Is piratenangst terecht of niet?

Bij de laatste deelstaatverkiezingen in Berlijn haalden de Duitse Piratenpartij 9% van de stemmen. Een ongelofelijke uitslag voor deze libertaire pro-transparantie-nichepartij die voor het eerst mee doet aan de deelstaatverkiezingen.

De Duitse Groenen verwachtten een goede uitslag te halen bij de verkiezingen. Renate Kuenast, de voormalig fractievoorzitter van de Groenen in de Bundestag, had zich al kandidaat gesteld voor Regierender Bürgermeister von Berlin. De Groenen bleven steken op 18%. Een goede uitslag maar geen droomuitslag. De uitslag van de Groenen en Piraten lijkt innig aan elkaar verbonden: de Piraten hebben het meeste kiezers gewonnen van de Groenen.

Wat ging er mis voor de Groenen? De deelstaatverkiezingen zijn tweede-orde-verkiezingen. Een kleine nichepartij, als de Piratenpartij, kan dan scoren. Mensen stemmen met hun hart, voor de lol of laten een echt protestgeluid horen. De Zweedse Piratenpartij haalde bij de Europese verkiezingen van 2009 7% van de stemmen en bij de Zweedse verkiezingen van 2010 minder dan 1% van de stemmen. Geen zorgen dus: bij de nationale verkiezingen zullen de Groenen het goed doen.

Of niet? Bij de Zweedse verkiezingen haalden de Zweedse Groenen 7% van de stemmen en bij de Europese verkiezingen 11%. De Groenen zijn net als de Piraten een nichepartij, een protestpartij, een zondagspartij waar mensen met hun hart op stemmen. Als het om de macht gaan dan stem je toch op een gevestigde partij die verantwoordelijkheid kan nemen, en niet op de Groenen.

Of niet? De Duitse Groenen ontwikkelen zich steeds meer in de richting van een regierungsfaehige partij. De eerste Duitse Groene deelstaatpresident, Kretschmann, zit in het zadel in Baden-Wuerttemberg. Ook in Bremen, Saarland, Nordrhein-Westfalen en Rheinland-Pfalz regeren nu Groenen. Meer dan de helft van de Duitsers wordt op het deelstaatniveau geregeerd door Groene coalitie. De Duitse Groenen zijn een gevestigde partij geworden. En daar zit juist het gevaar: “Die Gruenen sind inzwischen doch eine Partei wie alle anderen auch.” zegt een voormalig Groene Piraat. De Piraten winnen omdat de Groenen in de laatste jaren met hun komeetachtige opkomst te ver zijn geraakt van wat ze waren: van een protestpartij, te veel een potentiele regeringspartner; van een radicaal alternatief te veel het redelijk alternatief. Als je oma overweegt Groenen te stemmen, dan is het voor een jonge beatnik niet cool meer. In de wijken waar de Groenen het sterkst staan doen ook de Piraten het het best: kiezers die vroeger tot de kern van het Groene electoraat behoorden, stappen over zeggen analysten.

Of niet? Hebben de Piraten met transparantie misschien het thema te pakken dat als geen ander aansluit bij de huidige tijdsgeest? Het internet is niet alleen een vrijplaats voor meningen, maar bovendien een een plek waar alles in de openbaarheid komt. Wikileaks liet dat al zien. De Piraten hebben zich in Duitsland op dat thema gericht en niet op het recht om anoniem te mogen stellen van musici. En daarom slaan ze aan: een partij die eerlijk en transparant politiek wil bedrijven.

Of niet? In Duitsland heerst een soort onbestemd onrust. Er is geen populistisch alternatief. Geen uitlaatklep voor de onvrede van burgers met gestuntel van de gevestigde partijen. In de laatste jaar vestigde deze ontevredenheid zich op de Groenen. De enige partij die consistent was in een politiek veld van draaiers, de enige eerlijke partij tussen de machiavellisten. Maar nu heeft een gedeelte van die onbestemdheid Piraat gekozen. En misschien kan Duitsland gerust adem halen omdat de onrust heeft gekozen voor een libertaire partij van Internet-geeks en niet voor de vele autoritair rechts-populistische alternatieven die er ook zijn.

Midden? Welk midden?

Bart Snels, een van de belangrijkste politieke denkers binnen GroenLinks, heeft afscheid genomen van de Tweede Kamerfractie, in zijn eerste grote verhaal als zelfstandig strateeg in de Volkskrant zaterdagochtend, roept hij GroenLinks en D66 op samen een nieuw politiek centrum te vormen. Het is een bijzondere vorm van zelfoverschatting om je eigen politieke vrienden in het midden van de politiek te plaatsen.

Snels ziet hoe de grote partijen in Nederland elkaar in twee blokken, links en rechts, stevig vast houden. VVD, PVV en CDA aan de ene kant, houden elkaar binnen de gedoogconstructie stevig vast. Ook SP en PvdA zijn innig met elkaar verstrengeld, als linkse oppositie. Alhoewel beide blokken het radicaal met elkaar oneens zijn over belangrijke vragen, als hoeveel er bezuinigd moet worden, kunnen zij elkaar ook vinden in een aantal standpunten: ze willen beide de verzorgingsstaat niet hervormen om outsiders de kans te geven en ze willen beide minder Europa, terwijl de crisis leert dat juist een sterker Europa nodig is. Snels wil een alternatief voor links en rechts en zoekt dat in een nieuwe middenbeweging waar GroenLinks en D66 samen kunnen werken. Deze partij kan kiezers in het centrum bedienen en misschien nog wel belangrijker, potentieel met links en rechts in een coalitie. Een ideale middenpartij die spilrol die het CDA jarenlang in Nederland heeft gespeeld, zou kunnen overnemen.

Er is alleen een cruciale misvatting in Snels’ betoog. Snels plaatst zichzelf in het midden van het politieke spectrum. Sociaal-economisch zou daar iets voor te zeggen zijn: GroenLinks en D66 zoeken een middenweg tussen de sociaal-economische behoudzucht van SP en PvdA, en de sociaal-economische sloopzin van CDA en VVD. Zijn pleidooi is om juist sociaal te hervormen: denk aan voorstellen rond de AOW, de WW en het ontslagrecht die GroenLinks en D66 delen. Daarmee zou deze beweging een ideale centrumpositie in nemen tussen links en rechts.

Maar Snels is niet op zoek naar een compromis tussen rechts en links. Hij zoekt een nieuwe tegenstelling op, naast de links/rechts tegenstelling: een tegenstelling tussen hervormingsgezinde-progressieve en conservatief-populistische partijen. En juist op de onderwerpen die hij noemt (de verzorgingsstaat inclusiever en toekomstbestendiger maken en Europese samenwerking) daar speelt die nieuwe tegenstelling (zie bijvoorbeeld dit stuk van Louwerse en mij hierover). Het is niet zo dat GroenLinks en D66 op die nieuwe tegenstelling een centrumpositie innemen, maar ze hebben juist een excentrische positie. Er is een heldere verdeling tussen progressieve partijen (GL en D66), middenpartijen (VVD, CDA, PvdA, CU) en populistische partijen (SP en PVV). Je kon dit helder zien bij de stemmingen donderdagnacht over het pensioenakkoord: SP en PVV waren tegen omdat ze tegen iedere verandering zijn en GL en D66 omdat ze de veranderingen niet ver genoeg vinden gaan om het pensioenstelsel echt toekomst bestendig te maken. VVD, CDA en PvdA sloten in het midden een grijs compromis. Kortom: de middenpartijen op de nieuwe sociaal-economische tegenstelling zijn niet GroenLinks en D66. Niet alleen maar op het niveau van het partijsysteem zijn D66 en GL hier excentrische partijen; ten opzichte van de kiezer is hun positie ook extreem: kiezers staan wat betreft Europa en de hervorming van de verzorgingsstaat dichterbij de SP en de PVV dan bij GL en D66.

En wat dan van de centrale links/rechts tegenstelling? Is die irrelevant geworden? Dat lijkt me niet het geval, maar dat is wel allemaal wat complexer: er is een klassieke links/rechts-tegenstelling tussen staat en markt. Hierop zijn de SP en de VVD elkaar tegenspelers. GroenLinks en de PvdA staan aan een centrum-linkse kant en D66 en CDA aan een centrum-rechtse kant. De PVV neemt hier een onduidelijke positie in. Samenwerking tussen D66 en GroenLinks zou hierin een middenpositie innemen. Kiezers zijn op deze tegenstelling eerder links dan rechts. Maar recent sociaal-wetenschappelijk onderzoek (De Vries et al. 2011) laat zien dat juist deze tegenstelling steeds minder belangrijk is, en deze wordt vervangen door een tegenstelling die betrekking heeft op migratie, integratie en veiligheid. Het lijkt erop dat links in Nederland steeds vaker verbonden wordt aan “multicultureel”, “open grenzen” en “soft” en rechts aan “monocultureel”, “gesloten grenzen” en “hard”. En hierop nemen GroenLinks en D66 juist een excentrische linkse positie in. De SP en PvdA zijn centrum-links, CDA en VVD zijn centrum-rechts en de PVV is extreem-rechts. Kiezers zijn op dit onderwerp meer rechts dan links. Een samenwerkingsverband tussen GL en D66 zou hier geen nieuwe middenpartij worden, maar een zeer linkse positie innemen.

Dus: zou een samenwerkingsverband tussen GroenLinks en D66 een nieuwe middenpartij worden? Retorisch gezegd zou zo’n samenwerking alleen maar een oude middenpartij kunnen zijn, namelijk een op de verouderde links/rechts-tegenstelling: een middenweg tussen staat (SP) en markt (VVD). Op deze tegenstelling zijn D66 en GroenLinks het overigens niet eens: hier zouden juist de grootste compromissen gesloten moeten worden. Op die onderwerpen waar GroenLinks en D66 het wel overeens zijn, de hervormingsagenda, Europa, migratie, veiligheid en integratie, valt juist op dat deze twee partijen een excentrische positie innemen: ten opzichte van de rest van de partijen en ten opzichte van de kiezer: de multiculturele, hervormingsgezinde en pro-Europese combinatie zou geen middenpartij zijn.

Ten slotte, hoorde ik Lodewijk Asscher laatst op een bijeenkomst van de Wiardi Beckmanstichting zeggen dat het zijn middenpartij meer is dan het innemen van gematigde standpunten. Het betekent bovendien dat je midden in de samenleving staat. Een mooi retorisch gebruik van de term “midden” maar wel een die een kern van waarheid heeft: het is een bijzondere vorm van zelfoverschatting dat je je eigen politieke partij de middenpositie toedicht, terwijl je kiezers geen doorsnee zijn van de Nederlandse samenleving maar bestaan uit een hoger opgeleide, in de Randstadwonende culturele elite met van de norm afwijkende meningen over migratie, veiligheid, Europa en de toekomst van de verzorgingsstaat.

Het Deense Voorbeeld

Ons kabinet, een minderheidskabinet van liberalen en conservatieven, gesteund door xenofobe populisten is niet Made in Holland. Zoals Nederlands links graag naar Scandinavie kijkt als voorbeeld voor onze verzorgingsstaat, laat Nederlands rechts zich graag inspireren door Denenmarken waar het gaat om de politiek.

Maar eergisteren is er een eind gekomen aan de gedoogconstructie in Denemarken: de gedoogpartners waren elkaar zat en de kiezer was rechts ook zat. De conservatief liberale partij Venstre (V), de Conservatieve Volkspartij (C) en rechts-populistische Deense Volkspartij (O) hadden een krappe meerderheid van 89 zetels van de 175.* Hiermee konden ze allerlei rechts beleid, zeker wat betreft immigratie, door de kamer heen duwen. En nu heeft links, de Sociaal-Democraten (A), de sociaal-liberale Radikale Venstre (B), de Socialistische Volkspartij (F) en de extreem-linkse alliantie Eenheidslijst (Oe) een meerderheid. Ironisch genoeg is V nu drie zetels kleiner dan A, maar in Denenmarken telt niet wie het grootste is, maar welk getal er op de eindstreep staat: haalt het linkse blok (BAFOe) of het rechtse blok (VOC) een meerderheid?

De gemiddelde linkse Nederlander ziet deze ontwikkeling met plezier aan: we hoeven maar 10 jaar onze internationale reputatie te grabbel te laten gooien en onze verzorgingsstaat te laten ontmantelen, en dan gunt de kiezer rechts geen meerderheid meer.

De vraag is dus hoe we de verkiezingen precies moeten begrijpen; wat wij als Nederlanders ervan kun leren. In Denenmarken zijn er zeven partijen in het parlement, die sterk op de Nederlandse partijen lijken: de extreem-rechtse PVV-O, de conservatief-liberale VVD-V, de conservatieve CDA-C, de sociaal-democratische PvdA-A. Aan de linkerkant is het allemaal wat complexer: de SP en GroenLinks lijken in meer of mindere mate op de partijen Oe en F. GroenLinks is net als F een meer pro-Europese bestuurlijk-georienteerde partij, en de SP is als Oe Euroskeptischer en radicaler. F is echter, net als de SP harder over migratie, waar Oe softer over migratie, net als GL. Net als GL is de Oe ontstaan als een samenwerkingsverband van linkse partijen. De Deense D66 B is in 2007 gesplitst in twee partijen, de meer sociaal-liberale B en de meer klassiek-liberale Liberale Alliantie (I), die niet wil samenwerken met links, maar rechts een alternatief wil bieden voor samenwerking met O.

De linkse meerderheid is het niet overal over eens: Oe is zeer links op economische onderwerpen terwijl B meer centristische, hervormingsgezinde posities in neemt op economische onderwerpen. B en Oe zijn progressief wat betreft migratie, terwijl A en F zich gevoeliger hebben getoond voor de nationalistische kritiek op migratie. Deze partijen hebben zich uit politiek opportunisme in de laatste jaren steeds conservatiever opgesteld. Luisteren naar de burger, problemen serieus nemen, en afstand nemen van de eerder gevoerde multiculturele lijn. A is nu de minst multiculturele sociaal-democratische partij van Europa. Het zal dus lastig worden om een kabinet te vormen.

Maar deze verschillen bieden ook een interessant inzicht in de aard van de verkiezingsuitslag. Ik heb geprobeerd om op basis van intuitie de zeven partijen in te delen op deze twee dimensies (migratie en economie). Omdat ik de Deense taal niet genoeg machtig ben, kan ik de partijen niet precies scoren op allerlei dimensies. De hieronder geprestenteerde data is dus ook impressionistisch van aard.

Opvallend is dat de grote verschuivingen niet zitten op de links/rechts as maar op de migratie-as. Oe en F zijn zeer links. In 2007 haalden deze partijen samen 27 zetels, en nu 28 zetels. A is centrum-links en blijft stabiel op de 44-45 zetels. Aan de rechterkant is er meer verschuiving maar niet zeer veel. B heeft net als het Nederlandse D66 een centrum/centrum-rechts programma. C en O ook, Dit blokje heeft vijf zetels verloren, terwijl de economisch zeer rechtse I en V samen 56 haalden (+5). Dit geeft een stabiele balans weer: economisch links en rechts blijven in balans. De positie van B, die centristische economische posities combineert met progressieve posities op culturele onderwerpen zorgt ervoor dat de balans in termen van allianties wel veranderd is. Op de culturele dimensie is er een heel andere proces te zien: gematigde en extreme conservatieven (OCV) en gematigde progressieven (AF) hebben allemaal zetels verloren. De centrumpartijen nog het meest: A en F 8 zetels en C en V 9. Alleen de extreme progressieven die voorstander zijn van een Denenmarken dat open staat voor migranten hebben de verkiezingen gewonnen. Ze wonnen ruim 20 zetels. Voor I en Oe zijn dit de beste uitslagen ooit

Ik zou de uitslag van de Deense verkiezingen niet begrijpen in termen van economische ontwikkelingen: de Denen hebben geen stap naar links gemaakt. Deze analyse impliceert in economisch opzicht links en rechts min-of-meer in balans zijn gebleven. Het enige blok dat veel heeft gewonnen zijn de economisch zeer rechtse I en V. De analyse toont dat het juist de cultureel progressieve partijen hebben gewonnen. Je zou deze uitslag dus kunnen begrijpen als een verzet tegen het gevoerde migratie en integratie beleid. Niet F en A hebben gewonnen, linkse partijen die een gematigd-kritisch geluid laten horen over migratie, maar linkse, centrum en rechtse partijen die voorstander zijn van het echt openen van de grenzen van Denenmarken. Zij werden beloond voor hun consistente progressieve, multiculturele politiek.

Welke lessen kan de Nederlandse oppositie hiervan leren?

  1. Er is ruimte voor een progressief-rechtse partij in Denenmarken dus misschien ook in Nederland. D66 kan een stuk naar rechts;
  2. Sociaal-democratische partijen zitten in een tang: als ze stemmen proberen terug te winnen in volkswijken door conservatiever te worden op migratie, verliezen ze progressieve kiezers aan partijen die multicultureel blijven; als ze hun positie niet zouden veranderen worden ze leeg gegeten door populistisch rechts.
  3. En 10 jaar is de maximum duur van het minderheidskabinet, dus we hoeven nog maar 9 jaar te wachten.

* Er zijn technisch gezien 179 zetels in het Deense parlement naast de 175 Deense zetels, 2 zetels uit Faroe en 2 zetels uit Groenland. Hiervan neigen er 3 naar links en 1 naar rechts. Hiermee kan links op een meerderheid van 92 zetels rekenen, maar die bestaat wel uit zeven partijen die verdeeld zijn over migratie, economie en de relatie tussen Europees en Atlantisch Denenmarken.

Eerlijk delen als aporia

Eigenlijk heb ik het best getroffen: mijn ouders hebben hun leven lang hard gewerkt en gespaard. Daarmee hebben ze mij alle kansen gegeven om de opleidingen te volgen die ik wilde. Ik heb nooit hoeven werken tijdens mijn studie, en zelf nu werk ik met name om iets bij te dragen aan de samenleving. Ik heb dankzij mijn ouders een heel mooie startpositie in het leven.

Waarom moeten jullie dit weten? Omdat ik me vaak verwonder over de onrechtvaardigheid van mijn eigen positie: mijn ouders waren welvarend, en ik heb die rijkdom van huis uit mee gekregen. Armoede en rijkdom zijn deels erfelijk. Ik ben enorm gelukkig met wat mijn ouders voor mij hebben gedaan, maar mijn eigen prestaties zijn maar in een klein deel verantwoordelijk voor mijn eigen welvarende positie. Maar dat is niet het enige, neem bijvoorbeeld het feit dat ik man ben: mannen krijgen gemiddeld een hoger loon voor het zelfde werk als vrouwen. Maar ik heb het meest getroffen dat ik in Nederland geboren ben, een land met een van de hoogste gemiddelde inkomens op de wereld. In bijna alle andere landen zou ik voor mijn vijfde zijn overleden, zou ik minder kansen hebben gehad en zou ik aanzienlijk armer zijn geweest.

Als je libertariër zou zijn, zoals Imre Wessels, dan is dit een groot probleem. Een libertariër gelooft dat inkomensverschillen gerechtvaardigd zijn omdat mensen daar zelf voor gekozen hebben. Als iedereen mij vrijwillig 10 euro geeft, dan is er daar geen enkel bezwaar tegen. Wat volwassen mensen vrijwillig doen kan niet onrechtvaardig zijn? Toch?

Maar, heb ik recht op 10 euro die ik aan de rand van de weg vind? Of 10 euro die ik verdien door olie te verkopen uit een bron die ik toevallig heb gevonden? Of 10 euro die ik verdien omdat ik toevallig met een talent voor voetballen ben geboren? Er zijn allerlei ongelijkheden tussen mensen die ervoor zorgen dat mensen verschillen in hun inkomen. Je opvoeding, je klasse, je seksuele voorkeur, je geslacht, aangeboren handicaps en talenten, dat alles bepaalt mede hoeveel je in de toekomst zal verdienen. Inkomen is een combinatie van talent en inzet. Maar zelfs je inzet is deels bepaald door factoren waar je geen grip op hebt: Harvard studenten zijn bovenmatig vaak het eerst geboren kind. Eerst geboren kinderen zijn competitiever en ijveriger dan kinderen die later geboren worden. Een consequente libertariër kan deze ongelijkheden niet laten bestaan: je hebt alleen recht op het geld dat je krijgt voor werk dat jij echt zelf gedaan hebt.

Imre Wessels stelt in zijn blog dat “[e]en persoon met rijke ouders kan van het beste onderwijs profiteren om zijn gebrek aan talent deels te compenseren. Iemand met veel geld kan ook aantrekkelijker worden ondanks dat hij zijn uiterlijk niet mee heeft. Daarnaast las ik vandaag in de Quest dat onderzoekers van Princeton University (V.S.) hebben ontdekt dat langere Britse en Amerikaanse mannen meer verdienen dan hun kortere geslachtsgenoten. Bij elke 10 centimeter extra lichaamslengte, neemt het salaris 4 tot 10 procent toe. Juist door een erfenis zouden kleine mannen hun inkomensverlies, wat wellicht het resultaat is van hun lengte, kunnen compenseren.”

Dit is een uitermate zwakke argumentatie: Wessel onderschrijft het principe dat onverdiende ongelijkheden gecompenseerd zouden moeten worden (korte mannen kunnen gecompenseerd worden door hun gebrek aan lengte), maar vindt niet dat dit georganiseerd zou moeten worden. Volgens mij zou je juist moeten proberen om het inkomen uit onverdiende verschillen in inkomen (door erfenissen en lichaamslengte) gelijkmatig her te verdelen. Niemand heeft recht op het inkomen dat hij krijgt uit een erfenis, zijn lengte, zijn seksuele voorkeur, of geslacht. En dat betekent dat iedereen daar even veel aanspraak op maakt.

Gelijkheid in deze zin is geen uiting van een hoogdravend moreel ideaal. Net zo min als dat vrijheid voor mij geen uiting is van een morele voorkeur. Ik geloof in vrijheid omdat ik niet geloof dat er een set morele regels voor iedereen geldt. Ik onderschrijf het principe van een eerlijke inkomens verdeling juist omdat niemand aanspraak maakt op inkomen waar niemand voor gewerkt heeft. Eerlijk delen is net als vrijheid gebaseerd op Aporia.

De rode wortels van de Duitse Groenen

De Duitse Groenen hebben hun wortels niet slechts in de milieubeweging. De partij komt deels voort uit de radicaal linkse Buiten-Parlementaire Oppositie van de jaren '60 en '70. Je zou verwachten dat nu de partij naar het centrum is opgeschoven en ze haar radicaal linkse vleugel van Ökosozialisten is kwijtgeraakt. Is dit het geval?

Ik heb van alle Groene Parlementariers gecodeerd van welke partij ze lid waren voor ze tot de Bundestag toetraden, op basis van de Duitse wikipedia. Ik heb negen categorieen: zij die alleen lid zijn geweest van de Duitse Groenen (66%), zij die daarvoor lid waren van de centrum-linkse SPD (4%), zij die lid waren geweest van de centrum-rechtse FDP en CDU (1% allebei), de parlementariers die hun wortels hadden in deze buitenparlementaire oppositie (9%), die parlementariers die lid waren van de Oost-Duitse Groenen (2%) of de Oost-Duitse burgerrechten beweging Buendnis '90 (7%) en die parlementariers die lid waren geweest van de rechtse Aktionsgemeinschaft Unabhaengige Deutscher (1%). Van 8% ken ik de achtergrond helaas niet.

DG

Deze groepen hebben dus een verschillende achtergrond:

  • De SPD is de grote centrum-linkse partij. Die Gruenen de SPD hebben een bondgenootschap: op het deelstaatniveau werken ze regelmatig samen en ze hebben tweemaal samen in een regering gezeten. Het is dus niet raar dat er wat overlap is qua personeel. 4% van de groene kamerleden was eerder lid van de SPD. Twee groene kamerleden ging na hun kamerlidmaatschap over naar de SPD.
  • De CDU is de grote centrum-rechtse partij. De partij heeft een conservatief, Christen-democratisch profiel. Drie groene kamerleden hadden hun wortels in de CDU, deze waren allen lid van de Bundestag voor 1990.
  • De FDP is een kleinere centrum-rechtse partij. De partij heeft een klassiek-liberaal profiel. Drie groene kamerleden hadden hun wortels in de FDP.
  • Veel groene kamerleden (9%) kwam voort uit de Buiten-Parlementaire Oppositie. In de jaren '60 en '70 schoof de SPD naar het centrum, ze regeerde meer dan 10 jaar met de liberale FDP in een soort paarse coalitie. Omdat er een 5%-kiesdrempel was, was er geen ruimte voor een links oppositiegeluid in de Bundestag. In plaats daarvan organiseerde de oppositie zich buiten-parlementair. In de eerste plaats in de sociaal-democratische studentenbeweging, maar al snel in allerlei radicaal-socialistische groepen: zo waren er allerlei kleine Maoistische partijen, "K-Gruppe", goed te vergelijken met de vroege Socialistiese Partij, een sektarisch partijtje van (oud-)studenten, ingelezen in Maoistische theorie. De meest extreme vorm van radicaal links in deze tijd waren de linkse terroristen van de RAF. Wat al deze groepen deelden was een afwijzing van het liberaal-parlementair-democratische regime in West-Duitsland. Dit zou een masker zijn waar achter het autoritaire nazi-beest dat 30 jaar geleden zijn gezicht had laten zien nog steeds zat. Een deel van de Duitse Groenen heeft haar wortels in de radicale studentenbeweging en de kleine communistische groepen die daarop voortkwamen. Twee Duitse Groene parlementariers, Schily en Strobele hadden als advocaat RAF-terroristen verdedigd.
  • De Duitse Groenen hadden twee zusterpartijen in Oost-Duitsland. In de eerste plaats waren er de Oost-Duitse Groenen, een partij die zich verzette tegen het socialisme in de DDR en in het bijzonder de vervuiling uit de grootschalige industrie. Slechts 2% van de Duitse Groene Parlementariers kwam hieruit voort. Een groter deel (7%) kwam voort uit Buendnis '90 een verband van allerlei democratiserings- en mensenrechtengroepen in de DDR. De Groenen vormen zo een bijzondere combinatie: aan de ene kant bestaan ze uit de mensen die streden tegen het autoritaire bewind in de DDR, en streefden naar een liberaal-parlementair-democratisch stelsel, en aan de andere kant uit de Buiten-Parlementaire Oppositie die vonden dat het liberaal-parlamentair-democratisch 'bewind' in West-Duitsland ook autoritair was. De Groenen hebben het bijna altijd slechter gedaan in Oost- dan in West-Duitsland, de enige uitzondering waren de verkiezingen van 1990 waarbij alleen de Oost-Duitse Groenen vertegenwoordiging konden winnen en de West-Duitse Groenen onder de kiesdrempel bleven. Er waren na deze verkiezingen 8 Groene vertegenwoordigers in de Bundestag allen uit Oost-Duitsland
  • En dan is er tenslotte de Aktionsgemeinschaft Unabhängiger Deutscher, dit was een onafhankelijke kiesvereniging. Deze werd opgericht door mensen die rechts van de CDU stonden. In de jaren '70 kreeg deze organisatie een klap van de ecologische mallemolen en verloor haar rechtse wortels uit het oog. Toen De Groenen werden opgericht hief deze groep zich op. Een heel klein deel, namelijk 2 van de Duitse Groene parlementariers kwam uit deze groep voort.

In de jaren '90 was er binnen de Duitse Groenen een felle strijd tussen principiele fundi's en pragmatische realo's. Je zou je kunnen voorstellen dat op dat moment een deel van de meer radicale, uit de studentenbeweging voortgekomen, Duitse Groenen de partij verlaten had.

DG2
De eerste ontwikkeling over tijd die is hier boven zichtbaar gemaakt: het aantal Groenen dat voor zijn kamerlidmaatschap lid was geweest van een andere partij blijft min-of-meer stabiel langszaam over tijd: in de 10e Bondsdag (1983-1987) is er van 69% van de kamerleden niet bekend dat ze lid waren van een andere partij. In de 16e Bondsdag (2009-nu) is dat 71%. Er zit een sterke dip in deze ontwikkeling: in de 12e Bondsdag waren er slechts 8, en alleen Oost-Duitse, Groene parlementariers, zij waren allen eerder lid geweest van een Oost-Duitse partij.

DG3

In de figuur hierboven zoomen we in op de minderheid van Kamerleden die wel een achtergrond had in een andere partij, let wel, voor de vergelijkbaarheid is de 12e Bondsdag eruit gegooid: de grootste groep is consistent de APO (Buiten-Parlementaire Oppositie). Tussen de 15 en 22% van de Kamerleden zijn voormalige buiten-parlementairen. Dit percentage ligt consistent hoger dan het percentage wat hierboven genoemd was: dit komt omdat mensen die uit de buitenparlementaire oppositie komen meer periodes achter elkaar in het parlement hebben gezeten dan hun collega's. De andere groepen blijven allen onder de 10%. De grootste groep daarbinnen zijn de voormalige Buendnis '90 leden: ongeveer 4 tot 9% heeft haar wortels in de Oost-Duitse mensenrechtenbeweging, als je dit combineert met Oost-Duitse Groenen dan is het tussen de 7 en de 13%. Dit percentage ligt nu aanzienlijk lager dan in het hoogtepunt. Er worden heel weinig Duitse Groenen in Oost-Duitsland verkozen. Het zijn de rechts-georienteerde groepen die helemaal van het toneel verdwijnen: sinds de 13e Bondsdag zijn er geen kamerleden meer met een achtergrond in de CDU of de AUD.

Wat opvalt is dat de groep van de Buiten-Parlementaire Oppositie consistent boven de 15% blijft liggen: nog steeds is de grootste minderheid van de parlementariers afkomstig uit de radicale groepen uit de jaren '70. Deze groep is niet alleen groot, maar ook uitermate machtig: van de vier verschillende ministers die tussen 1998 en 2005 voor de Groenen in het kabinet zaten, was er een niet afkomstig uit de APO, Renate Kuenast, de anderen, waaronder partijleider Fischer hadden wel hun wortels hierin.

Grote conclusies kan je niet trekken uit deze beperkte cijfers: het overgrote deel van de Duitse Groenen werd direct lid van deze partij zonder omwegen. Echter onder diegenen die wel een geschiedenis in een andere partij hadden, is een consistent patroon: zij komen met name voort uit de APO en deze groep blijft ongeveer even groot. Het is dus niet zo dat de vertegenwoordigers van De Groenen met een actieverleden geloosd zijn in de strijd tussen realo's en fundi's. Eerder lijkt het zo te zijn dat deze radicalen, door hun lange mars door de instituties, gematigd zijn.

Wat niet in deze cijfers is opgenomen, maar wel vermelding verdien,t is wat er bekend is over Groenen die overgestapt zijn naar een andere partij: twee groene kamerleden stapte over naar de SPD, twee naar de FDP en twee naar het CDU. Er zijn dus geen grote verschillen tussen de gevestigde partijen. Echter, zeven groene kamerleden (3%) stapte na hun kamerlidmaatschap over naar Die Linke, of haar voorganger de PDS, de opvolger van de Oost-Duitse communistische systeempartij SED. Van slechts een van de APO-leden is bekend dat hij over ging naar de PDS, maar dat geldt ook voor een van de leden van Buendnis '90, die zich juist tegen de SED verzette. Het opvallende is echter wel dat hier sprake is van een-richtingsverkeer, geen van de Duitse Groenen kwam voortuit de PDS, SED of Die Linke, maar de partij is er wel een deel van haar parlementariers hieraan kwijt geraakt. Dit toont dat voor een deel van de Groene kamerleden een linksere partij na hun kamerlidmaatschap een aanlokkelijk perspectief was.

    Marxistische mallemolen van Mei ’68

    Regelmatig verwijst Martin Bosma naar de Marxistische mallemolen die in mei 1968 een generatie politici in verwarring heeft gebracht. Ze hielden aan de jaren '60 allerlei malle ideeen als tolerantie, emancipatie en vrijheidsrechten over. De PVV wil Nederland beschermen tegen de "gek" geworden progressieve elite met haar malle ideeen. De PVV wil een Nederlandse traditie van vrouwenemancipatie, scheiding van kerk en staat, homo-rechten en vrijheid van meningsuiting beschermen tegen een progressieve elite die deze traditie te grabbel gooit.

    Tony Judt merkt in zijn Postwar op dat de culturele revolutie van de jaren '60 weinig heeft opgeleverd. Het marxisme maakte binnen de muren van de universiteit een kleine opleving, maar dat heeft eigenlijk nauwelijks wat opgeleverd: buiten de universiteiten waren dat soort economische ideeen weinig waard. Het fascinerende is dat er al vanaf 1945 een sociaal-democratische consensus was in Nederland over de invoering van een ouderdomspensioen, bescherming bij ontslag en goede zorg voor ouderen – u weet wel de weinig fantasierijke, van linkse overgeschreven sociale paragraaf van het PVV-programma. Hoe dan ook de mallenmolen van '68 heeft niet gezorgd voor een opleving van socialistisch beleid.

    Het enige wat, volgens Judt, de jaren '60 hebben opgeleverd is een vrijzinnigere moraal. Nederland was voor de jaren '60 een Christen-democratisch land: gescheiden zwemmen van vrouwen en mannen, een verbod op abortus en euthanasie, strenge wetten over echtscheiding en een ongelijke behandeling van homo's en hetero's. Dit was een teken van de sterke inmenging van het geloof in het maatschappelijke leven. Onder druk van de nieuw-linkse emancipatiebewegingen veranderde politiek Nederland in begin jaren '70 rap van mening over homoseksualiteit, echtscheiding en (zij het iets minder rap) abortus.

    Het idee dat er in Nederland een eeuwenlange traditie van vrouwen- en homorechten was, is een mooi voorbeeld van invented tradition. De culturele verandering van de jaren '60 is eigenlijk nog relatief dichtbij. Nog geen halve eeuw geleden moesten homoseksuelen hun gevoelens geheim houden voor hun familie en hadden vrouwen minder rechten dan mannen. Nederland heeft een traditie van relatieve religieuze tolerantie (waar Wilders misschien nog wel wat van kan leren), maar dat heeft nou niet geleid tot een eeuwenlange vrijzinnige behandeling van mannen en vrouwen of van homo's en hetero's. Het is fascinerend dat we zo snel aan het idee gewend zijn dat een man met een man kan trouwen en een vrouw een leidende politiek kan rol hebben in een politieke partij – zij het dat alleen linkse partijen een vrouwelijke fractievoorzitter in de Tweede Kamer aan durven. Het zijn de emancipatiebewegingen van de jaren '60 en hun progressieve bondgenoten in de Tweede Kamer geweest die deze verandering in gang hebben gezet.

    Het is natuurlijk prachtig als zelfs de PVV, als Nederlands home-grown xenofoob nationalistische partij, het opneemt voor deze progressieve waarden die we hebben overgehouden aan de jaren '60. Eigenlijk wil de PVV het liefst dat alle Moslims in Nederland een klap van de Marxistische mallemolen van mei '68 krijgen: dan worden ze meteen voorstander van vrouwen- en homo-rechten. Volgens mij zou de PVV niet de grootste criticus van de jaren '60 moeten zijn, maar de grootste voorstander van de bevrijding van de religieuze moraal.

    Maar de PVV, de partij die zo hecht aan de vaderlandse geschiedenis, heeft geen historisch besef: ze beseffen niet dat deze culturele vrijheid in Nederland werd geboren toen mensen zichzelf ontworstelden aan hun religieuze leiders en hun geboden. Dat het niet zo is dat mensen zich bevrijden van religieuze dwang toen ze uitgesloten werden vanwege hun religieuze identiteit:  juist toen trokken mensen zich steeds meer terug in hun religieuze schulp. Toen de Protestanten de Katholieken het meest aan vielen over hun Katholicisme bouwden de Katholieken een muur van verzuilde, religieuze organisaties om zich heen. Pas toe zij zich in Nederland geaccepteerde voelden, voelden Katholieken zich vrij genoeg om te twijfelen over hun geloof.

    Misdaad en Straf

    Laatst keek ik een oude aflevering van de onvolprezen quiz QI met Stephen Fry. Het ging over het Amerikaanse gevangenissenstelsel. Fry vertelde dat alle Amerikaanse legerhelmen gemaakt worden door gevangenen. Gevangenen zijn een belangrijke bron van goedkope arbeid. Fry nam het een stap verder en stelde dat de Amerikanen zo het slavernijstelsel opnieuw hebben ingevoerd. Dat lijkt me onterecht[1]; sterker nog: arbeid door gevangenen zou volgens mij een centrale rol moeten spelen in het strafstelsel.

    De Amerikaanse links-libertaire filosoof Otsuka stelt in zijn Libertarianism without Inequality voor om de verzorgingsstaat te financieren vanuit belastingen op misdadigers: voor links-liberalen en voor rechts-libertairen zijn misdadigers een groep van wie je legitiem middelen af kan nemen. Ik denk dat Otsuka een centraal punt mist: de grote verplichtingen die misdadigers tegen hun slachtoffers hebben.

    Eigenlijk is het wel raar: we straffen mensen door ze hun bewegingsvrijheid af te nemen. We sluiten ze op in een gevangenis. De belangrijkste reden om dat te doen is de specifieke preventie: je haalt een misdadiger van de straat. Maar gaat er grote generale preventie of –if you are so inclined– retributieve werking uit van opsluiting? Een gevangenis is een dak boven je hoofd, eten en een strak ritme. Okay, je kan niet gaan en staan waar je wilt, maar is dat serieus de straf die er staat tegenover een inbraak of een moord? Ik denk dat het afschrikwekkendst aan zo'n straf is dat het een vorm van uitsluiting is: het lijkt op een vervelend kind dat je op de trap zijn eten laat op eten. Je hoort er even niet meer bij.

    Maar wat heeft het slachtoffer daaraan? Voor liberalen is er niets erger dan dat het leven, lichaam of bezit van iemand geschaad wordt. Slachtoffers hebben daarmee een bijzondere aanspraak. Het zijn hun rechten op bescherming van de eigen levenssfeer die geschonden worden. Voor een liberaal is dus herstel van de balans tussen het slachtoffer en de dader uitermate belangrijk. De schade die het slachtoffer heeft geleden moet, voor zo ver mogelijk, ongedaan gemaakt en de dader moet gewezen worden op de onrechtvaardigheid van zijn daad.

    Hoe kunnen we die balans het beste herstellen? Een slachtoffer heeft materiële of lichamelijke schade geleden, maar, en dat is veel belangrijker, er is hem ook geestelijke schade aangedaan, dit alles kan hersteld worden door een financiële tegemoetkoming. Ik vind het echter te gemakkelijk om een misdadiger de mogelijkheid te geven om zijn straf af te kopen: het lijkt me onrechtvaardig als rijke mensen meer misdaden zouden kunnen begaan omdat ze het kunnen afkopen.

    Je kan inspiratie halen bij wat we ervaren als een lichtere straf: de taakstraf. Dit zorgt voor een gelijke behandeling van rijk en arm. En als het loon naar het slachtoffer gaat, dan kan de schade die hem is aangedaan tegemoet gekomen worden. Uiteraard blijf ik hechten aan een gevangenisstraf vanwege haar specifiek preventieve werking. Ik stel voor dat dit werk niet per se aansluit bij de opleiding of interesse van de persoon, maar wel voor iedereen acceptabel is. Het type werk dat mensen alleen maar doen omdat daar loon tegenover staat: saai werk dat lichamelijke inspanning vereist, zoals lopende bandwerk. Ik denk dat zulk werk een betere manier is om de schade van slachtoffers te herstellen en om misdadigers een echte straf te geven, dan een gevangenisstraf. De gestrafte moet zich inspannen om zijn schuld aan het slachtoffer terug te betalen – letterlijk. Ook gaat er denk ik een grotere afschrikkende werking uit van zo'n straf dan van opsluiting alleen.

    En zelfs als je er aan hecht om misdadigers op het rechte pad te brengen, een typisch punt voor linkse softies, denk ik dat arbeid kan werken: immers misdadigers leren zo een arbeidsritme en de waarde van werk. Dat kan helpen voor mensen om de cyclus van armoede, uitzichtloosheid, en arbeidsloosheid waar misdaad vaak aan gekoppeld is, te doorbreken.

    Een bezwaar tegen zo'n soort straf is dat hij cruel en unusual is. Lichamelijke straffen en mishandeling vinden we onmenselijk. De beelden van dwangarbeiders in strafkampen duikt op: het verschrikkelijke "Arbeit macht frei" boven de poorten van Auschwitz. Maar de kern moet zijn dat het werk is dat mensen normaal zouden doen, zij het voor het loon en niet voor de arbeidsvreugde. Werk waarvan het acceptabel zou zijn dat het aan een werkeloze wordt aangeboden in een participatiecontract. Het doen van zulk werk is misschien een straf (dat is juist het punt), maar zolang normale mensen het doen om in hun levensonderhoud te voldoen kan het niet unusual zijn,

    Een ander bezwaar is dat je straf zo afhankelijk maakt van lichamelijke capaciteiten die mensen hebben: een goed getrainde jongeman produceert nu eenmaal gemiddeld meer dan een oudere vrouw in een rolstoel. Ik denk dat de rechter rekening moet houden met hoeveel inspanning bepaalde productie vereist voor bepaalde misdadigers. Dat is wat je wil: dat misdadigers zich inspannen om hun schuld terug te betalen. Die inkomsten doen je in een fonds waar slachtoffers van worden gerestitueerd naar rato van de zwaarte van de hun gedane schade.

    En wat van slachtoffers waarvan de misdadiger niet gevonden wordt? Moet er ook voor hen geen herstel komen? Je kan je voorstellen dat het geld dat verdiend wordt door boetes op te hard rijden gebruikt wordt om slachtoffers van auto-ongelukken te betalen: de potentiële dader betaalt voor het slachtoffer dat geen beroep kan doen op zijn daadwerkelijke dader. Over het algemeen kunnen dus boetes gebruikt worden om aan deze groep tegemoet te komen.

    [1] Een aantal caveats: door de combinatie van het three strikes you're out system en het feit dat er meer Afro-Amerikaanse twintigers in de gevangenis zitten dan op een school, begint het systeem wel op Amerikaanse slavernij uit de negentiende eeuw te lijken. In mijn voorstel zijn mensen niet het bezit van de overheid geworden, maar ze hebben ervoor gekozen om vrijwillig een schuld te maken, en die moeten ze af betalen. Dit is dus niet meer slavernij dan arbeid om een credit card schuld af te betalen dat is.

    Van de wetenschap naar de politiek

    Vanaf 1 september ga ik werken voor De Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks. Ik ga electoraal onderzoek doen. Het is een hele stap vanuit de wetenschap over te gaan naar de politiek. Of niet? Want ik ga van politieke wetenschappelijk onderzoek naar politieke partijen over naar een wetenschappelijk bureau van een politieke partij.

    Ik heb nooit alleen maar voor de wetenschap gekozen. Professor Otjes klinkt misschien leuk, maar wetenschappers hebben de wereld slechts bestudeerd, en we moeten de wereld juist veranderen. Ik heb daarom tijdens mijn hele promotietraject allerlei dingen GroenLinks gedaan. En als iemand mij vroeg wat ik daarna wou doen, dan droomde ik van een baan bij het wetenschappelijk bureau van GroenLinks: mee te denken over de koers van GroenLinks dat lijkt me echt prachtig. Sinds ik een paar maanden geleden voor deze functie benaderd werd, ben ik bijzonder enthousiast over een transfer van de wetenschap naar de politiek. Maar nu gaat het daadwerkelijk gebeuren. Ik moet er nog even aan wennen. 

    Ik ben ook nog niet helemaal klaar met de wetenschap: ik heb nog een aantal artikelen in voorbereiding. Mijn co-auteur Tom "kwantitatief onderzoek is niet hetzelfde als veel schrijven" Louwerse heeft er nog steeds de littekens van.  Dit is zo'n bijzondere mogelijkheid: dan draait de wetenschap maar langzamer. Maar ben ik dan nog wel "objectief"? Is het wel te verantwoorden om over te gaan van wetenschappelijk onderzoek naar politiek gedreven onderzoek? Ik ben nog steeds dezelfde persoon met dezelfde politieke voorkeuren. Als ik in mijn eerdere werk objectief was, dan zal ik het hierna ook nog zijn. Daarnaast, het wetenschappelijk bureau gaat uit van een constructief-kritische houding ten opzichte van de koers van de partij. En sterker nog, het werk dat ik bij GroenLinks ga doen vereist dat ik objectief ben: een kiezersonderzoeker moet objectieve data geven over kiezers. Juist gekleurde informatie kan een partij de verkeerde kant op leiden. Een ja-knikker zal ik nooit worden.

    Het betekent wel dat dit weblog gaat veranderen, denk ik: minder GroenLinks, want anders dan ben ik alleen maar GroenLinks. En dat zouden we toch niet willen.

    Paternalisme omwille van het Liberalisme

    In het idee van negatieve vrijheid zit impliciet het idee dat mensen als vrije burgers geboren worden. Het idee dat we mensen vrij moeten laten om vorm te geven aan hun eigen leven, gaat ervanuit dat mensen zo'n idee hebben en daar alleen maar vorm aan hoeven te geven. Maar mensen worden niet als vrije burgers geboren, maar als baby's die afhankelijk zijn van de zorg van anderen. Mensen worden niet geboren met een idee van het goede leven, dat vormen ze zich over tijd.

    Ik denk dat het daarom nodig is om het liberalisme opnieuw uit te vinden: naast het verzekeren van gelijke rechten en een eerlijke verdeling van inkomen, moeten liberalen er ook voor zorgen dat iedereen de vermogens heeft om zelf vorm te geven aan het leven. Dat betekent dat we opnieuw moeten kijken naar de manier waarop we negatieve vrijheid met noties van positieve vrijheid balanceren.

    Klassieke liberalen hebben een bijzondere fixatie op formele rechten. Het liberalisme was die kracht die ervoor zorgde dat iedereen op een gelijke manier kon rekenen op de bescherming van zijn life, liberty, en property. Het achterliggende idee was negatieve vrijheid. De macht van de overheid om om arbitraire redenen in te grijpen in het leven van mensen moest beperkt worden: er moest gestreefd worden naar een zo groot mogelijke vrijheid van iedereen om op zijn of haar eigen manier vorm te geven aan zijn of haar eigen leven. Het was niet genoeg dat deze rechten werden opgeschreven maar er moesten ook politieke instelingen komen die ervoor zorgden dat deze rechten afgedwongen konden worden: een onafhankelijke rechtspsraak, een parlementaire democratie, een rechtsstaat. Het klassieke liberalisme brak zo met een traditie van feudalisme waarin rechten ongelijk verdeeld waren: waar de adel en horigen ongelijke rechten hadden, en waar in de stad en op het platteland een andere juridische code gold. De strijd van de liberalen was er een van gelijkheid. Boeren, stedelingen, edellieden, priesters moesten allemaal dezelfde rechten hebben.

    De socialisten wezen de liberalen erop dat hun liberale paradijs imperfect was: gelijke rechten zijn mooi, maar stellen niets voor als economische macht ongelijk verdeeld is en die verdeling zichzelf in stand houdt: armoede, exploitatie, klasseverschillen, concentratie van economische macht. Progressieve liberalen stelden voor om inkomen eerlijker te verdelen. Inkomensherverdeling kan gebruikt worden om ongelijkheden in talenten en afkomst ongedaan te maken. De sociaal-liberalen onderbouwden hun ideeen met een idee van positieve vrijheid: vrij zijn is meer dan het recht hebben om te doen wat je wilt (zoals de klassiek liberalen voorstelden), maar je moet ook de middelen hebben omdat te doen. Iemand die achter een gesloten deur zit is onvrij, maar iemand die niet uit zijn kamer kan omdat hij gehandicapt is, is ook onvrij.

    Maar ik denk dat er een derde vereiste is om "echt" vrij te zijn: het gaat er niet alleen maar om dat je het recht hebt om te doen wat je wil en dat je de middelen hebt om dat te doen, maar ook dat je vermogens hebt om te bepalen wat je wil doen. Terwijl iedereen in Westerse landen gelijke rechten heeft, en kan rekenen op een verzorgingsstaat die inkomen herverdeelt tussen arm en rijk, blijven er grote ongelijkheden bestaan: terwijl iedereen de sociale ladder op kon als hij dat wil, blijven er grote, erfelijke inkomensverschillen bestaan. Dat komt gedeeltelijk, omdat de huidige herverdeling niet alle onverdiende ongelijkheden elimineert. Maar we moeten erkennen dat sociaal kapitaal ongelijk verdeeld is: kinderen met rijkere ouders worden ook opgevoed in een cultureel rijkere omgeving. En dat, maar dat is slechts een hypothese, zorgt ervoor dat ze bepaalde vermogens leren, die kinderen met ouders met een lagere opleiding, zonder de juiste rolmodellen, niet mee krijgen. En dan denk ik in het bijzonder aan drie vermogens:

    • Het vermogen om kritisch te zijn over de omgeving waarin je opgroeit. Om te bepalen wat jouw idee van het goede leven is, moet je kunnen scheiden wat je zelf wil, en wat je is mee opgedrukt door je opvoeding en je omgeving: iedereen zal kritisch moeten na denken over de verhouding tussen man en vrouw in het gezin waarin je opvoedt, over de stelligheid waarmee religieuze waarheden worden geponeerd, over het heteronormatieve ideaal van onze samenleving. Iemand die dat overneemt, zonder erover na te denken, is niet echt autonoom.
    • Reflectief vermogen, dat is het vermogen om na te denken over wat je zelf doet en wil. Waar komen bepaalde verlangens vandaan? Om te bepalen of je dingen echt zelf wil, zal je goed moeten kijken hoe je in elkaar zit: welke dingen doe je omdat anderen dat van je willen, omdat je erbij wil horen, omdat het gewoonte is, omdat je je laat overnemen door je emoties? Voorstanders van positieve vrijheid hebben de neiging om de "betere ik" buiten de mensen zelf te plaatsen. Dat is de partij, de kerk of de staat, die weet wat echt mensen willen. Ik ga ervanuit dat er geen one-size-fits-all idee is wat mensen echt willen. Sommige mensen willen echt een glas wijn drinken, maar voor anderen is het een verslaving. Maar dan moeten we mensen wel het vermogen bijbrengen om te bepalen wat je echt zelf wil. Dit dwingt ook tot bescheidenheid en zelfrelativering, als je nadenkt over wie je bent, zal je ook leren wat je beter kan en waar je niet geschikt voor ben. Dan kan je jezelf realistische doelen stellen.
    • Zelfdiscipline is in mijn ogen misschien wel de allerbelangrijkste: als je je doel eenmaal bepaald hebt, dan zal je moeten bepalen wat je ervoor over hebt om dat te bereiken: hordes mensen willen topvoetballer of televisiester worden. Ik denk dat veel mensen de talenten hebben die nodig zijn om daar te komen. Het fundamentele verschil tussen een amateur en professional is oefening, oefening, oefening. Zelfdiscipline betekent ook jezelf aan je eigen morele regels houden, als je die centraal stelt in je leven. Leven volgens je eigen idee van het goede leven is hard werken.

    Je zou denken dat liberalen sidderen bij het idee van verheffing of volksopvoeding, maar dat komt omdat dat vaak gebeurt om een moraal op te leggen. De kern van mijn betoog hier is dat je paternalistisch moet zijn om echt liberaal te zijn. Maar dan is het overheidsoptreden er opgericht om ervoor te zorgen dat iedereen die vermogens die nodig zijn om echt vrij te zijn leert. Als je wil leven volgens jouw eigen idee van het goede leven, dan moet je kritisch na kunnen denken over je eigen vorming, bepalen wat je echt wil en de discipline hebben om dat waar te maken.

    En dat vereist een brede cultuurpolitieke agenda: beter onderwijs, dat niet alleen maar brave burgers of hardwerkende werknemers creeert maar vrije mensen, meer opvoedingsondersteuning, een publieke omroep waar een serieus debat gevoerd wordt, subsidies om nieuwe groepen naar het museum en het toneel te trekken en een optreden tegen criminaliteit dat oog heeft voor het feit dat crimineel gedrag het gevolg kan zijn van een gebrek aan een kritisch vermogen, zelfreflectie en zelfdiscipline.

    Volgens mij kan je op geen andere manier echt vorm geven aan een politiek ideaal van echte vrijheid voor allen. We moeten niet alleen maar als liberaal mensen het recht geven om te doen wat ze willen, als sociaal-liberaal ervoor zorgen dat ze de middelen hebben om dat te doen, maar ook als progressieve paternalist ervoor zorgen dat ieder mens de vermogens heeft om er achter te komen wat hij zelf echt wil.

    Islam, Immigratie en Integratie: Issue-Ownership en Idealen

    Als Wilders weer iets radicaals, doms of radicaal doms heeft gezegd over de Islam, immigratie en integratie, dan verdringen Pechtold en Dibi, Van der Ham en Sap zich voor de camera's en de interruptiemicrofoon om dat te veroordelen. Inhoudelijk hebben ze helemaal gelijk. De Islam-kritische visie van Wilders breekt met een Nederlandse traditie van tolerantie. 

    Het is niet alleen zo dat de verontwaardiging van GroenLinks en D66 over Wilders gerechtvaardigd is, maar het is ook vanuit een strategisch standpunt begrijpelijk: door te polariseren met Wilders, versterken GroenLinks en D66 het culturele conflict. GroenLinks en D66 hebben hier een uitgesproken tolerante, progressieve, multiculturele positie, de PVV een uitgesproken anti-Islamitische, monoculturele positie. De PvdA heeft geen heldere positie op de culturele dimensie. Iedere minuut dat er op televisie over de Islam, integratie en immigratie gepraat wordt gaan er stemmen van de PvdA naar de PVV, D66 en GroenLinks.

    De onderliggende theorie is er een van issue ownership: kiezers stemmen op die partij waarvan ze denken dat ze de beste oplossing hebben op het onderwerp waar de verkiezingen over gaan. Verkiezingen zijn eigenlijk een soort referendum. Gaan de verkiezingen over economie en de verzorgingsstaat dan hebben de PvdA, de SP en de VVD daar voordeel van omdat veel kiezers denken dat zij daar de beste (linkse of rechtse) oplossingen voor hebben. Gaan de verkiezingen over normen en waarden, dan is dat goed voor het CDA, CU en D66. Gaan de verkiezingen over milieu is dat goed voor GroenLinks en de PvdD.

    Islam
    De cruciale vraag is dus welke partij "eigenaar" is van het onderwerp "Islam". Op de vraag van Maurice de Hond met welke partij ze het eens zijn over de Islam, kiest ongeveer 30% van alle kiezers voor het Islam-kritische perspectief van de PVV. 20% kiest voor het verhaal van de VVD. Daarop volgt D66 met slechts 9%. GroenLinks bungelt helemaal onderaan: maar 5% van de Nederlandse kiezers zegt GroenLinks. Nog meer mensen (8%) geven aan dat ze de oplossingen van de PvdA kiezen. Maar dat is niet de kernvraag: de vraag is wie PvdA-kiezers op dit onderwerp vertrouwen. 40% van de sociaal-democraten zegt dan PvdA. 12% D66, 10% PVV en 7% GroenLinks. Onder D66'ers is het vertrouwen in de oplossingen van de eigen partij groter: 65% van de D66'ers denkt dat D66 de beste oplossingen heeft op het integratie-dossier. GroenLinksers lijken sterk op PvdA'ers. Slechts 40% van de GroenLinksers zegt GroenLinks. De tweede partij die genoemd wordt is D66, met 15%.

    Als de issue ownership theorie correct is, geldt grofweg: iedere keer als er over de Islam wordt gepraat op televisie gaan er kiezers naar de PVV en specifiek kiezers van GroenLinks en de PvdA naar D66. Het lijkt dus zo te zijn dat, in tegenstelling tot wat we vaak denken, GroenLinks, ten minste volgens deze cijfers, geen voordeel heeft van aandacht voor integratie-onderwerpen. De data lijkt aan te geven dat, voor zo ver er een partij eigenaar is van het anti-anti-Islam geluid, dat D66 is; Pechtold is de anti-Wilders. Let wel, maar 20% van de kiezers denkt dat de progressieve partijen D66, PvdA en GL de beste oplossingen hebben voor de Islam.

    Islam2
    Ik zie u denken dat wist ik al lang al: D66 is eigenaar van de linkerkant van het onderwerp "migratie". Maar ik denk dat dit kan helpen om de electorale positie van GroenLinks te begrijpen. Want alhoewel D66 eigenaar is van het onderwerp migratie, verschillen de kiezers van GroenLinks en D66 niet veel van elkaar. Als we bijvoorbeeld kijken naar de vraag of mensen zich zorgen maken over de invloed van de islam dan zien we dat evenveel GroenLinksers als D66'ers aangeven zich daar zorgen over te maken (25%).

    De pointe is dat GroenLinks en D66 allebei putten uit een (beperkte groep) progressieve, multiculturele kiezers. Waar kiezers worden afgestoten van GroenLinks en D66 omdat ze een uitgesproken progressieve positie innemen wat betreft Islam, integratie en immigratie, maar alleen D66 weet kiezers ook aan zich te binden met dezelfde positie. Als je je afvraagt waarom GroenLinks ongeveer 9 zetels haalt in pelingen en D66 het dubbele dan is dat de verklaring, cynisch gezegd: GroenLinks heeft wel de kosten van haar tolerante standpunt, maar niet de baten. Dat is de prijs die je betaalt voor je idealen.