Is Noorwegen vrijer zonder de Europese Unie?

Donderdag tijdens het lijsttrekkersdebat van Nieuwsuur verwees PVV-lijsttrekker Marcel de Graaff naar Noorwegen en Zwitserland. Landen die welvarend en vrij zouden zijn buiten de Europese Unie. Zijn dit de ideale landen voor Euroskeptici? We kijken naar Noorwegen.

De Noorse bevolking heeft twee keer in een referendum het lidmaatschap van de Europese Unie verworpen: ze zou origineel meegaan met de eerste uitbreiding (samen met Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk) maar 54% van de bevolking wees dit af. In 1994 probeerde de regering het opnieuw (toen ook Oostenrijk, Zweden en Finland lid zouden worden). Maar dat werd met 52% afgewezen. Sindsdien wordt er over dit onderwerp in de politiek niet meer gesproken en is de steun onder de bevolking voor lidmaatschap (zeker na de Euro-crisis) alleen maar afgenomen.

Dictaten van Brussel
Je zou misschien denken dat Noorwegen de Europese Unie niet nodig heeft en dat het land, gelegen op grote oliereserves het zelf wel afkan. Niets is minder waar: het eerste wat opvalt als je naar Noorwegen reist, of wat eigenlijk niet opvalt is dat Noorwegen lid is van het Schengengebied. Je kan er dus zonder paspoortcontrole naartoe reizen.

Noorwegen is ook lid Europese Economische Ruimte, net als Zwitserland, Liechtenstein en IJsland. Deze landen vallen wel onder de Europese markt, alhoewel ze geen lid zijn van de Europese Unie. 63% van de import van Noorwegen komt uit de Europese Unie en 81% van haar export gaat naar de Europese Unie (bron). Het land is geïntegreerd in de Europese markt.

Maar het is niet zo dat Noorwegen alleen maar de economische vruchten plukt van Europa. Ze participeren ook in de politiesamenwerking (Europol), de grensbewaking (Frontex) en de defensiesamenwerking (AED).

Dat doen ze echter allemaal zonder stemrecht in het Europees Parlement en de Raad van Minister. Noorwegen heeft het recht om zich te onttrekken aan Europese besluiten maar heeft dat nog nooit gedaan. Dat betekent dat Noorwegen een groot deel van de Europese wetgeving (zeker op het gebied van de interne markt) overneemt, zonder daar invloed op te hebben.

Je kan klagen over de invloed die de Europese Unie op Nederland heeft: een groot deel van de wetten die in Den Haag gemaakt worden zijn implementaties van Europese wetten. Maar dat zijn ten minste wetten waar Nederlandse vertegenwoordigers in het Europees Parlement en de Raad van Ministers over hebben kunnen stemmen en meepraten.

Noorwegen heeft 75% van Europese wetgeving ingevoerd zonder dat ze daar invloed op hebben. Daarmee is Noorwegen buiten de Europese Unie niet vrijer dan Nederland, maar misschien juist wel minder vrij. Noorwegen heeft de illusie van vrijheid gekozen door buiten de Europese Unie te blijven maar wel Europese wetgeving te moeten accepteren. Dat zijn pas dictaten van uit Brussel.

Harde Euro’s
Om lid te zijn van de interne markt moet Noorwegen 340 miljoen euro per jaar betalen, als een soort lidmaatschapsgeld. Dat is 60 euro per inwoner. Nederland betaalt 6 miljard aan de Europese Unie. Dat is 360 euro per inwoner. Maar daar staat tegenover dat Nederland 2 miljard euro terugkrijgt via Europese fondsen. Dat is 130 euro per inwoner. Noorwegen maakt daar geen aanspraak op. Sterker nog: Noorwegen steekt nog eens 350 miljoen euro per jaar in een speciale Noorwegenbijdrage die ten goede komt aan de ontwikkeling van de economie in Oost-Europa. Dat is opnieuw 60 euro per inwoner. Netto betaalt Nederland dus 230 euro per inwoner bijdrage aan de Europese Unie. Voor Noorwegen is dat 120 euro per jaar. Het opgeven van soevereiniteit kost dus 110 euro per burger per jaar.

Noorwegen is echter geen lid van de Euro, maar heeft net als het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Denemarken haar eigen munt nog. Dus moet je wel geld wisselen aan de grens. Dat betekent wel dat Noorwegen haar eigen geld kwijt is om haar eigen wisselkoers stabiel te houden maar aan de andere kant dat ze geen bijdrage heeft hoeven doen aan het Griekse noodfonds dat de Europese Commissie heeft ingesteld. Wel heeft ze sinds 2011 haar bijdrage aan het IMF vergroot. Het Internationaal Monetair Fonds was een van de andere leners aan Griekenland. De Griekse crisis heeft haar dus niet onberoerd gelaten.

Sinds 2009 heeft de Europese Commissie om de Euro-crisis te beslechten haar invloed over het nationale begrotingsproces uitgebreid. De Commissie kan lidstaten nu dringend adviseren haar economieën te hervormen om economische onevenwichtigheden, die ten grondslag lagen aan de crisis uit te effenen. Dat is noodzakelijk voor het voortbestaan van de euro, maar ook niet-Eurolanden Denemarken en Roemenië moeten zich aan adviezen van de Commissie houden. De Noren zijn vrij van deze vorm van inmenging. Maar aangezien Noorwegen vanwege de oliebaten geen begrotingstekort meer heeft, is het de vraag of dit land vanuit Brussel gedwongen zou worden om economisch te hervormen.

Europese integratie als een gletsjer
Dus is de vraag of Noorwegen vrijer was geweest in de Europese Unie dan daarbuiten. Het is onderdeel van het Europese gebied zonder binnengrenzen, van de Europese interne markt en het levert soldaten voor Europese militaire missies. Dat alles echter zonder invloed te hebben op de wetten die ze daarvoor moeten overnemen. In die zin is Noorwegen minder goed in staat om haar eigen lot te bepalen dan Nederland of het Verenigd Koninkrijk die ten minste kunnen meepraten en meestemmen over Europese besluiten.

Maar omdat Noorwegen net als het Verenigd Koninkrijk geen lid is van de Euro is ze ook niet gebonden aan Europese begrotingsregels. Maar ook andere lidstaten van de Europese Unie, zoals het Verenigd Koninkrijk en Polen hebben zich hieraan kunnen onttrekken.

Noorwegen is dus in mijn ogen minder vrij dan Nederland: het heeft haar soevereiniteit niet gepoold in de Europese Unie maar heeft haar vermogen om zelf te beslissen afgedragen aan Brussel. Ook staat ze geld af zonder te mogen beslissen wat daarmee gebeurt.

Ten slotte, er is een opvallende gelijkenis tussen het Nederlandse referendum in 2005 en de Noorse positie in de Europese Unie: de Nederland bevolking wees de Europese grondwet af: het verdrag werd iets aangepast en toch doorgevoerd. De Noorse bevolking wilde buiten de Europese Unie blijven, maar het land moest zich wel aansluiten bij de Europese Economische Ruimte gezien haar economische banden met landen die wel lid waren en werden. Europese economische integratie heeft haar eigen logica die zich weinig van publieke opinie aantrekt. Europese integratie is een soort gletsjer waar Europese landen zich lastig van kunnen onttrekken. En vanuit democratisch oogpunt is dat zorgwekkend.

Meer lezen over Europa en Noorwegen?

  • Lees dit blog van Prof. Erik O. Eriksen over het zelfbeschikkingsrecht van de Noren.
  • Dit advies van de huidige Noorse premier aan de Britten om lid te blijven van de Europese Unie.
  • De website van de Noorse vertegenwoordiger bij de Europese Unie.

Wilders moet tot zeven tellen

Gisteren bezocht Marine Le Pen Geert Wilders in Den Haag. Ze kwamen bij elkaar om te werken aan een Europese beweging die een vuist moest maken tegen Brussel.

Naast het Front National, is Wilders langs geweest bij het Vlaams Belang, die al langer goede contacten onderhoudt met zowel de FN als de PVV. Eerder bezocht Widers Heinz-Christian Strache van de Freiheitliche Partei Österreichs en Robert Maroni van de Italiaanse Lega Nord. Deze rechts-populistische partijen hebben allebei al eerder geregeerd. Het meest opvallende bezoek tot nu toe was dat aan Jimmie Åkesson van de Sverigedemokraterna. Deze partij heeft namelijk tot midden jaren ’90 banden gehad met nazistische organisaties.

Dit lijkt een veel belovend begin van een extreem-rechtse fractie in het Europees Parlement. Er is alleen één probleem: de regels van het Europees Parlement vereisen dat een fractie bestaat uit ten ten minste vijfentwintig leden uit ten minste zeven deelstaten.

Dat eerste is waarschijnlijk geen probleem: Het Front National zou volgens de laatste peilingen misschien wel 24% van de Franse stemmen halen voor het Europees Parlement. Dat betekent ongeveer 18 zetels. Tel daarbij de zetels op van Wilders op: die volgens de laatste landelijke peilingen genoeg stemmen zou halen voor vijf zetels. De FPÖ laatste landelijke uitslag vorige maand zou doorvertaald vier zetels opleveren. Het Vlaams Belang heeft het wat lastiger maar hun 7% in de laatste landelijke peilingen levert één zetel op. De 4% die de Lega Nord in peilingen haalt is goed voor drie zetels. De SD halen ongeveer 9% in de laatste landelijke peilingen: genoeg voor twee zetels. Samen is dat 33 zetels.

Het probleem zit hem in de zevende partij. Niet dat er niet genoeg rechtse Euroskeptische partijen in Europa zijn, maar het is de vraag of zij met Wilders en Le Pen in een groep willen. Naast de groep van de PVV en FN zal er namelijk ten minste een andere groep op zoek zijn naar leden: de Europese Conservatieven en Hervormers rondom de Britse Conservatieve Partij. Deze Euroskeptische club moet ook uit zeven landen leden halen -dat haalde ze in 2009 ook, maar een aantal van die deelnemende partijen zal nu uit het EP verdwijnen. De ECR is voor veel partijen aantrekkelijker omdat deze groep bestaat uit gevestigde regeringspartijen. Welke mogelijkheden zijn er voor Le Pen en Wilders? Laten we eens kijken:

  • De Dansk Folkeparti is de meest waarschijnlijke zevende partij. De Denen zijn waarschijnlijk goed voor twee zetels. Deze partij is al jarenlang een voorbeeld voor de PVV maar ook voor de Sverigedemokraterna. De Nederlandse gedoogconstructie was ‘made in Denmark’. In het verleden speelde de PVV al eerder met ideeën over samenwerking met deze partij. Tegelijkertijd hebben de Denen wel afstand gehouden van radicaal-rechtse partijen: ze weigerden om hun Zweedse zusterpartij te steunen. Wil deze Deense partij zich definitief vestigen in het centrum van de politieke macht dan kan zij geen band met extreem-rechts hebben.
  • Dan zijn er de Perussuomalaiset, de Ware Finnen, die waarschijnlijk kunnen rekenen op 2 of 3 zetels. Deze populistische partij heeft in de laatste jaren sterk geprofiteerd van de weerstand in Finland tegen de steun aan de Griekse economie. Deze partij deelt echter de anti-Islam en anti-immigratiestandpunten van de PVV en FN niet.
  • De Duitse anti-Europartij Alternative für Deutschland stond bij de Duitse parlementsverkiezingen op de drempel van het Duitse parlement. Ook bij de Europese verkiezingen hanteert Duitsland een 5% kiesdrempel, maar die zou de AfD bij Europese verkiezingen nog best kunnen doorbreken. Het taboe op extreem-rechts is in Duitsland alleen zo groot dat ik het onwaarschijnlijk acht dat deze fractie zich bij een fractie aansluit die rechtser is dan de ECR.
  • Net als Duitsland heeft ook Griekenland een partij die ontstond door de Griekse begrotingscrisis. De rechtse anti-bezuinigingspartij, Ανεξάρτητοι Έλληνες, onafhankelijke Grieken. Het is lastig voor te stellen dat de PVV zou gaan samenwerken met een club die juist de Griekse belangen verdedigt.
  • De Britse UK Independence Party, die door gisteren door Wilders en Le Pen genoemd werden, profileert zich expliciet als een libertaire anti-racistische partij. Op basis van nationale peilingen zou de partij 8 zetels halen; dit kunnen er waarschijnlijk meer worden. Deze Euroskeptische club wil zich verre houden van alles wat rechts-extremistisch is. Immers willen zij in het Britse stelsel zetels winnen dan moeten ze een meerderheid in een district overtuigen. Een alliantie met extreem rechts zou kiezers kunnen afschrikken.
  • Groot-Brittannië biedt ook de British National Party. Deze partij was tot recent expliciet racistisch en beperkte het lidmaatschap van de partij tot ‘echte’ Britten. De vraag is of het voor de PVV en het Front National nodig is om zo ver rechts te gaan om twee zetels op te halen. Datzelfde geldt voor de expliciet antisemitische partij Jobbik uit Hongarije (waarschijnlijk 3 zetels) en Ataka uit Bulgarije (waarschijnlijk één zetel) en de Gouden Dageraad uit Griekenland (mogelijk twee zetels), waarvan leden verdacht worden van geweld met dodelijke afloop.

Het kan er net op hangen: een Euroskeptische fractie in het Europees Parlement. De meeste logische variant is FN-PVV-FPÖ-Vlaams Belang-Sverigedemokraterna-Lega Nord-Dansk Folkeparti. Maar als de Denen weigeren, dan zijn eigenlijk alleen de Waren Finnen een optie. Het zou nog wel eens kunnen dat ‘regeltjes van een miezerige Brusselse Eurocraat’ Wilders’ droom in de weg zit.

 

Wat is goed politiek drama?

Goed politiek drama slaat een ongemakkelijke balans slaan tussen drie dingen: politiek realisme, een intrigerend plot en meeslepend politiek idealisme. De schets van hoe politiek werkt, moet kloppen, anders gaat het wringen. We zetten de televisie uit als het niet klopt. Maar wil een politiek drama ons meenemen, dan moet er iets gebeuren, we moeten mee genomen worden in een verhaal. Politiek biedt daar mooie mogelijkheid voor: grote belangen, slimme strategen en intrige op het hoogste niveau. Ten slotte wordt een politiek drama alleen echt interessant als we ons met de karakters kunnen identificeren: als zij zich vol idealisme inzetten voor een betere wereld. Ik wil vanuit dit perspectief naar een aantal verschillende politieke drama’s kijken.

Ideal(istisch)e Politici

The West Wing (1999-2006, wiki, een van de vele prachtige scenes) is de touch stone van political drama. Het volgt President Bartlet, de ideale president: een man met de charme van Clinton, de intelligentie van Keynes en de compassie van Carter. Het team om hem heen, zijn woordvoerders, chief of staff, en speechwriters, doen hun best om van dit Presidentschap een succes te maken. De politieke realiteit is weerbarstig, de Democratische President staat tegenover een Republikeins Congres. Ze weten politieke successen te boeken, maar moeten nationaal en internationaal tegenslagen weerstaan. Alle politici hebben het hart op de juiste plek, maar moeten soms vuile handen maken om meerderheden voor hun wetten te vinden en om de wereld veilig te houden. De serie is geprezen om het realistisch beeld dat het geeft van het Amerikaanse politieke stelsel. De serie komt het meest op gang in de laatste seizoenen als de focus wordt verlegd naar de race om het presidentschap tussen een oude, maar onafhankelijk denkende Republikein en een jonge Democratische kandidaat met een etnische afkomst. Vier jaar voor de verkiezing van Obama weet de serie een boel correcte voorspellingen te doen: zelfs de voorspelling dat de Democratische kandidaat uiteindelijk een tegenstrever zou kiezer voor de post van Secretary of State.

Ik denk dat de grote kracht van The West Wing ligt in de combinatie van twee dingen: een realistisch beeld hoe politiek in Amerika eigenlijk werkt, een aanstekelijk politiek idealisme van de hoofdpersonen die geloven dat ze het land de goede kant op kunnen krijgen. Maar het geniale schrijf- en camerawerk maakt het af: door de snelle dialogen en voortdurend bewegend opgenomen scenes wordt je meegezogen in een dynamische politieke wereld die je wel moet volgen. Het enige minpunt is het overall plot: in de eerste seizoenen zijn er veel “political problem of the week”-afleveringen, het grote plot komt pas met de onthulling dat de President ziek is, maar dit niet heeft vertelt. De makers probeerden een Lewinsky-achtige affaire in hun verhaal te verweven: een President die liegt en daarover verantwoording moet afleggen, en zo zijn presidentschap zwaar beschadigt, maar daar zit een stuk minder intrige achter dan je zou verwachten. In de latere seizoenen de race om The White House, niet zo zeer spannend maar wel enthousiasmerend.

Commander-in-Chief (2005-2006, wiki, eerste scene) probeert het succes van The West Wing te kopieren: een onafhankelijke vice-president van de Verenigde Staten wordt president als de Republikeinse president doodgaat. Ze vindt een vijandig Congres tegenover zich en woelt zich door familieproblemen. Ik heb al eerder geschreven dat deze serie een slechte kopie is.

Seks en Politiek

De Lewinsky-affaire is een grote inspiratie voor filmmakers, veel zoeken de relatie op tussen seks en politiek: de nieuwe film The Ides of March (2011, wiki, trailer) van George Clooney verslaat de primary-verkiezing van een linkse Amerikaanse presidentskandidaat door de ogen van een van zijn jonge, ambitieuze, idealistische aides: die stuit op een politieke schandaal. De kandidaat heeft een kind verwekt bij een campagnemedewerker. De aide helpt de medewerker bij een abortus, maar de druk wordt haar te veel: ze pleegt zelfmoord. De aide gebruikt die informatie uiteindelijk om zelf zijn positie in de campagne zeker te stellen. De film lijkt sterk op Primary Colors (1998, wiki, trailer). De plotten vallen min-of-meer samen: een seksueel schandaal, een aide die het geheim houdt. En zo verliest een jonge politicus zijn naiviteit. De herhaling van deze verhalen is ook niet raar, want President Clinton werd door zulke seksuele schandalen achter volgt. Het fundamentele verschillen tussen de twee verhalen is dat in The Ides of March iedereen alles voor zijn eigenbelang inzet, in Primary Colors komt de politieke volwassenwording heel hard aan, maar verandert de naieve jongeling niet in een slag in een berekende Machiavelli. Dat geeft duidelijk een plus aan Primary Colours voor realisme en idealisme.

The American President (1995, wiki, trailer) geeft een veel romantischer beeld van de verhouding tussen macht en liefde. The American President gaat over de opbloeiende relatie tussen de Democratische Amerikaanse President, een wedunaar, en een milieulobbyiste. Hun liefde komt onder politieke druk te staan als het wordt gebruikt door de Republikeinen die het als een test zien van de moraliteit van de president. Uiteraard: in deze romantische komedie overwint de liefde alles. De waarheid over macht en liefde zal wel ergens tussen de cynische thriller Ides of March en de zoetsappige romantische komedie The American President in liggen. Het meest interessante aan deze flim is dat hij vier jaar voor The West Wing is gemaakt en dat een aantal acteurs op opvallende plaatsen opduiken: President Bartlet is nu Chief of Staff.

The Contender (2000, wiki, trailer) focust op ook een seksschandaal, dat weer wordt gebruikt als de toetssteen van de moraliteit van een Democratische politicus: nu van de eerste vrouwelijke kandidaat-vice-president van de Verenigde Staten. De kandidaat wordt door de Republikeinen ervan beticht tijdens haar studietijd seks te hebben gehad om lid te worden van een studentenvereniging. De kandidaat zwijgt. Dit brengt haar kandidatuur in groot gevaar. We komen erachter dat ze het niet heeft gedaan, maar dat ze vindt dat politiek hier niet over mag gaan. Een klassieke clash tussen het idealisme van een Democratische kandidaat en het cynisme van het Republikeinse establishment. Maar geeft een realistisch beeld van hoe schandalen worden gebruikt om kandidaten te breken.

Post-Lewinsky cinema kunnen we het wel noemen. Maar ook andere recente gebeurtenissen hebben ook hun weerslag gehad: de legendarische presidentschappen van Nixon en Kennedy zijn ook verfilmd.

Historisch Realisme

The Kennedys (2011, wiki, trailer) reconstrueert de Amerikaanse politieke machine: de Kennedys. Vader Joe Kennedy heeft maar een ambitie: zelf President van de Verenigde Staten worden. Als dat niet lukt, concentreert zijn ambitie zich op zijn oudste zoon. Als die omkomt in de Tweede Wereldoorlog, dan richt hij zich op zijn een-na-oudste zoon: John F. Kennedy. Kennedy heeft dezelfde krachten en zwakten als zijn vader: een politiek genie, maar in de relatie met vrouwen uitermate onbetrouwbaar. Alle middelen, inclusief keiharde verkiezingsmanipulatie, worden ingezet om verkozen te worden: zelfs de maffia steunt hen. JFK schopt het tot president. We volgen het presidentschap van Kennedy: statesmanship in de Cuban Missle Crisis (ook mooi verslagen in Thirteen Days (2000, wiki, trailer)). De communicatie tussen de wereldleiders gaat in punten en komma’s van officiele verklaringen. En uiteraard het politiek idealisme in de strijd tegen segregatie. We weten dat het presidentschap van Kennedy bloedig eindigt. Zijn broer Bobby neemt de fakel over en betaalt dat ook met zijn leven.

Over het realisme van zulk politiek drama wordt vaak gezeverd: maar dat gaat over kleine details. Het algemene beeld van politiek dat er geschetst wordt klopt. De Kennedys werden gedreven door hun ambitie om seksuele en politieke veroveringen te boeken en om Amerika iets eerlijker te maken. Daarvoor waren alle middelen geaccepteerd. De nationale politieke realiteit blijkt weerbarstig, maar de internationale politieke realiteit is nog weerbarstiger. We delen de politieke ambities van de Kennedys in de strijd tegen segregatie, maar de alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit gaat soms te ver.

Een alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit staat ook centraal in All the President’s Men (1976, wiki, trailer) dit volgt de journalisten die het Watergate schandaal ontdekten. Het is misschien niet zozeer een politiek drama als een journalistieke thriller. Ze stuiten via een simpele inbraak in een hotelcomplex op een samenzwering rond de Republikeinse Amerikaanse president Nixon om met het  Democratische hoofdkwartier af te luisteren. Om hun macht te behouden zijn politici tot alles in staat. De journalisten zijn echter oprecht op zoek naar de waarheid … en een goed politiek verhaal. In Frost/Nixon (2008, wiki, trailer) legt Nixon verantwoording af bij de journalist Frost. De interviews hebben echt plaats gevonden, maar de verfiliming geeft de context realistisch weer: een sluw politiek genie die een tweede rangs-journalist wil gebruiken om zijn onschuld te bewijzen, en een jonge journalist die zich graag wil bewijzen door een zo groot mogelijke scoop te halen.

Het grote nadeel van zulke films is dat we het einde al weten: je weet dat in de laatste scene van The Kennedys RFK wordt doodgeschoten, je weet dat de wereld niet is vergaan tijdens de Cuban Missiles Crisis en je weet dat, hoe hij het ook probeert te ontkennen, Nixon een crook is.

Maar ook de recente geschiedenis inspireert: Too Big to Fail (2011, wiki, trailer) verslaat een episode uit de Amerikaanse bankencrisis, namelijk hoe in een heel korte tijd de grote banken van Amerika gered moeten worden (het is zo een interessant zusje van de financiele thriller Margin Call (2011, wiki, trailer) over de nacht dat een bank instort). Too Big to Fail geeft een mooi inzicht in hoe de besluitvorming loopt: met niet-meewerkende bankiers, eigenwijze senatoren en grote belangen.

Brits Cynisme

De Amerikaanse politiek staat uiteindelijk veraf van wat wij in Europa gewend zijn: een parlementair stelsel met een premier en onafhankelijke professionele bureaucratie. Politici hebben niet het vermogen om de wereld te veranderen, noch de intelligentie daarvoor. Politiek is wat er gebeurt op televisie, terwijl ambtenaren de dienst uit maken. Dat is in elk geval de indruk die we krijgen van de Britse serie Yes, Minister/Yes, Prime Minister (1980-1984, wiki, een klassieke scene). Dit is een klassieke Britse sitcom uit de jaren ’80: een catchphrase, hoge grapdichtheid en niet meer dan drie karakters: de politicus die denkt hij iemand is, maar dat niet is, de sluwe topambtenaar en de aangever, de persoonlijke secretaris van de minister. Maar daar achter zit een cynisch-realistisch beeld van de politiek. Een minister weet in een periode van vier jaar niets te bereiken, de echte macht ligt bij de honderden ambtenaren die er jaren zitten, en in het bijzonder de topambtenaren. Het was de favoriete serie van de toenmalige premier Margaret Thatcher zelf, die een even cynisch beeld had van de overheid.

De VPRO heeft, overigens, recentelijk geprobeerd de serie te kopieren, zonder succes (Sorry Minister, 2009, wiki, een overduidelijk gekopieerde scene).

Nog cynischer dan Yes (Prime) Minister is de serie House of Cards (1990, wiki, klassieke scene), To Play the King (1993, wiki, nog zo’n klassieke scene) en The Final Cut (1995, wiki, een laatste klassieke scene). Ik schreef hier al eerder over. Het volgt de fictieve politieke carriere van Francis Urquhart (F.U.) een machiavellistische politicus. Urquhart wil alles doen om zijn macht te vergroten. In House of Cards elimineert hij een-voor-een zijn mogelijke concurrenten als conservatieve partijleider door seksschandalen te creeeren en reputaties van mensen te vernietigen. Het kost uiteindelijk het leven van zijn politieke assistent. Urquhart begint een relatie met een jonge journaliste die geintrigeerd is door het charisma van de macht. Ze komt achter zijn plannen. Urqhart vermoordt ook haar. In To Play the King is Urquhart premier geworden aan gaat hij de strijd om de macht aan met de idealistische koning, die zich verzet tegen het rechtse beleid van de regering. Urqhart dwingt hem uiteindelijk af te treden voor zijn nog zeer jonge zoon. In The Final Cut probeert Urquhart zijn pensioen zeker te stellen door in de laatste dagen van zijn premierschap een oliedeal te regelen waar hij zelf voordeel van heeft. Als dit dreigt uit te komen, laat zijn vrouw, die in de hele serie een soort Lady Macbeth is geweest, hem vermoorden om zijn reputatie te bewaren. Dit niveau van intrige gaat veel verder dan echte politiek, of zelfs de Amerikaanse politieke thrillers. Waar in het begin de kijker, net als de jonge journaliste geintrigeerd is door de machtpoliticus Urquhart, eindigt hij als een karikatuur. Deze triologie is een interessante studie van absolute macht, maar staat wel ver van de politieke realiteit.

Blair werd voor 2003 gezien als een politicus van een ander slag dan de cynische conservatieven. Een man die als geen ander kan communiceren, mensen enthousiast kan maken voor een progressief verhaal. In het drieluik The Deal (2003, wiki, laatste scene), The Queen (2006, wiki, trailer) en The Special Relationship (2010, wiki, trailer) zien we hoe Tony Blair, een jonge ambitieuze hervormer, begint aan een politieke carriere onder mentorschap van de norse Gordon Brown, die door Blair wordt gezien als de natuurlijke partijleider. Hij groeit uiteindelijk boven Brown uit. Blair kan premier worden. De relatie verzuurt: in de politieke realiteit is The Deal nodig tussen de twee. Eerst acht jaar Blair, dan de kans voor Brown. The Queen begint met het aantreden van Blair, die zich tegenover de Britse Koningin moet verhouden. Het opent met een prachtige scene waarin de Koningin een jonge Blair, die net de verkiezingen heeft gewonnen, terecht wijst over het protocol: Blair mag de Koningin niet vragen hem te benoemen als premier. De Koningin moet hem vragen premier te worden. De dood van Prinses Diana is een schakelpunt: Blair weet het publieke sentiment na de dood van Diana veel beter in te schatten dan de koele afstandelijke Koningin. Blair moet de Koningin overtuigen menselijkheid te tonen. The Special Relationship focust op de relatie tussen Blair en Bill Clinton. Clinton nodigt de Blair, als leider van de oppositie uit in het Witte Huis. Hij ziet in Blair een mooie mogelijkheid om een gelijkgezinde centre-left progressive politicus aan de macht te helpen. Clinton geeft Blair advies als hij eenmaal premier is geworden. De twee leiders komen in conflict over Kosovo. Blair wil veel harder ingrijpen dan Clinton. Dat wil hij uit politiek idealisme: de wereld moet vrij worden gemaakt van dictatuur. Hij forceert Clinton, die ondertussen door seksschandalen politiek is verzwakt, om in te grijpen. Twee jaar later is een verzuurde Clinton president af en zoekt Blair een nieuwe relatie met Bush. De politieke kernboodschap van de drie films is dat politiek niet over grote idealen of grote schandalen, maar over persoonlijke relaties gaat. Blair groeit iedere keer als leerling boven zijn meester uit, wat de relaties onder druk zet.

Een aanzienlijk cynischer beeld van het premierschap van Blair spreekt uit uit de Amerikaanse film the Ghost Writer (2010, wiki, trailer). De film gaat over een ghost writer die de memoires moet schrijven van een voormalige Britse premier. De premier, een duidelijke kopie van Blair, was heel populair in eigen land en bij de Amerikaanse regering. Zijn reputatie is echter onder druk gekomen vanwege zijn steun aan de War against Terror. De schrijver komt erachter dat de premier letterlijk door de Amerikanen aan de macht geholpen is: in zijn studietijd is hij gekoppeld aan een vrouw die hem stimuleerde om premier te worden en daar het Amerikaanse belang te dienen. Een vermakelijke speculatie, maar geen diepzinnige politieke analyse. Een soort Manchurian Prime Minister eigenlijk (cf. Manchurian Candidate 1962, 2004, wiki, wiki, trailer, trailer)

Van Eigen Bodem

In Nederland hebben we het ook geprobeerd: politiek drama van onze eigen bodem. Den Uyl en de Affaire Lockheed (2010, wiki, trailer) volgt de Nederlandse premier Den Uyl die probeert een schandaal rond de Kroon te voorkomen. Het conflict tussen de linkse idealen van Den Uyl en de politieke realiteit worden mooi weergegeven door Den Uyl zowel te volgen in zijn eigen familie, waar zijn eigen zoon Den Uyl veroordeelt voor het creeeren van een doofpot en op het Paleis, waar hij keihard met de politieke realiteit wordt geconfronteerd. De affaire en Den Uyl spelen een bijrol in Bernhard, Schavuit van Oranje (2010, wiki, trailer). Dit legt vrij realistisch het politieke leven van Bernhard langs het politieke leven Maxima. Bernhard, geniaal gespeeld door Daan Schuurmans, vindt zichzelf eigenlijk te groot voor Nederland: tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij mee met staatslieden, in het na-oorlogse Nederland wordt zijn positie steeds marginaler. Maar de sluwe vos weet, zo speculeert de serie op basis van het script van Thomas Ross, een laatste zet te maken: hij haalt Maxima naar Nederland om de zwakke kroonprins bij te staan, zoals ook hij ooit naar Nederland is gehaald om de zwakke kroonprinses bij te staan.

Een stuk zwakker is Vox Populi (2008, wiki, trailer). Het volgt de politiek leider van RoodGroen (ja, dat is een heel subtiele verwijzing), Jos Fransen, die in een midlife crisis is beland. Via de nieuwe vriend van zijn dochter komt hij in contact met “gewone burgers”. Hij merkt dat hij het goed doet in de peilingen als hij de taal van deze gewone burgers uitslaat op televisie. Maar daarmee breekt hij wel met zijn eigen politieke programma. De peilingen en zijn affaire met een stagaire slaan hem naar de bol. En uiteindelijk besluit hij te migreren. De film is weinig realistisch: het gaat uit van populistisch idee dat er een kloof tussen burger en bestuur is en dat kiezers naar iedere politicus neigen die daarover heen stapt. Wat de film precies wil zeggen over politiek is mij onduidelijk: het lijkt me eerder een film over een man in een midlife crisis die toevallig politicus is. Het enige interessante is het hoge aantal cameo’s van ‘echte’ politici, journalisten en opiniemakers.

De Burcht

Een Nederlandse The West Wing is er dus niet. Het meest dichtbij komt Borgen (vanaf 2010, wiki, bijbehorende website). Borgen volgt de Deense politica Birgitte Nyborg, die onverwacht premier wordt. We volgen de complexe relaties tussen politici, de media en voorlichters en de reprecussies van politieke carrieres op het thuisfront. Nyborg, de leider van de sociaal-liberale partij Moderate wordt onverwacht premier, als de leider van de grote sociaal-democratische partij en de leider van de grote liberale partij verwikkeld raken in een moddergevecht over politieke schandalen op de laatste dagen van de verkiezingen. Nyborg vormt een minderheidskabinet van groenen, sociaal-democraten en sociaal-liberalen dat soms steun moet vinden bij de uiterste linkse Solidarisk Samling en soms bij de centrum-rechtse Ny Nojre. Binnen de coalitie staan de weinig sympathieke sociaal-democraten, die zich als de natuurlijke machtspartij zien, klaar om Nyborg een dolk in de rug te steken. Het partijenstelsel is overduidelijk gebaseerd op het Deense, maar doet sterk denken aan het Nederlandse stelsel: van rechtse xenofobe populisten tot regenteske sociaal-democraten, het is wel heel herkenbaar. De serie wordt soms gezien als politiek naief omdat Nyborg nogal amateuristisch is en er vaak alleen voor lijkt te staan, maar Nederlandse politici zijn allemaal amateurs. Tegelijkertijd volgt het plot de jonge journaliste Fonsmark, wiens carriere een plotseling sprong maakt. Zij probeert haar onafhankelijke journalistieke positie te beschermen tegen de druk van de politieke macht en niet altijd welwillende collega’s. Ze worden verbonden door Kasper Juul, de sluwe spindokter van de premier: een echte machtspoliticus die prachtige speeches kan schrijven en die een relatie had met Fonsmark.

De serie is gemaakt door de makers van The Killing, een politiethriller. En dat is het enige nadeel: er is een grote neiging om lijken naar beneden te gooien als een soort Deus Ex Machina. De serie opent met de politiek assistent van de liberale premier die sterft in de kamer van Fonsmark (met wie hij een relatie heeft) en voor zijn baas belastend bewijs achterlaat voor Juul om te vinden. En zo zitten er wel meer weinig realistische thriller-achtige twists en turns in.

Veel realistischer is de weergave van de relatie tussen seks en macht. De premier en haar man groeien uit elkaar: hij moet zijn carriere opgeven voor haar. Zij heeft het veel te druk om intiem te zijn met hem. Het huwelijk valt uitelkaar: niets geen spannende one-night-stands maar een opdrogend huwelijk.

We zien een prachtig en herkenbaar beeld van politiek achter de schermen in een parlementair stelsel. Hierin probeert de premier trouw te blijven aan haar sociaal-liberale idealen, terwijl de media en haar coalitiepartners dat proberen te dwarsbomen. Een prachtige serie dus, het enige probleem is dat de schrijvers denken dat ze bovenop alle politiek ook nog een extra dramatisch plot nodig hebben, dat niet bijdraagt aan het politieke verhaal.

In Conclusion

De meest realistische films zijn de historische drama’s. Het minst realistisch zijn volgens mij Vox Populi en The Manchurian Candidate. Het meest idealistisch zijn The Contender en The West Wing. Een hele serie films en series zijn uitermate cynisch. Het spannendst is The Contender, samen met Primary Colors, Ides of March en House of Cards. Daarin kan je echt niet voorspellen hoe het plot zich ontwikkeld. Commander in Chief, Yes, Prime Minister/Sorry, Minister en Vox Populi zijn aanzienlijk voorspelbaarder. Dat geeft een tie aan de top (The Contender/The West Wing) en een duidelijke verliezer: Vox Populi.

Deense uitslag ruimtelijk in beeld gebracht

Het mooie aan landen met een districtenstelsel is dat je de geografische verschillen in stemgedrag ruimtelijk kan weergeven. De recente Deense verkiezingen lenen zich hier mooi voor. Is het zo dat bepaalde partijen het in bepaalde districten het beter doen?

Denenmarken, als geheel, is verdeeld in 12 districten: de hoofdstad Kopenhagen heeft er twee, de grote eilanden Sjaelland en Fyns zijn districten, en het vaste land Jutland is in gedeeld in vier districten. De eiland(engroepen) Bornholm, Groenland en de Faeroe-eilanden hebben allemaal twee zetels maar zijn zo klein dat ze uit de analyse zijn gelaten.

In Denenmarken zijn er acht partijen: de Sociaal-Democraten (A – denk PvdA), de Liberalen (V – denk VVD), de rechts-populisten (O – denk PVV), de sociaal-liberalen (B – denk D66), de progressieve socialisten (F – denk GL), de verstokte Marxisten (Oe, denk SP), de conservatieven (C – denk CDA) en de klassiek-liberalen (denk I rechterkant D66/progressieve kant VVD).

Hoe verhouden deze partijen zich tot de districten? In Kopenhagen stad doen de linkse F en Oe, en de sociaal-liberale B het goed. In totaal gaan hier twee-derde van de stemmen naar links. Zonder Kopenhagen had links geen minderheid gehaald. In Nordsjaelland, de agglomeratie rond Kopenhagen doet B, het conservatieve C en de klassiek-liberale I het goed. De hogere opgeleide meer urbane bevolking rond Kopenhagen stemt anders dan het vasteland: daar doen de volkspartijen het goed en hier staan een veelvoud aan andere partijen sterk. Opvallend is dat in de stad Kopenhagen links er beter voor staat en de omliggende suburbanisatie rechts. Het sociaal-democratische A doet het hier ook aardig maar staan er aanzienlijk beter voor op het relatief dicht-bevolkte eiland Fyns en in het meer rurale Noorden van het vasteland. In ieder van de kleine eilanddistricten halen de sociaal-democraten en hun zusterpartijen een van de twee zetels op.

De twee grootste partijen van rechts doen het juist aanzienlijk beter op het vasteland. De liberalen halen de grootste steun uit het rurale Westen van het vasteland en de populisten in het rurale zuidelijke Duitse grensdistrict, Zuid-Jutland, het Noorden van Sleswig. Een interessante parallel tussen O en de PVV is dat ze het allebei goed doen in (zuidelijke) grensdistricten, die niet altijd tot het Koninkrijk behoort hebben. Maar ik weet niet of we hier te veel in moeten lezen.

Dit zorgt ervoor dat er een vrij sterke verdeling is tussen de partijen die sterker staan in de hoofdstad en de agglomeratie (Oe, I, F, C en B) en die partijen die sterker staan op het platte- en vasteland van Jutland (A, O en V). Dit is de lijn in het figuur die met name de horizontale as volgt. In de verticale verdeling vinden we een onderscheid tussen de burgerlijke partijen (C, O, V, I en B) en de arbeiderspartijen (Oe, A en F), een centraal onderscheid in de Scandinavische politiek.

Het Deense Voorbeeld

Ons kabinet, een minderheidskabinet van liberalen en conservatieven, gesteund door xenofobe populisten is niet Made in Holland. Zoals Nederlands links graag naar Scandinavie kijkt als voorbeeld voor onze verzorgingsstaat, laat Nederlands rechts zich graag inspireren door Denenmarken waar het gaat om de politiek.

Maar eergisteren is er een eind gekomen aan de gedoogconstructie in Denemarken: de gedoogpartners waren elkaar zat en de kiezer was rechts ook zat. De conservatief liberale partij Venstre (V), de Conservatieve Volkspartij (C) en rechts-populistische Deense Volkspartij (O) hadden een krappe meerderheid van 89 zetels van de 175.* Hiermee konden ze allerlei rechts beleid, zeker wat betreft immigratie, door de kamer heen duwen. En nu heeft links, de Sociaal-Democraten (A), de sociaal-liberale Radikale Venstre (B), de Socialistische Volkspartij (F) en de extreem-linkse alliantie Eenheidslijst (Oe) een meerderheid. Ironisch genoeg is V nu drie zetels kleiner dan A, maar in Denenmarken telt niet wie het grootste is, maar welk getal er op de eindstreep staat: haalt het linkse blok (BAFOe) of het rechtse blok (VOC) een meerderheid?

De gemiddelde linkse Nederlander ziet deze ontwikkeling met plezier aan: we hoeven maar 10 jaar onze internationale reputatie te grabbel te laten gooien en onze verzorgingsstaat te laten ontmantelen, en dan gunt de kiezer rechts geen meerderheid meer.

De vraag is dus hoe we de verkiezingen precies moeten begrijpen; wat wij als Nederlanders ervan kun leren. In Denenmarken zijn er zeven partijen in het parlement, die sterk op de Nederlandse partijen lijken: de extreem-rechtse PVV-O, de conservatief-liberale VVD-V, de conservatieve CDA-C, de sociaal-democratische PvdA-A. Aan de linkerkant is het allemaal wat complexer: de SP en GroenLinks lijken in meer of mindere mate op de partijen Oe en F. GroenLinks is net als F een meer pro-Europese bestuurlijk-georienteerde partij, en de SP is als Oe Euroskeptischer en radicaler. F is echter, net als de SP harder over migratie, waar Oe softer over migratie, net als GL. Net als GL is de Oe ontstaan als een samenwerkingsverband van linkse partijen. De Deense D66 B is in 2007 gesplitst in twee partijen, de meer sociaal-liberale B en de meer klassiek-liberale Liberale Alliantie (I), die niet wil samenwerken met links, maar rechts een alternatief wil bieden voor samenwerking met O.

De linkse meerderheid is het niet overal over eens: Oe is zeer links op economische onderwerpen terwijl B meer centristische, hervormingsgezinde posities in neemt op economische onderwerpen. B en Oe zijn progressief wat betreft migratie, terwijl A en F zich gevoeliger hebben getoond voor de nationalistische kritiek op migratie. Deze partijen hebben zich uit politiek opportunisme in de laatste jaren steeds conservatiever opgesteld. Luisteren naar de burger, problemen serieus nemen, en afstand nemen van de eerder gevoerde multiculturele lijn. A is nu de minst multiculturele sociaal-democratische partij van Europa. Het zal dus lastig worden om een kabinet te vormen.

Maar deze verschillen bieden ook een interessant inzicht in de aard van de verkiezingsuitslag. Ik heb geprobeerd om op basis van intuitie de zeven partijen in te delen op deze twee dimensies (migratie en economie). Omdat ik de Deense taal niet genoeg machtig ben, kan ik de partijen niet precies scoren op allerlei dimensies. De hieronder geprestenteerde data is dus ook impressionistisch van aard.

Opvallend is dat de grote verschuivingen niet zitten op de links/rechts as maar op de migratie-as. Oe en F zijn zeer links. In 2007 haalden deze partijen samen 27 zetels, en nu 28 zetels. A is centrum-links en blijft stabiel op de 44-45 zetels. Aan de rechterkant is er meer verschuiving maar niet zeer veel. B heeft net als het Nederlandse D66 een centrum/centrum-rechts programma. C en O ook, Dit blokje heeft vijf zetels verloren, terwijl de economisch zeer rechtse I en V samen 56 haalden (+5). Dit geeft een stabiele balans weer: economisch links en rechts blijven in balans. De positie van B, die centristische economische posities combineert met progressieve posities op culturele onderwerpen zorgt ervoor dat de balans in termen van allianties wel veranderd is. Op de culturele dimensie is er een heel andere proces te zien: gematigde en extreme conservatieven (OCV) en gematigde progressieven (AF) hebben allemaal zetels verloren. De centrumpartijen nog het meest: A en F 8 zetels en C en V 9. Alleen de extreme progressieven die voorstander zijn van een Denenmarken dat open staat voor migranten hebben de verkiezingen gewonnen. Ze wonnen ruim 20 zetels. Voor I en Oe zijn dit de beste uitslagen ooit

Ik zou de uitslag van de Deense verkiezingen niet begrijpen in termen van economische ontwikkelingen: de Denen hebben geen stap naar links gemaakt. Deze analyse impliceert in economisch opzicht links en rechts min-of-meer in balans zijn gebleven. Het enige blok dat veel heeft gewonnen zijn de economisch zeer rechtse I en V. De analyse toont dat het juist de cultureel progressieve partijen hebben gewonnen. Je zou deze uitslag dus kunnen begrijpen als een verzet tegen het gevoerde migratie en integratie beleid. Niet F en A hebben gewonnen, linkse partijen die een gematigd-kritisch geluid laten horen over migratie, maar linkse, centrum en rechtse partijen die voorstander zijn van het echt openen van de grenzen van Denenmarken. Zij werden beloond voor hun consistente progressieve, multiculturele politiek.

Welke lessen kan de Nederlandse oppositie hiervan leren?

  1. Er is ruimte voor een progressief-rechtse partij in Denenmarken dus misschien ook in Nederland. D66 kan een stuk naar rechts;
  2. Sociaal-democratische partijen zitten in een tang: als ze stemmen proberen terug te winnen in volkswijken door conservatiever te worden op migratie, verliezen ze progressieve kiezers aan partijen die multicultureel blijven; als ze hun positie niet zouden veranderen worden ze leeg gegeten door populistisch rechts.
  3. En 10 jaar is de maximum duur van het minderheidskabinet, dus we hoeven nog maar 9 jaar te wachten.

* Er zijn technisch gezien 179 zetels in het Deense parlement naast de 175 Deense zetels, 2 zetels uit Faroe en 2 zetels uit Groenland. Hiervan neigen er 3 naar links en 1 naar rechts. Hiermee kan links op een meerderheid van 92 zetels rekenen, maar die bestaat wel uit zeven partijen die verdeeld zijn over migratie, economie en de relatie tussen Europees en Atlantisch Denenmarken.