Machtsrelaties in het parlement

Waarom heeft de Nederlandse Tweede Kamer 150 leden? En waarom heeft San Marinese parlement (met ongeveer 2% van de inwoners) er 60? Het lijkt af te hangen van historisch toeval: in Nederland hebben we 150 Tweede Kamerleden. In 1956 is dat gewijzigd omdat er aantal leden regelmatig in Straatsburg zaten. Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden heeft 435 leden. Dat is in 1911 toevallig vastgesteld.

En toch, ik heb er al eerder over geschreven, is er een opvallend patroon: hoe groter het land, des te groter het parlement. De meest voor de hand liggende verklaring is het aantal inwoners van een land. Grotere landen hebben grotere parlementen. Een land als Palau (21 duizend inwoners) heeft een Tweede Kamer met 16 leden. China (1,3 miljard inwoners) heeft een Nationaal Volkscongres met drie duizend leden.

Lineaire relatie
In figuur 1 kunnen we de relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal leden van het lager huis in alle 190 lidstaten van de Interparlementaire Unie. We kunnen hier een lineaire relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal Kamerleden. Ieder parlement heeft 150 leden en voor iedere 700 duizend inwoners komt er een Kamerlid bij. Met 16 miljoen inwoners zou Nederland dus ongeveer 175 Kamerleden hebben. 55% van de Kamerzetels wordt correct voorspeld. Maar de relatie wordt vrij zwaar gedomineerd door India en China die outliers zijn. Want eigenlijk liggen alle andere landen in het gebied ‘klein & weinig Kamerleden’.

Vijf lineaire verbanden
We kunnen deze logica, waarbij we de data opsplitsen in verschillende gebieden verder toepassen: ik heb alle landen opgesplitst in vijf segmenten naar aantal inwoners. Als we van micro-staten naar de grootste landen gaat neemt iedere keer de hellingsgraad van de lijn af: 3.7 Kamerleden per inwoner voor de micro-staten (onder 2 miljoen inwoners); 1.5 Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder 7.5 miljoen inwoners); 0.75 Kamerleden per inwoner in de middengroep (onder 25 miljoen inwoners); een half Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder de 100 miljoen inwoners); en een tiende Kamerlid per inwoner. Een land als Nederland heeft 100 Kamerleden en krijgt er dus 0.75 per Kamerlid bij: samen 225.
Er lijkt dus een convex curvilineair verband te zijn: naar mate het aantal inwoners toeneemt, daalt het effect van inwoners op het aantal Kamerleden.
Deze figuur 2 ziet er mooi en kleurrijk uit, maar er zijn twee problemen met deze methode: ten eerste zijn er wel erg weinig landen per blok om een analyse op te baseren, daardoor wordt de analyse onzeker. Ten tweede, verschilt de verklarende kracht van de modellen sterk, omdat sommige gebieden diverser zijn dan anderen.

Curvilineair verband
Een manier om in de sociale wetenschappen een curvilineair verband te modelleren is met een polynominale relatie. Deze is weergegeven in figuur 3. Deze lijn verklaard 86% van de Kamerzetels. Volgens dit model zou een land als Nederland 185 Kamerleden moeten hebben. Dat lijkt dus mooi. Maar volgens dit model zouden landen met meer dan 400 miljoen inwoners, een negatief aantal Kamerleden moeten hebben. Boven de 1.2 miljard inwoners schiet de lijn plotseling weer boven de nul, toevallig ongeveer evenveel inwoners als India en China hebben. Dus deze relatie heeft veel verklarende kracht, maar is eigenlijk in een absurdistische jojo.

Machtsrelatie
We kunnen een curvilineaire relatie ook benaderen als een power law of een machtsrelatie. Dit wordt vaak gebruikt in de natuurkunde als de data over verschillende ordes van grootte heen omvat. In figuur 4 is een curvilineaire relatie geplot in een figuur met twee logaritmische schalen, met twee logaritmische schalen lijkt een curvilineaire relatie lineair. De relatie is vrij simpel: Kamerleden = (Inwoneraantal ^ 0.4)/3
Dit model omvat de data mooi: 80% van het aantal Kamerleden kan hierdoor verklaard worden. Bovendien zitten er geen contra-intuitieve elementen aan: alle datapunten ligt in een band om deze lijn. Een land als Nederland zou 200 Kamerleden hebben.

Andere factoren
Nu we een passend model hebben, kunnen we wat toeters en bellen toevoegen aan ons model. De oplettende lezer dacht misschien al: waarom hebben we het alleen over leden van lager huizen en niet over leden van het hoger huis? Zijn die parlementen kleiner? En hoe zit het met dictaturen? Of federaties?
Als een land een hoger huis heeft, is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 14% lager. De extra Kamerleden in het hogere huis, zorgt dus voor minder Tweede Kamerleden. Als een land een democratie is (een land met een Freedom House score ‘Free’), is het aantal Kamerleden gemiddeld 13% lager. Dat lijkt raar, maar als er in een parlement echt belangrijke beslissingen neemt, dan moet er wel efficient vergaderd kunnen worden. Een working parliament kan niet te groot zijn. In een federatie is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 10% lager: als er minder in de hoofdstad besloten hoeft te worden, dan zijn er minder mensen nodig. Nederland als democratische eenheidsstaat met een tweekamerstels en 16 miljoen inwoners heeft gemiddeld ongeveer 175 Kamerleden.
Al met al, hebben deze factoren wel een effect, maar het valt in het niet met het effect van aantal inwoners.

Concluderend
De relatie tussen burgers en Kamerleden is een machtsrelatie. Dat is de relatie kan beschreven als een power law: voor iedere inwoner komt er aantal Kamerleden bij, maar het effect van inwoner per inwoner neemt af naar mate het aantal inwoners toeneemt.
Als u dit hele stuk heeft doorgeploegd, vraagt u zich misschien af: so what? Laat ik daar drie dingen over zeggen: ten eerste, zegt het aantal Kamerleden dat er per burger is iets over de kwaliteit van de democratie. Wouter Veenendaal heeft in een recent proefschrift laten zien dat een te kleine kloof tussen burger en politiek ook niet goed is. Maar naar mate het aantal inwoners toeneemt, wordt de kloof ook groter.
Ten tweede, de reden dat er een grens ligt aan het aantal Kamerleden is efficiency. Je kan maar met zoveel mensen efficient vergaderen. Er lijkt een harde bovengrens te zijn: alleen China heeft meer dan 800 Kamerleden.
Ten derde, ik vond de recente brief van minister Plasterk (… en Koninkrijksrelaties/PvdA) waarin hij het voorstel om het aantal Tweede Kamerleden terug te brengen naar 100, terug trekt, wat summier. Bij deze dus: als je in internationaal vergelijkend verband kijkt, dan zou het aantal Kamerleden in Nederland niet teruggebracht moeten worden maar met 25 tot 75 Kamerleden uitgebreid.

“Links wint de verkiezingen glansrijk”

Wat keken we allemaal raar op van dat Italiaanse kiesstelsel gisteravond. Zo’n systeem is alleen maar bedacht om Berlusconi aan de macht te houden, twitterden sommige. In principe heeft het Italiaanse kiesstelsel een helder doel: een stabiele meerderheidsregering produceren. Dat het nu niet gelukt is, laat misschien zien dat niet altijd even goed werkt, maar dit was ook een vrij opmerkelijke uitslag.

Als we het systeem toepassen op de Nederlandse verkiezingen van 2012 dan wordt het misschien allemaal wat helderder. Aan de Nederlandse verkiezingen deden twintig partijen mee. Daarvan zaten er een aantal in coalities (ik kijk naar de Nederlandse lijstverbindingen): er was een links blok van GroenLinks, SP en PvdA (“Het Eerlijke Verhaal”) en een Christelijk blok van ChristenUnie en SGP (“Voor de Verandering”).

De uitslag in stemmen, de Tweede en Eerste Kamer

Voor de Tweede Kamer gelden twee regels: de partij of coalitie die de meeste stemmen haalt, krijgt 55% van de zetels (82 zetels). De overige 68 zetels worden proportioneel verdeeld tussen de andere partijen en coalities.

Met 37% van de stemmen is de linkse coalitie van Diederik Samsom overtuigend de grootste. Ze laten de VVD met 27% ver achter hun. Ze krijgen dus 82 zetels.

De overgebleven zetels worden evenredig verdeeld tussen de andere partijen met een bijzondere kiesdrempel. Voor coalities geldt een kiesdrempel van 10%. De coalitie van ChristenUnie en SGP krijgt 5% van de stemmen. Ze worden nu geteld als onafhankelijke partijen. Daarvoor geldt een kiesdrempel van 4%, die geen van beiden haalt. De VVD wel. De liberalen krijgen 34 zetels. De PVV 13, CDA 11 en D66 10. De andere deelnemende partijen geen.

Binnen de coalitie worden de zetels evenredig verdeeld met een kiesdrempel van 2%. Alle partijen van de coalitie “Het Eerlijke Verhaal” halen die. De PvdA krijgt 56 zetels, de SP 21 en GroenLinks 5.

De Senaat wordt op dezelfde manier verdeeld, maar dan niet nationaal maar per provincie, waarbij iedere provincie een aantal zetels heeft dat evenredig is aan het inwoneraantal. De BES-eilanden hebben een zetel, Zuid-Holland 14. In Italie ligt de complexiteit er nu in dat in verschillende regio’s verschillende partijen sterk staan. Maar in Nederland wint “Het Eerlijke Verhaal” in alle provincies een meerderheid. Dat betekent dat ze 43 zetels verzamelt. De rest van de zetels wordt evenredig per regio verdeeld tussen de deelnemende partijen en coalities, waarbij een kiesdrempel geldt van 20% voor allianties en 8% voor partijen. De VVD krijgt 18 zetels, de PVV en CDA 5 en D66 4.

Binnen de coalitie geldt een kiesdrempel van 3%. Dat halen PvdA en SP overal, maar GroenLinks alleen in Utrecht en Noord-Holland. Maar daar is 3% niet genoeg voor een zetel. SP en PvdA verdelen de senatoren: 32 voor de PvdA en 11 voor de SP.

Dat levert een stabiele coalitie op van PvdA, SP en GroenLinks die gezamenlijk een helder links programma kunnen uitvoeren. De PvdA levert de premier (Samsom) en de ministers van Buitenlandse Zaken (Timmermans), Justitie (Asscher), Defensie (Ploumen), Financien (Dijsselbloem), I&M (Mansveld), OCW (Bussemaker) en VWS (Klijnsma). De SP levert drie ministers: de minister van SZW, tevens vice-premier (Roemer), Binnenlandse Zaken (De Wit) en Ontwikkelingssamenwerking (Van Velzen). GroenLinks levert een minister, die van Economische Zaken (namelijk: energie, landbouw en natuur) in de persoon van Sap. Zoals Samsom heeft beloofd, bestaat het halve kabinet uit vrouwen.

En dat is precies wat het Italiaanse kiesstelsel zou moeten opleveren: een meerderheid in het parlement met een helder mandaat die zo haar beloften uit kan voeren.

Wat is goed politiek drama?

Goed politiek drama slaat een ongemakkelijke balans slaan tussen drie dingen: politiek realisme, een intrigerend plot en meeslepend politiek idealisme. De schets van hoe politiek werkt, moet kloppen, anders gaat het wringen. We zetten de televisie uit als het niet klopt. Maar wil een politiek drama ons meenemen, dan moet er iets gebeuren, we moeten mee genomen worden in een verhaal. Politiek biedt daar mooie mogelijkheid voor: grote belangen, slimme strategen en intrige op het hoogste niveau. Ten slotte wordt een politiek drama alleen echt interessant als we ons met de karakters kunnen identificeren: als zij zich vol idealisme inzetten voor een betere wereld. Ik wil vanuit dit perspectief naar een aantal verschillende politieke drama’s kijken.

Ideal(istisch)e Politici

The West Wing (1999-2006, wiki, een van de vele prachtige scenes) is de touch stone van political drama. Het volgt President Bartlet, de ideale president: een man met de charme van Clinton, de intelligentie van Keynes en de compassie van Carter. Het team om hem heen, zijn woordvoerders, chief of staff, en speechwriters, doen hun best om van dit Presidentschap een succes te maken. De politieke realiteit is weerbarstig, de Democratische President staat tegenover een Republikeins Congres. Ze weten politieke successen te boeken, maar moeten nationaal en internationaal tegenslagen weerstaan. Alle politici hebben het hart op de juiste plek, maar moeten soms vuile handen maken om meerderheden voor hun wetten te vinden en om de wereld veilig te houden. De serie is geprezen om het realistisch beeld dat het geeft van het Amerikaanse politieke stelsel. De serie komt het meest op gang in de laatste seizoenen als de focus wordt verlegd naar de race om het presidentschap tussen een oude, maar onafhankelijk denkende Republikein en een jonge Democratische kandidaat met een etnische afkomst. Vier jaar voor de verkiezing van Obama weet de serie een boel correcte voorspellingen te doen: zelfs de voorspelling dat de Democratische kandidaat uiteindelijk een tegenstrever zou kiezer voor de post van Secretary of State.

Ik denk dat de grote kracht van The West Wing ligt in de combinatie van twee dingen: een realistisch beeld hoe politiek in Amerika eigenlijk werkt, een aanstekelijk politiek idealisme van de hoofdpersonen die geloven dat ze het land de goede kant op kunnen krijgen. Maar het geniale schrijf- en camerawerk maakt het af: door de snelle dialogen en voortdurend bewegend opgenomen scenes wordt je meegezogen in een dynamische politieke wereld die je wel moet volgen. Het enige minpunt is het overall plot: in de eerste seizoenen zijn er veel “political problem of the week”-afleveringen, het grote plot komt pas met de onthulling dat de President ziek is, maar dit niet heeft vertelt. De makers probeerden een Lewinsky-achtige affaire in hun verhaal te verweven: een President die liegt en daarover verantwoording moet afleggen, en zo zijn presidentschap zwaar beschadigt, maar daar zit een stuk minder intrige achter dan je zou verwachten. In de latere seizoenen de race om The White House, niet zo zeer spannend maar wel enthousiasmerend.

Commander-in-Chief (2005-2006, wiki, eerste scene) probeert het succes van The West Wing te kopieren: een onafhankelijke vice-president van de Verenigde Staten wordt president als de Republikeinse president doodgaat. Ze vindt een vijandig Congres tegenover zich en woelt zich door familieproblemen. Ik heb al eerder geschreven dat deze serie een slechte kopie is.

Seks en Politiek

De Lewinsky-affaire is een grote inspiratie voor filmmakers, veel zoeken de relatie op tussen seks en politiek: de nieuwe film The Ides of March (2011, wiki, trailer) van George Clooney verslaat de primary-verkiezing van een linkse Amerikaanse presidentskandidaat door de ogen van een van zijn jonge, ambitieuze, idealistische aides: die stuit op een politieke schandaal. De kandidaat heeft een kind verwekt bij een campagnemedewerker. De aide helpt de medewerker bij een abortus, maar de druk wordt haar te veel: ze pleegt zelfmoord. De aide gebruikt die informatie uiteindelijk om zelf zijn positie in de campagne zeker te stellen. De film lijkt sterk op Primary Colors (1998, wiki, trailer). De plotten vallen min-of-meer samen: een seksueel schandaal, een aide die het geheim houdt. En zo verliest een jonge politicus zijn naiviteit. De herhaling van deze verhalen is ook niet raar, want President Clinton werd door zulke seksuele schandalen achter volgt. Het fundamentele verschillen tussen de twee verhalen is dat in The Ides of March iedereen alles voor zijn eigenbelang inzet, in Primary Colors komt de politieke volwassenwording heel hard aan, maar verandert de naieve jongeling niet in een slag in een berekende Machiavelli. Dat geeft duidelijk een plus aan Primary Colours voor realisme en idealisme.

The American President (1995, wiki, trailer) geeft een veel romantischer beeld van de verhouding tussen macht en liefde. The American President gaat over de opbloeiende relatie tussen de Democratische Amerikaanse President, een wedunaar, en een milieulobbyiste. Hun liefde komt onder politieke druk te staan als het wordt gebruikt door de Republikeinen die het als een test zien van de moraliteit van de president. Uiteraard: in deze romantische komedie overwint de liefde alles. De waarheid over macht en liefde zal wel ergens tussen de cynische thriller Ides of March en de zoetsappige romantische komedie The American President in liggen. Het meest interessante aan deze flim is dat hij vier jaar voor The West Wing is gemaakt en dat een aantal acteurs op opvallende plaatsen opduiken: President Bartlet is nu Chief of Staff.

The Contender (2000, wiki, trailer) focust op ook een seksschandaal, dat weer wordt gebruikt als de toetssteen van de moraliteit van een Democratische politicus: nu van de eerste vrouwelijke kandidaat-vice-president van de Verenigde Staten. De kandidaat wordt door de Republikeinen ervan beticht tijdens haar studietijd seks te hebben gehad om lid te worden van een studentenvereniging. De kandidaat zwijgt. Dit brengt haar kandidatuur in groot gevaar. We komen erachter dat ze het niet heeft gedaan, maar dat ze vindt dat politiek hier niet over mag gaan. Een klassieke clash tussen het idealisme van een Democratische kandidaat en het cynisme van het Republikeinse establishment. Maar geeft een realistisch beeld van hoe schandalen worden gebruikt om kandidaten te breken.

Post-Lewinsky cinema kunnen we het wel noemen. Maar ook andere recente gebeurtenissen hebben ook hun weerslag gehad: de legendarische presidentschappen van Nixon en Kennedy zijn ook verfilmd.

Historisch Realisme

The Kennedys (2011, wiki, trailer) reconstrueert de Amerikaanse politieke machine: de Kennedys. Vader Joe Kennedy heeft maar een ambitie: zelf President van de Verenigde Staten worden. Als dat niet lukt, concentreert zijn ambitie zich op zijn oudste zoon. Als die omkomt in de Tweede Wereldoorlog, dan richt hij zich op zijn een-na-oudste zoon: John F. Kennedy. Kennedy heeft dezelfde krachten en zwakten als zijn vader: een politiek genie, maar in de relatie met vrouwen uitermate onbetrouwbaar. Alle middelen, inclusief keiharde verkiezingsmanipulatie, worden ingezet om verkozen te worden: zelfs de maffia steunt hen. JFK schopt het tot president. We volgen het presidentschap van Kennedy: statesmanship in de Cuban Missle Crisis (ook mooi verslagen in Thirteen Days (2000, wiki, trailer)). De communicatie tussen de wereldleiders gaat in punten en komma’s van officiele verklaringen. En uiteraard het politiek idealisme in de strijd tegen segregatie. We weten dat het presidentschap van Kennedy bloedig eindigt. Zijn broer Bobby neemt de fakel over en betaalt dat ook met zijn leven.

Over het realisme van zulk politiek drama wordt vaak gezeverd: maar dat gaat over kleine details. Het algemene beeld van politiek dat er geschetst wordt klopt. De Kennedys werden gedreven door hun ambitie om seksuele en politieke veroveringen te boeken en om Amerika iets eerlijker te maken. Daarvoor waren alle middelen geaccepteerd. De nationale politieke realiteit blijkt weerbarstig, maar de internationale politieke realiteit is nog weerbarstiger. We delen de politieke ambities van de Kennedys in de strijd tegen segregatie, maar de alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit gaat soms te ver.

Een alle middelen zijn geaccepteerd-mentaliteit staat ook centraal in All the President’s Men (1976, wiki, trailer) dit volgt de journalisten die het Watergate schandaal ontdekten. Het is misschien niet zozeer een politiek drama als een journalistieke thriller. Ze stuiten via een simpele inbraak in een hotelcomplex op een samenzwering rond de Republikeinse Amerikaanse president Nixon om met het  Democratische hoofdkwartier af te luisteren. Om hun macht te behouden zijn politici tot alles in staat. De journalisten zijn echter oprecht op zoek naar de waarheid … en een goed politiek verhaal. In Frost/Nixon (2008, wiki, trailer) legt Nixon verantwoording af bij de journalist Frost. De interviews hebben echt plaats gevonden, maar de verfiliming geeft de context realistisch weer: een sluw politiek genie die een tweede rangs-journalist wil gebruiken om zijn onschuld te bewijzen, en een jonge journalist die zich graag wil bewijzen door een zo groot mogelijke scoop te halen.

Het grote nadeel van zulke films is dat we het einde al weten: je weet dat in de laatste scene van The Kennedys RFK wordt doodgeschoten, je weet dat de wereld niet is vergaan tijdens de Cuban Missiles Crisis en je weet dat, hoe hij het ook probeert te ontkennen, Nixon een crook is.

Maar ook de recente geschiedenis inspireert: Too Big to Fail (2011, wiki, trailer) verslaat een episode uit de Amerikaanse bankencrisis, namelijk hoe in een heel korte tijd de grote banken van Amerika gered moeten worden (het is zo een interessant zusje van de financiele thriller Margin Call (2011, wiki, trailer) over de nacht dat een bank instort). Too Big to Fail geeft een mooi inzicht in hoe de besluitvorming loopt: met niet-meewerkende bankiers, eigenwijze senatoren en grote belangen.

Brits Cynisme

De Amerikaanse politiek staat uiteindelijk veraf van wat wij in Europa gewend zijn: een parlementair stelsel met een premier en onafhankelijke professionele bureaucratie. Politici hebben niet het vermogen om de wereld te veranderen, noch de intelligentie daarvoor. Politiek is wat er gebeurt op televisie, terwijl ambtenaren de dienst uit maken. Dat is in elk geval de indruk die we krijgen van de Britse serie Yes, Minister/Yes, Prime Minister (1980-1984, wiki, een klassieke scene). Dit is een klassieke Britse sitcom uit de jaren ’80: een catchphrase, hoge grapdichtheid en niet meer dan drie karakters: de politicus die denkt hij iemand is, maar dat niet is, de sluwe topambtenaar en de aangever, de persoonlijke secretaris van de minister. Maar daar achter zit een cynisch-realistisch beeld van de politiek. Een minister weet in een periode van vier jaar niets te bereiken, de echte macht ligt bij de honderden ambtenaren die er jaren zitten, en in het bijzonder de topambtenaren. Het was de favoriete serie van de toenmalige premier Margaret Thatcher zelf, die een even cynisch beeld had van de overheid.

De VPRO heeft, overigens, recentelijk geprobeerd de serie te kopieren, zonder succes (Sorry Minister, 2009, wiki, een overduidelijk gekopieerde scene).

Nog cynischer dan Yes (Prime) Minister is de serie House of Cards (1990, wiki, klassieke scene), To Play the King (1993, wiki, nog zo’n klassieke scene) en The Final Cut (1995, wiki, een laatste klassieke scene). Ik schreef hier al eerder over. Het volgt de fictieve politieke carriere van Francis Urquhart (F.U.) een machiavellistische politicus. Urquhart wil alles doen om zijn macht te vergroten. In House of Cards elimineert hij een-voor-een zijn mogelijke concurrenten als conservatieve partijleider door seksschandalen te creeeren en reputaties van mensen te vernietigen. Het kost uiteindelijk het leven van zijn politieke assistent. Urquhart begint een relatie met een jonge journaliste die geintrigeerd is door het charisma van de macht. Ze komt achter zijn plannen. Urqhart vermoordt ook haar. In To Play the King is Urquhart premier geworden aan gaat hij de strijd om de macht aan met de idealistische koning, die zich verzet tegen het rechtse beleid van de regering. Urqhart dwingt hem uiteindelijk af te treden voor zijn nog zeer jonge zoon. In The Final Cut probeert Urquhart zijn pensioen zeker te stellen door in de laatste dagen van zijn premierschap een oliedeal te regelen waar hij zelf voordeel van heeft. Als dit dreigt uit te komen, laat zijn vrouw, die in de hele serie een soort Lady Macbeth is geweest, hem vermoorden om zijn reputatie te bewaren. Dit niveau van intrige gaat veel verder dan echte politiek, of zelfs de Amerikaanse politieke thrillers. Waar in het begin de kijker, net als de jonge journaliste geintrigeerd is door de machtpoliticus Urquhart, eindigt hij als een karikatuur. Deze triologie is een interessante studie van absolute macht, maar staat wel ver van de politieke realiteit.

Blair werd voor 2003 gezien als een politicus van een ander slag dan de cynische conservatieven. Een man die als geen ander kan communiceren, mensen enthousiast kan maken voor een progressief verhaal. In het drieluik The Deal (2003, wiki, laatste scene), The Queen (2006, wiki, trailer) en The Special Relationship (2010, wiki, trailer) zien we hoe Tony Blair, een jonge ambitieuze hervormer, begint aan een politieke carriere onder mentorschap van de norse Gordon Brown, die door Blair wordt gezien als de natuurlijke partijleider. Hij groeit uiteindelijk boven Brown uit. Blair kan premier worden. De relatie verzuurt: in de politieke realiteit is The Deal nodig tussen de twee. Eerst acht jaar Blair, dan de kans voor Brown. The Queen begint met het aantreden van Blair, die zich tegenover de Britse Koningin moet verhouden. Het opent met een prachtige scene waarin de Koningin een jonge Blair, die net de verkiezingen heeft gewonnen, terecht wijst over het protocol: Blair mag de Koningin niet vragen hem te benoemen als premier. De Koningin moet hem vragen premier te worden. De dood van Prinses Diana is een schakelpunt: Blair weet het publieke sentiment na de dood van Diana veel beter in te schatten dan de koele afstandelijke Koningin. Blair moet de Koningin overtuigen menselijkheid te tonen. The Special Relationship focust op de relatie tussen Blair en Bill Clinton. Clinton nodigt de Blair, als leider van de oppositie uit in het Witte Huis. Hij ziet in Blair een mooie mogelijkheid om een gelijkgezinde centre-left progressive politicus aan de macht te helpen. Clinton geeft Blair advies als hij eenmaal premier is geworden. De twee leiders komen in conflict over Kosovo. Blair wil veel harder ingrijpen dan Clinton. Dat wil hij uit politiek idealisme: de wereld moet vrij worden gemaakt van dictatuur. Hij forceert Clinton, die ondertussen door seksschandalen politiek is verzwakt, om in te grijpen. Twee jaar later is een verzuurde Clinton president af en zoekt Blair een nieuwe relatie met Bush. De politieke kernboodschap van de drie films is dat politiek niet over grote idealen of grote schandalen, maar over persoonlijke relaties gaat. Blair groeit iedere keer als leerling boven zijn meester uit, wat de relaties onder druk zet.

Een aanzienlijk cynischer beeld van het premierschap van Blair spreekt uit uit de Amerikaanse film the Ghost Writer (2010, wiki, trailer). De film gaat over een ghost writer die de memoires moet schrijven van een voormalige Britse premier. De premier, een duidelijke kopie van Blair, was heel populair in eigen land en bij de Amerikaanse regering. Zijn reputatie is echter onder druk gekomen vanwege zijn steun aan de War against Terror. De schrijver komt erachter dat de premier letterlijk door de Amerikanen aan de macht geholpen is: in zijn studietijd is hij gekoppeld aan een vrouw die hem stimuleerde om premier te worden en daar het Amerikaanse belang te dienen. Een vermakelijke speculatie, maar geen diepzinnige politieke analyse. Een soort Manchurian Prime Minister eigenlijk (cf. Manchurian Candidate 1962, 2004, wiki, wiki, trailer, trailer)

Van Eigen Bodem

In Nederland hebben we het ook geprobeerd: politiek drama van onze eigen bodem. Den Uyl en de Affaire Lockheed (2010, wiki, trailer) volgt de Nederlandse premier Den Uyl die probeert een schandaal rond de Kroon te voorkomen. Het conflict tussen de linkse idealen van Den Uyl en de politieke realiteit worden mooi weergegeven door Den Uyl zowel te volgen in zijn eigen familie, waar zijn eigen zoon Den Uyl veroordeelt voor het creeeren van een doofpot en op het Paleis, waar hij keihard met de politieke realiteit wordt geconfronteerd. De affaire en Den Uyl spelen een bijrol in Bernhard, Schavuit van Oranje (2010, wiki, trailer). Dit legt vrij realistisch het politieke leven van Bernhard langs het politieke leven Maxima. Bernhard, geniaal gespeeld door Daan Schuurmans, vindt zichzelf eigenlijk te groot voor Nederland: tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij mee met staatslieden, in het na-oorlogse Nederland wordt zijn positie steeds marginaler. Maar de sluwe vos weet, zo speculeert de serie op basis van het script van Thomas Ross, een laatste zet te maken: hij haalt Maxima naar Nederland om de zwakke kroonprins bij te staan, zoals ook hij ooit naar Nederland is gehaald om de zwakke kroonprinses bij te staan.

Een stuk zwakker is Vox Populi (2008, wiki, trailer). Het volgt de politiek leider van RoodGroen (ja, dat is een heel subtiele verwijzing), Jos Fransen, die in een midlife crisis is beland. Via de nieuwe vriend van zijn dochter komt hij in contact met “gewone burgers”. Hij merkt dat hij het goed doet in de peilingen als hij de taal van deze gewone burgers uitslaat op televisie. Maar daarmee breekt hij wel met zijn eigen politieke programma. De peilingen en zijn affaire met een stagaire slaan hem naar de bol. En uiteindelijk besluit hij te migreren. De film is weinig realistisch: het gaat uit van populistisch idee dat er een kloof tussen burger en bestuur is en dat kiezers naar iedere politicus neigen die daarover heen stapt. Wat de film precies wil zeggen over politiek is mij onduidelijk: het lijkt me eerder een film over een man in een midlife crisis die toevallig politicus is. Het enige interessante is het hoge aantal cameo’s van ‘echte’ politici, journalisten en opiniemakers.

De Burcht

Een Nederlandse The West Wing is er dus niet. Het meest dichtbij komt Borgen (vanaf 2010, wiki, bijbehorende website). Borgen volgt de Deense politica Birgitte Nyborg, die onverwacht premier wordt. We volgen de complexe relaties tussen politici, de media en voorlichters en de reprecussies van politieke carrieres op het thuisfront. Nyborg, de leider van de sociaal-liberale partij Moderate wordt onverwacht premier, als de leider van de grote sociaal-democratische partij en de leider van de grote liberale partij verwikkeld raken in een moddergevecht over politieke schandalen op de laatste dagen van de verkiezingen. Nyborg vormt een minderheidskabinet van groenen, sociaal-democraten en sociaal-liberalen dat soms steun moet vinden bij de uiterste linkse Solidarisk Samling en soms bij de centrum-rechtse Ny Nojre. Binnen de coalitie staan de weinig sympathieke sociaal-democraten, die zich als de natuurlijke machtspartij zien, klaar om Nyborg een dolk in de rug te steken. Het partijenstelsel is overduidelijk gebaseerd op het Deense, maar doet sterk denken aan het Nederlandse stelsel: van rechtse xenofobe populisten tot regenteske sociaal-democraten, het is wel heel herkenbaar. De serie wordt soms gezien als politiek naief omdat Nyborg nogal amateuristisch is en er vaak alleen voor lijkt te staan, maar Nederlandse politici zijn allemaal amateurs. Tegelijkertijd volgt het plot de jonge journaliste Fonsmark, wiens carriere een plotseling sprong maakt. Zij probeert haar onafhankelijke journalistieke positie te beschermen tegen de druk van de politieke macht en niet altijd welwillende collega’s. Ze worden verbonden door Kasper Juul, de sluwe spindokter van de premier: een echte machtspoliticus die prachtige speeches kan schrijven en die een relatie had met Fonsmark.

De serie is gemaakt door de makers van The Killing, een politiethriller. En dat is het enige nadeel: er is een grote neiging om lijken naar beneden te gooien als een soort Deus Ex Machina. De serie opent met de politiek assistent van de liberale premier die sterft in de kamer van Fonsmark (met wie hij een relatie heeft) en voor zijn baas belastend bewijs achterlaat voor Juul om te vinden. En zo zitten er wel meer weinig realistische thriller-achtige twists en turns in.

Veel realistischer is de weergave van de relatie tussen seks en macht. De premier en haar man groeien uit elkaar: hij moet zijn carriere opgeven voor haar. Zij heeft het veel te druk om intiem te zijn met hem. Het huwelijk valt uitelkaar: niets geen spannende one-night-stands maar een opdrogend huwelijk.

We zien een prachtig en herkenbaar beeld van politiek achter de schermen in een parlementair stelsel. Hierin probeert de premier trouw te blijven aan haar sociaal-liberale idealen, terwijl de media en haar coalitiepartners dat proberen te dwarsbomen. Een prachtige serie dus, het enige probleem is dat de schrijvers denken dat ze bovenop alle politiek ook nog een extra dramatisch plot nodig hebben, dat niet bijdraagt aan het politieke verhaal.

In Conclusion

De meest realistische films zijn de historische drama’s. Het minst realistisch zijn volgens mij Vox Populi en The Manchurian Candidate. Het meest idealistisch zijn The Contender en The West Wing. Een hele serie films en series zijn uitermate cynisch. Het spannendst is The Contender, samen met Primary Colors, Ides of March en House of Cards. Daarin kan je echt niet voorspellen hoe het plot zich ontwikkeld. Commander in Chief, Yes, Prime Minister/Sorry, Minister en Vox Populi zijn aanzienlijk voorspelbaarder. Dat geeft een tie aan de top (The Contender/The West Wing) en een duidelijke verliezer: Vox Populi.

Deense uitslag ruimtelijk in beeld gebracht

Het mooie aan landen met een districtenstelsel is dat je de geografische verschillen in stemgedrag ruimtelijk kan weergeven. De recente Deense verkiezingen lenen zich hier mooi voor. Is het zo dat bepaalde partijen het in bepaalde districten het beter doen?

Denenmarken, als geheel, is verdeeld in 12 districten: de hoofdstad Kopenhagen heeft er twee, de grote eilanden Sjaelland en Fyns zijn districten, en het vaste land Jutland is in gedeeld in vier districten. De eiland(engroepen) Bornholm, Groenland en de Faeroe-eilanden hebben allemaal twee zetels maar zijn zo klein dat ze uit de analyse zijn gelaten.

In Denenmarken zijn er acht partijen: de Sociaal-Democraten (A – denk PvdA), de Liberalen (V – denk VVD), de rechts-populisten (O – denk PVV), de sociaal-liberalen (B – denk D66), de progressieve socialisten (F – denk GL), de verstokte Marxisten (Oe, denk SP), de conservatieven (C – denk CDA) en de klassiek-liberalen (denk I rechterkant D66/progressieve kant VVD).

Hoe verhouden deze partijen zich tot de districten? In Kopenhagen stad doen de linkse F en Oe, en de sociaal-liberale B het goed. In totaal gaan hier twee-derde van de stemmen naar links. Zonder Kopenhagen had links geen minderheid gehaald. In Nordsjaelland, de agglomeratie rond Kopenhagen doet B, het conservatieve C en de klassiek-liberale I het goed. De hogere opgeleide meer urbane bevolking rond Kopenhagen stemt anders dan het vasteland: daar doen de volkspartijen het goed en hier staan een veelvoud aan andere partijen sterk. Opvallend is dat in de stad Kopenhagen links er beter voor staat en de omliggende suburbanisatie rechts. Het sociaal-democratische A doet het hier ook aardig maar staan er aanzienlijk beter voor op het relatief dicht-bevolkte eiland Fyns en in het meer rurale Noorden van het vasteland. In ieder van de kleine eilanddistricten halen de sociaal-democraten en hun zusterpartijen een van de twee zetels op.

De twee grootste partijen van rechts doen het juist aanzienlijk beter op het vasteland. De liberalen halen de grootste steun uit het rurale Westen van het vasteland en de populisten in het rurale zuidelijke Duitse grensdistrict, Zuid-Jutland, het Noorden van Sleswig. Een interessante parallel tussen O en de PVV is dat ze het allebei goed doen in (zuidelijke) grensdistricten, die niet altijd tot het Koninkrijk behoort hebben. Maar ik weet niet of we hier te veel in moeten lezen.

Dit zorgt ervoor dat er een vrij sterke verdeling is tussen de partijen die sterker staan in de hoofdstad en de agglomeratie (Oe, I, F, C en B) en die partijen die sterker staan op het platte- en vasteland van Jutland (A, O en V). Dit is de lijn in het figuur die met name de horizontale as volgt. In de verticale verdeling vinden we een onderscheid tussen de burgerlijke partijen (C, O, V, I en B) en de arbeiderspartijen (Oe, A en F), een centraal onderscheid in de Scandinavische politiek.

Is piratenangst terecht of niet?

Bij de laatste deelstaatverkiezingen in Berlijn haalden de Duitse Piratenpartij 9% van de stemmen. Een ongelofelijke uitslag voor deze libertaire pro-transparantie-nichepartij die voor het eerst mee doet aan de deelstaatverkiezingen.

De Duitse Groenen verwachtten een goede uitslag te halen bij de verkiezingen. Renate Kuenast, de voormalig fractievoorzitter van de Groenen in de Bundestag, had zich al kandidaat gesteld voor Regierender Bürgermeister von Berlin. De Groenen bleven steken op 18%. Een goede uitslag maar geen droomuitslag. De uitslag van de Groenen en Piraten lijkt innig aan elkaar verbonden: de Piraten hebben het meeste kiezers gewonnen van de Groenen.

Wat ging er mis voor de Groenen? De deelstaatverkiezingen zijn tweede-orde-verkiezingen. Een kleine nichepartij, als de Piratenpartij, kan dan scoren. Mensen stemmen met hun hart, voor de lol of laten een echt protestgeluid horen. De Zweedse Piratenpartij haalde bij de Europese verkiezingen van 2009 7% van de stemmen en bij de Zweedse verkiezingen van 2010 minder dan 1% van de stemmen. Geen zorgen dus: bij de nationale verkiezingen zullen de Groenen het goed doen.

Of niet? Bij de Zweedse verkiezingen haalden de Zweedse Groenen 7% van de stemmen en bij de Europese verkiezingen 11%. De Groenen zijn net als de Piraten een nichepartij, een protestpartij, een zondagspartij waar mensen met hun hart op stemmen. Als het om de macht gaan dan stem je toch op een gevestigde partij die verantwoordelijkheid kan nemen, en niet op de Groenen.

Of niet? De Duitse Groenen ontwikkelen zich steeds meer in de richting van een regierungsfaehige partij. De eerste Duitse Groene deelstaatpresident, Kretschmann, zit in het zadel in Baden-Wuerttemberg. Ook in Bremen, Saarland, Nordrhein-Westfalen en Rheinland-Pfalz regeren nu Groenen. Meer dan de helft van de Duitsers wordt op het deelstaatniveau geregeerd door Groene coalitie. De Duitse Groenen zijn een gevestigde partij geworden. En daar zit juist het gevaar: “Die Gruenen sind inzwischen doch eine Partei wie alle anderen auch.” zegt een voormalig Groene Piraat. De Piraten winnen omdat de Groenen in de laatste jaren met hun komeetachtige opkomst te ver zijn geraakt van wat ze waren: van een protestpartij, te veel een potentiele regeringspartner; van een radicaal alternatief te veel het redelijk alternatief. Als je oma overweegt Groenen te stemmen, dan is het voor een jonge beatnik niet cool meer. In de wijken waar de Groenen het sterkst staan doen ook de Piraten het het best: kiezers die vroeger tot de kern van het Groene electoraat behoorden, stappen over zeggen analysten.

Of niet? Hebben de Piraten met transparantie misschien het thema te pakken dat als geen ander aansluit bij de huidige tijdsgeest? Het internet is niet alleen een vrijplaats voor meningen, maar bovendien een een plek waar alles in de openbaarheid komt. Wikileaks liet dat al zien. De Piraten hebben zich in Duitsland op dat thema gericht en niet op het recht om anoniem te mogen stellen van musici. En daarom slaan ze aan: een partij die eerlijk en transparant politiek wil bedrijven.

Of niet? In Duitsland heerst een soort onbestemd onrust. Er is geen populistisch alternatief. Geen uitlaatklep voor de onvrede van burgers met gestuntel van de gevestigde partijen. In de laatste jaar vestigde deze ontevredenheid zich op de Groenen. De enige partij die consistent was in een politiek veld van draaiers, de enige eerlijke partij tussen de machiavellisten. Maar nu heeft een gedeelte van die onbestemdheid Piraat gekozen. En misschien kan Duitsland gerust adem halen omdat de onrust heeft gekozen voor een libertaire partij van Internet-geeks en niet voor de vele autoritair rechts-populistische alternatieven die er ook zijn.

Het Deense Voorbeeld

Ons kabinet, een minderheidskabinet van liberalen en conservatieven, gesteund door xenofobe populisten is niet Made in Holland. Zoals Nederlands links graag naar Scandinavie kijkt als voorbeeld voor onze verzorgingsstaat, laat Nederlands rechts zich graag inspireren door Denenmarken waar het gaat om de politiek.

Maar eergisteren is er een eind gekomen aan de gedoogconstructie in Denemarken: de gedoogpartners waren elkaar zat en de kiezer was rechts ook zat. De conservatief liberale partij Venstre (V), de Conservatieve Volkspartij (C) en rechts-populistische Deense Volkspartij (O) hadden een krappe meerderheid van 89 zetels van de 175.* Hiermee konden ze allerlei rechts beleid, zeker wat betreft immigratie, door de kamer heen duwen. En nu heeft links, de Sociaal-Democraten (A), de sociaal-liberale Radikale Venstre (B), de Socialistische Volkspartij (F) en de extreem-linkse alliantie Eenheidslijst (Oe) een meerderheid. Ironisch genoeg is V nu drie zetels kleiner dan A, maar in Denenmarken telt niet wie het grootste is, maar welk getal er op de eindstreep staat: haalt het linkse blok (BAFOe) of het rechtse blok (VOC) een meerderheid?

De gemiddelde linkse Nederlander ziet deze ontwikkeling met plezier aan: we hoeven maar 10 jaar onze internationale reputatie te grabbel te laten gooien en onze verzorgingsstaat te laten ontmantelen, en dan gunt de kiezer rechts geen meerderheid meer.

De vraag is dus hoe we de verkiezingen precies moeten begrijpen; wat wij als Nederlanders ervan kun leren. In Denenmarken zijn er zeven partijen in het parlement, die sterk op de Nederlandse partijen lijken: de extreem-rechtse PVV-O, de conservatief-liberale VVD-V, de conservatieve CDA-C, de sociaal-democratische PvdA-A. Aan de linkerkant is het allemaal wat complexer: de SP en GroenLinks lijken in meer of mindere mate op de partijen Oe en F. GroenLinks is net als F een meer pro-Europese bestuurlijk-georienteerde partij, en de SP is als Oe Euroskeptischer en radicaler. F is echter, net als de SP harder over migratie, waar Oe softer over migratie, net als GL. Net als GL is de Oe ontstaan als een samenwerkingsverband van linkse partijen. De Deense D66 B is in 2007 gesplitst in twee partijen, de meer sociaal-liberale B en de meer klassiek-liberale Liberale Alliantie (I), die niet wil samenwerken met links, maar rechts een alternatief wil bieden voor samenwerking met O.

De linkse meerderheid is het niet overal over eens: Oe is zeer links op economische onderwerpen terwijl B meer centristische, hervormingsgezinde posities in neemt op economische onderwerpen. B en Oe zijn progressief wat betreft migratie, terwijl A en F zich gevoeliger hebben getoond voor de nationalistische kritiek op migratie. Deze partijen hebben zich uit politiek opportunisme in de laatste jaren steeds conservatiever opgesteld. Luisteren naar de burger, problemen serieus nemen, en afstand nemen van de eerder gevoerde multiculturele lijn. A is nu de minst multiculturele sociaal-democratische partij van Europa. Het zal dus lastig worden om een kabinet te vormen.

Maar deze verschillen bieden ook een interessant inzicht in de aard van de verkiezingsuitslag. Ik heb geprobeerd om op basis van intuitie de zeven partijen in te delen op deze twee dimensies (migratie en economie). Omdat ik de Deense taal niet genoeg machtig ben, kan ik de partijen niet precies scoren op allerlei dimensies. De hieronder geprestenteerde data is dus ook impressionistisch van aard.

Opvallend is dat de grote verschuivingen niet zitten op de links/rechts as maar op de migratie-as. Oe en F zijn zeer links. In 2007 haalden deze partijen samen 27 zetels, en nu 28 zetels. A is centrum-links en blijft stabiel op de 44-45 zetels. Aan de rechterkant is er meer verschuiving maar niet zeer veel. B heeft net als het Nederlandse D66 een centrum/centrum-rechts programma. C en O ook, Dit blokje heeft vijf zetels verloren, terwijl de economisch zeer rechtse I en V samen 56 haalden (+5). Dit geeft een stabiele balans weer: economisch links en rechts blijven in balans. De positie van B, die centristische economische posities combineert met progressieve posities op culturele onderwerpen zorgt ervoor dat de balans in termen van allianties wel veranderd is. Op de culturele dimensie is er een heel andere proces te zien: gematigde en extreme conservatieven (OCV) en gematigde progressieven (AF) hebben allemaal zetels verloren. De centrumpartijen nog het meest: A en F 8 zetels en C en V 9. Alleen de extreme progressieven die voorstander zijn van een Denenmarken dat open staat voor migranten hebben de verkiezingen gewonnen. Ze wonnen ruim 20 zetels. Voor I en Oe zijn dit de beste uitslagen ooit

Ik zou de uitslag van de Deense verkiezingen niet begrijpen in termen van economische ontwikkelingen: de Denen hebben geen stap naar links gemaakt. Deze analyse impliceert in economisch opzicht links en rechts min-of-meer in balans zijn gebleven. Het enige blok dat veel heeft gewonnen zijn de economisch zeer rechtse I en V. De analyse toont dat het juist de cultureel progressieve partijen hebben gewonnen. Je zou deze uitslag dus kunnen begrijpen als een verzet tegen het gevoerde migratie en integratie beleid. Niet F en A hebben gewonnen, linkse partijen die een gematigd-kritisch geluid laten horen over migratie, maar linkse, centrum en rechtse partijen die voorstander zijn van het echt openen van de grenzen van Denenmarken. Zij werden beloond voor hun consistente progressieve, multiculturele politiek.

Welke lessen kan de Nederlandse oppositie hiervan leren?

  1. Er is ruimte voor een progressief-rechtse partij in Denenmarken dus misschien ook in Nederland. D66 kan een stuk naar rechts;
  2. Sociaal-democratische partijen zitten in een tang: als ze stemmen proberen terug te winnen in volkswijken door conservatiever te worden op migratie, verliezen ze progressieve kiezers aan partijen die multicultureel blijven; als ze hun positie niet zouden veranderen worden ze leeg gegeten door populistisch rechts.
  3. En 10 jaar is de maximum duur van het minderheidskabinet, dus we hoeven nog maar 9 jaar te wachten.

* Er zijn technisch gezien 179 zetels in het Deense parlement naast de 175 Deense zetels, 2 zetels uit Faroe en 2 zetels uit Groenland. Hiervan neigen er 3 naar links en 1 naar rechts. Hiermee kan links op een meerderheid van 92 zetels rekenen, maar die bestaat wel uit zeven partijen die verdeeld zijn over migratie, economie en de relatie tussen Europees en Atlantisch Denenmarken.