Duitsland: een, twee of vijf partijensystemen?

Via Stuk Rood Vlees kwam ik een interessante link tegen: de uitslagen van de vorige Duitse verkiezingen. Dat levert mooi kaartmateriaal op, maar kaarten zijn vaak lastig te interpreteren. Ruimtelijke modellen zijn vaak inzichtelijker.

Ruimtelijke modellen

Ik heb de Duitse uitslag per deelstaat voor de zeven grootste partijen geanalyseerd met correspondentie-analyse. Het simpele idee is we kijken in welke deelstaten bepaalde partijen bovenmatig sterk staan. Deelstaten waar dezelfde partijen goed scoren worden bij elkaar gezet en partijen die in dezelfde deelstaat goed scoren worden bij elkaar gezet. Dat levert het volgende beeld op:

De Oost-Duitse deelstaten, (Brandenburg, Thueringen, Sachsen en Sachsen-Anhalt, Mecklenburg-Vorpommern) worden aan een kant van het figuur geplaatst. De meest West-Duitse deelstaten aan de andere kant. Berlin en Saarland liggen in het midden. Er is een duidelijke oost-west structuur langs de horizontale lijn. Langs de verticale lijn zien we een concentratie van de stadsstaten aan een kant (Bremen, Hamburg, Berlin) en het grote, landelijke Bayern aan de andere kant.

De partijen zijn ook langs een horizontale en een verticale dimensie verdeeld. Die Linke, een fusie van een linkse afsplisting van de sociaal-democratische SPD en opvolger van de voormalige Oost-Duitse communistische paritj SED ligt aan de linkerkant, samen met de extreem-rechtse NPD. Dat laatste is wel ironisch, want tijdens de communistische periode leidde de SED een anti-fascistische alliantie waarin alle partijen waren verenigd.

De oude West-Duitse partijen, de Christen-democratische CDU, de SPD, die Gruene en de liberale FDP, liggen samen met de Piraten aan de rechterkant. Daarnaast kunnen we een dynamiek zien tussen bovenzijde (SPD) en de onderzijde (CDU/CSU).

Oost versus West

Er is een Oost-Duitse partij systeem waarin Die Linke een centrale plek innemen, ten koste van de andere partijen en met name Die Gruene en de FDP. De figuur hiernaast geeft de uitslag weer in Oost- en West-Duitsland (uitgezonderd Berlijn en Saarland). In West-Duitsland waren bij de verkiezingen twee grote partijen: de CDU/CSU en de SPD. Ook FDP en Die Gruene  halen meer dan 10% van de stemmen.

In Oost-Duitsland is de positie van de SPD als tweede partij overgenomen door Die Linke. Ondertussen staat de CDU/CSU nog steeds sterk. De FDP haalt nog net 10% van de stemmen. Maar met name Die Gruene vallen weg. Dat laatste is opvallend, want Die Gruene heten officieel Buendnis ’90/Die Gruenen waarbij dat eerste staat voor een samenwerkingsverband van anti-communistische protestgroepen. Van die stroming lijkt weinig over te zijn.

Beide systemen zijn dus eigenlijk een vierpartijensysteem met twee linkse en twee rechtse partijen. Maar de linkse partij wisselt. Programmatisch verschillen Die Linke en Die Gruene niet zo veel, in het Duitse Kieskompas staan ze vlak bij elkaar, maar ze hebben heel andere prioriteiten en ze spreken heel andere kiezers. Oost-Duitsland heeft een post-communistische linkse protestpartij die met name sterk staat in lagere sociaaleconomische klassen. Dat Die Linke voortkomt uit het communisme maakt haar voor de SPD een lastige coalitiepartner. Deze bemoeilijkt linkse coalitievorming. West-Duitsland heeft een post-materialistische linkse groene partij die met name sterk staat in hogere sociaaleconomische klassen. En juist Die Gruene en de SPD hebben een goede band. West-Duitsland heeft een culturele revolutie doorgemaakt, die er in Oost-Duitsland niet is geweest.

Noord versus Zuid

Het verticale dimensie onderscheidt de sterke gebieden van de CDU/CSU in het platteland van het Katholieke Zuiden en de sterke gebieden van SPD, de steden in het Protestantse Noorden. Overigens is een verschil hier weggemoffeld: in het landelijk en Katholieke Bayeren doet niet de CDU mee aan verkiezingen maar de CSU. Deze zusterpartij van de CDU is duidelijk wat rechtser en conservatiever.

Conclusie

Zo heeft Duitsland dus twee of misschien zelfs wel drie, vier of vijf partijensystemen: een West-Duitspartijsysteem met een linkerblok van Die Gruene/SPD en een rechterblok FDP/CDU. In het Oost-Duitse partijensystem staat de SPD zwakker zowel electoraal als qua bondgenoten: Die Linke staat sterk in de tradionele arbeidersklasse maar staat vanwege de communistische geschiedenis verder van de SPD af. De CDU en FDP zijn hier, zij het iets minder sterk wel aanwezig.

Berlin en Saarland nemen een middenpositie in. Zij het dat de CDU/CSU zwakker staat en juist Die Gruene sterker: zeker in het grote en hippe Berlijn. Saarland ligt overigens zeer Westelijk maar neemt deze middenpositie in omdat het thuisstaat is van de oud-SPD prominent en Die Linke leider Lafontaine. En dan heb je nog het partijsysteem in Bayern met de rechtse CSU, die nergens anders deelneemt aan verkiezingen, maar wel een zeer dominante rol speelt hier.

Op het landelijke niveau komen al deze elementen samen: hier staan de CDU en SPD sterk, maar zijn er vier middelgrote partijen: de FDP en de CSU, bondgenoten van de CDU en Die Linke en de Die Gruene die ideologisch dichtbij de SPD staan, maar waarbij de een acceptabele bondgenoot is en de andere niet. Op 22 september doet dat landelijke beeld ertoe: de stroeve relatie tussen SPD en Die Linke kan nog wel eens voorkomen dat er een links kabinet komt. Maar ook al die lokale constellaties zijn belangrijk, want Duitse deelstaten hebben echt nog wat in de melk te brokkelen.

Is politicologie een linkse hobby?

Op een politicologencongres viel het met laatst op: de meeste politicologen hebben een linkse oriëntatie. Eén van de meest prominente Leidse politicologen, Ruud Koole, is ook senator voor de PvdA. Als ik voor GroenLinks advies zoek van politicologen willen ze graag meedenken. Nog een opvallend patroon: ik ken zo vier Nederlandse academische politicologen wiens partner een functie binnen GroenLinks heeft.

Is politicologie een linkse hobby? Hebben alle politicologen in de jaren ’60 een klap van de Marxistische mallemolen gekregen?

Alhoewel sociale wetenschappers specialisten zijn op het gebied van opinieonderzoek, wordt er maar weinig opinieonderzoek gedaan naar de meningen van politicologen. In een grote expertsurvey van de Ierse politicologen Benoit en Laver naar partijposities werden politicologen ondervraagd naar de sympathie die ze hebben voor bepaalde partijen.

Dat drukken we uit in een gevoelsthermometer waar 0 betekent veel sympathie en 20 betekent weinig sympathie. Als we kijken naar de Nederlandse data dan zie we het volgende: politicologen hebben de warmste gevoelens voor GroenLinks en de koudste gevoelens voor de LPF. De linkse partijen SP, GL, PvdA en D66 scoren gemiddeld beter dan de rechtse partijen.

Ook in de hele data set met politicologen uit Oost- en West-Europa, Israël, de VS, Australië, Nieuw Zeeland en Japan zien we dit patroon. Het mooie is dat dezelfde politicologen een links/rechts waarde hebben toegekend aan de partijen. De gemiddelde sympathie voor een partij die men als links bestempeld is ongeveer 1.5 punt (op een schaal van 1 tot 20) warmer dan voor een rechtse partij. Maar als we naar een scatterplot kijken zien we dat deze relatie lang niet alles verklaard. Sterker nog: maar 12% van de gemiddelde sympathiescore voor een partij is te verklaren met de gemiddelde links-rechts positie.

We kunnen ook kijken naar een aantal dimensies die samen de links-rechts dimensie vormen. We kijken hier naar drie invulling van links/rechts: links als seculier en rechts als religieus; links als een grote overheid en rechts als een kleine overheid; en links als progressief en rechts als conservatief op nieuwe culturele waarden. Helaas kunnen we voor die laatste alleen de milieudimensie gebruiken, omdat passendere schalen, bv. over migratie maar in een deel van de landen gebruikt wordt. In de landen waar allebei deze items zaten vormen ze een zeer sterke schaal.

Op deze milieu-dimensie zien we een heldere relatie: de groenere partijen zijn sympathieker volgens de politicologen dan de grijze partijen. Nou zijn er wel maar een beperkt aantal partijen dat aan de groene kant van het spectrum wordt geplaatst. Daarom wordt maar 20% van de sympathiescores hierdoor verklaard.

Op de sociaaleconomische dimensie is er praktisch gezien geen relatie: er is een zeer zwakke relatie positieve tussen economische standpunten en sympathie, maar dit verklaart slechts 1% van de sympathiescores. Als we daarentegen een onderscheid maken tussen Oost- en West dan ontstaat er interessant beeld: in de West-Europese landen is er een redelijk sterke positieve relatie (rood). Hoe meer partijen willen uitgeven in de publieke sector, hoe meer sympathie de partijen krijgen. Dit is ook wel logisch: immers rechtse partijen willen vaak meer bezuinigen op academisch onderwijs en onderzoek. In Oost-Europa (groen) is de relatie omgekeerd: hoe meer partijen een kleine overheid willen. Dit kom misschien omdat de sociaaleconomisch rechtse partijen ook de anticommunistische partijen waren. De rechtse partijen staan voor democratie en internationale openheid.  Dit model doet het overigens nog steeds niet schokkend goed (11% van de sympathiescores wordt verklaard).

Op de morele thema’s is het onderscheid het sterkst: hoe vrijzinniger een partij op sociale thema’s, hoe meer sympathie politicologen voor die partij hebben. Dit verklaart alleen al zo’n 38% van de sympathiescores.

Als we de factoren samen nemen, de sociaaleconomische, sociaalculturele, milieudimensie en het onderscheid tussen Oost en West, dan ontstaat het volgende beeld: in Oost en West Europa is de morele dimensie de belangrijkste verklaring. In beide gebieden is de milieudimensie een goede tweede. In West-Europa is er geen effect meer van de economische dimensie. Het is dus niet zo dat in West-Europa politicologen sympathie hebben voor die partijen omdat die sociaaleconomisch links, maar die de sociaaleconomisch linkse partijen zijn vaak ook vrijzinnig en groen en passen daarom bij het profiel van de politicologen. In Oost-Europa is er nog wel een effect van economie: de favoriete partijen van politicologen zijn hier economisch rechtser, zelfs als we controleren voor het feit dat deze partijen progressief en groen georiënteerd zijn.

Uit de data blijkt wel dat politicologen vaak een vrijzinnige, groene gezindheid hebben. Dit duidt op progressieve waarden, maar niet per se op een linkse oriëntatie: de positie van partijen op economische thema’s is geen verklaring in West-Europa en de relatie lijkt omgekeerd in Oost-Europa.

Uiteindelijk zegt dit natuurlijk iets over de afwijking, de bias, van de politicologengemeenschap. Er is namelijk geen sympathie voor de grote mainstreampartijen (sterker nog er lijkt een kleine negatieve relatie te zijn tussen het aantal stemmen en de gemiddelde sympathiescores). Maar ook niet voor populistische rechtse partijen. Groene partijen en andere progressieve seculiere partijen, zoals sociaaldemocraten lijken de primaire sympathie te hebben van de politicologen. Milieu is volgens veel politicologen wel een probleem terwijl immigratie en abortus dat minder zijn. De focus in het huidige politicologische onderzoek op populisme is misschien wel een uitdrukking van een echt onbegrip van de politicologen waarom mensen op een partij stemmen die zo ver van hen weg staat.

Het gras is altijd groener aan de andere kant van het hek

Ik krijg veel vragen over de Duitse Groenen. Waarom gaat het hen zo goed? Waarom leveren die nu de premier in de traditionele, Katholieke staat als Baden-Württemberg, terwijl GroenLinks in het traditionele, Katholieke Noord-Brabant drie zetels heeft.

Het beeld leeft bij veel GroenLinksers dat de Duitse Groenen in staat zijn om rechtse kiezers aan zich te bieden. Dat er en-masse Christen-democraten en liberalen naar de De Groenen toe komen. En zo zouden de Groenen misschien wel de de tweede partij van Duitsland kunnen worden.

De feiten laten een ander beeld zien: als we kijken naar waar de Groenen hun kiezers vandaan halen dan zien we dat de SPD de belangrijkste leverancier is van De Groenen kiezers. In de figuur hiernaast zien we waar de kiezers van De Groenen vandaan kwamen bij de Bundestag verkiezingen van 2009. De Groenen haalden 870.000 stemmers bij de sociaal-democratische SPD vandaan en 50.000 bij de Christen-democratische CDU/CSU.

In Baden-Würrtemberg waar de Groenen de premier leverden omdat ze groter zijn van dan hun sociaal-democratische bondgenoot haalden De Groenen 140.000 stemmen bij de SPD vandaan en 87.000 bij de Christen-democraten. Als we kijken naar de 14 meest recente landelijke of deelstaatverkiezingen, dan zijn er maar twee verkiezingen waren waar de uitwisseling met de CDU/CSU groter dan de uitwisseling met de SPD: Thüringen en Bremen. In nog eens twee verkiezingen, in Schleswig-Holstein en Nordrhein-Westphalen winnen De Groenen licht van de Christen-Democraten om (veel) meer kiezers te verliezen aan de Sociaal-Democraten.

In alle verkiezingen gecombineerd winnen De Groenen 1.747.000 stemmen bij de SPD en 243.000 bij de CDU/CSU. Kortom: het succes van De Groenen komt met name bij sociaal-democraten vandaan.

En daar komt dat alhoewel De Groenen er niet slecht voor staan, de hype wel een beetje van de partij af is: in 2011 was de partij inderdaad groter dan de SPD in sommige peilingen, maar nu is de SPD al maanden ongeveer twee keer zo groot als De Groenen. De sociaaldemocraten halen ongeveer 25% van de stemmen en De Groenen ongeveer 13%. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat ze samen niet groter zijn dan de Christen-Democraten.

Electoraal wijken de Groenen niet sterk af van GroenLinks: deze partij wisselt met name stemmen van hun sociaal-democratische zusterpartij. En met de SPD gaat het eigenlijk al jaren niet bijzonder goed. Sinds het vertrekt van Schröder heeft de partij geen aantrekkelijke leider weten te vinden. Bovendien, veel linkse alternatieven voor de SPD zijn er niet: De Linksen, een samenwerkingsverband van voormalige Oost-Duitse communistische partij en wat SPD-dissidenten is voor veel mensen in West-Duitsland onacceptable vanwege het DDR-verleden. Daar profiteren De Groenen van.

Als u meer wilt leren over Duitse verkiezingsuitslagen, de ARD heeft een goede website met uitgebreide peilingen.

Deze column verschijnt tegelijkertijd op de website van GroenLinks.

Wat betekenen nationale peilingen voor Europese uitslagen?

Europese verkiezingen zijn heel andere verkiezingen dan nationale verkiezingen. Bij de een is er een opkomst van 80%, bij de ander is dat de helft. Voorspellen nationale peilingen uitkomsten op het Europese niveau? En welke factoren versterken of verminderen dit effect?

Wie waren de grote winnaars bij de Europese verkiezingen van 2009? Het CDA en de PVV waren de grootste. Maar in figuur 1 kunnen we zien dat in de lijn der verwachtingen lag. De zwarte balken zijn de Europese uitslagen. De grijze balken het peilingsresultaat op de verkiezingsdag of de laatste peiling daarvoor (van de Politieke Barometer) met een 95% zekerheidsinterval. Het CDA werd de grootste partij. Maar de Christen-democraten waren in de peilingen ook al de grootste. De Europese uitslag was uiteindelijk statistisch net niet te onderscheiden van de nationale peiling. Bij vijf partijen ligt het Europese resultaat significant boven of onder de laatste peiling: de Partij van de Arbeid (peilde nationaal 18% kreeg 12%), de SP (peilde 10%, kreeg 7%), D66 (peilde 8% kreeg 11%), GroenLinks (peilde 6%, kreeg 9%), de Partij voor de Dieren (peilde 2%, kreeg  4%). Let wel: dit betekent niet dat er per se een uitwisseling is tussen deze partijen. De Europese verkiezingen gaan om het naar de stembus krijgen van je achterban. ‘Seventy-five percent of success is getting turn-out’ in dit geval. GroenLinks, D66 en de Partij voor de Dieren hebben in de eerste plaats hun achterban naar de stembus gekregen en de SP en de PvdA niet.

Waarom weten sommige partijen bij Europese verkiezingen meer kiezers te trekken dan je op basis van nationale peilingen mag verwachten? Je hoort wel dat heel pro- of juist sterk anti-Europese partijen het beter doen bij Europese verkiezingen. Stemmen op ‘duidelijkheid’. Dat regeringspartijen worden afgestraft. Stemmen tegen ‘regering’. Kleine partijen het beter doen. Stemmen met het ‘hart’. En dat Christen-democraten beter hun achterban weten te mobiliseren. Stemmen vanuit ‘trouw’.

Van de laatste drie Europese verkiezingen kan ik peilingsdata vergelijken met uitslagen. Let wel: dit zijn dus maar ongeveer twee dozijn datapunten. Dat levert niet een bijzonder zekere schatting op maar we kunnen we trends bekijken.

In figuur 2 zien we de Europese uitslagen en de nationale peilingen door de data heen gaat een trendlijn. Die laat zien dat voor ieder procent bij de nationale peiling een partij 0.75 zetel in de Europese verkiezingen krijgt, maar dat er beginpercentage is van 3%: dat betekent dat grote partijen over het algemeen een iets slechtere uitslag hebben (bv. 20% in een peiling betekent 18% in de Europese verkiezingen), maar kleine partijen er over het algemeen iets beter voor staan (bv. 5% in de peiling betekent 6% in de Europese verkiezingen). Dit geeft een sterke bevestiging aan het stemmen met het hart. Kleine partijen die het in nationale peilingen afleggen vanwege strategische argumenten, doen het bij Europese verkiezingen beter.

Van een aantal partijen zien we al dat het beter doen in Europa dan je op basis van deze relatie in de peilingen mag verwachten: het CDA (1999 en 2004), De PVV, de VVD (2009), D66 (2009) en GroenLinks (1999 en 2009).

Welke patronen liggen hier achter? Over het algemeen Christen-democraten en oppositiepartijen beter bij Europese verkiezingen dan je op basis van de peilingen mag verwachten. Pro-Europese partijen scoren iets beter maar dit effect is niet constant tussen verschillende modellen en partijen.

In figuur 3 is de uitslag van de laatste peiling doorgerekend naar het Europese niveau: ik heb een naïeve berekening gemaakt op basis van het percentage en gebruik gemaakt van een model dat rekening houdt met het trouw-, oppositie- en kleine partijenvoordeel. Het fundamentele verschil is dat in het eerste model GroenLinks en de PvdD buiten het Europees Parlement vallen, maar dat in het tweede geval, GroenLinks en de PvdD beiden het een zetel krijgen ten koste van regeringspartijen PvdA en VVD. We houden hierbij geen rekening met lijstverbindingen.

Stelling 6: maak parlementaire stemmingen publiek

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de zesde: een open brief van Anouchka van Miltenburg.

Stelling 6: “Voor de vooruitgang van de wetenschap en voor de betrokkenheid van burgers bij politiek, zou de Staten-Generaal er goed aan doen uitslagen van parlementaire stemmingen publiek te maken.”

Geachte Mevrouw de Voorzitter, Beste Mevrouw van Miltenburg,

Eerst wil ik deze kans grijpen om u te feliciteren met uw uitverkiezing tot voorzitter van de Tweede Kamer. Ik was bijzonder blij dat juist u de voorzittershamer heeft gekregen omdat u pleitte voor het invoeren van elektronisch stemmen door Tweede Kamerleden. Ik ben hier een groot voorstander van. Niet alleen omdat hiermee het proces van hoofdelijk stemmen efficiënter wordt, maar juist ook omdat dit een belangrijke stap mogelijk maakt voor het betrekken van burgers bij de politiek en voor de vooruitgang voor de wetenschap der politiek: het direct beschikbaar maken van stemmingsuitslagen.

Het is nu voor kiezers die niet de handelingen van de Tweede Kamer niet spellen niet mogelijk om te zien hoe hun volksvertegenwoordigers hebben gestemd. Als het met een druk op de knop mogelijk is voor volksvertegenwoordigers om te stemmen, is het ook voor burgers met een druk op de knop mogelijk om te zien hoe hun vertegenwoordigers gestemd hebben. Je hoort dat Kamerleden vaak mee wegen in hun stemming hoe het onderwerp ligt in het electoraat. Maar hoe Kamerleden stemmen is een van het best bewaarde geheim binnen de muren van de Kamer.

Maar het zou ook bijzonder helpen om de Tweede Kamer te leren begrijpen. We weten namelijk vrij veel over wat Tweede Kamerleden vinden via bijvoorbeeld het Nederlands Parlementair Onderzoek, maar vrij weinig over wat Kamerleden doen: met welke collega’s werken Tweede Kamerleden samen? Maakt een minderheidskabinet uit  voor hoe Kamerleden stemmen in de Tweede Kamer? Volgen stemmingen eigenlijk de patronen in parlementaire debatten? Hoe sterk in de tegenstelling tussen oppositie en coalitie? En wat bepaalt het succes van Kamerleden? Daar weten we eigenlijk heel weinig over? Het beschikbaar stellen van data wat als u uw voorstellen mag uitvoeren, zal zeker een impuls krijgen, zal een impuls geven aan politicologisch onderzoek.

Veel succes met uw Kamerwerk,

Met de gevoelens van hoogachting,

Simon Otjes

Stelling 5: Coalitiepartijen zijn nee-zeggers

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de vijfde: over de tegenstelling tussen coalitie en oppositie.

Stelling 5: “De tegenstelling tussen regering en oppositie in het Nederlands parlementair stemgedrag wordt veroorzaakt door het feit dat de regeringspartijen tegen de voorstellen van de oppositie stemmen, en niet andersom.”

Een van de dingen die ik heb onderzocht zijn parlementaire stemmingen. Ik heb deze gebruikt om te kijken of de ideologische tegenstellingen in de Tweede Kamer kunnen veranderen. Waar ik al snel achter kwam is dat er behalve ideologische tegenstellingen in de Tweede Kamer, ook een sterke tegenstelling in de Tweede Kamer is tussen coalitie en oppositie. De substantiële vraag is wie veroorzaakt deze tegenstelling. De literatuur wijst naar zowel de coalitie en de oppositie. De oppositie stemt tegen de voorstellen van de coalitie, en de coalitie stemt voor de voorstellen van de coalitie. De oppositie zegt overal nee tegen.

Dit patroon is echter niet zichtbaar in de stemmingen in de Tweede Kamer. We zien dat Tweede Kamerleden van de oppositie niet vaker tegen de voorstellen van de coalitie stemmen dan tegen voorstellen van andere oppositiepartijen. In ongeveer 70% van de moties van de coalitie stemmen oppositiepartijen voor. Bij de coalitie zie we het tegenovergestelde: zij stemmen tegen een groot deel van de voorstellen van de oppositie (zo’n 75%).  De tegenstelling die we zien in parlementair stemgedrag zien we dus niet in het stemgedrag van de oppositie maar slechts in het stemgedrag van de coalitie.

Waarom? De coalitie is gebonden aan het regeerakkoord, aan de wensen van haar coalitiepartners, en aan financiële deugdelijkheid. Een lid van de oppositie kan alles voorstellen wat hij goed vindt, zonder te kijken naar wat er afgesproken is in het regeerakkoord, wat acceptabel is voor de coalitie en wat betaalbaar is.

Sterker nog: als zij voorstellen doen, dan hebben leden van de oppositie er belang bij om voorstellen te doen die lastig liggen bij de coalitiepartners, het regeerakkoord en de rekenmeesters. Kleine linkse partijen kunnen zo bijvoorbeeld de PvdA kleur laten bekennen.

In de kern wordt de tegenstelling tussen coalitie en oppositie gevoed door het stemgedrag van de coalitie. Veel meer dan de oppositie zijn zij namelijk nee-zeggers.

 

Stelling 3: nieuwe partijen versterken de links/rechts-tegenstelling

Op 31 oktober hoop ik te promoveren in de politicologie. Bij een proefschrift horen stellingen. Ik wil de komende weken de stellingen van mijn proefschrift kort toelichten, want ik vond het erg leuk om de toelichtingen van Tom Louwerse een jaar geleden te lezen. Vandaag de derde: over de aard van de links/rechts-tegenstelling.

Stelling 3: “De deelname van nieuwe partijen aan het parlementaire spel versterkt eerder de links/rechts-tegenstelling dan dat dit nieuwe tegenstellingen creëert”

De felste discussie met mijn promotoren betrof deze stelling. Mijn co-promotor heeft namelijk het tegenovergestelde gevonden voor de electorale arena. Sommige nieuwe partijen introduceren volgens hem nieuwe tegenstellingen. Ik vond dit patroon in mijn eigen onderzoek in het parlement niet. Nieuwe partijen versterken eerder bestaande tegenstellingen.

Hiervoor zijn twee oorzaken: de onderwerpen die nieuwe benadrukken zijn bijvoorbeeld migratie (CD, LPF, PVV), landbouw (PvdD), defensie (EVP) en arbeidsmarkt (SP).  Het conflict op deze onderwerpen volgt de links/rechts-tegenstellingen. De PvdD vindt haar bondgenoten volgens haar eigen zeggen aan de linkerkant van de Kamer; de PVV vond in 2006 de Generaal Pardon meerderheid tegenover zich. Als je meer aandacht besteedt aan deze onderwerpen wordt de links./rechts-tegenstelling over het algemeen sterker. Ten tweede, worden veel nieuwe partijen opgenomen in linkse en rechtse bondgenootschappen: de LPF in het rechtse kabinet-Balkenende, D66 en PPR in het linkse Progressief Akkoord, DS’70 in het rechtse kabinet-De Jong. De tegenstelling over democratisering stond haaks op de links/rechts-tegenstelling voor 1967 (PvdA/VVD tegen ARP/CHU/KVP). In de jaren ’70 volgde stemmingen over democratisering het algemene patroon (PvdA-KVP-ARP-CHU-VVD). Dit komt mede omdat D66 was toegetreden tot het Progressief Akkoord en zo democratisering onderdeel was geworden van de links/rechts-tegenstelling.

Wat uiteindelijk de felle discussie met mijn co-promotor onderlag, was een verschil in inzicht in wat de links/rechts-tegenstelling inhoudt. Mijn co-promotor ziet de links/rechts-tegenstelling als een sociaaleconomische tegenstellingen. Andere onderwerpen modelleert hij als haaks op de die tegenstelling. Voor mij heeft de links/rechts-tegenstelling geen intrinsieke betekenis, maar het gaat om de volgorde van partijen: als we zien dat op veel onderwerpen PVV en VVD aan een zijde staan en SP en GroenLinks aan de andere zijde, dan vormen deze onderwerpen samen de links/rechts-tegenstelling. Mijn onderzoek naar parlementair stemgedrag laat zien dat deze tegenstelling zo sterk is dat zij allerlei onderwerpen als migratie, landbouw en defensie, in zich kan integreren, zelfs als deze geen ‘intrinsiek ‘ onderdeel zijn van de sociaaleconomische links/rechts-tegenstelling; en de links/rechts-tegenstelling is zo sterk dat ze ook juist onderwerpen  die nieuwe partijen op de agenda zetten, in zich kan integreren.

Peter Mair stelde dat het politieke conflict niet zo zeer ging tussen de bestaande partijen op de bestaande conflictslijnen, maar tussen nieuwe en bestaande partijen over de definitie van het politieke conflict. De bestaande linkse en rechtse bestaande partijen hebben baat bij de links/rechts-tegenstelling. Een nieuwe groene partij wil misschien juist een conflict zoeken tussen groene en grijze partijen. Ik denk dat hij daarin gelijk had, maar dat de bestaande partijen en de bestaande links/rechts-tegenstelling zeer sterk zijn gebleken.

Loyaal met een scherpe rand

In oktober 2010 kondigden VVD, PVV en VVD aan een bijzonder meerderheidskabinet te vormen. VVD en CDA onderschreven een coalitieakkoord. Daarnaast werd een gedoogakkoord gesloten met de PVV – deze partij steunt het kabinetsbeleid op een (groot) aantal terreinen en belooft het niet te laten vallen over maatregelen die in het coalitieakkoord staan omschreven. Dit betekende dat de PVV een nieuwe positie innam in het politieke landschap. Tot de verkiezingen van 2010 had de PVV bewust gekozen voor confrontatie met de gevestigde partijen in haar parlementair gedrag. Ze stelde zich op als een rechtse oppositiepartij, de “rechts buiten” van de Tweede Kamer. Is het gedrag van de PVV veranderd nu de partij gedoogpartner is van een coalitie van CDA en VVD?

De kern van onze uitkomsten is dat de PVV als gedoogpartner twee houdingen combineert: een constructieve houding op onderwerpen die in het gedoogakkoord staan en een kritische, confronterende houding op andere terreinen. Op onderwerpen uit het gedoogakkoord is zij minder actief en stemt zij vaak hetzelfde als CDA en VVD. Dit betreft zowel de sociaaleconomische agenda van het kabinet (volksgezondheid, sociale zaken en financiën) als de agenda van het kabinet wat betreft veiligheid, integratie en immigratie. Echter op die onderwerpen waar de PVV heeft aangeven het niet eens te zijn met het kabinet is de partij actiever en uitgesprokener geworden. De partij stemt dan anders als CDA en VVD, en nog steeds relatief vaak alleen. Ook dient zij op deze onderwerpen meer moties en amendementen in. We beschrijven deze manier van opereren als loyaal (op die onderwerpen die in het gedoogakkoord staan) maar met een scherpe rand (op die onderwerpen die daarbuiten vallen). Deze stijl van opereren waarbij de partij met een been in het regeringsvak staat en met het andere been aan de kant van de anti-establishment oppositie is in andere landen succesvol toegepast door rechts-populistische partijen zoals de Italiaanse Lega Nord en de Deense Volkspartij.

Het onderzoek kijkt naar zes vragen: ten eerste, hoe actief zijn PVV-Kamerleden? De PVV dient in totaal minder voorstellen in. Dit past bij het beeld van een partij die deelneemt aan de regeringsmacht. Deze fracties dienen doorgaans minder voorstellen in. Wel is het zo dat de partij relatief meer (arbeidsintensieve) amendementen indient dan voorheen, wat blijk geeft van een verdere professionalisering van de fractie.

De tweede vraag is op welke onderwerpen PVV-Kamerleden actief zijn. We hebben gekeken naar moties die zijn ingediend in het kader van de begrotingsbehandelingen, welke eenvoudig te classificeren zijn. Van deze moties is het onderwerp buitenlandse zaken het meest populair bij de PVV. Dit is een grote verschuiving ten opzichte van de periode 2006-2010 toen de fractie vooral moties en amendementen indiende over justitie en binnenlandse zaken. Dit is te verklaren vanuit het feit dat de PVV in het gedoogakoord afspraken heeft gemaakt over veiligheid, immigratie en integratie, maar niet over buitenlands beleid Europa.

De derde vraag betreft de samenwerking met de PVV: hoe vaak dient de PVV voorstellen in samen met andere partijen? De PVV dient vooral moties in met coalitiepartners CDA en VVD, en met de SP. De opvallende verschuiving hierbij is dat het CDA en de PVV nauwelijks samen moties indienden vóór 2010.

De vierde vraag gaat over de isolatie van de PVV: hoe vaak stemt de PVV alleen? De PVV stemt nu minder vaak alleen dan in de periode 2006-2010, maar de mate waarin de PVV alleen staat blijft in historisch-vergelijkend perspectief hoog. De PVV staat vooral alleen in stemmingen over buitenlandse zaken (geen onderdeel van het gedoogakkoord), terwijl dit eerder binnenlandse zaken was (wel grotendeels onderdeel van het gedoogakkoord).

In verreweg de meeste stemmingen staat de PVV echter niet alleen. Onze vijfde onderzoeksvraag is hoe vaak andere partijen hetzelfde stemmen als de PVV. De VVD stemt het vaakst hetzelfde als PVV (77%) en doet dit ook vaker dan in de periode 2006-2010 (65%). Het CDA stemt nu in 75% van de gevallen mee met de PVV, aanzienlijk vaker dan voorheen (53%). De mate waarin de PVV hetzelfde stemt als de linkse oppositiepartijen is afgenomen. Opvallend hierbij is dat zeker op de sociaaleconomische onderwerpen, zoals sociale zaken en volksgezondheid, waarop er eerder sprake was van een zekere verwantschap tussen linkse partijen als SP en de PVV, in deze periode minder samen wordt gestemd. Omdat voorstellen op deze punten financiële consequenties hebben, kan de PVV niet hetzelfde stemmen als de SP zonder het gedoogakkoord te breken.

De zesde vraag betreft het succes van de PVV: hoeveel moties en amendementen worden aangenomen? De mate waarin de PVV voorstellen krijgt aangenomen is aanzienlijk toegenomen over tijd. Dit heeft echter nog steeds niet het niveau dat normale coalitiepartijen bereiken. In termen van het totaal aantal aangenomen moties blijft de PVV achter bij andere partijen. Dit is mede te verklaren vanuit het meer extreme gedachtegoed van de partij: ook andere radicale oppositiepartijen zoals de Partij voor de Dieren en GroenLinks weten een beperkt aantal moties aangenomen te krijgen.

Dit is een samenvatting van de rapportage “Loyaal met een scherpe rand. Stemgedrag PVV 2010-2011 in kaart gebracht” die ik samen met Tom Louwerse heb gemaakt in opdracht van het VPRO Radio 1 programma Argos. Eerder schreven we voor hen “Kiezen voor Confrontatie”.

Alleenvrouwschappij

Nederland lijkt uitgeëmancipeerd. Mannen en vrouwen hebben dezelfde rechten en dezelfde plichten. Voor de wet zijn man en vrouw gelijk. Maar in de politiek ook? Zijn er verschillen in stemgedrag tussen mannen en vrouwen? En in politieke opvattingen?

Verschillen in politieke opvattingen

Vrouwen zijn op sociaal-economisch terrein socialer dan mannen: zij zijn voor een gelijkere inkomensverdeling dan mannen. Ze willen dat de overheid meer doet om een sociale rechtvaardigheid te verzekeren.  Vrouwen zijn op een aantal culturele thema’s progressiever: zij zijn vaker voorstander van het toelaten van asielzoekers. Dat geldt niet alleen voor asielzoekers maar ook voor homo’s:  vrouwen zijn voorstander van een meer omvattende gemeenschap. Ook zijn ze een groter tegenstander van kernenergie dan mannen. Vrouwen zijn een sceptischer over ingrijpende veranderingen, niet alleen over technologische verandering, maar ook over bijvoorbeeld Europese integratie. Vrouwen zijn niet per se softer dan mannen: vrouwen zijn over het algemeen vaker voorstander van strengere straffen. Wat het grote verschil lijkt te zijn is dat vrouwen voorstander zijn van gemeenschapszin (sociaal, inclusief maar ook conservatief) en dat mannen een meer individualistische politieke instelling hebben (economisch liberaal, uitsluitend maar ook voorstander van innovatie en vernieuwing).

Verschillen in stemgedrag

If women were the only voters, the Democrats would win in a landslide every time. If men were the only voters, the GOP would be the left-wing party” stelt Amy Gardner in The West Wing. Maar is altijd waar? Het is inderdaad zo dat bij de verkiezingen vrouwen vaak anders stemden dan mannen. Echter, de manier waarop de verschillen in stemgedrag tussen mannen en vrouwen zich uiten is contextafhankelijk: vrouwenstemrecht werd in Nederland ingevoerd in 1922. In 1918 waren er verkiezingen gehouden met algemeen stemrecht voor mannen. Er werd verwacht dat met name de seculiere linkse partijen (SDAP, CPH) die voorstander waren geweest van vrouwenkiesrecht van de invoering daarvan zouden profiteren. Echter, zij verloren drie zetels (was 25 werd 22). Ook de seculiere rechtse partijen (LP, LSP, VDB) verloren vier zetels (was 20 werd 16). Dat gold ook voor de categorie overig (was 5 werd 2 – ook gevolg van kleine verandering in het kiesstelsel). Het waren de Christen-Democratische partijen (CHU, ARP en RKSP) die er op vooruitgingen (van 50 naar 60). Ceteris paribus lijkt dit er op te duiden dat vrouwen niet in grote mate op linkse partijen hebben gestemd bij deze verkiezingen.

En nu? Als alleen vrouwen zouden stemmen, zou de PvdA de grootste partij zijn. De sociaal-democraten zouden 28 zetels halen als alleen vrouwen zouden stemmen. Daarop volgt de VVD (25) en het CDA (24). En dan pas de PVV (21) met op de voet de SP (18). GroenLinks (13) ligt voor op D66 (10). Onder de kleine partijen staat de CU sterk (6) en de PvdD (3). De heren van het SGP zouden ook twee zetels krijgen in het vrouwelijke parlement. Er is dus een linkse meerderheid onder de vrouwen van 78 zetels. Maar ook de Christen-democraten doen het nog relatief goed onder vrouwen ze halen hier nog 32 zetels.  Het zijn de verschillende liberale partijen van Nederland (D66-VVD-PVV) die slecht scoren onder vrouwen. Er is groen licht voor een links vrouwenkabinet van PvdA-CDA-SP-GL.

Als alleen mannen het stemrecht hadden dan zag de Tweede Kamer er anders uit.  De VVD ligt met 36 zetels ruim voor op de PvdA (31). De PVV haalt 26 zetels, ruim meer dan het CDA (17). De SP (12) ligt vlak bij D66 (11). GroenLinks ligt daar ver onder (8). De ChristenUnie haalt even veel zetels als de SGP (4). Een zetel is over voor een mannelijke PvdD’er. Seculier links haalt 52 zetels, de liberalen (VVD-D66-PVV) 73 en de Christen-Democraten maar 25. Een kabinet CDA-VVD-PVV haalt een meerderheid onder de mannen (81).

In de politieke opvattingen zijn er nu verschillen tussen en mannen en vrouwen: vrouwen zijn voorzichtiger en meer gericht op de gemeenschap, mannen willen verandering en zijn meer gericht op het individu. Het mag dan ook niemand verbazen dat mannen in het verleden en op dit moment liberale partijen verkiezen. Vrouwen kiezen voor sociaal-democratische en Christen-democratische partijen, die een communotaire orientatie hebben.

Deze analyse is gebaseerd op het NKO 2010.