GroenLinks is een van de weinige grotere Europese Groene partijen die nog nooit meeregeerden. Maar de kans dat dat verandert, is groter dan ooit. Wat moet de partij doen als ze aan de formatietafel gevraagd wordt en wat vooral laten? Twee Groenenwatchers geven advies en reflecteren op de kansen op een doorbraak van Groen als politieke factor van gewicht.
GroenLinks en veel zusterpartijen hadden tot nu toe een voorkeur voor coalities met links. Zouden ze ook kunnen deelnemen aan een coalitie zónder een linkse partij, of worden ze dan te kwetsbaar voor aanvallen vanuit die hoek?
Little: in theorie zou elke kleine partij een voorkeur moeten hebben voor een centrale positie, een spilpositie in het partijenstelsel. Als je meer opties open houdt, vergroot je je onderhandelingspositie. In de praktijk kan het schuiven naar een centrumpositie electoraal risicovol zijn. In het verleden neigden veel Groene partijen naar een regering met centrum-links, getuige coalities in Finland, Italië, Frankrijk, Duitsland en België. Maar in 2007 traden de Ierse, Finse en Tsjechische Groenen toe tot regeringen met centrum-rechtse partijen. In Tsjechië bijvoorbeeld bevonden ze zich in 2007 in een relatief sterke positie, omdat ze nodig waren voor een meerderheid en geen van de twee grote partijen hadden uitgesloten. Na maandenlang onderhandelen kregen ze twee ministersposten (milieu en mensenrechten minderheden) en mochten een onafhankelijke senator voordragen als minister van Buitenlandse zaken. Of ze worden afgestraft of beloond door de kiezer, moet nog blijken. Geen van de drie partijen heeft na toetreding tot zo’n kabinet nog deelgenomen aan verkiezingen. Na deelname aan centrum-linkse coalities verschillende verkiezingsuitslagen voor Groene partijen sterk: gematigd succes in sommige gevallen, grote tegenvallers in andere.
Rihoux: Toetreden tot een centrum-rechtse coalitie kan moeilijk zijn vanwege de grotere ideologische afstand, zeker voor GroenLinks dat haar wortels heeft in partijen links van de sociaal-democraten. Maar het kan ook een voordeel zijn, omdat de kans kleiner is dat coalitiepartners de sociaal-economische successen opeisen. Dat laatste gebeurde in België, waar de Parti Socialiste en Écolo elkaar voortdurend beconcurreerden, met grote onderlinge spanningen tot gevolg. Zo’n strategie is evenmin goed.
Little: Gezien de ervaringen tot nu toe, valt te verwachten dat coalities met zowel centrum-rechtse als centrum-linkse partijen niet makkelijk of harmonieus zullen zijn. Deelname aan een coalitiekabinet geeft een partij echter ook de mogelijkheid om een deel van het programma in praktijk te brengen en de geloofwaardigheid bij de kiezers te vergroten.
Rihoux: Een strategie zonder risico bestaat niet. Als je besluit tot regeringsdeelname moet je twee dingen overwegen: kunnen de leden ermee leven? Hoe pragmatischer die zijn, hoe eerder ze zullen vinden dat een plaats in welke coalitie dan ook beter is dan een plaats in de oppositie. De kiezers zullen resultaten verwachten. Is de partij in staat om in redelijk korte tijd te laten zien wat ze heeft bereikt?
Wat zijn, als je kijkt naar ervaringen van elders, de voorwaarden voor programmatisch succes?
Little: Groene partijen zijn in coalities altijd de kleinere partners geweest. En ze kwamen bijna nooit in de regering vanuit een sterke strategische positie. Dus kunnen ze vanuit de regering slechts beperkte beleidsdoelen bereiken. Dat is lastig voor een kleine partij maar des te lastiger voor een partij die voor het eerst deelneemt aan een kabinet, omdat die altijd moet samenwerken met – en strijden tegen – gevestigde belangen.
Rihoux: Wat vooral telt, is je strategische positie binnen de coalitie: je hebt een sterke band nodig met ten minste twee of drie partners. En je moet goede mensen in de regering zetten. Daarnaast is het voor een partij zonder regeringservaring verstandig om beleidsadviseurs van buiten in te huren die regeringservaring hebben. Als je alleen maar technische kennis meebrengt, maar geen ervaring in regeren, kun je makkelijk de fout in gaan.
Little: Een van de voorwaarden voor programmatisch succes is eenheid in de partij. Daarvoor is het nodig dat de partijleden samen prioriteiten formuleren. Hierbij kunnen procedures van participatieve democratie waarover veel Groene partijen beschikken, nuttig zijn. Maar dat aanscherpen van prioriteiten moet gebeuren vóór dat de partij de onderhandeling in gaat. Zulke collectieve besluitvormingsprocedures kunnen soms leiden tot conflicten, maar ze kunnen in moeilijke tijden ook bindend werken: ze geven de leden invloed op belangrijke beslissingen en ze kunnen de vertegenwoordigers in de regering legitimiteit geven.
Moeten Groene partijen proberen een milieuportefeuille te krijgen, en zo het risico lopen om de Groene marge te worden van Paars, Rood of Geel? Of is het te riskant als ze het milieu, hun kernonderwerp, overlaten aan anderen?
Rihoux: Dat hangt af van het politieke gewicht: als de partij een zwakke positie heeft en maar één ministerpost kan krijgen, is het gevaarlijk om niet Milieu of Landbouw te nemen: dan heb je geen enkele garantie dat je het beleid kan beïnvloeden op thema’s die voor je electorale basis wezenlijk zijn. Maar kun je meer dan één post krijgen, dan is het interessant om voor andere portefeuilles te gaan, omdat je dan kunt uitstijgen boven het imago van de kleine partner die is gespecialiseerd in milieu.
Little: Europese Groene partijen hebben in bijna alle kabinetten waaraan ze deelnamen, de milieu portefeuille gekregen. Maar inmiddels hebben de meeste veel tijd besteed aan het ontwikkelen van visies op andere beleidsvraagstukken en zouden de milieuportefeuille kunnen beschouwen als een stap terug. Anderzijds hebben Groene politici veel ervaring en expertise op groene beleidsvraagstukken. Die kunnen ze uitbuiten. En ze zullen op die gebieden eerder als geloofwaardige ministers worden gezien.
Groenen hebben het in recente verkiezingen uitermate goed gedaan. Denken jullie dat ze een belangrijke factor zouden kunnen worden in Europese politieke systemen?
Little: In een aantal opzichten zijn ze dat al: ze hebben deelgenomen aan regeringen en een grote invloed gehad op de politieke agenda van de laatste twintig jaar. Maar op dit moment zijn alle Groene partijen binnen hun nationale systemen relatief klein. Ze kunnen hun invloed niet vergroten zonder electoraal succes.
Rihoux: Om invloed te hebben, hoeft een partij niet per se groot te zijn. De Duitse liberale FDP is daar een voorbeeld van; die kon veel naar haar hand zetten bij een stemmenpercentage van tussen de 5 en de 10.
Little: De recente verkiezingsuitslagen van Europe Écologie in de Franse regionale verkiezingen, Écolo in België en Bündnis 90/Die Grünen in Duitse federale verkiezingen in September laten zien dat deze partijen hun electoraat kunnen vergroten. Maar er moet nog veel gebeuren voor ze gezien kunnen worden als iets anders dan kleine partijen.
Rihoux: De mooie uitslagen van Europe Écologie maken die partij nog niet tot een machtsfactor, omdat ze plaatsvonden tijdens de Europese en regionale verkiezingen, die relatief onbelangrijk zijn. Die Grünen en Écolo zijn wél krachtiger geworden: ze zijn beter gestructureerd en hebben een stabiel electoraat. Écolo, en vooral Die Grünen, zijn erin geslaagd om buiten hun klassieke niche te groeien – en bijvoorbeeld ook de vakbeweging aan zich te binden, die voorheen alleen met de sociaal-democraten zaken deed. Dat uit je niche weten te komen is een voorwaarde voor succes. Maar dat succes boekten de partijen deels door de zwakte van de concurrentie: zowel in Duitsland als in Wallonië verkeren de sociaal-democraten in een existentiële crisis omdat ze niet in staat zijn om zich zelf te vernieuwen. Daarnaast is er geen concurrentie van protestpartijen, zoals GroenLinks in Nederland heeft, zodat ze zowel de proteststemmen kunnen pakken als stemmen van links. Maar zodra de sociaal-democraten zich weten te moderniseren, kan dat veranderen.
Kan Groen ooit mainstream worden, zonder het perspectief op een andere, bijna utopische samenleving die het Groene denken vaak kenmerkt, te verliezen?
Rihoux: Toetreden tot de macht houdt risico’s in, maar macht nastreven is waar politieke partijen voor zijn bedoeld. Via een positie in de regering kun je verandering bereiken. In de jaren ’80 en ’90 was bij veel partijen de utopische dimensie sterk, maar sindsdien zijn de meeste veel pragmatischer geworden. Politiek betekent vuile handen maken, maar je kunt grootse idealen hebben en toch in staat zijn tot pragmatische keuzes. Écolo en Agalev (inmiddels omgedoopt tot Groen!, SO en LT) konden destijds in een coalitie stappen omdat ze compromissen wisten te sluiten en kregen het uitfaseren van kernenergie daarvoor terug, wat ze vanuit de oppositie nooit was gelukt’
Dit interview heb geschreven samen met Lin Tabak. Het verscheen in het GroenLinks Magazine van Juli 2010.