Linkse Familiegevoel

Terwijl rechts zich toch lijkt te kunnen verenigen rond hun meerderheid van 76 (78?) zetels is bij links een ware familieruzie uitgebroken: de centrale vraag daarbij is, moet links samenwerken.

De PvdA in haar gelekte oppositiestrategie zegt "Ja", zolang zij maar de leiding kunnen nemen. Tussen het links-liberalisme van D66 en GroenLinks en het dogmatische socialisme van de SP staat de PvdA die als spil zou kunnen opereren in het wisselende oppositiefront. De PvdA wil samen optrekken en niet de onderlinge confrontatie zoeken met de dogmatisten en overbodige links-liberale pragmatici. Er zit dus een zeker opportunisme in: de PvdA maakt zichzelf de noodzakelijke kracht van links, die D66 en de SP kan samenbrengen. Alleen door een machtsspel te spelen kan de sociaal-democratie zich relevant maken. Het zijn niet haar standpunten die haar aantrekkelijk moeten maken, maar haar middenpositie.

DWARSvoorzitster Eline van Nistelrooij verwerpt linkse samenwerking hardgrondig in haar artikel in de Volkskrant. Ze benadrukt dat GroenLinks vroeger "trekjes" vertoonde van de SP, en dat Kritisch GroenLinks, "een handjevol" "verzuurd[e]" conservatieven dat in stand wil houden. Maar dat GroenLinks daar gelukkig nu van genezen is en nu streeft naar hervorming na van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid, pro-Europees is en niet bang is om verantwoordelijkheid te nemen. Dat het juist Leo Platvoet was die in het verleden kritisch was over de keuze van GroenLinks om niet deel te nemen aan de onderhandelingen met het CDA en de PvdA lijkt Van Nistelrooij vergeten.Als klap op de vuurpeil, roept de voorzitster van de GroenLinkse Jongeren op om samen te werken met rechts, niet omdat dat wiskundig noodzakelijk is of omdat een kabinet een brede basis nodig heeft, maar omdat alleen de samenwerking van linkse en rechtse hervormingspartijen de grote problemen kan op lossen. Zijn toont zich een echte links-liberale pragmatica.

ROODvoorzitter Leon Botter neemt het op tegen Van Nistelrooij op JOOP.nl: links moet de onderlinge verschillen niet benadrukken en in plaats daarvan net als rechts samenwerken. Hij verwijt de PvdA en GroenLinks tunnelvisie. Zij moeten Paars+, een kabinet met rechts, opgeven en in plaats daarvan kiezen voor linkse samenwerking. Linkse samenwerking dat zou goed zijn voor Nederland, voor de wereld. Dat die linkse samenwerking maximaal 72 zetels zou hebben lijkt Botter weinig te deren. In het verleden had de SP van Botter nog het realisme te willen samenwerken met het CDA. De SP zag onterecht niet dat Maxime Verhagen de gangmaker van ultrarechts is. Nog altijd is het CDA de vertegenwoordiger van het rauwe kapitalisme dat sinds de jaren tachtig (sinds de kabinetten van Lubbers) welig tiert in Nederland. Van dat neo-liberalisme wil de SP toch af zou je zeggen. Dus is het CDA ook geen optie voor hen. Maar is terug trekken op een links eiland wel een goed plan? Hoe dan ook Botter toont zich een echte socialistische dogmaticus, vol idealen maar met weinig realisme.

Dus is er een weg tussen de orientatie van GroenLinks op het liberalisme? De obsessie van de SP met een links blok? En het zelfzuchtige opportunisme van de PvdA? Is een links front een oplossing? Of moeten we juist de verschillen tussen links en rechts overbruggen, omdat de verschillen binnen links even groot zijn als daarbuiten?

Ten eerste, we lijken te vergeten dat het gaat om een minderheidskabinet. En dat biedt volgens mij kansen voor progressieve partijen. De antagonistische links/rechts dynamiek die de PvdA en de SP verkiezen, zorgt ervoor dat we Nederland ten minste vier jaar overgeven aan rechts: aan het inperken van burgerrechten en het uitbreiden van ongelijkheid. In plaats daarvan zouden een aantal hervormingsgezinde partijen een alternatieve agenda moeten formuleren voor de VVD en het CDA, om hen te overtuigen te investeren in duurzaamheid en sociaal te hervormen. One catches more flies with honey than with vinegar. 

Ten tweede, electoraal biedt een links blok zowel kansen als gevaren: er zijn 4 partijen op rechts. En zes partijen op links. De gemiddelde linkse partij heeft 12 zetels. De gemiddelde rechtse partij heeft bijna 20 zetels. Zolang het spel bij de verkiezingen "wie wordt de grootste?" is, zou het zinnig zijn om het aantal linkse partijen te verkleinen. Aan de andere kant: het moment waarop links serieus een meerderheid kon krijgen was het moment waarop de partijen breed gespreid stonden: het was in 1998 toen de PvdA een middenkoers voer, en in 2006 toen de partijen waren verspreid van Christelijk-sociale CU via progressief-liberale PvdA, tot de populistisch linkse SP. Dat waren de momenten waarop er een linkse meerderheid was. Buiten die tijd was er in Nederland min-of-meer een permanente rechtse meerderheid. Een echt links blok, een Progressieve Volkspartij, zou geen meerderheid kunnen halen.

En dan ten slotte: de steeds sterkere links/rechts dynamiek in het Nederlandse parlement past niet binnen de klassieke spelregels van de Nederlandse politiek: hierin staat breed gedragen consensus centraal, samenwerking, polderen, het eerlijk verdelen van macht, respect voor het neutrale staatshoofd en boven al het respect voor minderheden. Het principe is dat een meerderheid van 76 zetels niet genoeg is, maar dat een brede coalitie gesmeed moet worden. De keuze om nu een links blok te vormen in de hoop dat deze een rechts blok kan opvolgen in 2015 is niet alleen gebaseerd op onjuiste electorale wiskunde of op slechte politiek voor de korte termijn, maar het gaat ook uit een een politiek van "Winner takes all", van polarisatie en van het uitsluiten van minderheden. En dat maakt het volgens mij alles behalve links.

Kamerleden, ministers en de perfecte correlatie

Sommige relaties zijn eigenlijk te mooi om te beschrijven. Zo vroeg ik me af of er een relatie was tussen de grootte van smaldeel van eeb partij in het kabinet en in de Tweede Kamer. Intuitief zou je zeggen dat een partij die meer zetels heeft ook meer ministerposten mag eisen, maar is dat direct evenredig aan de vertegenwoordiging in de Tweede Kamer of zou er meer aan de hand zijn?

Rplot

De relatie is te zien in het figuur hierboven. Ik heb weinig relaties gezien die zo prachtig lineair zijn: het lijkt er op dat het percentage ministers dat een partij heeft van alle ministers met een partijband direct evenredig is aan het percentage kamerleden dat een partij heeft van alle coalitiepartijen. Dit betreft alle kabinetten tussen 1918 en 2006. De relatie is krachtig, positief, significant en verklaart ruim 89% van alle variantie. In de sociale wetenschappen geldt zo'n sterke relatie als verdacht.

De kleuren staan voor de verschillende partijen (zwart voor RKSP/KVP/CDA, rood voor SDAP/PvdA, groen voor ARP, grijs voor CHU, roze voor VDB/D66, blauw voor LSP/VVD en lichtblauw voor alle kleintjes). Dat laat zien dat er geen partijen zijn die sterk afwijken van dit patroon. 

We kunnen dus vrij precies kunnen voorspellen welk percentage van de ministersposten een partij kan krijgen. In Paars+ zouden de partijen 38,7% (VVD), 37,4% (PvdA) en 2 maal 11,6% van de ministers leveren (D66 en GL). [Telt op naar 99,3%]. In een Roti+ coalitie zouden partijen 41,3% (VVD), 26,2% (CDA) en 2 maal 12,4% (D66 en GroenLinks) en 5,5% (CU) van de ministers leveren. [Telt op naar 97,8%]. Als we de voorspelling uit zouden mogen extrapoleren naar het PVC-variant zou de VVD 62,2% en het CDA 39,7% van de ministers krijgen [Telt op naar 101,9%].

Dat er een bijna perfect lineaire correlatie is tussen de grootte van het smaldeel ministers en kamerleden, duidt er op dat kleinere partijen niet structureel oververtegenwoordigd worden: dat is meer ministers krijgen dan dat ze "recht" op hebben. Of dat er natuurlijke grens zit aan hoeveel ministers een grote partij krijgt. Het lijkt perfect evenredig. Mooi, maar ook een beetje saai.

[UPDATE:] Ik heb nog even gekeken naar Tom Louwerse's suggestie: of het uitmaakt of een partij de minister-president levert. Op zich is er een positieve correlatie tussen het aantal ministers dat een partij levert en of ze de premier levert (maar die lijkt me "spurious": grotere fracties leveren meer ministers en de premier). Als je hiervoor controleert dan is het effect van het leveren van de premier zwak, negatief en insignificant: over de gehele periode moeten de premierspartijen daar iets voor inleveren, maar niet een "significante" hoeveelheid.

Right For all the Wrong Reasons

Ik luister graag naar Philosophy Bites, een heel interessante podcast met interview met zeer prominente filosofen over allerlei filosofische onderwerpen. Vaak bieden de interviews interessante inzichten, mooie samenvattingen of heldere betogen.

Maar soms gaat het ook mis, dan zit er een filosoof die gewoon onzin beweert. Een geval daarvan is dit interview met Jeff McMahan, over het eten van vlees. McMahan en ik zijn het over een aantal dingen eens, zoals dat het eten van vlees moreel niet te rechtvaardigen is, maar daar houdt het ook wel zo'n beetje op.

McMahan is, alhoewel hij dat aan het einde van het interview ontkent, een echte utilist. Zijn redenering is gebaseerd op een afweging tussen geluk en leed van dieren en mensen: hoe groot is het geluk dat mensen krijgen van het eten van dieren? En welk leed van dieren staat daar tegenover? En hoeveel geluk hebben we voorkomen door die dieren om te brengen? In preciezere termen als het extra geluk dat wij krijgen van het eten van het dier (in plaats van het eten van een vleesvervanger) groter is dan het leed van het dier omdat het geslacht werd plus het niet gerealiseerde potentiele geluk van het dier als het zou door leven, dan mogen we het dier eten.

Deze redenering is denk ik, in grote mate, pervers. Dieren in de bio-industrie zijn verschrikkelijk ongelukkig. Als we ze dood maken dan betekent dat het voorkomen van toekomstig leed. Iedereen die zou beweren dat alhoewel die dieren lijden dit beter is dan dood zijn, moeten echt op passen: maximalisatie van geluk zou dan betekenen dat het juist zou zijn om heel veel dieren in de bio-industrie te maken: met minimale kosten extra geluk. Als we, zoals McMahan verdedigt (geheel tegen zijn theorie in overigens), vrij levende vissen dood zouden mogen maken om dat op te eten dan voorkomen we juist toekomstig geluk: deze dieren zijn juist heel gelukkig. In die zin zou een utilist er voor moeten kiezen om bio-industrie vlees te eten boven vlees uit de biologische landbouw of de jacht: het potentiele geluk dat voorkomen wordt is veel kleiner.

McMahan maakt een onderscheid tussen verschillende dieren en de mate waarin zij "moreel relevant" zijn, dat is opgegeten mogen worden. Mensen zijn moreel relevanter dan zoogdieren, die weer relevanter zijn dan vissen en garnalen. De morele relevantie van wezens is volgens McMahan gebaseerd op hun vermogen om gelukkig te zijn, waardevolle ervaring te hebben en te kunnen lijden. Hiermee komt McMahan bij een typisch probleem van het utilisme. We weten niet of iemand anders gelukkig(er) is: we kunnen niet in zijn of haar hoofd kijken. Geluksniveau's zijn "incommensurabel": niet te vergelijken tussen mensen en al zeker niet tussen verschillende dierensoorten door. Alles wat hij hier doet is speculatie, over wat er bij mensen en dieren intern gebeurd.

Wat ik daarnaast mis van een complete utilitische overweging, maar dat kan McMahan met zijn ambigue utilisme misschien niet aangerekend worden, is een argument vanuit de ecologische gevolgen van de veeteelt en de visserij: overbevissing, de kap van bos voor landbouwgrond, de voedselcrisis. Allemaal het gevolg van de (over)consumptie van vlees. Op de lange termijn is het eten van vlees gewoon niet vol te houden. We putten de planeet uit, en brengen zo mensen en dieren in gevaar. Denk maar eens na over het potentiele geluk van mensen en dieren dat op die manier geschaad wordt door vleesconsumptie.

Waarom Le Monde schuldig is voor falen van de PVC coalitie

Een editorial in de Franse linkse kwaliteitskrant Le Monde over de Nederlandse politieke situatie en de hele journalistieke wereld wil kunnen laten zien dat ze Frans kunnen lezen (de Trouw, PowNed, JOOP, De Volkskrant). Le Monde stelt dat Nederland (en Belgie) aan populisme leiden: in Nederland hebben de grote partijen het laten gebeuren dat de islamofobe, anti-Europese, egoistische partij van Wilders is uitgegroeid tot een grote macht en nu waren zij gedwongen om met hem te onderhandelen. Wat uiteraard gedoemd was te falen.

Ik denk niet dat het populisme het probleem is dat deze formatie zo moeilijk maakt. De reden daarvoor is volgens mij het onvermogen van de grote, gevestigde partijen om met elkaar samen te werken. De formatie over Paars+ faalde op de onwil van de VVD om samen te werken met de PvdA. De PVC formatie loopt nu spaak op de instabiliteit van het CDA. De laatste serieuze mogelijkheid (een middencoalitie) is uitgesloten door de PvdA.

De vraag is waarom de grote partijen er niet uit kunnen komen. Waarom ze niet in staat zijn om een compromis te sluiten. Dan wel over een linkervariant, een rechtervariant of een centrumvariant. De rek en veerkracht lijkt uit de consensusdemocratie verdwenen te zijn. De regeringspartijen durven geen verantwoordelijkheid meer te nemen.

De reden daarvoor is, denk ik, zulke stukjes als uit Le Monde: de gevestige partijen maken zich grotere zorgen over de opkomst van populistische partijen, de centrumpartijen zijn bang kiezers kwijt te raken aan opkomende extremistische flankpartijen. De VVD wilde niet met de PvdA, D66 en GL omdat ze verwachtte dat zij zonder de PVV bij de volgende verkiezingen een zware afstraffing zou krijgen. De PvdA wil niet zonder D66 en GL onderhandelen over een centrum-variant want zij realiseert zich maar al te goed dat er dan weinig van de partij zou overblijven in 2015.

De positie van het CDA laat het duidelijkst zien dat de gevestigde partijen het steeds moeilijker hebben: na dat ze vrij plosteling de verkiezingen hadden verloren, koos de partij eerst, tegen haar eerste natuur in, voor de oppositie, maar in een tweede formatieronde neigde ze toch voor de macht. Echter toen bleek dat de partij volslagen verdeeld was tussen een rechter- en een centrumlinkse flank. Tussen het denken van “Bouwer & Benoemer” Terpstra en de rechtse neigingen van Verhagen. De partij heeft niet een antwoord op de opkomst van het rechtse populisme. 

De grote, gevestigde, centrunpartijen lijken op konijnen op een snelweg die de truck van het populisme zien aan komen. En ze kunnen maar weinig doen: ze staren in de grote lichten van de truck en zijn ze verstijfd van angst, en dankzij Le Monde, verstijfd van schuldgevoel, en laten ze zich maar al te gemakkelijk aanrijden.

GroenLinks Prisma: op Kunst

Een tijdje geleden introduceerde ik het GroenLinks Prisma, een manier om de visie van GroenLinks op een bepaald onderwerp te onderzoeken en te explicieteren. Na democratie en milieu & gezondheid, nu cultuur. Een onderwerp dat voor GroenLinks'ers (heel) belangrijk is, maar waar er eigenlijk geen visie op is.

  • Rood: de rode visie wil dat iedereen deel kan nemen aan kunst: dat kan als amateur-kunstenaar maar ook als kunstconsument zodat mensen zelf na het werk zich kunnen ontplooien en ontspannen. Kunst is in de eerste plaats mooi, iets waarvan je geniet. Kunstonderwijs moet mensen enthousiast maken voor kunst. Kunstinstellingen moeten toegankelijk zijn voor iedereen, onder andere door het gratis te maken (voor bepaalde groepen). Brede populaire cultuur verdient ook steun van de overheid. Kunst is een sociaal onderwerp dat met name verbonden is met sport en andere vormen van recreatie.
  • Blauw: de blauwe visie stelt dat kunst vrij moet zijn: kunst is een belangrijk onderdeel van vrije, open samenleving. Dat betekent dat de overheid zich bescheiden op moet stellen: alleen als de samenleving zelf te kort schiet dan moet de overheid bijspringen. Daarnaast moet de overheid de  vrijheid van meningsuiting van kunstenaars beschermen. Dat betekent dat topcultuur met hoge kwaliteit die niet zo populair is (bijvoorbeeld opera) gefinancieerd moet worden en dat jonge kunstenaars die experimenteren en vernieuwen, steun verdienen.
  • Groen: in de groene visie moet kunst mensen aan het denken zetten. Kunst moet maatschappelijke vernieuwing ondersteunen: dat kan door de samenleving kritisch te analyseren of door constructief, creatief en innovatief nieuwe ideeen aan te dragen. Toegepaste kunst, design, probeert nieuwe duurzame producten te ontwikkelen en haalt haar inspiratie vaak uit de natuur. Maar het hoeft niet alleen over milieu te gaan. Veel kunstenaars willen graag bijdragen aan een eerlijkere samenleving: maar dat kan gaan over het ontstaan van de massa-samenleving, de plek van vrouwen of over globalisering. Aan allerlei debatten kunnen kunstenaars waardevolle bijdragen leveren

De Groene, Blauwe en Rode visie staan niet tegenover elkaar, op punten zijn er synthese en op andere punten tegenstellingen. Zowel in de Rode en de Groene visie is kunst expliciet gericht op een betere samenleving, door mensen aan het denken te zetten of door mensen te laten ontspannen. Zowel in de Groene en Blauwe visie staan innovatie en vernieuwing centraal, danwel gericht op maatschappelijke vernieuwing (Groen) ofwel op het vernieuwen zelf (Blauw). Maar met name tussen de Rode en de Blauwe visie zijn er sterke tegenstellingen: moet de overheid populaire cultuur ondersteunen of juist topkunst?

Formidable Opponent: Populisme

Een onregelmatig terugkerende feature van dit weblog is het, van Stephen Colbert geleende, idee van een echt politiek debat met een echt sterke tegenstander: mijzelf. Het onderwerp is hoe we als progressieven om moeten gaan met het populisme.

Vraag: Neemt de positie van politici af? Waarom? Is dat erg? En wat moeten we daaraan doen?

Simon A: Dat ligt er maar helemaal aan welke periode je als referentiekader neemt. Ja, ten opzichte van de jaren '50 is de positie van gezagsdragers af genomen, maar het cruciale scharnierpunt ligt in de jaren '70. Het waren toen de progressieven die zich daarvoor inzetten. De positie van alle gezagsdragers lag onder vuur. Een generatie van jonge progressieven stond tegenover de regenten: macht moest eerlijker verdeeld worden in de samenleving, mensen moesten zelf meer grip krijgen op hun omgeving. De positie van regenten werd door ridiculisering, actie en uiteindelijk verkiezingen afgebroken. De positie van politici in de laatste 40 jaar is niet sterk veranderd. De Nederlanders zijn sinds de jaren '70 vrijer, autonomer en mondiger. En dat tast de positie van gezagsfiguren aan. Dat lijkt me prima. Dat wilden wij als progressieven toch?

Simon B: Daarmee onderschat je de veranderingen die in de laatste tien jaar zich hebben voortgedaan: een groeiend cynisme ten opzichte van politici en een groeiende politiek tegenstelling tussen populistische en elitaire partijen en tussen het bestuur en het volk. Burgers hebben weinig vertrouwen in politici: veel meer mensen dan voorheen hebben geen vertrouwen in politici, denken dat politici liegen en dat zij het slechts opnemen voor hun eigenbelang. Dit wordt nu politiek steeds meer aangesproken door populistische partijen als de PVV en de SP.

Simon A: Hoeveel vertrouwen heb jij in politici in het algemeen? Als ik denk aan mensen als Verhagen, dan kan ik me niet van de indruk onttrekken dat politici onbetrouwbaar zijn, als ik denk aan Verdonk dan zie toch echt een politica die liegt en denk ik aan Zalm, dan zie ik een politicus die daarna snel zijn onkreukbare reputatie te gelde heeft gemaakt. Het is helemaal niet raar dat in een meerpartijenland, een land van minderheden mensen geen vertrouwen hebben in "de politiek" of "het parlement" als dat voor het merendeel gevuld is voor mensen voor wie je niet gekozen hebt. In Amerika hebben mensen ook altijd weinig vertrouwen in "het Congres" maar wel in hun senator of vertegenwoordiger, want dat is toevallig een goede appel in een rotte mand.

Simon B: Dat is volgens mij niet de oorzaak van het wantrouwen in politici: volgens mij is het inderdaad zo dat veel politici niet de waarheid spreken. Het is zo dat partijen in het huidige stelsel gedwongen worden om flexibel om te gaan met de waarheid. Ze charmeren de kiezers met mooie plannen, maar ze realiseren zich maar al te goed dat ze die in het kabinet niet kunnen realiseren, omdat daar voortdurend compromissen worden gesloten: als ik dit niet krijg, dan krijg jij dat ook niet. En de dingen die ze niet kunnen realiseren worden door de media aan de grote klok gehangen, en wat ze wel realiseren dat wordt verzwegen: denk maar aan de PvdA in het kabinet Balkenende, krantenpagina's vol over hoe de PvdA haar ziel aan het CDA verkocht op onderwerpen als de Europese grondwet, het onderzoek naar de oorlog in Irak en de militaire aanwezigheid in Afghanistan, maar geen woord over hoe de PvdA de inkomensverschillen heeft verkleind. Ik ben dan ook niet verbaasd over het feit dat aan de ene kant er
overvragende extreme flankpartijen zijn die van alles beloven maar
buiten de regering blijven, want anders wordt duidelijk dat ook zij
compromissen moeten sluiten. En grijze centrumpartijen die hun kleine
verschillen breed uit meten tijdens de campagne om daar vervolgens niets
mee te kunnen doen. In het huidige monistische stelsel worden partijen gedwongen om deze compromissen te verkopen als hun eigen standpunten. Het wordt tijd om politieke besluitvorming uit de achterkamertjes terug te brengen waar ze hoort in het parlement: dat is transparanter voor burgers. Dualisme dat is wat dit land nodig heeft.

Simon A: Ik denk dat je aan de ene kant de rol van politiek overschat en de grote van het maatschappelijke wantrouwen onderschat: in landen waar er dualistischer bestuur is als Amerika, Zwitserland, Noorwegen en Denenmarken is het politiek vertrouwen niet groter (eerder kleiner). Het is een logisch gevolg van een vrije samenleving dat er wantrouwen is ten opzichte van politici maar ook andere gezagsdragers: religieuze leiders, politie-agenten, onderwijzers of artsen. In een vrije samenleving leven mensen meer op zichzelf, zonder dat ze het gezag nodig hebben, zijn kritisch over hun samenleving en beslissen graag over zichzelf in plaats van dat hun de les gelezen worden door een zelfbenoemde elite.

Simon B: Maar dan erkennen we dus beiden dat er wantrouwen is ten opzichte van het bestuur. Ik denk dat het in de laatste tien jaar is gestegen en jij denkt dat het gelijk is gebleven. Okay: maar ik heb een oplossing daarvoor. Jij niet. Hoe zou jij het wantrouwen oplossen?

Simon A: We moeten gewoon erkennen dat er in een vrije samenleving wantrouwen is. Er zijn gewoon cynische kiezers die verdienen ook vertegenwoordiging. Populisme is daarnaast een belangrijk democratisch fenomeen: het houdt politici bij de les, zorgt ervoor dat ze naar burgers luisteren. Dat is de kern van de democratie: dat iedereen vertegenwoordigd wordt en dat politici naar burgers luisteren. Er is dus niets om op te lossen!

Simon B: Dat vind ik een te radicaal-democratische opvatting. Er is ook een liberaal-democratische opvatting die stelt dat democratie niet slechts gaat om het vertegenwoordigen of het uitvoeren van de wil van het volk, maar om het beschermen van de mensenrechten en burgerrechten. Democratie is een middel om burgerrechten te beschermen, geen doel op zich. Het huidige rechtse populisme bedreigt de burgerrechten zoals privacy om veiligheid te beschermen, mensenrechten zoals vrijheid van godsdienst, om de Nederlandse identiteit te beschermen, en de het internationale volkenrecht om Nederland te beschermen tegen het "gevaar" van vluchtelingen. Dat zijn ook democratische waarden.

Simon A: Democratische waarden? Het is wel erg gemakkelijk om je eigen progressieve waarden neer te zetten als democratische waarden. Ik vind het heel typisch om alles wat mooi en eerlijk is (de rechtsstaat, tolerantie, internationalisme) per se democratie te noemen. Democratie gaat over de vertegenwoordigen van de wil van het volk.

En dus is er maar een conclusie mogelijk: of je het populisme ziet als een bedreiging voor of een uiting van de democratie is afhankelijk van je eigen visie op democratie: als het draait om de vertegenwoordiging van de wil van het volk, dan moeten we accepteren dat er mensen zijn met rechtse opvattingen die gevoelig zijn voor populistische argumenten. En dan hoort de democratie te schuren en hoort wantrouwen erbij. Als democratie draait om liberale waarden, zoals mensenrechten en tolerantie, dan kan het populisme een bedreiging vormen voor onze democratie. Dan staan democratische waarden onder druk door rechts-populisme.

The Return of American History

Een pseudonieme reactie op mijn weblog over de (afwezigheid van) Amerikaanse geschiedenis heeft me aan het denken gezet. Mijn stukje over Amerika heeft denk op twee punten mensen op het verkeerde been gezet. Ten eerste mist het stukje een rigoreuze definitie van geschiedenis en ten tweede lijkt te impliceren dat het door mij gestelde afwezigheid van Amerikaanse geschiedenis negatief zou zijn.

Ten eerste, zonder definitie kan ik met gemak alles wat misschien geschiedenis zou kunnen zijn met een snel argument weg zetten. Zo wees de reactie mij erop dat ik de Indiaanse geschiedenis niet had genoemd, waar ik overigens in het Museum for the American Indian wel kennis van had genomen. Ik zou kunnen stellen dat dat dit geen Amerikaanse geschiedenis is, maar geschiedenis van andere volken die op het zelfde grondgebied hebben geleefd.

Het heeft denk ik geen zin om een precieze definitie van geschiedenis op te zetten. Het centrale punt van het stuk gaat namelijk niet over het al dan niet bestaan van geschiedenis, maar over hoe Amerikanen met hun verleden om gaan. Amerikanen gaan op een heel andere manier om het verleden om, dan bijvoorbeeld Nederlanders. Er zijn in Amerika geen (of nauwelijks) afgesloten hoofdstukken. In alle vraagstukken is er een lijn tussen het verleden het heden. De grote vraagstukken die speelden in de 19e  eeuw (migratie, grootte van de federale overheid, de relaties tussen zwarten en blanken) blijven allemaal actueel. Historische documenten als de Declaration of Independence zouden in Nederland allang al weg gestopt zijn in een archief (waar is de Acte van Verlatinghe overigens?). In Amerika blijft dit document een actuele rol spelen in politieke discussies. De vraagstukken die in Nederland in de 19e eeuw speelden (relatie tussen Koning en parlement, tussen protestanten en katholieken, de kolonisatie van Indonesie) zijn allemaal grotendeels afgesloten hoofdstukken.

Ik heb nog nooit een land gezien als Amerika, waarin verleden zo sterk aanwezig is, dat je kan stellen dat het nog geen geschiedenis geworden is. Dat is in mijn ogen niet iets negatiefs of slechts, maar iets wat te bewonderen waard is. Een discussie over migratie heeft in Nederland weinig historisch besef. In Amerika richt die discussie zich nu op het veertiende amendement van de grondwet, en zelfs in programma's als de Daily Show wordt er verwezen naar historische parlementaire debatten uit de 19e eeuw, over dat amendement. In Amerika leeft het verleden: omdat het politieke stelsel geen grote schokken heeft gehad, maar eigenlijk continu heeft gefunctioneerd sinds 1789. Amerikaanse presidenten staan in de schaduw van  Lincoln en Washington. En omdat het als civic nationalist staat voortdurend nieuwe groepen toe laat en deze vormt in de politieke idealen van hun founders. Amerikaanse musea over Afro-Amerikaanse geschiedenis, de Amerikaanse Indiaan, en over de Grondwet herinneren daaraan. Dat is volgens mij iets wat prijzenswaardig is.

Ik ben daarom ook een stuk positiever over het idee van Nationaal Historisch Museum dan ik zeg 3 jaar geleden was. Dit zou volgens mij een prachtige manier kunnen zijn om na te denken over onze eigen geschiedenis, niet als iets dat afgelopen is, maar iets dat onze samenleving heeft gevormd en blijft vormen. Een plek waar we vorm kunnen geven aan onze eigen Nederlandse identiteit: als een land waar democratie gelijdelijk is ontstaan omdat elites zich pragmatisch en flexibel opstelde; als een land dat gebaseerd is op de notie van godsdienstvrijheid en waar dat hand in hand kon gaan met vrijheid van meningsuiting. En als land dat altijd als een veilige haven heeft gediend voor vrijdenkers, dissidenten en politieke vluchtelingen. Die aspecten van onze geschiedenis moeten we nu, zeker nu, in het oog houden.

Alternatief gedoogakkoord

De formatie tussen de VVD, het CDA en de PVV komt aardig op stoom. De SP heeft voorgesteld om met de andere linkse partijen een alternatief regeringsakkoord. Politicologen De Lange en De Vries gaan een stap verder: zij stellen in de Volkskrant dat de linkse partijen moeten een schaduwkabinet moeten vormen. Immers zo kan er mooie links-rechts -dynamiek ontstaan, die helderheid aan de kiezers geeft.

Ik denk dat geen goede strategie is. We kunnen moeten Nederland niet vier jaar over geven aan een conservatieve meerderheid van 76 zetels. Een minderheidskabinet kan inderdaad een zegen zijn: dat betekent dat wetsvoorstellen, amendementen en moties een andere meerderheid kunnen vinden dan de combinatie in vak K. En daarom biedt het kansen voor kleine, progressieve, hervormingsgezinde ideeenpartijen om meer te bereiken dan vanuit de oppositie in een klassieke meerderheidskabinet. GroenLinks, D66 en de ChristenUnie moeten de handen in een slaan voor een alternatief gedoogakkoord. In dat gedoogakkoord moeten de progressieve partijen afspraken maken over de initiatieven die zij zullen nemen over die onderwerpen waar het echte coalitieakkoord gaten heeft laten vallen, omdat bijvoorbeeld de partijen het niet eens kunnen worden.

Dat kan gaan over kleine hervormingen, denk aan een nieuw voorstel voor het papaverlof. Of over grote hervormingen, want als het CDA, VVD en PVV geen akkoord kunnen krijgen over de AOW leeftijd is er met D66, GroenLinks en de ChristenUnie een ander meerderheid. Deze partijen zouden voorstellen kunnen doen voor de vergroening van de economie, wat goed is voor milieu, innovatie en de werkgelegenheid, en sluit zo naadloos aan bij de waarde van rentmeesterschap, ondernemingszin en protectionisme van de nieuwe regeringspartijen. Het is overigens niet alleen een kwestie van CDA en VVD charmeren, op het gebied van de landbouw en de volksgezondheid stelt de PVV zich juist progressiever op en liggen er dus ook kansen.

De kern van een minderheidskabinet is dat er andere meerderheden gevonden kunnen worden. Het is volgens mij aan GroenLinks, D66 en de ChristenUnie om als "progressieve drie" daar werk van te maken. Dat betekent dus niet het pluche van de oppositie op zoeken en gemakkelijk kritiek leveren op de afbraak van de verzorgings- en rechtsstaat, maar het voortzetten van de kwaliteitsoppositie die deze partijen zo kenmerkt.

Een Bijzonder Meerderheidskabinet

Alles lijkt er op dat er een "bijzonder meerderheidskabinet" komt. En daar is nog wel wat debat over: een minderheidskabinet, dat past toch niet in het huidige bestel. Maar eigenlijk zijn er wel meer "bijzondere meerderheidskabinetten" geweest. Een recent voorbeeld is het tweede kabinet Balkenende (2003-2006).

In een traditioneel meerderheidskabinet is er een sterke mate van overeenstemming in het stemgedrag van de coalitiepartijen: ze stemmen samen voor de wetsvoorstellen van de regering, en stemmen samen tegen moties en amendementen van oppositiepartijen. In een minderheidskabinet bestaat de mogelijkheid dat er in verschillende stemmingen verschillende meerderheden gevonden worden: er is dus niet een blok van coalitiepartijen dat altijd tegenover een blok van oppositiepartijen staat.

Nadat de formatie tussen PvdA en CDA mislukt was, zijn er drie mogelijkheden onderzocht, de VVD, het CDA en of wel D66, dan wel de LPF, dan wel de  CU en de SGP. Uiteindelijk werd gekozen voor de eerste mogelijkheid. Maar die andere twee mogelijkheden waren parlementaire meerderheden waar ook op punten grote overeenstemming was. Gedurende de parlementaire periode kwamen de relaties tussen D66 en de coalitiepartners CDA en VVD steeds sterker onderdruk te staan. D66 was het eens met VVD en CDA over de hervorming van de verzorgingsstaat, maar op onderwerpen als migratie en het milieu was de overeenstemming tussen deze partijen minder groot. Dan komen de CU, de SGP en de LPF in het beeld. Want zelfs als D66 anders dan haar coalitiepartners stemden, dan konden CDA en VVD rekenen op de LPF, de ChristenUnie en/of de SGP voor een meerderheid. Zo konden voorstellen van de linkse oppositiepartijen tegen gehouden worden en konden voorstellen van het CDA en de VVD toch doorgang vinden zelfs zonder D66. Het bestaan van alternatieve meerderheden stond, bijvoorbeeld, minister Verdonk toe om aan te blijven zelfs nadat D66 het vertrouwen in haar had opgezegd. Een crisis waarbij de grenzen van het staatsrecht werden opgezocht. Gedurende de gehele periode functioneerde het kabinet eigenlijk als een minderheidskabinet. 

Partijen

De VVD en het CDA hoefden niet slechts te rekenen op D66 voor een een meerderheid maar ook met de LPF of de CU en de SGP, die officieel in de oppositie waren, waren er meerderheden te vormen. Als je kijkt naar het stemgedrag van de partijen dan is er een opvallend patroon, dat te zien is in het bovenstaande figuur. Het laat zien in welke mate partijen mee stemmen met het CDA en de VVD in alle stemmingen. Deze partijen stemmen in 86% van de stemmingen hetzelfde. Opvallend genoeg stemt oppositiepartij SGP het meest met deze partijen mee (80%), gevolgd door oppositiepartij LPF (76%). Dan pas volgt D66 die in 73% van de stemmingen met haar eigen coalitiepartners mee stemt. De ChristenUnie ten slotte stemde ook in meerderheid van de stemmingen met het CDA en de VVD mee (68%). De linkse oppositie partijen stemmen in meerderheid niet met de VVD en het CDA mee. 46% voor de PvdA, en maar 35% voor GroenLinks en de SP. De traditionele dynamiek tussen oppositie en coalitie is niet zichtbaar in het stemgedrag van de partijen, terwijl dit in de Nederlandse politiek altijd zichtbaar is, en in veel parlementaire systemen aanwezig is: twee oppositiepartijen stemmen vaker mee met de coalitiepartijen, dan een van de regeringspartijen.

Onderwerpen

Als we de stemmingen op moties uitdelen naar onderwerp dan is er een opmerkelijk patroon zichtbaar: op een aantal onderwerpen stemt D66 meer mee met de VVD en het CDA en op andere stemt de LPF meer mee. Met beide partijen konden VVD en CDA een meerderheid vormen. Aan de ene kant zijn er groene onderwerpen zoals landbouw en verkeer, nieuwe populistische onderwerpen als veiligheid en migratie, en buitenlands beleid. Op deze onderwerpen is de overeenstemming met tussen CDA, VVD en LPF anderzijds groter, dan tussen CDA, VVD en D66. Op onderwerpen als onderwijs en bestuur is de overeenstemming tussen D66 en CDA en VVD groter: dit zijn de kroonjuwelen van D66. Dat geldt ook voor gezondheidszorg, dat door de invoering van het nieuwe zorgstelsel een belangrijk speerpunt van het kabinet was. Op onderwerpen als sociale zaken, arbeid en economie is de overeenstemming tussen de VVD, CDA en LPF en respectievelijk D66 ongeveer even groot. Er is een redelijk sterke, significante, negatieve correlatie (-0,5) tussen de mate waarin de LPF mee stemt met CDA en VVD en de mate waarin D66 mee stemt met de VVD en het CDA: op die onderwerpen waar D66 het niet eens is met het CDA en de VVD (veiligheid, milieu, maar ook buitenlandse zaken) is het de LPF die mee stemt met de coalitie. Terwijl op de onderwerpen die belangrijk zijn voor D66 (bestuurlijke vernieuwing en onderwijs – de nieuwe en oude kroonjuwelen) de coalitiepartners en D66 vaker hetzelfde stemmen.

Het CDA en de VVD konden dus rekenen op wisselende meerderheden. Daarin leek het kabinet Balkenende II dus sterk op een minderderheidskabinet: er was niet een parlementaire meerderheid, maar meerdere. Het was dus misschien geen minderheidskabinet, maar het was, net als het komende kabinet-Opstelten, een bijzonder meerderheidskabinet, dat de grenzen van het staatsrecht op zocht.

Those Americans … They Have No Culture

Naast politieke en historische locaties, hebben ook de vele moderne kunstmusea in de VS mijn aandacht getrokken, zoals de National Gallery of Art in DC en het Guggenheim en het Museum of Modern Art in New York. Daar kwam ik tot de wonderbaarlijke conclusie dat er bijna geen, echt Amerikaanse kunst is. Zo weinig dat je zou kunnen stellen dat er geen Amerikaanse cultuur is.

De centrale onderliggende vraag is wat kunst is. Ik zou willen stellen dat kunst het maken van voorwerpen is die in de eerste plaats bedoeld zijn mooi te zijn. De intentie van de kunstenaar staat hierbij dus centraal. Het zijn of haar doel om iets te maken dat mooi is: dat dus voldoet aan esthethische eisen over harmonie, in compositie, toon, kleurgebruik etcetera. Religieuze, politieke of functionele doeleinden staan dus op een tweede plaats in de kunst.

Veel van de Amerikaanse musea hangen vol met collecties van Europese schilders. Hierbij ontwikkelde schoonheid zich langszaam van het zo-realistisch mogelijk weer geven van (geidealiseerde) landschappen, stillevens en portretten naar stijlen als impressionisme, expressionisme en abstracte kunst waarbij realisme werd ingeruild voor mooie kleurtegenstellingen en composities. Ik heb denk ik niet andere periodes van drie weken zoveel Renoirs, Seurats, Van Goghs, Manets, Picassos, Braques, Legers, Monets, Rodins, Gaugains, Matisses en Cezannes gezien als in de VS.

Zoals vroeger de Britten uit hun Griekse en Egyptische veroveringen hele tempels met beelden al mee namen, kochten de Amerikanen in de gebieden die zij hebben bevrijd hele schilderijcollecties op om in Amerika ten toon te stellen. Eerder waren de Amerikaanse schilders bijzonder geinteresseerd in Europese schilderkunst. Ze kopieerde Europese stijlen, en ze bezochten Europa tijdens een Grand Tour om daar te schilderen. Er dus wel kunst uit de periode voor grofweg 1950 van Amerikanen maar dat is vaak nauwelijks te onderscheiden van hun Europese tijdgenoten.

Edward_Hicks_-_Peaceable_Kingdom
Er zijn een aantal uitzonderingen. Die zijn te vinden in twee wegen: er zijn kunstenaars die expliciet een Amerikaanse methode gebruiken, zoals Edward Hicks in de vroege 19e eeuw die in tegenstelling tot het academisch realisme naief te werk ging. Maar eerlijk gezegd is dat zo slecht geschilderd dat we nauwelijks van kunst kunnen spreken.

Nighthawks MacDonaldWright_AirplaneSynchYelOrng
Amoskeag_Canal,_Sheeler O'Keeffe_Georgia_Ram's_Head

De tweede weg zijn kunstenaars die specifiek Amerikaanse te werk gaan: ten eerste zijn er kunstenaars die afreisden naar de Indianen, die Founding Fathers als Washington schilderden, die het Amerikaanse landschap weergaven, of met name sinds 1920 die ontwikkelingen als het kapitalisme, industrialisatie of de massa-maatschappij weergaven. Stanton McDonald-Wright en Charles Sheeler gaven op geheel eigen wijze de ontwikkeling van de techniek weer. Georgia O'Keeffe gaf het  landschap van het Amerikaanse Zuid-Westen weer. En Edward Hopper probeerde de vervreemding van de massa-maatschappij weer te geven.

Warhol-Campbell_Soup-1-screenprint-1968

Echter na de Tweede Wereldoorlog ontstaat er, onder de invloed van Europese ontwikkelingen twee opmerkelijke stromingen: het abstracte expressionisme aan de ene kant, waar de chaotische, bijna toevallige schilderijen van Jackson Pollock het meest van opvallen. En de anti-kunst, geinspireerd op de Dada, zoals bijvoorbeeld de Pop Art van Andy Warhol. Dada, ontstaan in Europa na de Eerste Wereldoorlog, probeerde niet meer mooie kunst te maken, maar veroordeelde de nadruk op schoonheid van de "bourgeoise" kunstenaars voor hen. Duchamp wilde bijvoorbeeld WC-potten als kunst in gallerij uitstallen. Warhol volgt hem door een schilderij van een kan soep als kunst te zien. Sindsdien is min-of-meer het eind zoek.

  No._5,_1948

Aan de ene, de abstract-expressionistische kant, telt iedere verfkladder op een doek als kunst. Aan de andere, Dadaistische kant, telt alles als kunst: van een verzameling verfrommelde bierviltjes, een stapel stenen, tot een "performance" waarbij er hard in een microfoon gegild wordt (alle drie gezien echt). Het idee dat kunst draait om schoonheid is niet meer zichtbaar. Kunstenaars willen bepaalde ideeen communiceren, bestaande academische regels schenden, of zich zelf uitdrukken in hun eigen kunst. De individuele beleving van de kunstenaar staat centraal: hij of zij bepaalt wat kunst is, hij of zij drukt zich zelf uit via het voorwerp of brengt zijn of haar individuele visie naar voren. Maar er wordt niet meer gestreeft naar een (universele, toegankelijke) notie van schoonheid.  Uiteraard zijn er aantal uitzonderingen, maar over het algemeen is wat er sinds 1950 gemaakt wordt niet kunst te noemen, als we kunst, zoals boven expliciet koppelen aan schoonheid.

In die zin is er een heel korte periode waarin er ruimte is voor Amerikaanse kunst: voor 1920 waren veel Amerikaanse kunstenaars niet te onderscheiden van Europese kunstenaars: qua methode en qua onderwerpen. En na 1950 is het hek in kunstzinnige dam en anything goes. In die korte periode hebben kunstenaars as McDonald Wright, Sheeler, O'Keeffe en Hopper gelukkig een aantal mooie dingen neer gezet.