het hier. Voor zo ver als veranderingen van conflictslijnen teruggebracht kunnen worden naar nieuwe partijen, duidt de data erop dat nieuwe partijen geassocieerd worden met het verminderen van de dimensionaliteit van partijsystemen. Dit is in tegenstelling met de verwachtingen die op basis van het werk van Mair, Schattschneider en Pellikaan et al. geformuleerd zijn. Dit kan verklaard worden door twee mechanismen: op de onderwerpen die nieuwe partijen introduceren, volgen partijposities de links-rechts-dimensie; en omdat nieuwe partijen worden gecoöpteerd in linkse of rechtse bondgenootschappen wordt de links-rechts-dimensie versterkt. Dit laatste is eerder voorgesteld door Mair en Bale: de integratie van nieuwe partijen in linkse en rechtse allianties versterkt de bimodale competitie. Dat de bestaande politieke partijen zo succesvol zijn geweest in het uitschakelen van nieuwe politieke partijen, versterkt het belang van het conflict dat Mair heeft beschreven: in het conflict tussen zij die een belang hebben bij het in stand houden van de bestaande conflictslijn, en zij die de bestaande conflictslijn willen vervangen door een nieuwe conflictslijn, heeft de eerste groep vrij consistent gewonnen.

Dit onderzoek toetst de bestaande theorieën over het effect van nieuwe partijen en de ambities die nieuwe partijen zelf hebben uitgesproken in een enkele casus. De uitkomsten van het onderzoek moeten daarom voorzichtig geïnterpreteerd worden worden: specifieke nieuwe partijen hebben effect op specifeke bestaande partijen. Over het algemeen, is het effect van nieuwe partijen afhankelijk van de politieke arena. Het is de vraag of de resultaten van dit onderzoek relevantie hebben buiten de grenzen van de Nederlandse casus. Nederland is geselecteerd als een meest waarschijnlijk casus. Als nieuwe partijen effect hebben, dan is het hier. Positieve resultaten betekenen niet dat de mechanismen en patronen die gevonden zijn noodzakelijkerwijs in andere landen voorkomen. In meer gesloten systemen, kunnen er nog steeds mechanismen zijn die ervoor zorgen dat bestaande partijen geen rekening hoeven te houden met nieuwe partijen. De negatieve resultaten van dit onderzoek zijn daarom des te betekenisvoller: als zelfs in Nederland, met een open kiestelsel de aanwezigheid van nieuwe partijen in de electorale arena niet leidt tot reacties van bestaande partijen, is het niet waarschijnlijk dat dit in andere landen wel zo is. Noch is het waarschijnlijk dat de binnenkomst van nieuwe partijen in deze systemen zal leiden tot nieuwe conflictslijnen. Ook hier zullen de nieuwe conflictslijnen zwak blijven of geïntegreerd worden in de bestaande links-rechts-tegenstelling. Het is de vraag of Nederland een meest waarschijnlijke casus is: door de openheid van het politieke systeem kunnen bestaande partijen geïmmuniseerd zijn voor nieuwe partijen. Terwijl in andere systemen de binnenkomst van een nieuwe partij een schok voor het systeem is, hoort het in Nederland bij een verkiezing dat in de marge van het systeem een nieuwe partij ontstaat. Bestaande partijen kijken daar niet meer van op. Alleen als nieuwe partijen door hun eigen activiteit de parlementaire agenda beïnvloeden, dan moeten bestaande partijen wel reageren. Daarnaast kan de openheid van de kabinetsformatie, waar een aantal nieuwe partijen al snel bij betrokken raakten, het vermogen van nieuwe partijen om in het parlement nieuwe conflictslijnen te introduceren ernstig belemmeren. Dit onderzoek in dit ene land vormt geen finale ontkrachting van de Schattschneider-Mair thesis, maar het vormt wel een ondersteuning van de Mair-Bale thesis.



[1] Pels, D. (2009) Mei 6 “Pim Leeft! Zeven jaar na de moord op Pim Fortuyn” De Groene Amsterdammer

[2] Er is mij maar een onderzoek bekend dat naar nieuwe partijen in het algemeen kijkt. Het onderzoek van Huibregts (2006).