Rihoux: “Macht dat is waar Partijen voor zijn gemaakt”

GroenLinks is een van de weinige grotere Europese Groene partijen die nog nooit meeregeerden. Maar de kans dat dat verandert, is groter dan ooit.  Wat moet de partij doen als ze aan de formatietafel gevraagd wordt en wat  vooral laten? Twee Groenenwatchers geven advies en reflecteren op de kansen op een doorbraak van Groen  als politieke factor van gewicht.

GroenLinks en veel zusterpartijen hadden tot nu toe een voorkeur voor coalities met links. Zouden ze ook kunnen deelnemen aan een coalitie zónder een linkse partij, of worden ze dan te kwetsbaar voor aanvallen vanuit die hoek?

Little: in theorie zou elke kleine partij een voorkeur moeten hebben voor een centrale positie, een spilpositie in het partijenstelsel. Als je meer opties open houdt, vergroot je je onderhandelingspositie. In de praktijk kan het schuiven naar een centrumpositie electoraal risicovol zijn. In het verleden neigden veel Groene partijen naar een regering met centrum-links, getuige coalities in Finland, Italië, Frankrijk, Duitsland en België. Maar in 2007 traden de Ierse, Finse en Tsjechische Groenen toe tot regeringen met centrum-rechtse partijen. In Tsjechië bijvoorbeeld bevonden ze  zich in 2007 in een relatief sterke positie, omdat ze nodig waren voor een meerderheid en geen van de twee grote partijen hadden uitgesloten. Na maandenlang onderhandelen kregen ze twee ministersposten (milieu en mensenrechten minderheden) en mochten een onafhankelijke senator voordragen als minister van Buitenlandse zaken. Of ze worden afgestraft of beloond door de kiezer, moet nog blijken. Geen van de drie partijen heeft  na toetreding tot zo’n kabinet nog deelgenomen aan verkiezingen. Na deelname aan centrum-linkse coalities verschillende verkiezingsuitslagen voor Groene partijen sterk: gematigd succes in sommige gevallen, grote tegenvallers in andere.

Rihoux: Toetreden tot een centrum-rechtse coalitie kan moeilijk zijn vanwege de grotere ideologische afstand, zeker voor GroenLinks dat haar wortels heeft in partijen links van de sociaal-democraten. Maar het kan ook een voordeel zijn, omdat de kans kleiner is dat coalitiepartners de sociaal-economische successen opeisen. Dat laatste gebeurde in België, waar de Parti Socialiste  en Écolo elkaar voortdurend beconcurreerden, met grote onderlinge spanningen tot gevolg. Zo’n strategie is evenmin goed.

Little: Gezien de ervaringen tot nu toe, valt te verwachten dat coalities met zowel centrum-rechtse als centrum-linkse partijen niet makkelijk of harmonieus zullen zijn. Deelname aan een coalitiekabinet geeft een partij echter ook de mogelijkheid om een deel van het programma in praktijk te brengen en de geloofwaardigheid bij de kiezers te vergroten.

Rihoux: Een strategie zonder risico bestaat niet. Als je besluit tot regeringsdeelname moet je twee dingen overwegen: kunnen de leden ermee leven? Hoe pragmatischer die zijn, hoe eerder ze zullen vinden dat een plaats in welke coalitie dan ook beter is dan een plaats in de oppositie. De kiezers zullen resultaten verwachten. Is de partij in staat om in redelijk korte tijd te laten zien wat ze heeft bereikt?

Wat zijn, als je kijkt naar ervaringen van elders, de voorwaarden voor programmatisch succes?

Little: Groene partijen zijn in coalities altijd de kleinere partners geweest. En ze kwamen bijna nooit in de regering vanuit een sterke strategische positie. Dus kunnen ze vanuit de regering slechts beperkte beleidsdoelen bereiken. Dat is lastig voor een kleine partij maar des te lastiger voor een partij die voor het eerst deelneemt aan een kabinet, omdat die altijd moet samenwerken met – en strijden tegen – gevestigde belangen.

Rihoux: Wat vooral telt, is je strategische positie binnen de coalitie: je hebt een sterke band nodig met ten minste twee of drie partners. En je moet goede mensen in de regering zetten. Daarnaast is het voor een partij zonder regeringservaring verstandig om beleidsadviseurs van buiten in te huren die regeringservaring hebben. Als je alleen maar technische kennis meebrengt, maar geen ervaring in regeren, kun je makkelijk de fout in gaan.

Little: Een van de voorwaarden voor programmatisch succes is eenheid in de partij. Daarvoor is het nodig dat de partijleden samen prioriteiten formuleren. Hierbij kunnen procedures van participatieve democratie waarover  veel Groene partijen beschikken, nuttig zijn. Maar dat aanscherpen van prioriteiten moet gebeuren vóór dat de partij de onderhandeling in gaat. Zulke collectieve besluitvormingsprocedures kunnen soms leiden tot conflicten, maar ze kunnen in moeilijke tijden ook bindend werken: ze geven de leden invloed op belangrijke beslissingen en ze kunnen de vertegenwoordigers in de regering legitimiteit geven. 

Moeten Groene partijen proberen een milieuportefeuille te krijgen, en zo het risico lopen om de Groene marge te worden van Paars, Rood of Geel? Of is het te riskant als ze het milieu, hun kernonderwerp, overlaten aan anderen?

Rihoux: Dat hangt af van het politieke gewicht: als de partij een zwakke positie heeft en maar één ministerpost kan krijgen, is het gevaarlijk om niet Milieu of Landbouw te nemen: dan heb je geen enkele garantie dat je het beleid kan beïnvloeden op thema’s die voor je electorale basis wezenlijk zijn. Maar kun je meer dan één post krijgen, dan is het interessant om voor andere portefeuilles te gaan, omdat je dan kunt uitstijgen boven het imago van de kleine partner die is gespecialiseerd in milieu.

Little: Europese Groene partijen hebben in bijna alle kabinetten waaraan ze deelnamen, de milieu portefeuille gekregen. Maar inmiddels hebben de meeste veel tijd besteed aan het ontwikkelen van visies op andere beleidsvraagstukken en zouden de milieuportefeuille kunnen beschouwen als een stap terug. Anderzijds hebben Groene politici veel ervaring en expertise op groene beleidsvraagstukken. Die kunnen ze uitbuiten. En ze zullen op die gebieden eerder als geloofwaardige ministers worden gezien.

Groenen hebben het in recente verkiezingen uitermate goed gedaan. Denken jullie dat ze een belangrijke factor zouden kunnen worden in Europese politieke systemen?

Little: In een aantal opzichten zijn ze dat al: ze hebben deelgenomen aan regeringen en een grote invloed gehad op de politieke agenda van de laatste twintig jaar. Maar op dit moment zijn alle Groene partijen binnen hun nationale systemen relatief klein. Ze kunnen hun invloed niet vergroten zonder electoraal succes.

Rihoux: Om invloed te hebben, hoeft een partij niet per se groot te zijn. De Duitse liberale FDP is daar een voorbeeld van; die kon veel naar haar hand zetten bij een stemmenpercentage van tussen de 5 en de 10.

Little: De recente verkiezingsuitslagen van Europe Écologie in de Franse regionale verkiezingen, Écolo in België en Bündnis 90/Die Grünen in Duitse federale verkiezingen in September laten zien dat deze partijen hun electoraat kunnen vergroten. Maar er moet nog veel gebeuren voor ze gezien kunnen worden als iets anders dan kleine partijen.

Rihoux: De mooie uitslagen van Europe Écologie maken die partij nog niet tot een machtsfactor, omdat ze plaatsvonden tijdens de Europese en regionale verkiezingen, die relatief onbelangrijk zijn. Die Grünen en Écolo zijn wél krachtiger geworden: ze zijn beter gestructureerd en hebben een stabiel electoraat. Écolo, en vooral Die Grünen, zijn erin geslaagd om buiten hun klassieke niche te groeien – en bijvoorbeeld ook de vakbeweging aan zich te binden, die voorheen alleen met de sociaal-democraten zaken deed. Dat uit je niche weten te komen is een voorwaarde voor succes. Maar dat succes  boekten de partijen deels door de zwakte van de concurrentie: zowel in Duitsland als in Wallonië verkeren de sociaal-democraten in een existentiële crisis omdat ze niet in staat zijn om zich zelf te vernieuwen. Daarnaast is er geen concurrentie van protestpartijen, zoals GroenLinks in Nederland heeft, zodat ze zowel de proteststemmen kunnen pakken als stemmen van links. Maar zodra de sociaal-democraten zich weten te moderniseren, kan dat  veranderen.

Kan Groen ooit mainstream worden, zonder het perspectief op een andere, bijna utopische samenleving die het Groene denken vaak kenmerkt, te verliezen?

Rihoux: Toetreden tot de macht houdt risico’s in, maar macht nastreven is waar politieke partijen voor zijn bedoeld. Via een positie in de regering kun je verandering bereiken. In de jaren ’80 en ’90 was bij veel partijen de utopische dimensie sterk,  maar sindsdien zijn de meeste veel pragmatischer geworden. Politiek betekent vuile handen maken, maar je kunt grootse idealen hebben en toch in staat zijn tot pragmatische keuzes. Écolo en Agalev (inmiddels omgedoopt tot Groen!, SO en LT) konden destijds in een coalitie stappen omdat ze compromissen wisten te sluiten en kregen het uitfaseren van kernenergie daarvoor terug, wat ze vanuit de oppositie nooit was gelukt’

Dit interview heb geschreven samen met Lin Tabak. Het verscheen in het GroenLinks Magazine van Juli 2010.

Who Nudges the Nudgers?

Een tijdje geleden schreef ik over het GroenLinkse debat vrijzinnig paternalisme. Dit is een manier om mensen te laten doen wat ze eigenlijk zouden willen. De bedenkers de Amerikaanse onderzoekers Thaler en Sunstein stellen dat veel mensen hun beslissingen maken op basis van irrationele gronden. In een supermarkt worden producten die op ooghoogte staan, worden vaker gekocht dan producten waar je voor moet bukken. Je kan dan die producten op ooghoogte zetten die gezond of goed voor het milieu zijn. Dan zullen mensen vaker het 'juiste' kiezen zonder dat ze gedwongen worden en waarbij mensen de vrijheid hebben om een andere keuze te hebben. De argumentatie is helder: mensen maken vaak verkeerde keuzes. En waarom zou de overheid mensen dan niet helpen om het juiste te doen, zeker als mensen gezonder willen leven en meer voor het milieu moeten doen?

Er zijn een aantal problemen, laat ik er een bekijken: het boek bevalt veel voorbeelden van hoe mensen de verkeerde keuzes maken bij het het winkelen in de supermarkt, bij het bepalen hoe ze hun geld moeten investeren, bij het maken van keuzes voor medicijnen en orgaandonatie. Maar het boek bevat ook veel voorbeelden van hoe burgers een irrationele keuze maken bij het selecteren van hun politici, op basis van de vraag "wie ziet er het meest betrouwbaar uit" maken volslagen niet-geinformeerde burgers uit een ander land, dezelfde keuze als veel kiezers. En worden kandidaten die het eerst op het stembiljet staan vaker verkozen dan mensen die op #2 staan. Kiezers kiezen niet op basis van een rationele afweging van plannen en competenties, maar op basis van uiterlijk of de manier waarop de keuze wordt aangeboden. Hoe kunnen we die politici selecteren die onze de goede kant op helpen als onze selectie daarvan niet rationeel is?

Maar ook politici maken vaak niet de rationele keuze. Daarbij spelen niet alleen onenigheden over wat de juiste keuze is of machtspolitieke keuzes een rol. Maar ook juist het type irrationele overwegingen die Thaler en Sunstein beschrijven: ook politici zijn gewone mensen. Juist de manier waarop de keuze wordt aangeboden is een manier om de uitkomst van besluitvorming te bepalen . Een beroemd voorbeeld gaat over een beslissing van de Romeinse Senaat bij de vervolging van een landverrader: door de keuze op een bepaalde manier voor te stellen, wist een Senator de beslissing in zijn voordeel te Nudge. Hij stelde voor om een stemming te houden waarbij er drie keuzes waren: onschuldig, moet bestraft worden met de doodstraf, moet bestraft worden verbanning. Een relatieve meerderheid (zeg 40%) van de senatoren koos voor onschuld, 30% voor de doodstraf en 30% voor verbanning. En hiermee was de landverrader op vrije voeten (meeste stemmen gelden), terwijl een meerderheid hem schuldig achtte. Er zijn voorbeelden te over van "irrationele" keuzes door groepen, sterker nog dat is een hele tak van de politicologie (deze wordt Heresthetics genoemd door Riker in zijn boek Liberalism vs. Populism; zie bv. voting paradox of Arrow's impossibility theorem). Wat Thaler en Sunstein beweren over burgers (de manier waarop de keuze wordt aangeboden bepaald de keuze) geldt evenzeer voor politici.

De confronterende vraag is dan "Who Nudges the Nudgers?" (Quis fodicet ipsos fodicantes?): als burgers irrationeel zijn, kiezen zij dan ook niet op een irrationele manier hun volksvertegenwoordigers? En kiezen die volksvertegenwoordigers dan weer irrationeel? Hebben Thaler en Sunstein wel door hoe confronterend hun conclusies zijn voor de politiek? En als dat zo is: moeten we dan politici dan wel toe staan om onze beslissingen te manipuleren, zeker als dit soort veranderingen in de keuze structuur niet op een transparante manier plaats kunnen vinden?

Ik denk dat het antwoord te vinden valt bij de Britse filosoof Karl Popper: hij stelt dat we in de politiek ons niet moeten richten op het vergroten van geluk, maar op het voorkomen van ongeluk. Laten we mensen niet dwingen of nudgen om de goede keuze te maken, maar in elk geval voorkomen dat er grote fouten gemaakt worden. En dat geldt evenzeer voor de politiek: laten we die niet zo inrichten dat we er van uitgaan dat onze best & brightest leider worden, maar ervanuit gaan dat onze politici ook mensen zijn die fouten kunnen maken en politiek zo inrichten dat we proberen te voorkomen dat incompetente (nog niet eens kwaad willende) politici zo min mogelijk schade kunnen doen.

Kamerbrede coalitie

Vorige week was ik bij een lezing van Klaas van Egmond, georganiseerd door het wetenschappelijk bureau van GroenLinks en de GroenLinks Academie. Hij stelde voor om een partijbrede coalitie te vormen. En nu de speculatie over het kabinet Rutte is afgelopen, is dat misschien ene interessante exceritie.

Welke partijen komen in aanmerking? Er zijn in Nederland acht partijen die groter zijn dan 5 zetels, die zouden allemaal in het kabinet komen. Het lijkt redelijk om uit te gaan van 12 ministersposten, even veel als nu maar wel iets beter verdeeld. Het wordt 2-2-2-2-1-1-1-1. De partij krijgt dat onderwerp toegewezen waarop hij "ownership" heeft. Voor partijen met twee posten kan de twee post iets minder goed passen. Daarnaast is er gekozen voor kabinet-nieuwe stijl, dat minder monistisch zal gaan opereren, meer bestaat uit bestuurders die compromissen kunnen sluiten dan politici die machtsspelletjes spelen.

  • Algemene Zaken: Neelie Kroes (VVD) bij een kabinet-nieuwe-stijl past vrouwelijke bestuurder van formaat als premier.
  • Binnenlandse Zaken & Integratie: Joost Eerdmans (onafh./PVV) zo'n regering vereist dat iedere partij capabele bestuurders als minister levert. Dat wordt voor de PVV lastig. Eerdmans is een van de Fortuyn-adepten die zich een redelijk politicus heeft getoond. Uiteraard past Integratie goed bij de PVV.
  • Justitie: Piet-Hein Donner (CDA) echt het type bestuurder dat past in zo'n kabinet. Het onderwerp justitie past ook goed bij het CDA.
  • Buitenlandse Zaken: Liliane Ploumen (PvdA) PvdA- en bestuurder op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Heeft als partijvoorzitter laten zien een goed bestuurder te zijn. BuZa is alleen niet echt een onderwerp waar een partij "ownership" op heeft. Daarnaast moet de PvdA een man en een vrouw als minister leveren.
  • Defensie: Eimert van Middelkoop (CU) heeft zich ontwikkeld tot heel degelijke minister van Defensie. Zij krijgt als kleinste misschien een post die minder goed past.
  • Financien: Jan Kees de Jager (CDA) een zeer capabele minister van financien. Het CDA past goed bij het onderwerp "financiele stabiliteit".
  • Economische Zaken, Landbouw & Innovatie: Hans Hoogervorst (VVD) De VVD is eigenaar op het onderwerp "economische ontwikkeling" en Hoogervost is een sterke bestuurder op dat onderwerp.
  • Natuur, Ruimtelijke Ordening & Milieu: Mirjam de Rijk (GL) GL krijgt als groene partij het ministerie van milieu, met daarop een groene bestuurder.
  • Volkshuisvesting, Verkeer & Waterstaat: Marco Pastors (onafh./PVV) ook Pastors is zo'n Fortuyn-adept die bestuurlijke ervaring heeft. Verkeer (files) is typisch een onderwerp voor een populistische partij.
  • Sociale Zaken & Werkgelegenheid: Ahmed Aboutaleb (PvdA) natuurlijk levert de PvdA de minister van sociale zaken, als eigenaar van het onderwerp "sociale zekerheid";
  • Onderwijs, Cultuur & Wetenschap: Alexander Rinnooy Kan (D66) D66 is de onderwijspartij en levert zo een van echte progressief om de publieke sector te vernieuwen.
  • Volksgezondheid, Welzijn & Jeugd: Tineke Slagter-Roukema (SP) De SP levert als zorgpartij de minister van volksgezondheid. Slagter-Roukema is SP senator, arts en bestuurder.

Bij de formatie van het kabinet Rutte

Bij de formatie van het Kabinet-Rutte zijn veel constitutionele regels en conventies van de formatie overtreden. Ik heb met rijzende verbazing gekeken naar de verdeling van ministersposten en staatssecretariaten. De gelijke verdeling van posten tussen CDA en VVD is opmerkelijk maar te begrijpen: er zijn veel posten te verdelen onder weinig partijen, dus dan kan je wat toegevelijker zijn naar de junior partner. Interessant is het ook om te zien hoe verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen staatssecretaris en minister.

  • Algemene Zaken: tegen zijn eigen belofte in word Mark Rutte premier van een "bijzonder meerderheidskabinet". Het is een teken van vertrouwen in samenwerking met Wilders en het verzamelde team dat Rutte premier is geworden.
  • Binnenlandse Zaken: De post Wonen, Wijken en Integratie komt bij BZK samen met asielzaken van Justitie. Hiermee wordt dit ministerie het ministerie van vier A's die het zwaar zullen krijgen: Antillianen, Allochtonen, Ambtenaren, Asielzoekers.. Er komt hier twee CDA-ministers, opvallend want dit ministerie is ook verantwoordelijk gemaakt voor de scheiding tussen kerk en staat: Donner, die van Justitie naar Sociale Zaken en Werkgelegenheid nu naar Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gaat als een echte routinier, en Leers als minister voor Immigratie en Asiel. Zelfs met volkshuisvesting erbij heeft Donner weinig te doen. En twee CDA-bewindspersonen lijkt mij voor de machtsbalans in het kabinet niet slim, maar het gebeurt wel vaker (Vogelaar en Cramer).
  • Buitenlandse Zaken: in een van de weinig regelmatigheden die wel zijn behouden is de minister van Buitenlandse Zaken van dezelfde kleur als de premier. In de laatste 30 jaar was dat alleen in de paarse kabinetten zo. Rosenthal volgt Plasterk en Cramer op als professor-minister. De keuze om een staatssecretaris te benoemen voor Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking is opmerkelijk: want deze bewindsman zal min-of-meer permanent de hele wereld rond moeten vliegen. Het laat zien dat dit kabinet de luiken naar de wereld heeft gesloten.
  • Financien: geheel volgens de regels van de kunst levert de tweede partij de minister van finamcien en levert dan weer de grootste partij de staatssecretaris van financien. Dat levert een gezonde balans op tussen de partijen.
  • Defensie: bij een liberale minister van Buitenlandse Zaken past een Christen-democratische minister van Defensie.
  • Justitie & Veiligheid: eerder had Nederland een minister van Justitie (rechtvaardigheid), maar nu wordt het veiligheid. Ik vind het een voorteken van een verandering van prioriteiten: van de bescherming van burgerrechten naar het vergroten van veiligheid. Naast een Christen-democratische minister van Binnenlandse Zaken past een liberale minister van Justitie. Echter de keuze voor een liberale staatssecretaris (zeker de crimefighter Teeven naast de crimefighter Opstelten) lijkt me niet rationeel: dezelfde partij, dezelfde flank, wat voegt Teeven toe? Teeven krijgt overigens met name jeugd en gezins- en privaatrecht onder zich.
  • Economische Zaken, Landbouw & Innovatie: een superministerie van Economische Zaken voor een zuiderlijke Christen-democraat, dat hadden de Duitsers in 2005 al. De keuze om het kleine ministerie van landbouw op te heffen kan ik begrijpen. Maar waarom de historicus Verhagen hier minister van wordt en zijn Christen-democratische collega de jurist Bleker staatssecretaris ontgaat mij volkomen. Bleker wordt verantwoordelijk voor landbouw en internationale handel, en volgt daarmee waarschijnlijk zijn collega of BuZa in een voortdurende rondreis langs Brussel en Shanghai. Opvallend is dat dit ministerie van bedrijvigheid zich ook blijft bezighouden met natuur.
  • Sociale Zaken en Werkgelegenheid: de VVD leverde in de laatste 30 jaar nooit de minister van Sociale Zaken. Opnieuw zijn de minister en de staatssecretaris (de liberale boekhouders Blok en De Krom) qua partij of per politieke stroming niet van elkaar te onderscheiden . In de sociaal-economische vierhoek (EZ/Financien/Sociale Zaken en Werkgelegenheid/Premier) is de balans nu 2-2.
  • Onderwijs, Cultuur en Wetenschap:  Een CDA minister met een VVD staatssecretaris lijkt me een logische keuze. De VVD staatssecretaris krijgt de hele portefeuille van minister Plasterk: wetenschap, cultuur en leraren. De CDA minister wordt dus met name verantwoordelijk voor onderwijs.
  • Volksgezondheid, Welzijn en Sport: Een VVD minister met een CDA staatssecretaris lijkt me een logische keuze. Beoogd CDA-staatssecretaris Veldhuijzen is een van de weinige echt onverwachte benoeming.
  • Infrastructuur en Milieu: een liberale minister van Verkeer, Waterstaat, Ruimtelijke Ordening en Milieu met een Christen-democratische staatssecretaris. Om 12 ministers te krijgen en een minister voor Immigratie en Asiel te krijgen werd de "groene" minister van Milieu gefuseerd met de "grijze" minister van verkeer. Ik hoop dat sociaal-liberaal Schultz van Haegen-Maas Geesteranus het groene gezicht van dit kabinet kan worden, maar de kans is groot is dat ook zij toe moet geven aan grijze overwegingen. Dat is ook al te zien aan het feit dat haar CDA staatssecretaris milieu krijgt.

Al met al lijkt er met twee bewindspersonen niet consequent gekozen voor het beschermen van machtsbalans tussen de twee partijen. In plaats daarvan zijn een aantal onderwerpen (economie, binnenlandse zaken, veiligheid) overgegeven aan een partij, twee keer aan de junior partner het CDA. Daarnaast is een groot aantal vertrouwelingen genoemd. Het is een teken in mijn ogen dat de partijleiders elkaar vertrouwen en verwachten dat dit kabinet stabiel zal worden.

Van participatie-ideaal naar liberale democratie

Dit artikel verscheen eerder in bewerkte versie in een special issue van De Helling over democratische vernieuwing. Ik heb dit geschreven samen met Tom Louwerse.

GroenLinks is voortgekomen uit de democratiseringsbewegingen van de jaren zestig en zeventig. De vier partijen die in 1989 GroenLinks vormden waren een direct product van deze bewegingen of waren hier sterk door gevormd. Dus toen de partij in 1991 haar doelstellingen formuleerde, was het niet opmerkelijk dat ze de eerste hiervan “een democratische rechtsstaat, waarin individuele vrijheden zijn gewaarborgd en alle ingezetenen gelijke politieke rechten hebben” was. Sindsdien heeft het denken binnen GroenLinks over democratisering echter vrijwel stilgestaan. Nog steeds echoot GroenLinks in haar nieuwe programma van uitgangspunten “het democratisch ideaal van gelijke zeggenschap voor iedereen” uit de jaren zeventig. De samenleving is in de laatste twintig jaar echter radicaal veranderd: een grote groep burgers wordt steeds cynischer over de politiek en maatschappelijke tegenstellingen worden steeds sterker. De praktische voorstellen van GroenLinks op het gebied van democratisering zijn wel veranderd, maar de visie op democratie bleef achter. Dit is de GroenLinkse democratieparadox: de kampioen van vrije meningsvorming en medezeggenschap houdt zelf welhaast dogmatisch vast aan mantra’s over participatie uit de jaren zestig.

In het veelzijdige debat over democratie  kunnen sinds de 18e eeuw ruwweg twee tradities onderscheiden worden. In de republikeinse democratische traditie staat directe participatie centraal. Typische exponent van deze stroming zijn Rousseau en Spinoza, maar deze traditie heeft haar wortels in de Atheense democratie. Het centrale idee is dat mensen zelf invloed moeten uitoefenen op beslissingen die hen aan gaan. Volkssoevereiniteit is de enige legitieme basis voor besluitvorming. Het volk –in de praktijk de meerderheid van het volk–  heeft het absoluut voor het zeggen. De macht van het volk  wordt niet beperkt door grondwettelijke principes die individuele rechten zouden kunnen beschermen tegen de “tyrannie van de meerderheid”. Volkssoevereiniteit kan op twee manieren worden vormgegeven. Eén manier is om mensen zelf mee te laten beslissen over zaken die hen aangaan. Dat kan door referenda, burgerinitiatieven en inspraakrondes, maar ook door inspraak via ondernemingsraden of medezeggenschap op scholen. Besluitvorming moet zo dicht mogelijk plaats vinden bij de burgers. Zo kunnen burgers direct participeren in het politieke proces: participatiedemocratie. Een andere manier is om burgers directe invloed te geven over de verkiezing hun leiders. Dat kan door burgers te laten stemmen over de verkiezing van burgemeesters, rechters, het staatshoofd of de regeringsleider en door hen meer invloed te geven op de samenstelling van het parlement via voorkeursstemmen of districten. Hierbij staat de vraag centraal wie er moet regeren: personendemocratie. De laatste tien jaar zien we in toenemende mate een verschil tussen rechtse populisten die voorstander zijn van personendemocratie en linkse partijen die het ideaal van de participatiedemocratie voorstaan. Slechts één partij, D66, verenigt de ideeën van de participatiedemocratie en de personendemocratie.

De liberale democratische traditie verzet zich tegen het idee van de absolute volkssoevereiniteit. Liberale democraten als Madison en Popper menen dat de bescherming van individuele vrijheden centraal moet staan in een democratie. Deze traditie heeft haar wortels in de Verlichting. Dat betekent dat de macht van de overheid beperkt moet worden en dat binnen de overheid verschillende organen elkaar via checks and balances in toom moeten houden. Dit kan door een sterke scheiding der machten op het nationale niveau, waarbij het kabinet en het parlement een eigen rol hebben en onafhankelijke rechters wetgeving kunnen toetsten aan de grondwet. Ook een heldere verticale scheiding van bevoegdheden tussen gemeente, provincies en het Rijk kan hier aan bijdragen. De kern van democratie is volgens liberale democraten dat het volk wordt beschermd tegen verkeerde beslissingen of incompetente leiders, met name waar het hun burgerrechten betreft. Daarom moet de macht worden verdeeld: macht vraagt om tegenmacht.

In de praktijk vormt elke visie op democratie een mengeling van republikeinse en liberale argumenten. Binnen een liberaal systeem is namelijk best ruimte voor participatie en de meeste voorstanders van de republikeinse traditie zijn ook voor grondwettelijke bescherming. De vraag is waar je het zwaartepunt legt: bij volkssoevereiniteit of bij checks and balances.

Grafiek

Beide tradities zijn terug te vinden in de verkiezingsprogramma’s van GroenLinks. Van alle verkiezingsprogramma’s van GroenLinks hebben we de concrete voorstellen en de argumentatie op het gebied van democratisering ingedeeld in vier categorieën (liberale democratie, participatiedemocratie, personendemocratie en overig, zoals decentralisatie en efficiëntie). Hier kijken we naar de verhouding tussen argumenten uit de eerste drie categorieën. Er is daarbij een opvallend verschil tussen de overwegingen en de concrete programmapunten (zie figuur 1).Van oudsher is de republikeinse traditie dominant in de programma’s en dan vrijwel uitsluitend in de smaak van de participatiedemocratie. Het aandeel van programmapunten die kunnen worden geschaard onder de noemer ‘participatiedemocratie’ neemt echter af. In 1998 was iets meer dan zeventig procent van de voorstellen gericht op het vergroten van de participatie, in 2010 was dit nog iets meer dan de helft. Als we kijken naar de overwegingen die in de programma’s worden genoemd is echter een ander patroon zichtbaar. Participatiedemocratische overwegingen waren dominant, behalve in de periode 2002-2003. In het manifest van 2003 werd een stevige liberaaldemocratische kritiek op de Fortuynrevolte werd geleverd. In de programma’s van 2006 en 2010 verdwenen deze overwegingen echter weer grotendeels. Ook in de programma’s van uitgangspunten van 1991 en 2009 wordt het ideaal van de participatiedemocratie gehuldigd. Het idee van een personendemocratie is bij GroenLinks vrijwel afwezig: alleen het voorstel om de voorkeursstem zwaarder te laten wegen kan hiertoe gerekend worden.

Er is in de laatste jaren een merkwaardige spagaat ontstaan: de overwegingen zijn gericht op participatiedemocratie, maar tussen de concrete programmapunten zitten nu meer liberaaldemocratische voorstellen dan voorheen. Voorstellen als het verkiezen van de burgemeester door de gemeenteraad of constitutionele toetsing vallen duidelijk binnen de liberaaldemocratische traditie, maar de bijbehorende argumenten spelen een marginale rol in de programma’s. Alleen in 2003 was het programma echt gefundeerd op een liberale democratieopvatting: GroenLinks wees aan de ene kant de achterkamertjespolitiek van Paars af, maar ook de anti-politieke retoriek van de LPF, en stelde voor politieke besluitvorming terug brengen in het parlement. In de periode daarvoor en daarna ligt de actief burgerschap: burgers moeten “meedoen, meepraten en meebeslissen” en moeten “meer directe invloed op de democratische besluitvorming”  krijgen. De clichés over participatie en zeggenschap keren telkens terug bij gebrek aan beter, zo lijkt het.

Steeds meer wordt het programma wat betreft democratische vernieuwing een verzameling losse voorstellen zonder een duidelijke achterliggende visie. Het denken over democratie binnen GroenLinks ontwikkelt zich zichtbaar nauwelijks en sluit niet meer goed aan bij de concrete voorstellen. Deze ontwikkeling wordt ook door Pels  geobserveerd. Resultaat is dat de partij niet meer zo goed weet waarom er dingen moeten veranderen. In het programma van 2010 is dit duidelijk zichtbaar: ongeveer de helft van de voorstellen die gaan over democratische vernieuwing zijn typisch liberaal-democratische voorstellen, maar dit zien we in de overwegingen nauwelijks terug.De hele democratieparagraaf lijkt visieloos. In een programma dat in veel opzichten innovatief en vernieuwend was, was 95% van de voorstellen over democratisering al eerder voorgekomen in een GroenLinks programma, duidelijk meer dan voorheen. Een ander symptoom van het gebrek aan eigen visie is dat het programma nu pleit voor een maatschappelijk debat over de democratie. En zelfs dat is niet nieuw: GroenLinks deed dat in 2002 en 2003.

Het gevolg van de stilstand in het GroenLinkse denken over democratie is dat de hervormingsagenda niet meer goed aansluit op recente maatschappelijke ontwikkelingen. Het alleen maar nastreven van een direct democratische participatiesamenleving biedt in onvoldoende mate oplossingen voor de problemen van vandaag. Participatie alleen leidt in de praktijk namelijk niet snel tot wederzijds begrip en betere besluitvorming, maar eerder tot polarisatie en soms zelfs tot een grotere kloof tussen burger en politiek. Denk aan de situatie in Californië waar burgers via referenda besloten tot belastingverlaging en verhoging van sociale uitgaven, maar vervolgens de gouverneur wegstuurden wegens hoge begrotingstekorten. Juist de liberaaldemocratische traditie biedt een progressief, hervormingsgezind en realistisch perspectief. Deze traditie sluit heel goed aan bij het gedachtegoed van GroenLinks: GroenLinks neemt het traditioneel op voor de burgerrechten, de rechten van minderheden en de belangen van groepen die geen stemrecht hebben, zoals vluchtelingen. En als ideeënpartij loopt zij voor op maatschappelijke ontwikkelingen en de publieke opinie. Daarom zou GroenLinks dus ook consequent bij deze liberaal-democratische stroming moeten scharen. We bieden hier een liberaal-democratisch perspectief op twee belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen.

Allereerst worden burgers cynischer over de politiek. De politiek zou haar beloften niet waar maken en meer gericht zijn op de macht dan op het vertegenwoordigen van de burger. De vraag of deze beweringen allemaal volledig waar zijn, doet niet ter zake. Er bestaat een duidelijke perceptie van een onoverbrugbare kloof, waaraan populistische partijen een deel van hun succes ontlenen. De sterke tegenstelling tussen de coalitiepartijen, die de regering ten koste van alles lijken te willen verdedigen, en oppositiepartijen, die vaak nauwelijks een goed woord over hebben voor het regeringsbeleid draagt hier aan bij. Door de compromissen van het kabinet over te nemen als hun eigen standpunten, lijken coalitiefracties afstand te nemen van hun eigen programma, en door het kabinet als een gesloten front te steunen doen zij af aan de noodzakelijke parlementaire controle. In een parlementair systeem bestaat per definitie een verwevenheid tussen regering en parlement, maar dat zou niet af moeten doen aan de controlerende taak van het parlement. In landen met een minderheidskabinet (Zweden, Denemarken) of een afspiegelingssysteem (Zwitserland) is de relatie tussen regering en parlement niet in beton gegoten. De regering moet immers steeds op zoek naar meerderheden. Dit zorgt ervoor dat partijen onafhankelijker staan van de regering, en dus duidelijker hun eigen standpunt kunnen verwoorden. Het geringe vertrouwen in regering en parlement bij een deel van de bevolking wordt niet weggenomen door die burgers simpelweg overal directe zeggenschap over te geven. De meeste burgers steunen namelijk het systeem van de vertegenwoordigende democratie. Ze willen niet overal over meepraten, maar invloed hebben op punten waar het echt om gaat. Democratisering moet gericht zijn op het versterken van de controle op degene die macht uitoefent. Daarbij past een instrument als het referendum heel goed, als noodrem: een uiterste vorm van controle op de regering en het parlement. Niet vanuit een participatief ideaal dat iedereen overal over mee moet kunnen praten en beslissen, maar vanuit het liberaal-democratische perspectief van macht en tegenmacht.

Ten tweede, is er een groeiende politieke tegenstelling over culturele vraagstukken, zoals de positie van de Islam in Nederland, immigratie en integratie, criminaliteit en terrorisme. Het debat over deze onderwerpen is sterk gepolariseerd en lijkt weinig ruimte te laten voor politieke compromissen. Een groeiende politieke stroming wil de klassieke burgerrechten van de moslims beperken, de juridische positie van vluchtelingen, migranten, allochtonen verslechteren en onze burgerrechten ingrijpend beperken vanwege de dreiging van terrorisme. Gevestigde partijen gaan hier deels in mee. Hier kan tegenwicht aan gegeven worden door de machtenscheiding te versterken. Naast de rol die de Raad van State en de Eerste Kamer hebben in de toetsing van de grondwettelijkheid, zouden (in navolging van het voorstel van Halsema) rechters het recht moeten krijgen wetten op hun grondwettelijkheid te toetsen. Ook binnen het parlement kunnen checks and balances versterkt worden: voorkomen moet worden dat een coalitie die een beperkte meerderheid heeft in de Tweede Kamer het alleenrecht krijgt om te regeren. Een versterking van de Eerste Kamer kan hieraan bijdragen. In de Eerste Kamer worden nu grotendeels de zetten van de Tweede Kamer herhaald, omdat de samenstelling nauwelijks verschilt. Als de Eerste Kamer meer gebruikt maakt van haar rechten en als hierin andere meerderheden gevormd kunnen worden (omdat zij door een ander kiesstelsel is verkozen), dan kan er serieus werk worden gemaakt van het tweekamerstelsel. Burgerrechten, de rechten van minderheden en de belangen van groepen die geen stemrecht hebben moeten beschermd worden, juist als dat niet populair is: dat is de kern van de liberale democratie. 

GroenLinks zou consequent moeten kiezen voor de liberale democratie. Dit sluit goed aan bij de rest van het GroenLinks programma, dat in toenemende mate de nadruk legt op de rechten van burgers en minderheden. Het geeft ook een passend antwoord op politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Om het groeiende cynisme te keren en te voorkomen dat de polarisatie op culturele thema’s leidt tot een blijvende inbreuk op de rechten van minderheden is een liberale democratie noodzakelijk. Daarom moet GroenLinks politiek niet langer exclusief moet modeleren op een ideaal van volkssoevereiniteit, maar juist op het principe dat macht om tegenmacht vraagt.

De Tweede Kamer is goed in twee dingen: niets doen en te veel.

In kranten, en op TV klagen burgers, opiniemakers en
politici vaak over het hyperige karakter van de Nederlandse politiek. De
politiek heeft te weinig aandacht voor de echte problemen en gaat gestuurd door
de media van het ene naar het andere probleem. Waarom moet er nou kamervragen
gesteld worden naar aanleiding van ieder artikel op voorpagina van De
Telegraaf?  In mijn ogen moeten we accepteren dat de Tweede Kamer op een bepaalde, hyperige manier functioneert: een slimme partij onttrekt zich daar deels aan, maakt gebruik van deze neiging in andere partijen en weet zo de politieke agenda naar zich toe te trekken.

Politiek aandacht is een schaars goed. Een parlementarier
heeft maar zoveel uren op een dag en de kamer vergadert maar zo veel dagen (of er is elk geval een natuurlijke grens aan wat een parlamentarier kan doen). In
de wetenschappelijke literatuur over de politieke agenda-setting wordt
uitgegaan van twee manieren waarop de politiek functioneert: of verandering van
beleid is langszaam of het beleid staat zelfs stil. De politieke verhoudingen zijn
duidelijk. De meerderheid heeft zijn plannen gerealiseerd, ambtenaren voeren
het gewoon uit en dan is er weinig te doen dan de status quo beschermen. Of er
zijn ingrijpende plotselinge veranderingen. Een politicus neemt een onverwacht
initiatief, een actiegroep legt een voorstel op tafel, maar helaas vaker nog er
is een incident dat plotseling alle politieke aandacht opeist. De uitbraak van
een ziekte, een geexplodeerde kernreactor, of een vermoord kind. De politiek
springt plotseling op een vraagstuk. En even snel als ze gekomen zijn vertrekken
ze meer.

Het onderliggende probleem, zo stellen de Amerikaanse
wetenschappers Baumgartner en Jones, is dat politiek niet goed in staat is om
informatie te verwerken. Er zijn aanzienlijk meer reeele maatschappelijke
problemen dan waar de politiek tijd voor heeft. Bij de verdeling van tijd speelt
voor politici wat burgers willen en vinden, en uiteindelijk de mogelijkheid tot herverkiezing,
een belangrijke rol.  En hoe
krijgen politici (en burgers!) informatie over de samenleving: via de media die simpelweg
verslag doet van wat erop dat moment aandacht vraagt. En zo is het niet onverwacht dat
politieke aandacht met horten en stoten gaan.

Een tweede uitkomst van het onderzoek naar de politieke
agenda is dat dit functioneert als een politieke institutie. Politici moeten
een mening hebben over datgene wat op de politieke agenda staat. Anders staan
ze voor schut bij in de media, laten ze het politieke initiatief aan hun
concurrenten en uiteindelijk moeten partijen in een stemming gewoon stelling nemen.
Politici doen wat in hun ogen hoort en moet volgens de politieke conventies en dat betekent deelnemen aan de debatten die daar geagendeerd
worden, en daar een mening innemen.

Maar die debatten agenderen politici zelf. De politiek is een
permanente strijd over de agenda. Door de juiste initiatieven te
nemen, aan te sluiten bij de juiste maatschappelijke ontwikkelingen kan een
politicus de politieke agenda naar zijn hand zetten. En het klinkt simpel maar
wat erop de agenda staat bepaalt uiteindelijk welke meerderheden er gevonden
kunnen worden, op welke onderwerpen de politiek  actie onderneemt en
resultaten boekt.

Het lijkt een tegenstelling: politici worden geleefd door
hun agenda, maar juist zij zijn in staat om die agenda te bepalen. Vanuit een
politieke strategie of een gevoel van “het hoort” zet een politicus die
onderwerpen op de agenda die hij in de krant is tegengekomen, reageert hij op een  incident of neemt hij misschien een eigen initiatief.

En dan staat op veel onderwerpen vast wat er zal gebeuren in de
Tweede Kamer. De meerderheden zijn makkelijk te voorspellen. Op alle onderwerpen zijn de
partijen te identificeren die je mee moet krijgen. Zo redt in de huidige Tweede
Kamer geen enkele motie over het beschermen van verworvenheden in de verzorgingsstaat of zorgsector een meerderheid zonder
steun van de PVV. Streef je naar het behoud van het landschap of milieu dan heb je de steun van het CDA nodig. Gaat het je juist om over grenzen heen kijken, hervormen, en een vrije, open samenleving dan moet je de VVD mee krijgen. Zeker omdat deze partijen elkaar vasthouden
in de coalitie wordt het des te moeilijker voor een oppositiepartij om iets te
realiseren. Op alle vraagstukken, maar ook op alle benaderingen in die vraagstukken liggen de verhoudingen vast.

Dus hoe moet je dit benaderen? Laten we eens kijken naar een
middelgrote oppositiepartij. Wat moet je doen? Moet je de Tweede Kamer gebruiken als een grote megafoon, waardoor je je politieke verhaal misschien een grotere publiek kan bereiken? Is politiek in de Tweede Kamer niet meer dan een hele lange verkiezingscampagne? Moet je je neerleggen bij de politieke meerderheden die er in de Tweede Kamer zijn? Accepteren dat de boeren van het CDA milieubeleid zal dicteren, de conservatieve PVV sociaal beleid, en de 'liberalen' van de VVD het beleid ten opzichte van culturele openheid? Daarvoor zijn, in mijn ogen de politieke vraagstukken te dringend en verandering te belangrijk.

Dus wat te doen? Ten eerste, als we weten dat partijen zich uiteindelijk zullen schikken naar de politieke agenda, dan moeten je keihard inzetten op het herdefinieren van de politieke agenda. De Partij voor de Dieren is hier in Nederland, in mijn ogen een uitermate succesvol voorbeeld van: in 4 jaar hebben zij landbouw en dierenrechten bovenop de politieke agenda gezet, zodat alle partijen daar nu over moeten praten. Dus: kies een onderwerp en bijt je erin vast. In de politiek geldt de aanhouder wint. Zolang je maar vaak genoeg een onderwerp agendeert zullen andere partijen er iets over moeten vinden.

Ten tweede, als we accepteren dat de politieke definitie van
een vraagstuk bepaalt wat de uitkomst van de besluitvorming is, dan moet je, als je wat wilt
bereiken, politieke vraagstukken zo definieren dat jouw standpunt het
logische standpunt van de meerderheid is. Het is de kunst om de VVD, het CDA en de PVV ervan te overtuigen dat jouw oplossingen wat betreft milieu, sociaal en tolerantie eigenlijk altijd zijn geweest wat zij vinden. Het gaat er om onderwerpen zo te framen, vraagstukken zo te draaien dat jouw oplossing de logische keuze van de meerderheid is.

Vrijzinnig Paternalisme?

Zijn vrijzinnigheid en moralisme te verenigen? Daarover is het debat in GroenLinks weer geopend.  Sinds 2004 speelt
vrijzinnigheid een steeds sterkere rol in de partij. Dat leidde tot een felle
discussie tussen gemeenschapsgeoriënteerde moralisten en vrijzinnige
vernieuwers. Met het nieuwe programma van uitgangspunten, dat benadrukt dat
GroenLinks staat voor een combinatie
van openheid en gemeenschapszin, leek er een compromis gevonden te zijn. Echter
in een nieuwe cyclus van discussie-avonden over “vrijzinnig paternalisme” die
georganiseerd wordt door het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks en de GroenLinks
Academie, is de discussie weer helemaal terug. De centrale kwestie is dat
GroenLinks aan de ene kant GroenLinks steeds een vrijzinnige liberale partij
is, maar aan de andere kant staat GroenLinks ook voor een groene en sociale
samenleving. Zo’n samenleving vereist dat mensen hun gedrag veranderen. Kan de
politiek mensen aan de ene kant vrij laten en aan de andere kant mensen toch
sturen om de juiste keuzes te maken? Kunnen vrijzinnigheid en moralisme
verenigd worden?

 Bij de eerste
discussie-avond kwamen er twee visies naar voren, hoe vrijzinnigheid en
moralisme verenigd konden worden. Joel Anderson, als filosoof verbonden aan de
Universiteit van Utrecht, gaf een kritische beschouwing over het boek “Nudge”
van de Amerikaanse econoom Thaler en jurist Sunstein. Een Nudge is een
aanpassing van de manier waarop mensen hun keuzes maken. Mensen worden niet
gedwongen het goede te kiezen, maar ze worden daar naar toe te bewogen.
Bijvoorbeeld, in een supermarkt beslissen mensen niet altijd rationeel. De plek
waar een product staat is heel belangrijk voor of het verkocht wordt. Zo worden
producten die op ooghoogte staan meer verkocht dan producten waarvoor je moet
bukken. Verkopers weten dit en zetten producten zo neer dat mensen net meer of
duurdere producten kopen dan ze van plan waren. Thaler en Sunstein stellen voor
om deze irrationaliteit te gebruiken: zet de gezonde producten op ooghoogte
neer en laat mensen bukken voor ongezonde producten. Beleidsmakers kunnen op
meer vlakken de manier waarop mensen kiezen aanpassen. Zo kunnen ze mensen vrij
laten en toch laten kiezen wat beter voor hen is. Anderson was kritisch over
deze benadering. Zijn voornaamste bezwaar was dat Nudges een vorm van
manipulatie zijn die op een ondemocratische manier zouden kunnen worden
ingezet. “Het is het perspectief van de expert die weet wat goed voor mensen
is. Er is echter heel weinig aandacht voor de vraag hoe de experts beteugeld
kunnen worden. Waar ligt de grens tussen Nudges en bemoeizucht? Zolang niet
wordt uitgelegd dat en waarom ze gebruikt worden, zijn Nudges ondemocratisch.”

 Dick Pels,
directeur van het Wetenschappelijk Bureau had een andere, radicalere visie op
het paternalisme.  Hij observeert
in de huidige samenleving “een tendens die individuen ziet als soevereine entiteiten
die recht hebben op hun eigen mening en om zo te handelen als ze zelf willen.
Dat is een groot gevaar voor onze cultuur.“ Tegenover dit doorgeslagen
individualisme is een tegenbeweging noodzakelijk: “een samenleving heeft een
elite nodig die een voorbeeld geeft van goed gedrag. Een politieke partij moet
een normatieve richting aangeven door een idee van het goede leven formuleren
en dat uit te dragen.” De vraag rijst welk idee van het goede leven GroenLinks
heeft. “De kern daarvan is dat mensen het beste uit zich zelf moeten halen, dat
ze een eigen idee van het goede leven kunnen ontwikkelen. Dat betekent  bijvoorbeeld dat mensen geen slaaf zijn
van het consumentisme. Het vereist dat mensen matiging, zelfkritiek en
zelfbeheersing ontwikkelen. Maar ook dat GroenLinks moet optreden waar zware
gemeenschappen de individuele vrijheid van bijvoorbeeld vrouwen of homo’s
schenden. “ Pels verwijst graag naar Jacques de Kadt die pleitte voor
‘socialisme ten behoeve van het individualisme’. Het gaat hier eigenlijk om
‘paternalisme ten behoeve van het individualisme’. In deze zin streeft Pels een
vrijzinnige vorm van het paternalisme na: mensen moeten worden verheven tot het
vrijheidsideaal. En daarvoor mogen “vrij zware paternalistische middelen kunnen
worden ingezet.”

Nudge van Thaler
en Sunstein en ‘paternalisme ten behoeve van het individualisme’ van Pels zijn
allebei vormen van vrijzinnig paternalisme. Beide proberen ze vrijheid en
moralisme te verenigen. Thaler en Sunstein willen mensen vrij te laten en hen
toch te sturen naar een juiste keuze. Zij proberen de kool en de geit te
sparen: tegelijkertijd vrijzinnig en paternalistisch zijn. De relatie die Pels
voorstelt tussen het paternalisme en vrijzinnige politiek is anders.
Paternalisme is noodzakelijk voor het liberalisme. De politiek moet
paternalistisch optreden zodat mensen een vrij leven kunnen leiden. Echter de
vraag die Anderson stelde over Thaler en Sunstein is evenzeer van toepassing op
Pels: Dit is het perspectief van de expert die weet wat goed is. Hoe wordt
deze  beteugeld? En waar ligt de
grens tussen bemoeizucht en libertair paternalisme?

Een kortere versie van dit artikel verscheen ook in het GroenLinks Magazine van Oktober 2010

 

Bij het einde van de Nederlandse Christen-democratie

Het Christen-Democratisch Appel is een van karakteristieke partijen van Nederland. Er wordt in Nederland tegenwoordig schamper gesproken over een "Linkse Kerk". De bescherming van het milieu, de Nederlandse steun aan de Europese eenwording, ontwikkelingssamenwerking, het multiculturele karakter van de Nederlandse samenleving en de verzorgingsstaat zijn verworvenheden van de Christen-democratie, niet van links. Het CDA heeft aan Nederland vormgegeven vanuit een centrumpositie. Die karakteristieke positie komt met de komst van het kabinet-Rutte/Verhagen steeds sterker onder druk te staan. Het CDA lijkt afscheid te nemen van haar kernwaarden, gerechtigheid, solidariteit, rentmeesterschap en gespreide verantwoordelijkheid.

Gerechtigheid

De Christen-democratie ziet een bijzondere rol voor de overheid, in het verzekeren van gerechtigheid. Voor Nederlandse Christen-democraten heeft gerechtigheid ook altijd ingehouden dat de overheid religieuze vrijheid beschermde.  Het CDA was vormde een finale afsluiting aan een jarenlange intolerantie in Nederland tussen protestanten en katholieken, die uiteindelijk werd opgelost door het besef dat het de rol van de overheid is om te verzekeren dat religieuze gemeenschappen vorm kunnen geven aan hun eigen religieuze tradities. De wortels van het CDA ligt in de strijd van protestanten en
katholieken samen om zelf hun eigen kinderen op te voeden in hun
eigen geloof. Het verzuilingsideaal waarbij verschillende
religieuze groepen in tolerantie met elkaar leefden is een typisch
Nederlands Christen-democratisch ideaal.

De C in CDA heeft nooit gestaan voor een Christelijk ideaal dat aan alle burgers moest worden opgelegd, maar juist voor een veelvoud aan religieuze opvattingen. Daar kwam door de immigratie van gastarbeiders ook de Islam bij. En zo werd het CDA een verdediger van het ideaal van de multiculturele samenleving, wat nu wordt gezien als een geloofsartikel van seculier links, maar dat in haar natuur een Nederlands Christen-democratisch ideaal is: sta verschillende religieuze groepen toe om op hun eigen manier vorm te geven aan hun religieuze tradities.  Maar dit kabinet zet deze religieuze vrijheid, een verworvenheid van de Nederlandse Christen-democratie, bij het oud vuil, door een specifieke religieuze traditie uit te sluiten: hoofddoeken worden verboden voor rechters. Het akkoord stelt niet dat alle religieuze uitingen uit de rechtbank moeten, een extreem seculier standpunt wat ook moeilijk te verenigen is met de Christen-democratische traditie, maar in elk geval op een gelijke manier alle religies benadeeld. Het is onbestaanbaar in mijn ogen dat de Nederlandse Christen-democratie hiervoor tekent, juist omdat zij altijd is opgekomen tegen de tirannieke onderdrukking van de godsdienstvrijheid.

Solidariteit

In haar kern is de Nederlandse verzorgingsstaat, georganiseerde solidariteit, een Christen-democratische instellingen, en niet zo zeer een project van links. Ze is opgebouwd door Christen-democraten, in de jaren '50 samen met sociaal-democraten, maar in de jaren '60 ook samen met liberalen. Het model van de Christen-democratische verzorgingsstaat is gebaseerd op pilaren: ten eerste, de combinatie van gedeelde en gespreide verantwoordelijkheid tussen de overheid, werknemers en werkgevers, bijvoorbeeld in de Sociaal-Economische Raad of bij CAO-onderhandelingen. Ten tweede, een combinatie van gedeelde en gezamelijke verantwoordelijkheid van burgers en gemeenschap: om het absolute bestaansminimum te verzekeren voor iedereen, treedt de overheid op met de bijstand, maar daarnaast is er een stelsel van vrijwillige en verplichte verzekeringen. Zo dragen we eigen verantwoordelijkheid waar mogelijk is, maar is er maatschappelijke solidariteit waar dat noodzakelijk is. En ten derde, een combinatie van vernieuwing en behoud: omdat Christen-democraten ook in financieel opzicht goede rentmeesters waren, is in de jaren '80 en de jaren '00 onderhoud gepleegd aan de verzorgingsstaat. Dat waren in aard nooit kille bezuinigingen op een instelling waar de Christen-democratie geen nut in zag, maar juist noodzakelijke hervormingen om deze voor de toekomst te verzekeren. Het nieuwe kabinet neemt hier afstand van dit model van de verzorgingsstaat: aan de ene kant worden bepaalde regelingen behouden terwijl het duidelijk is dat goede rentmeesters deze zouden hervormen. Aan de andere kant wordt er zwaar gesneden in andere regelingen, zodat mensen hun bestaansminimum dreigen te verliezen en worden specifieke groepen hiervan uitgesloten.

Ook moet niet onvernoemd blijven dat altijd de Nederlandse Christen-democraten zijn geweest die voor internationale solidariteit op kwamen: de eerste ministers van ontwikkelingssamenwerking waren Christen-democraten. Zij vormden een beleid typisch Christen-democratische kenmerken heeft zoals de gedeelde en eigen verantwoordelijkheid tussen (vaak op levensbeschouwing gebaseerde) maatschappelijke organisaties, de overheid en ontwikkelingsslanden zelf. Ook hier kort de Christen-democratie op, omdat internationale solidariteit, ooit een teken van Christelijke naastenliefde, tegenwoordig een linkse hobby is.

Rentmeesterschap

Het waren de Nederlandse Christen-democraten die toen het duidelijk werd hoe dringend de milieu-problemen waren, hier in de jaren '80 actie aan verleenden. Juist omdat in de ogen van de Christen-democratie de Aarde aan de mens, als rentmeester, gegeven is: om de Aarde aan volgende generaties over te kunnen dragen even goed of beter dan dat zij hem zelf hadden aangetroffen. Dat betekent dat de Christen-democratie het karakteristieke Nederlandse landschap, met landbouw, natuur en dorpen, wou beschermen. Maar het waren juist Christen-democraten die zich inzetten voor de bescherming van het klimaat en milieu. Milieu kan niet en is ook nooit een linkse hobby geweest zijn. In het verleden zetten alle partijen, en de Christen-democraten in het bijzonder, zich in voor onze gezamelijke opdracht goede rentmeester te zijn.

Maar waar kiest dit kabinet nu voor? Er wordt minder gedaan om het Nederlandse landschap te beschermen. En meer snelwegen lopen dwars door dat landschap heen. Verkeer moet meer door binnenwegen heen gaan, dwars door dorpen heen. En op die wegen komt verkeer stil te staan. Waar het gaat om klimaat en milieu is dit kabinet visieloos: het woord "klimaatverandering" komt niet voor in dit coalitieakkoord. Milieuregels worden verzwakt. Milieubeleid wordt versnipperd. Ambities waar het gaat om duurzame energie worden afgezwakt. Van goed rentmeesterschap van landschap en milieu heeft heeft dit kabinet afstand genomen.

Gespreide verantwoordelijkheid

Op de kenmerkendheid van gespreide verantwoordelijkheid voor de Nederlandse ben ik hier al een aantal keer ingegaan. Niet overal moet de overheid verantwoordelijkheid nemen, zoals links wil, en niet overal de markt, zoals rechts voorstaat. Verantwoordelijkheid moet worden gespreid tussen overheid, werkgevers, maatschappelijke organisatie en burgers. Maar ook tussen verschillende bestuurslagen moeten verantwoordelijkheden gespreid worden. Subsidiariteit is een typische Christen-democratische waarde. En Nederlandse Christen-democraten hebben dat altijd groot gezien: naast de drie Nederlandse bestuurslagen, hebben Christen-democraten zich altijd ingezet voor supra-nationale, Europese samenwerking. Steeds meer lijkt Europa een project van links, maar het is ooit begonnen als een project van Christen-democraten. Het was een project van Christen-democraten, die vanuit gedeelde Christelijke waarden, stonden voor een Verenigde Europa: een Europa waarin ruimte is voor religieuze verschillen, waar op economisch terrein wordt samengewerkt, en dat zich inzet voor duurzaamheid.

Dit kabinet neemt afscheid van Europa. Verhagen zij trots dat Europa heel vaak genoemd in het regeerakkoord. Europa wordt genoemd omdat op het gebied van milieu, burgerrechten en migratie, dit kabinet Europese regels wil veranderen of de grenzen daarvan op te zoeken. In plaats van gedeelde Europese waarden centraal te zetten, kiest dit kabinet ervoor om zich te onttrekken uit Europa. Dit kabinet wil (weer) de Nederlandse bijdragen aan Europa verlagen en staat kritisch tegenover over de overdracht van competenties. Dat betekent dat dit kabinet Europa niet ziet als een legitieme bestuurslaag die recht heeft op middelen en verantwoordelijkheden om haar beleid uit te voeren. Ooit was het CDA de meest pro-Europese partij van Nederland, maar nu
verzwakt zij Europa door de Europese regels op te rekken en  de
bestuurslaag niet de middelen of de competenties te geven om te
functioneren.

De politieke positie van de Christen-Democratie.

De grote Christen-Democratische partijen in Europa zijn altijd partijen
van centrum-rechts geweest: de Duitse CDU, de Belgische CD&V en de Oosterrijkse OVP zijn
partijen die in hun land de voornaamste rechtse stroming vormden,
tegenover de sociaal-democraten. De Nederlandse Christen-democraten
kenmerkten zich door een veel sterkere orientatie op het politieke
centrum: door afwisselende te regeren met dan wel de liberalen dan wel
de sociaal-democraten vormden zij jarenlang, als middenpartij, de spil
van de Nederlandse politiek. Binnen het CDA, maar ook binnen haar
voorgangers was er altijd ruimte voor linkse en rechtse stromingen.

Daar lijkt nu een einde aan te komen. het CDA neemt de kritiek die geleverd wordt door haar
Christen-democratische zusterpartijen uit Duitsland en Belgie niet meer
serieus. Dit zijn partijen die traditioneel rechtser dan het CDA waren,
maar nu veroordelen deze partijen het kabinet-Rutte/Verhagen als
"extreem-rechts". Door deze samenwerking heeft de Christen-democratie afstand genomen van haar traditionele middenpositie. Dit kabinet breekt met typisch Christen-democratische waarden die behoorden tot het centrum van de Nederlandse politiek. Voor verschillende stromingen lijkt binnen het CDA steeds minder ruimte. De rechterflank domineert de partij en dissidenten worden op een harde manier, een manier die niet past bij een brede volkspartij, gedwongen om zich te conformeren in de nieuwe koers.

De Nederlandse Christen-democratie, dat van Nederland een land heeft gemaakt met religieuze vrijheid voor iedereen, met een solidaire verzorgingsstaat waar ruimte is voor vernieuwing, dat een goede rentmeester is over landschap en milieu, dat internationaal solidair was en dat midden in Europa ligt, lijkt te breken met deze Christen-democratische verworvenheden. Dat zijn tegenwoordig speeltjes van de "Linkse Kerk".

Sympathie voor Geert Wilders

Meindert Fennema, professor politicologie en voormalig GroenLinks
duo-raadslid in Bloemendaal schreef een biografie over Geert Wilders. Het boek
geeft een aardig beeld van hoe Wilders in 1990 begon als leerling van
Bolkestein; en hoe hij uiteindelijk na de laatste verkiezingen op het punt is
gekomen om mee te onderhandelen over de nieuwe regering. Over het leven van
Wilders voor de politiek schrijft
Fennema weinig: zijn familie, zijn jeugd of zijn reizen naar Israel komen
nauwelijks aan bod. In die zin biedt het boek weinig nieuwe inzichten.

De nieuwe inzichten die Fennema heeft geprobeerd te bieden
liggen meer op het persoonlijke vlak: hij heeft geprobeerd zich te verplaatsen
in de geest van Wilders. En zo krijg je toch meer gevoel voor de benauwde
positie van de meest beveiligde politicus van Nederland. Maar deze persoonlijke
insteek leidt ook tot onduidelijkheid: zo schrijft Fennema over de toespraak
van Máxima
waarin zij ontkende dat ‘de’ Nederlander bestaat, dat dit een ”onversneden
GroenLinkse toespraak” (p.143) was. Het is onduidelijk of dit is wat Fennema
weet dat Wilders dit dacht of dat dit is wat Fennema zelf denkt over die
toespraak.

Een ander persoonlijk element dat Fennema probeert te laten
zien, zijn de persoonlijke verhoudingen achter de schermen van de politiek: zo
schrijft Fennema dat alhoewel Wilders en Halsema elkaars politieke opponenten
zijn, Halsema een van de weinige kamerleden is die in staat is geweest om door
de persoonlijke isolatie rond Wilders heen te breken. Halsema en Wilders zijn
misschien wel politieke opponenten maar geen electorale concurrenten. Dat
Halsema toen Wilders moest onderduiken vanwege bedreigingen herhaaldelijk haar
medeleven had getoond, kan hier ook aan hebben bijdragen.

Maar eigenlijk is Fennema op zijn scherpst als hij niet het
gevoelsleven van Wilders probeert te doorgronden, maar als hij zijn politieke
stellingname analyseert. Volgens Fennema ontbreekt bij Wilders veel aspecten van
rechts-extremisme: Wilders neemt het op voor homo’s, vrouwen en Joden. Sterker
nog, in de ogen van Fennema, is anti-semitisme “van rechts naar links
verschoven” (p.135). Anti-semitische leuzen zijn volgens Fennema nu te horen op
pro-Palestijnse demonstraties “die door de SP en GroenLinks worden ondersteund”
(p.136). Fennema gaat nog een stap verder door te stellen het anti-fascisme
rechts is geworden: Wilders verzet zich tegen, wat hij ziet als een totalitaire
ideologie, de Islam. En alhoewel deze argumentatie ongelofelijk veel is af te
dingen, heeft Fennema hier wel een punt: het is te gemakkelijk om Wilders weg
te zetten als een “gewone racist” (p.136) of een politicus die haat en angst
zaait voor electoraal gewin. Op zijn eigen manier probeert Wilders de open
samenleving te beschermen tegen, wat hij ziet als, een bedreiging hiervan.

En zo eindig je na het lezen van Fennema’s boek toch met iets
meer gevoel voor de persoon Wilders en iets meer inzicht in zijn politieke
stellingname.

Dit artikel verscheen ook in het GroenLinks Magazine van Oktober 2010.

Gemaakte Meerderheden en het Minderheidskabinet

76 zetels. Dat is de meerderheid van het komende kabinet in de Tweede Kamer. Een hele nauwe meerderheid. Maar op veel manieren heeft het komende kabinet niet de steun van een meerderheid: niet van de Nederlands kiezers of de Staten Generaal.

Er is sprake van een manufactured majority:
van een minderheid wordt in een verkiezingsuitslag een meerderheid
gemaakt om het land geregeerbaar te maken. Eigenlijk hoort zo iets bij
een land met een districtenstelsel: grappig genoeg is het nu zo dat in
het Verenigd Koninkrijk het systeem niet meer werkt, er is een
coalitieregering nodig omdat het districtenstelsel geen heldere
meerderheden meer oplevert.  

Deze coalitie heeft geen meerderheid van de stemmen gehaald. De VVD haalde 20.49% van de stemmen, de PVV 19.63% van de stemmen en het CDA 15.45%. Dat is samen 49.55% van de stemmen. De coalitie partijen hebben alle drie een restzetel binnen gehaald. Restzetels worden in ons kiesstelsel toegekend aan grotere partijen dan aan kleinere partijen: omdat rechts minder versplinterd is dan links zijn zij dus groter. Nou was er een lijstverbinding op links: tussen PvdA en GroenLinks. Als D66 bij die lijstverbinding had gezeten dan was er geen meerderheid gekomen voor rechts. Dan had hun teller stil blijven staan op 75. Links heeft dit kabinet te danken aan zijn eigen verdeeldheid

Nou zou je kunnen stellen dat met de Trots op Nederland (0,56% van de stemmen) dit kabinet zou steunen en dat de SGP (1.73% van de stemmen en 2 zetels) in de Tweede Kamer hier daadwerkelijk steun aan heeft belooft te geven. Maar toveren met cijfers kan iedereen. Zo hebben uitgesproken tegenstanders van samenwerking met de PVV, Klink (goed voor 33115 stemmen, een halve zetel), Ferrier (1269 stemmen), Koppejan (3604 stemmen) en Schinkelshoek (304 stemmen), samen 39192 stemmen opgehaald. Zonder die stemmen zou het CDA op 20 zetels zijn blijven steken en had GL/PvdA een extra restzetel opgehaald: terug naar 75.

Daarnaast van de kiesgerechtigden heeft maar 37,26% op rechts gestemd, omdat de opkomst 75,18% was. Om een echte meerderheid van alle kiesgerechtigden te krijgen zou een coalitie moeten bestaan uit ten minste 100 zetels. Het laatste kabinet dat daadwerkelijk de stem van de meerderheid van alle kiesgerechtigden achter zich had was het kabinet Lubbers III 67% van de stemmen met een opkomst van 80%.

Ten slotte, dit kabinet heeft, ook niet in een gedoogde variant, zoals u vast weet, geen meerderheid in de Eerste Kamer. Omdat de PVV geen zetels heeft komt het aan op CDA (21 zetels) en VVD (14 zetels). De SGP zou nog kunnen aanschuiven (2 zetels) en misschien dat er een akkoordje kan worden gesloten met de Onafhankelijke Senaatsfractie  (1 zetel), die bij de verkiezingen mee deed met een liberaal blok van VVD/D66/OSF. Ik begrijp niet waarom dit in de formatie geen groter probleem is geweest. Een kabinet moet toch kunnen rekenen op vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal die uit twee kamers bestaat?

Als je kijkt naar de glunderende gezichten van Rutte en Verhagen bij de presentatie van het concept-akkoord lijken ze niet door te hebben dat hun coalitie gebaseerd is op 52 zetels in de Tweede Kamer. Gedoogd wordt door een extra 24 zetels. Maar dat ze niet de meerderheid van de Nederlandse kiezers achter zich hebben: het dus een echt minderheidskabinet.