De Europese bondgenoten van de PVV

De Europese bondgenoten van de PVV. De moeizame samenwerking tussen nationalisten in Europa.

Geert Wilders haalt in de aanloop naar de Europese verkiezingen de banden aan met gelijkgezinde Europese partijen. De PVV wil een ‘Vrijheidsalliantie’ vormen van partijen die zich verzetten tegen ‘de lijn van de elite’ en die hechten aan ‘nationale identiteit’. Maar hoe groot is de kans van slagen van een internationaal samenwerkingsverband van populistische en nationalistische partijen? Gaat een internationale van nationalistische partijen niet aan interne tegenstellingen ten onder?

De belangrijkste reden voor Wilders om samen te werken is het belang om in het Europees Parlement een eigen fractie van gelijkgestemden te hebben. Bij de Europese verkiezingen in 2009 werd de PVV in Nederland de één-na-grootste partij. Tot een sterke positie in het Europees Parlement leidde dit niet, omdat de PVV zich niet aansloot bij een Europese fractie. De organisatie van het Parlement verloopt namelijk langs fractielijnen: belangrijke functies, zoals voorzitterschappen en rapporteurschappen, worden evenredig verdeeld over de fracties. Zonder lidmaatschap van een fractie waren de vier Europarlementariërs van de PVV dan ook machteloos.

De tijd lijkt gunstig voor een gezamenlijk optrekken van de populistisch-nationalistische partijen in de Europese Unie. Op sociaaleconomische onderwerpen was er altijd een grote onderlinge verscheidenheid. Het Front National bijvoorbeeld combineerde populistische, anti-elitaire retoriek met concrete voorstellen om de overheid te verkleinen en belastingen te verlagen. Het Vlaams Belang daarentegen is altijd een voorstander geweest van een sterke verzorgingsstaat, zolang deze maar ten goede kwam aan de Vlamingen en niet aan de  migranten. Gedurende de huidige Europese economische en begrotingscrisis zijn de nationalistische partijen op dit vlak naar elkaar toegegroeid: de verzorgingsstaat moet beschermd worden tegen de ‘onzinnige dictaten uit Brussel’ om te bezuinigen. Ook de PVV heeft zich in deze richting ontwikkeld: waar Wilders eerst hartstochtelijk pleitte voor het liberaliseren van de arbeidsmarkt, is ze nu de felste tegenstander daarvan. Nationalistische partijen werpen zich op als de kampioen van het stelsel van sociale bescherming, terwijl de partijen in en om het politieke centrum onder druk van Europese afspraken hierop bezuinigen.

Deze toegenomen sociaaleconomische overeenstemming onder de populistisch-nationalistische partijen is onmiskenbaar en draagt bij tot een groter het draagvlak voor een ‘Vrijheidsalliantie’, maar dit kan niet voorkomen dat het nationalistische karakter van deze partijen ook voor spanningen zal blijven zorgen. De Europese begrotingscrisis leidt immers tot tegenstellingen tussen naties: het is lastig om voor te stellen dat Wilders samenwerking zou zoeken met de Griekse nationalisten, terwijl de PVV Griekenland beschrijft als ‘het meest corrupt land van de Europese Unie’.

Ook in het verleden belemmerde het nationalisme de samenwerking in het Europees Parlement.  Duitse en Italiaanse nationalisten hielden het niet bij elkaar uit, omdat ze volstrekt tegengestelde opvattingen hadden over het Italiaanse Zuid-Tirol met zijn Duitssprekende minderheid. Na de Europese verkiezingen van 2004 waren er voldoende nationalistische Europarlementariërs gekozen om een nieuwe fractie te vormen, maar pas in 2007 slaagde het Front National hierin. Het gemeenschappelijk element waren de afkeer van immigratie, de Europese Grondwet en een Turkse toetreding tot de EU. De fractie viel één jaar later echter al weer uit elkaar vanwege een conflict tussen de Italiaanse en de Roemeense leden.

Het is voor nationalistische partijen vaak lastig geweest om grensoverschrijdende samenwerking te verwezenlijken – wellicht vooral omdat zij de neiging hebben de wereld in te delen in de deugdzame natie en gevaarlijke indringers. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid Wilders ook parten spelen: het is lastig voor te stellen dat de PVV-leider, die een meldpunt opzette voor klachten over Polen, Roemenen en Bulgaren, zou kunnen samenwerken met Europarlementariërs uit deze landen, of dat deze parlementariërs met hem in zee zouden willen gaan.

Daarbij komt nog eens dat sommige nationalistische partijen nog altijd sympathie koesteren voor nationaalsocialistische en fascistische regimes, wat  bijvoorbeeld tot uiting komt in hun houding tegenover joden. Partijen als het Front National en het Vlaams Blok waren lange tijd openlijk antisemitisch, hetgeen voor Wilders reden was om hen op grote afstand te houden. Wilders heeft zich altijd onvoorwaardelijk pro-Israël betoond en heeft juist de islam regelmatig een fascistische ideologie genoemd. Dat hij nu samenwerking zoekt met het Front National, komt omdat partijleider Jean-Marie Le Pen, die zich in het verleden antisemitisch had uitgelaten, heeft plaatsgemaakt voor zijn dochter Marine. Zij heeft afstand genomen van het antisemitisme en richt haar pijlen, net als Wilders, op de islam. Lang niet alle nationalistische partijen overigens hebben dit voorbeeld gevolgd; zo houdt Jobbik, de op twee na grootste partij van Hongarije, wel vast aan haar antisemitische retoriek.

Samenwerken?

Bij de komende Europese verkiezingen in mei 2014 zouden de Europese nationalistische partijen hun zeteltal kunnen vergroten, gezien de wijdverbreide onvrede over verdere Europese integratie, de Europese begrotingsafspraken en de steun aan zwakke eurolanden. Bovendien zouden zij samenwerking kunnen zoeken met partijen die nu in de eurosceptische groep ‘Europa van Vrijheid en Democratie’ zitten. Als zij hun krachten bundelen, kunnen ze, zoals Wilders zegt ‘enorm veel voor elkaar krijgen.’ Het is echter maar zeer de vraag of de PVV genoeg nationalistische partijen om zich heen kan verzamelen waarmee hij zich ideologisch verwant voelt. Het moeten dan partijen zijn die tegen migratie zijn, en niet zelf afkomstig zijn uit Oost-Europese emigratielanden; die tegen ‘de elite’ en moslims zijn, maar niets tegen joden hebben; en die tegen de euro zijn, en niet afkomstig zijn uit landen die steun trekken uit het Europees Stabiliteitsfonds.

En dan is het bovendien nog maar de vraag of die partijen met de PVV willen samenwerken. De Britse UK Independence Party bijvoorbeeld koestert haar zelfbeeld als ‘niet-racistische libertaire’ partij, die haar ‘gezonde verstand’ gebruikt: uit de Europese Unie, meer veiligheid en minder immigratie. Het is maar zeer de vraag of deze partij zich wil affiliëren met Wilders, die Groot-Brittannië niet in mocht om zijn controversiële anti-Islam film Fitna te tonen. Het is zal erom spannen of Wilders genoeg bondgenoten kan vinden om een fractie te vormen.

Dit stuk dat mede is geschreven door Gerrit Voerman verscheen ook op de website van het Montesquieu Instituut.

Lijsttrekkerstest Amsterdam

De politiek leider van GroenLinks Amsterdam is een van de machtigste politici binnen GroenLinks. De huidige politiek leider, Maarten van Poelgeest heeft zich niet beschikbaar gesteld voor een nieuwe termijn. Vier mensen hebben zich kandidaat gesteld: Rutger Groot Wassink, Jorrit Nuijens, Jenneke van Pijpen en Paulus de Wilt. Een lastige keuze begreep ik van sommige Amsterdammers. Daarom speciaal voor hen een lijsttrekkerstest.

Deze test werkt als volgt: zet bij jouw keuzes een 1 neer in de groene vakjes en kijk daarna wat er eruit komt in de rode vakjes. Hoe lager, hoe dichter de kandidaat bij je ideaal en idealen komt.

Komt er uit wat je verwacht had? Laat het me weten!

 

 

Links en de Moraal II: Weg met de toeslagenfabriek

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om werkgelegenheid te waarborgen. Filosoferen over vrijheid schept geen nieuwe banen. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

De toeslagenfraude door Bulgaarse bendes laat zien dat een complex belastingstelsel gevoelig is voor fraude. PvdA-fractievoorzitter Diederik Samsom deed een interessant voorstel in de NRC van 16 mei: hij wil samen met zijn liberale collega, Halbe Zijlstra, nadenken over een alternatief voor het toeslagenstelsel en noemde terloops het basisinkomen. Een basisinkomen blinkt uit in eenvoud en sluit aan bij de idealen van sociaal-democraten én de targets van de liberalen. Het zorgt voor een flinke besparing op de bureaucratische verzorgingstaat maar verzekert voor iedereen een fatsoenlijk bestaan.

Een basisinkomen is een inkomen dat burgers onvoorwaardelijk van de overheid krijgen. Het zou voldoende moeten zijn voor mensen om te voorzien in de essentiële levensbehoeften, zoals huisvesting en een zorgkostenverzekering. Iedere burger krijgt dit van de overheid, maar voor de rest is het stelsel van sociale zekerheid zeer beperkt tot, bijvoorbeeld, arbeidsongeschiktheid en onverzekerbare zorgkosten. Daarnaast kunnen mensen zich op de vrije markt bijverzekeren. Tegelijkertijd schaffen we bijna alle uitkeringen, toeslagen en aftrekposten af.

Terecht ergert Halbe Zijlstra zich aan het rondpompen van geld. Mensen betalen belasting maar tegelijkertijd kunnen ze via allerlei regelingen weer geld terug krijgen van de overheid. Dat geldt voor de toeslagenfabriek maar ook voor de hypotheekrenteaftrek. Het belastingstelsel is door Christen-democraten aangekleed als een soort kerstboom met toeslagen, aftrekposten en uitzonderingen. De fraude van de Bulgaarse bendes laat zien dat de kerstboom onder deze versieringen dreigt weg te zakken.

Waren de toeslagen maar het enige: voor mensen die zelf niet voldoende inkomen kunnen vergaren hebben we nu een complex van anonieme afkortingen: AOW, WW, WIA. Om te kijken of mensen wel recht hebben op deze uitkeringen zijn weer controles nodig dat moet dan weer geadministreerd worden door bureaucratische molochen als het UWV.

Een eenvoudiger stelsel van sociale zekerheid, zoals een basisinkomen, voorkomt dat zuurverdiend belastinggeld in de verkeerde handen valt of verdwijnt in een bureaucratisch zwart gat. Het basisinkomen zou de kern kunnen vormen van een mini-stelsel van sociale zekerheid, de droom van de VVD.

Tegelijkertijd zou een basisinkomen ervoor zorgen dat iedere burger recht heeft op een fatsoenlijk bestaan, het hoofddoel van de PvdA. De huidige complexiteit aan regelingen heeft tegenstrijdige effecten: zoals de armoedeval, als mensen die in een uitkering zitten gaan werken, dan kunnen ze wel eens minder geld overhouden aan het eind van de maand, dan toen ze niet werkten. Alle toeslagen zijn inkomensafhankelijk. Als je teveel verdient, heb je geen recht meer op die regelingen. Werken loont dus niet. Een basisinkomen voorziet iedereen in een minimum. Het geld dat mensen daar bovenop verdienen gaat niet ten koste van hun basisinkomen. Zo stimuleert het meer dan de huidige regelingen dat mensen gaan werken.

Bovendien merken veel gemeentes dat armlastige burgers zich niet aanmelden voor alle regelingen waar ze recht op hebben. Ze sturen formulierenbrigades langs de deuren om mensen te helpen om hun recht te halen. In een simpeler sociaal stelsel zou dat niet nodig moeten zijn.

Onze verzorgingstaat is een onoverzichtelijk systeem geworden van uitkeringen, belastingen en toeslagen. Voor de mensen voor wie het bedoeld is ons stelsel vaak te ingewikkeld: zij halen er niet uit wat er in zit. Voor mensen die kwaad van zin zijn biedt het genoeg mogelijkheden voor fraude. Een basisinkomen scoort beter op het sociaal-democratische ideaal van een eerlijke inkomensverdeling en het liberale target van efficiency. Weg met de toeslagenfabriek. Leven het basisinkomen.

Links en de Moraal I: ‘Vrouwen die niet werken moeten zich schuldig voelen.’

In tijden van economische crisis verdwijnt de vrijzinnige moraal naar de marge. Links heeft de dure taak om werkgelegenheid te waarborgen. Filosoferen over vrijheid schept geen nieuwe banen. En toch wil ik juist nu reflecteren over een aantal recente voorvallen waarin economische noodzaak en individuele vrijheid elkaar kruisen.

De kwestie

Eind vorige week riep minister van emancipatie, Jet Bussemaker, vrouwen met een goede opleiding op om niet thuis te zitten maar aan het werk te gaan. Als de baan van hun partner wegvalt of als deze vrouwen scheiden dan rest er slechts armoede. Bussemaker speelde hier bewust via de band van de morele gevoelens: ze stelde dat vrouwen zich moesten bevrijdden van het schuldgevoel dat ze hadden ten opzichte van hun gezin, maar dat zij zich eerder schuldig moesten voelen dat de overheid zoveel in hen geïnvesteerd had.

Al langer vereenzelvigen linkse partijen met een feministisch verleden vrijheid voor vrouwen met economische zelfstandigheid, en begrijpen dat laatste louter als werk. Het argument dat de overheid veel in vrouwen investeert terwijl ze alleen maar thuis zitten werd ook gebezigd door Kamerlid Dijksma toen ze in 2006 zei dat een hoogopgeleide vrouw die thuis zat  kapitaalvernietiging was. Laten we eens naar de drie belangrijkste argumenten kijken:

  • onderwijs is een investering;
  • werkloosheid kost de samenleving geld;
  • en een werkend leven is waardevoller dan een zorgzaam leven.

Onderwijs is een investering

‘U moet zich schuldig voelen, want de overheid heeft veel in u geïnvesteerd. Dat wordt weggegooid als u niet gaat werken.’ Dat is de stelling van de sociaal-democraten.

Bussemaker stelt dat er een verplichting is om werk te vinden in je opleiding. Dat lijkt me onzinnig. Ik ken mensen die psychologie gestudeerd hebben en vervolgens als IT’er aan de slag gaan, of mensen met een universitaire opleiding die kaartjes knippen in een bioscoop. Wat te denken van gepromoveerde wiskundigen die politicologisch onderzoek doen. Moeten zij zich ook schuldig voelen?

Er schuilt een bepaalde visie op onderwijs in deze uitspraak: op school worden mensen klaar gestoomd voor de arbeidsmarkt. Maar ons onderwijs leert kinderen (ook) over andere aspecten van onze samenleving dan werk: denk aan expressieve vorming die de ogen opent voor kunst, gymnastiek voor sport, maatschappijleer voor burgerschap, Latijn en Grieks voor de wortels van onze beschaving, Engels, Frans en Duits voor de cultuur van onze buurlanden.

Als we doen alsof onderwijs alleen maar een beroepsopleiding is vergeten we dat verkennen, experimenteren, onderzoeken en leren de kern van onderwijs is. Leren is niet alleen bepaalde kennis of vaardigheden opdoen, maar ook jezelf leren kennen. Onderwijs is de plek waar je kan leren waar je hart ligt: dat kan werk zijn, maar dat hoeft niet.

Overigens, de uitlating van Bussemaker is erg elitair: vrouwen die doorgeleerd hebben moeten gaan werken. Het lijkt me dat een sociaal-democratische minister zich meer zorgen zou moeten maken over vrouwen die niet hebben doorgeleerd. Hoger opgeleide vrouwen kunnen terugvallen op hun opleiding als ze kostwinner moeten worden. Hoger opgeleide vrouwen trouwen hoger opgeleide mannen. Die mannen hebben een kleinere kans om zonder werk te zitten. Bovendien die gezinnen zijn rijker. Die kunnen terugvallen op spaargeld als beide partners zonder werk zitten. En vrouwen kunnen gezien die rijkere partner rekenen op een gunstigere settlement bij een scheiding. Ik zou me meer zorgen maken over vrouwen zonder opleiding, zonder spaargeld en zonder partner.

Werkloosheid kost de samenleving geld

Bussemaker geeft een tweede argument om werk te zoeken: als u vrijwillig kiest voor werkloosheid dan loopt u een grotere kans om in een uitkering te komen. En dat kunnen we nu beter niet hebben omdat de overheid moet bezuinigen op de collectieve uitgaven.

Het reduceren van de uitkeringsafhankelijkheid is in de Nederlandse politiek een breedgedeeld langetermijndoel. Mensen moeten niet afhankelijk zijn van de verzorgingsstaat maar zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen inkomen. De AOW-leeftijd werd verhoogd met brede steun. Dit was meer dan een platte bezuinigingsmaatregel. Gezien de gestegen levensverwachting is het niet meer reëel dat mensen zolang hun hand op houden. De arbeidsongeschiktheidsregelingen in ons land werden hervormd naar een ‘Wet Werken naar Vermogen’ en een ‘Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen’. Het uitgangspunt is arbeidsgehandicapten moeten niet thuis zitten maar aan de slag. De oproep van Bussemaker moet in deze context gelezen worden: onze verzorgingsstaat transformeert van een stelsel dat een inkomen verzekert voor diegenen die onvrijwillig werkloos zijn naar een stelsel dat mensen tijdelijk ondersteunt als ze ‘in between jobs‘ zijn.

Deze langetermijnvisie  wordt nu gebruikt om nu bezuinigingen te verdedigen. Meer mensen moeten werken. Op lange termijn is er, vanwege de vergrijzing, een tekort aan mensen die willen werken. Maar op korte termijn is de economische realiteit dat er meer werkzoekende dan vacatures zijn; dat er veel mensen ontslagen worden, en maar weinig mensen werk vinden. En overigens zo is de ‘kortetermijnrealiteit’ al ongeveer vijf jaar. En overigens de bezuinigingen die met dit argument gelegitimeerd worden, helpen niet om aan die realiteit een einde te maken. Ondertussen moedigt de overheid iedereen, ouderen, vrouwen en arbeidsongeschikten, aan om werk te gaan zoeken en hun hand niet meer op te houden, terwijl er geen vacatures zijn.

Principiëler vind ik het idee dat economische zelfstandigheid vereenzelvigd moet worden met loonarbeid curieus: vrouwen zijn dan niet meer afhankelijk van hun partner maar van een werkgever. Waarom is proletarische zelfstandigheid verkieslijk boven patriarchische afhankelijkheid? Als ze scheiden of ontslagen worden zijn ze afhankelijk van de overheid. Achter het streven naar economische zelfstandigheid schuilt een morele opvatting dat mensen niet afhankelijk van elkaar zouden moeten zijn. Dit is een illusoir streven omdat de ene afhankelijkheid wordt ingeruild voor de anderen. Het ontkent een vrij fundamentele waarheid van samenlevingen: dat mensen daarin afhankelijk van elkaar zijn. In een huwelijk ben je afhankelijk van elkaar, maar ook in een arbeidscontract en als samenleving van vrije burgers.  Een samenleving is een gemeenschappelijke onderneming.

Wat cru geformuleerd: als u teert op uw partner is er de kans dat u een uitkering nodig heeft, als hij van u af wil, maar als u teert op uw werkgever is er evenzeer een kans dat u afhankelijk wordt van een uitkering als hij van u af wil.

Een werkend leven is waardevoller dan een zorgzaam leven

Er schuilt een bepaalde visie op het goede leven achter de uitspraken van Bussemaker. Onderwijs is eigenlijk alleen maar een beroepsopleiding, niet de plek waar mensen kunnen leren over de wereld (werk maar ook kunst en politiek) en zichzelf. En bovendien zou u moeten gaan werken, overigens niet omdat er bijzonder veel werk te vinden is. De Partij van de Arbeid maakt haar naam waar: in de visie van deze sociaal-democraat is werk alles wat telt.

De formulering van Bussemaker is veelzeggend: vrouwen moeten zich niet schuldig voelen over hun gezin. Vrouwen worden aangesproken op hun morele emoties. U moet uw morele gevoelens laten varen dat u moet zorgen voor uw partner, uw kinderen en misschien uw ouders. Een liberale overheid moet zich niet moeten bemoeien met de morele gevoelens van haar burgers.

Volgens Bussemaker is een werkzaam leven is beter dan een zorgzaam leven. Ik ken deze reflex ook. Ik ken een vrouw: zij had werk als secretaresse, is getrouwd, kreeg kinderen, is gestopt met werken. Ze scheidde van haar man, moest weer aan het werk. Op haar werk ontmoette ze een nieuwe man. Stopte met werken, opnieuw getrouwd, opnieuw kinderen. De kinderen uit haar eerste huwelijk hebben nu kleinkinderen, waarvoor ze een heel liefdevolle oma is.

Ik vind haar keuzes onbegrijpelijk. Ik ben een workaholic. Ik heb het liefst tien onderzoeksprojecten naast elkaar lopen. Als ik door de portier om 22u00 vriendelijk wordt verzocht om naar huis te gaan, dan ga ik daar het liefst door. Maar mijn voorkeuren voor een werkzaam leven betekenen niet dat haar voorkeuren voor een zorgzaam leven verkeerd zijn. Dat is haar droom. Dit is de mijne. Er is niet een model van het goede leven dat iedereen past.

Waltmans & progressieve samenwerking

Op 4 mei overleed Henk Waltmans. Waltmans was jarenlang een van de meest invloedrijke leden van de Politieke Partij Radikalen (PPR). Hij gold als een exponent van samenwerking met de PvdA. Zijn politieke biografie zegt veel over de PPR en misschien ook wel over GroenLinks.

In 1968 behoorde Waltmans tot de oprichters van de PPR. Hij was katholiek opgevoed en lid van de KVP. Midden jaren ’60 verliet hij katholieke kerk. Uit onvrede over de voorkeur van de KVP voor samenwerking met de VVD boven de PvdA verliet Waltmans met een groep andere zo geheten Christel-Radikalen de katholieke parij. Hun hoofddoel: een progressieve meerderheid van sociaal-democraten, sociaal-liberalen en een eigen progressief-Christelijke partij. In 1970 wordt Waltmans lid van de Provinciale Staten van Limburg. Een linkse meerderheid is daar nog ver weg. De combinatie van Christelijke partijen haalt 40 zetels en PvdA, D66 en PPR halen 13 zetels. Als de PPR onder leiding van Bas de Gaay-Fortman zeven zetels in de Tweede Kamer haalt, wordt Waltmans Tweede Kamerlid. Waltmans is een bondgenoot van De Gaay-Fortman en voorstander van samenwerking in het kabinet-Den Uyl.

Waltmans voert het woord over Buitenlandse Zaken. Hij is een groot voorstander van Europese integratie en wordt lid van het dan nog indirect verkozen Europees Parlement. Anders dan de leden van de PPR is hij ook voorstander van de lidmaatschap van de NAVO. De relatie tussen Waltmans en de leden is conflictueus. De leden verkiezen de meer links-radicale Ria Beckers boven de meer bestuurlijke De Gaay-Fortman als partijleider. De leden wijzen samenwerking met het CDA af en sluiten daarmee toetreding tot een nieuw kabinet uit. De PPR houdt in 1977 nog maar drie van haar zeven zetels over. Nadat voormalig staatssecretaris Michel van Hulten de Kamer verlaat vanwege een verschil van inzicht over koers van de PPR met Beckers, keert Waltmans terug in de Kamer.

Binnen de PPR ontstaat een discussie over samenwerking. Een groep verkiest samenwerking met de links-socialistische PSP en communistische CPN. De anti-gouvernementele en Euroskeptische PSP en de pro-Russische CPN zijn voor Waltmans geen goede bondgenoten. Hij ziet hen als klein links. Hij prefereert samenwerking met groot links: de PvdA, D66 en de linkse stroming in het CDA. De PPR moet zich richten op een progressieve meerderheid met PvdA en D66 en moet haar deuren openen voor de ontevreden CDA-leden uit de groep ‘Niet bij brood alleen’. Meer dan een inhoudelijk conflict is dit een conflict tussen pragmatisme en idealisme, tussen gelijk hebben en gelijk krijgen en tussen verantwoordelijkheid nemen en getuigenispolitiek. Een groep PPR-leden die dit ook vindt, organiseert zich in de Godebald-groep: hiervan zijn veel bestuurders lid, zoals NOS-voorzitter Erik Jurgens, oud-staatssecretaris Van Hulten, staatsraad Jacques Aarden, burgemeester Jacques Tonnaer en kandidaat-Europees Parlementslid Ad Melkert. Waltmans sluit zich hier als lid van de Tweede Kamer niet bij aan. Formeel kiest de partijtop niet voor linkse samenwerking. Ze hopen dat PPR kan functioneren als brug tussen ‘klein links’ en ‘groot links’.

De leden verkiezen echter klein linkse samenwerking. Electoraal betaalt dat zich niet uit: de PPR haalt in 1982 twee zetels zodat Waltmans uit de Kamer valt. De leden van de Godebald groep verlaten een-voor-een de PPR: Jurgens en Melkert gaan naar de PvdA, Van Hulten naar D66. Waltmans wordt burgemeester van Landsmeer en senator. Na de oprichting van GroenLinks, waarin klein linkse samenwerking vorm krijgt, gaat Waltmans, net als Tonnaer als onafhankelijke burgemeester door. De PPR is volgens hem ‘ten grave gedragen’ en hij had zelf geen politieke bondgenoten meer over en stond dus ‘met lege handen bij de kist’.

Onze monarchie is een testament van onze democratie

Het was vandaag een bijzondere Koninginnedag. In Nederland werd een nieuw staatshoofd ingehuldigd. Dit was, zoals het al bijna 200 jaar gaat, een Koning. Een monarchie is een overblijfsel uit het verleden. Het past beter bij de tijd van tribale stammen dan bij de tijd van smartphones.

In de wereld zijn er achtentwintig regerende koninklijke families. Een deel hiervan regeert onderontwikkelde staten als Lesotho of oliestaten waar democratische vernieuwing is afgekocht met oliegeld zoals Kuweit. Maar er zijn ook elf koninklijke families die regeren in de democratische landen, zoals Noorwegen, Denenmarken en Luxemburg. Een derde van de leden van de club van ontwikkelde landen, de OECD, is een monarchie. Hoe kan het dat zulke ontwikkelde landen een monarch als staatshoofd hebben? Als we kijken naar enkele van deze landen kunnen we veel zien van hoe monarchie en democratie kan samenhangen:

  • Japan is de oudste monarchie van de wereld. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de Amerikanen bewust ervoor gekozen om de monarchie te laten bestaan, sterker nog de Japanse vorst, Hirhito, leider tijdens Pearl Harbour, mocht aanblijven. Zo bleef een illusie van continuiteit in stand, want Japan werd onder Amerikaanse druk sterk gedemocratiseerd.
  • Het Verenigd Koninkrijk is een zeer oude monarchie. De Engelse monarchie gaat terug naar 895. Sindsdien breidden de Britten langszaam hun terrein uit: het Britse koningshuis heerst nog steeds over vele landen, van Canada tot Australie. Al heel vroeg kregen de Engelse monarchen te maken met een opstandig parlement. In de Engelse burgeroorlog (1642-1651) gingen koningsgezinden en parlement-gezinden met elkaar op de vuist. Maar sindsdien wordt er een balans gezocht tussen Koning en parlement, dat geleidelijk meer en meer richting parlement schuift. Oude aristocratische elementen, zoals het House of Lords en curieuze titels als Lord of the Privy Seal, worden verenigd met algemeen stemrecht (in 1928) en een majoritair politiek stelsel, waarbij over alles fel gedebatteerd wordt, behalve de monarchie.
  • De Zweedse monarchie gaat terug tot mythische tijden. Gedurende de negentiende en vroege twintigste eeuw is Zweden langzaam gedemocratiseerd. En alhoewel Zweden een sterke socialistische stroming kende, is het Koningshuis nooit in gevaar geweest. Het Zweedss Koningshuis accepteerde uiteindelijk dat het parlement politiek het initiatief had en speelt sindsdien een ceremoniele rol. De socialisten werden, na invoering van het algemeen kiesrecht in 1919, ingebed in de parlementair-democratische instellingen en regeerden jarenlang consensueel in een minderheidsregering.
  • Nederland werd een monarchie in 1806 toen ons land van buitenaf een vorst kreeg opgedrongen, namelijk door de Franse Keizer Napoleon. Zo maakte hij niet alleen een einde aan de eerste Franse Republiek, maar ook aan de Nederlandse Republiek, eeuwenlang een toonbeeld van vooruitstrevendheid en vrijheid. In 1813 kwam er een Oranje op de troon, als teken van continuiteit, want de Oranjes waren al jarenlang effectief staatshoofd van Nederland geweest, namelijk als stadshouder van Holland. De Nederlandse vorsten toonden zich plooibaar en gematigd. Toen in 1848 een liberale revolutie zich over Europa uitstrekte, liet Willem II Thorbecke een liberale grondwet schrijven. Dat kenmerkte ook de politieke stijl van de Nederlandse vorsten en elite: meebuigen met maatschappelijke veranderingen, niet tegenstribbelen. Het algemeen kiesrecht werd in 1917, bijvoorbeeld, ingevoerd als onderdeel van een typische Nederlands compromispakket, waarbij socialisten en conservatieven hun deel kregen.
  • Belgie werd in 1839 onafhankelijk van Nederland en koos in lijn met de reactionaire wind in Europa sinds het Congres van Wenen voor een monarchie. Belgie had een zeer liberale grondwet en gold jarenlang als de meest vooruitstrevende staat van Europa, zeker op het gebied van vrijheid van meningsuiting. Behalve de oorlog van onafhankelijkheid kende Belgie geen revoluties of intern geweld. Zoals de federalisering van Belgie nu verloopt, in horten en stoten met kleine stapjes, verliep ook de democratisering van Belgie sindsdien.
  • Spanje is de nieuwste monarchie van de wereld. In 1975 volgde Juan Carlos, de zoon van de 1931 afgezette Koning, de fascistische dictator van Spanje, Franco, op, als staatshoofd. In de fluwelen democratische revolutie was Juan Carlos een teken van stabiliteit.

Wat deze voorbeelden laten zien is dat monarchieen voortblijven bestaan in landen waar hervormingen geleidelijk verlopen; waar elites de roep op democratie niet wegwuiven, maar schikken en plooien. In Spanje en Japan gaf de monarchie de illusie van stabiliteit in een snel veranderend land.

Vele landen verloren hun monarchen in revoluties: Frankrijk deed dit wel vier keer: twee Koningen en twee keizers werden afgezet. De Russische Revolutie maakte een eind aan de Tsaren. De Duitse monarchie viel door de roep om democratisering na de Eerste Wereldoorlog. De Oosterrijks-Hongaarse monarchie viel door de roep om nationale zelfbeschikking in Centraal Europa. De Italiaanse monarchie werd afgeschaft vanwege de collaboratie van de Koning met de fascisten in de Tweede Wereldoorlog. Deze monarchieen zijn ten onder gegaan omdat de roep om democratisering werd tegengehouden door de elite en dat leidde tot een soms geweldddadige eruptie van onvrede.

Als een land ondanks dat dit een reliek uit het verleden is een monarchie is gebleven, dan komt dit omdat de monarchen hebben geaccepteerd dat hun rol steeds kleiner werd. Dat Nederland nog steeds een monarchie is, is een testament van de democratische gezindheid van onze elite.

De monarchie is niet te duur

Veel republikeinen zijn er niet meer in dit land, zeker niet deze dagen. Er blijven een paar mensen weg uit de kerk, of ze houden wijselijk hun mond als ze een eed moeten zeggen. Bijna niemand durft te pleiten voor de republiek. Soms klagen er wat linkse mensen dat de monarchie wel erg duur. Kan het niet een onsje minder? Zeker in crisistijd? Kunnen de Oranjes niet belasting gaan betalen? 5 miljoen gaat er naar de Koningin per jaar. Dat is toch schokkend?

Schokkend weinig inderdaad. Wat kost een mensenleven? Vanaf zijn eerste levensjaar hebben we Willem-Alexander gedwongen om in the public spot light te staan. Onze aanstaande koning heeft geen serieuze keuze gehad om zelf zijn eigen hart te volgen. Een ding stond vast: vanaf een zeker moment zou hij koning moeten worden. Hij moest de opleiding krijgen die paste bij de kroon. Hij moest een vrouw kiezen die paste bij de titel. Genoeg kinderen verwekken om zeker te zijn van een opvolger. Laten we er simpel over zijn, dit is een vorm van slavernij. Willem-Alexander wordt misschien onze vorst, maar hij is al jarenlang onze collectieve slaaf. Willem-Alexander beschikt niet over zijn eigen tijd, zijn eigen leven of zijn eigen lot.

En bovendien er is geen enkel goed argument om Willem-Alexander zijn vrijheid te onthouden. De Koning heeft rol meer in de kabinetsformatie. Dat wil de Tweede Kamer liever zelf doen. De Koning heeft geen serieuze positie meer in buitenlandpolitiek, beleidsvorming of in benoemingen. Hij is verworden tot een menselijke stempelmachine.

Je hoort nog wel eens zeggen dat het traditie is, dat het Koningshuis zo populair is of dat het typisch bij Nederland hoort. Maar steun van kiezers is in een rechtsstaat geen reden om mensen hun vrijheid te ontzeggen; Nederland was langer een republiek dan een monarchie; en traditie klinkt als een reden om slavernij in stand te houden, maar mag dat nooit zijn.

Als je mensen opgesloten wil houden in een kooi dan kan dat beter een gouden kooi zijn. Je kan geen prijs zetten op een mensenleven, maar het is niet aan linkse politiek om een slaaf zo goedkoop mogelijk te krijgen.

Kabinet Samsom I

In de peilingen staat linkse partijen op winst. En alhoewel de PvdA meer dan de helft van haar zetels dreigt te verliezen, zouden de sociaaldemocraten na een volgende Kamerverkiezingen mogelijk leiding kunnen geven aan een veelkleurig centrumlinks kabinet. Samen hebben PvdA (23), SP (21), D66 (15), 50+ (13) en ChristenUnie (6) een meerderheid (78). Deze coalitie zou bestaan uit de Partij van de Arbeid en vier linkse inbrekers: de SP en 50+ breken in op het PVV electoraat, D66 en 50+ bij de VVD en de ChristenUnie en 50+ bij het CDA. Hoe zou zo’n kabinet eruit zien?

Overeenstemming over beleid is voor de partijen ingewikkeld: D66 en ChristenUnie willen hervormen, terwijl juist SP en 50+ zich daar tegen verzetten. ChristenUnie en D66 zijn over ethische thema’s dan weer ernstig verdeeld. En op integratie is de SP dan weer conservatiever. Maar een balans van hervormen, bezuinigen en investeren kan onder welwillende partijen altijd gevonden worden, en culturele thema’s zijn van ondergeschikt belang in de huidige tijd.

Een formatie met zoveel partijen is een lastige sudoku omdat er met veel partijen een balans gevonden moet worden in de verschillende onderraden van het kabinet en tussen het aantal staatssecretarissen en ministers.

  • Algemene Zaken: in dit brede kabinet wordt Samsom (PvdA) zelf premier.
  • Buitenlandse Zaken: Sophie in ‘t Veld, de uitgesproken fractieleider van D66 in het Europees Parlement, minister van Buitenlandse Zaken, met Europa in haar portefeuille. SP’er Harry van Bommel wordt minister van Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel.
  • Defensie: Lilianne Ploumen wordt de minister van Defensie, omdat de PvdA een vrouwenquotum te halen heeft.
  • Binnenlandse Zaken: De SP levert de minister voor Binnenlandse Zaken in de persoon van Emile Roemer. 50+ levert de minister zonder portefeuille voor Huisvesting en Rijksdienst, Klaas Wilting, een vertrouweling van Jan Nagel.
  • Justitie: Asscher wordt namens PvdA minister van Veiligheid & Justitie. De ChristenUnie levert met Joel Voordewind de staatssecretaris van Vreemdelingenzaken.
  • Financiën: De PvdA houdt Dijsselbloem als minister van Financiën en voorzitter van de Eurogroep. Hiermee wordt de staatssecretaris van Financiën, Ewout Irrgang, zeer machtig omdat hij Nederland in de Eurogroep vertegenwoordigd.
  • Economische Zaken: ChristenUnie-leider Arie Slob wordt minister van Economische Zaken, hij richt zich met name op landbouw. Wouter Koolmees wordt staatssecretaris, met in zijn portefeuille innovatie en energie.
  • Sociale Zaken en Werkgelegenheid: 50+-leider Henk Krol wordt minister van Sociale Zaken (pensioenen), Sadet Karabulut, namens de SP, wordt zijn staatssecretaris (voor arbeidsmarkt en integratie).
  • Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: D66 levert de minister van Onderwijs, uiteraard Alexander Pechtold. Sharon Dijksma wordt staatssecretaris voor hoger onderwijs en cultuur.
  • Volksgezondheid, Welzijn en Sport: SP levert met Tineke Slager zelf de minister van VWS. Haar staatssecretaris wordt 50+-voorzitter Willem Holthuizen. Hij wordt verantwoordelijk voor Langdurige Zorg.
  • Infrastructuur & Milieu: Tiny Kox wordt minister van Infrastructuur. Wilma Mansveld blijft staatssecretaris van Milieu en krijgt daar natuur bij.

De PvdA en de SP leveren allebei vier ministers en twee staatssecretarissen, maar de PvdA levert de premier. D66 en 50+ hebben allebei twee ministers en een staatssecretaris. De ChristenUnie een van beide. In de sociaal-economische onderraad zijn alle partijen vertegenwoordigd zoals ze staatssecretarissen hebben. Alle partijen leveren een bewindspersoon op het gebied van binnenlandse zaken en alle partijen, behalve 50+, op milieu, De PvdA, SP en D66 leveren een bewindspersoon op buitenlands gebied. SP en 50+ leveren allemaal twee bewindspersonen in de publieke sector, een PvdA en D66 een.

Buiten het kabinet zijn er dan vijf fractievoorzitters die regelmatig overleggen met het kabinet: Van Dam (PvdA), Leijten (SP), Klein (50+), Schouw (D66) en Segers (ChristenUnie).

Is de piratenpartij populistisch?

Donderdag was ik bij een bijeenkomst van de Raad voor Openbaar Bestuur over de toekomst van de politieke partij. De Piratenpartij had een grote delegatie gestuurd. Een oudere collega vroeg me na de bijeenkomst of de Piratenpartij populistisch was. Een vraag die niet gemakkelijk te beantwoorden, is.

Populisme
In de politieke wetenschap is er levendig debat over wat populisme. Er is min-of-meer overeenstemming dat populisme bestaat uit deze drie claims:  ten eerste, populisten richten zich op het volk. Dat volk is homogeen en deugdzaam. Ten tweede, dit volk zou soeverein moeten zijn maar de huidige politieke elite is corrupt en vertegenwoordigt het volk niet langer.  En ten derde, het is de rol van de populisten om ervoor te zorgen dat de overheid weer ten dienste staat van het volk.

Populisme kan met alles vermengd worden: het volk kan de arbeider zijn maar ook de kleine ondernemer. De elite kan gekaapt zijn door ambtenaren maar ook door lobbyisten van het bedrijfsleven. Een populist kan zich ergeren aan een teveel aan regels, maar ook aan tekort aan regels. De populist kan dus een links of een rechts programma voorstellen om het land terug te geven aan het volk.

Zweedse Piratenpartij
De eerste Piratenpartij komt uit Zweden. In de lente van 2012 hebben ze een nieuw beginselprogramma aangenomen. Een fundamentele verandering in de houding van machtshebbers is nodig om een vrije informatiesamenleving te realiseren: ‘de staat moet medeburgers vertrouwen, respect tonen en hen meer vrijheid geven.’ Deze piraten menen dus dat de huidige elite het niet goed doet. Maar het volk is hun ogen niet deugdzaam, het reageert op stimuli: ‘mensen die met argwaan tegemoet getreden worden, zullen reageren met argwaan. Mensen die met vertrouwen tegemoet getreden worden, zullen reageren met vertrouwen.’ Bovendien ligt er geen zware nadruk op een wisseling van de wacht maar op de belofte van technologie: ‘het vermogen van mensen vrij met elkaar te communiceren versterkt vrijheid, participatie en democratie.’

Het programma heeft een duidelijke anti-elitaire toon, maar het volk wordt niet gezien als deugdzaam maar als reactie, en bovendien ligt de oplossing niet in een wisseling van de wacht maar in het gebruik van technologie.

De Nederlandse Piratenpartij
In het programma van de Nederlandse Piratenpartij zijn we deze drie elementen terug. Ten eerste, het anti-elitisme: Het schetst een cynisch beeld van de politiek: ministers zijn afhankelijk van topambtenaren en lobbygroepen. Terwijl ministers wisselen, vormen ambtenaren en lobbyisten een constante factor, die hebben daarom een grote kennisvoorsprong. Kamerleden missen de kennis en het netwerk om de voorstellen goed te beoordelen, daarom worden miljarden verspild, bijvoorbeeld aan dure ICT-projecten. De afstand tussen burger en bestuur is volgens de Piraten de reden voor het probleem: hierdoor zijn, volgens de Piraten, populisme en private belangen dominant geworden in de politiek.

De oplossing die de Nederlandse Piraten bieden, heet Liquid Feedback. Dit geeft burgers de mogelijkheid om hun kennis te delen met beleidsmakers ‘Een democratisch systeem voor de 21ste eeuw’:  De kern hiervan is dat iedereen met oplossingen kan komen, iedereen daarover mee kan praten, en iedereen daarover kan stemmen. Als hij dat wil ten minste. Als mensen dat niet willen kunnen ze vertegenwoordigers aan wijzen die op specifieke onderwerpen hen representeren. Het internet biedt hier een mooi platform voor: iedereen kan op een willekeurig moment zoveel of zo weinig invloed uitoefenen als hij zelf wenst. De Piratenpartij past dit principe zelf in haar eigen organisatie toe: het bestuur wordt permanent gevoed en gevolgd door de leden.

One out of three
Dit programma heeft dus een duidelijk anti-elitaire ondertoon: de huidige politiek is ontransparant en luistert niet naar de burger. Het programma van de Piratenpartij heeft duidelijk radicaal democratische trekken: in hun opvatting is ‘democratie de heerschappij van iedereen over iedereen’ en niet van ambtenaren en lobbyisten. Maar nergens in het programma wordt het volk voorgesteld als een eenheid of als bijzonder deugdzaam. Het enige wat duidelijk wordt in het programma is dat de Piraten vinden dat er mensen zijn in het volk met kennis, inzicht en expertise die nu missen in de elite: de piraten willen van de macht van de incrowd naar de wijsheid van de crowd.
De Piratenpartij stelt niet zoals een klassieke populisten dat zij het volk zullen vertegenwoordigen, maar dat nieuwe informatietechnologische tools een brug kunnen vormen over de kloof tussen burgers en bestuur. Een luidspreker voor mondige burgers.

Machtsrelaties in het parlement

Waarom heeft de Nederlandse Tweede Kamer 150 leden? En waarom heeft San Marinese parlement (met ongeveer 2% van de inwoners) er 60? Het lijkt af te hangen van historisch toeval: in Nederland hebben we 150 Tweede Kamerleden. In 1956 is dat gewijzigd omdat er aantal leden regelmatig in Straatsburg zaten. Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden heeft 435 leden. Dat is in 1911 toevallig vastgesteld.

En toch, ik heb er al eerder over geschreven, is er een opvallend patroon: hoe groter het land, des te groter het parlement. De meest voor de hand liggende verklaring is het aantal inwoners van een land. Grotere landen hebben grotere parlementen. Een land als Palau (21 duizend inwoners) heeft een Tweede Kamer met 16 leden. China (1,3 miljard inwoners) heeft een Nationaal Volkscongres met drie duizend leden.

Lineaire relatie
In figuur 1 kunnen we de relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal leden van het lager huis in alle 190 lidstaten van de Interparlementaire Unie. We kunnen hier een lineaire relatie zien tussen het aantal inwoners en het aantal Kamerleden. Ieder parlement heeft 150 leden en voor iedere 700 duizend inwoners komt er een Kamerlid bij. Met 16 miljoen inwoners zou Nederland dus ongeveer 175 Kamerleden hebben. 55% van de Kamerzetels wordt correct voorspeld. Maar de relatie wordt vrij zwaar gedomineerd door India en China die outliers zijn. Want eigenlijk liggen alle andere landen in het gebied ‘klein & weinig Kamerleden’.

Vijf lineaire verbanden
We kunnen deze logica, waarbij we de data opsplitsen in verschillende gebieden verder toepassen: ik heb alle landen opgesplitst in vijf segmenten naar aantal inwoners. Als we van micro-staten naar de grootste landen gaat neemt iedere keer de hellingsgraad van de lijn af: 3.7 Kamerleden per inwoner voor de micro-staten (onder 2 miljoen inwoners); 1.5 Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder 7.5 miljoen inwoners); 0.75 Kamerleden per inwoner in de middengroep (onder 25 miljoen inwoners); een half Kamerleden per inwoner in de groep daarna (onder de 100 miljoen inwoners); en een tiende Kamerlid per inwoner. Een land als Nederland heeft 100 Kamerleden en krijgt er dus 0.75 per Kamerlid bij: samen 225.
Er lijkt dus een convex curvilineair verband te zijn: naar mate het aantal inwoners toeneemt, daalt het effect van inwoners op het aantal Kamerleden.
Deze figuur 2 ziet er mooi en kleurrijk uit, maar er zijn twee problemen met deze methode: ten eerste zijn er wel erg weinig landen per blok om een analyse op te baseren, daardoor wordt de analyse onzeker. Ten tweede, verschilt de verklarende kracht van de modellen sterk, omdat sommige gebieden diverser zijn dan anderen.

Curvilineair verband
Een manier om in de sociale wetenschappen een curvilineair verband te modelleren is met een polynominale relatie. Deze is weergegeven in figuur 3. Deze lijn verklaard 86% van de Kamerzetels. Volgens dit model zou een land als Nederland 185 Kamerleden moeten hebben. Dat lijkt dus mooi. Maar volgens dit model zouden landen met meer dan 400 miljoen inwoners, een negatief aantal Kamerleden moeten hebben. Boven de 1.2 miljard inwoners schiet de lijn plotseling weer boven de nul, toevallig ongeveer evenveel inwoners als India en China hebben. Dus deze relatie heeft veel verklarende kracht, maar is eigenlijk in een absurdistische jojo.

Machtsrelatie
We kunnen een curvilineaire relatie ook benaderen als een power law of een machtsrelatie. Dit wordt vaak gebruikt in de natuurkunde als de data over verschillende ordes van grootte heen omvat. In figuur 4 is een curvilineaire relatie geplot in een figuur met twee logaritmische schalen, met twee logaritmische schalen lijkt een curvilineaire relatie lineair. De relatie is vrij simpel: Kamerleden = (Inwoneraantal ^ 0.4)/3
Dit model omvat de data mooi: 80% van het aantal Kamerleden kan hierdoor verklaard worden. Bovendien zitten er geen contra-intuitieve elementen aan: alle datapunten ligt in een band om deze lijn. Een land als Nederland zou 200 Kamerleden hebben.

Andere factoren
Nu we een passend model hebben, kunnen we wat toeters en bellen toevoegen aan ons model. De oplettende lezer dacht misschien al: waarom hebben we het alleen over leden van lager huizen en niet over leden van het hoger huis? Zijn die parlementen kleiner? En hoe zit het met dictaturen? Of federaties?
Als een land een hoger huis heeft, is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 14% lager. De extra Kamerleden in het hogere huis, zorgt dus voor minder Tweede Kamerleden. Als een land een democratie is (een land met een Freedom House score ‘Free’), is het aantal Kamerleden gemiddeld 13% lager. Dat lijkt raar, maar als er in een parlement echt belangrijke beslissingen neemt, dan moet er wel efficient vergaderd kunnen worden. Een working parliament kan niet te groot zijn. In een federatie is het aantal Tweede Kamerleden gemiddeld 10% lager: als er minder in de hoofdstad besloten hoeft te worden, dan zijn er minder mensen nodig. Nederland als democratische eenheidsstaat met een tweekamerstels en 16 miljoen inwoners heeft gemiddeld ongeveer 175 Kamerleden.
Al met al, hebben deze factoren wel een effect, maar het valt in het niet met het effect van aantal inwoners.

Concluderend
De relatie tussen burgers en Kamerleden is een machtsrelatie. Dat is de relatie kan beschreven als een power law: voor iedere inwoner komt er aantal Kamerleden bij, maar het effect van inwoner per inwoner neemt af naar mate het aantal inwoners toeneemt.
Als u dit hele stuk heeft doorgeploegd, vraagt u zich misschien af: so what? Laat ik daar drie dingen over zeggen: ten eerste, zegt het aantal Kamerleden dat er per burger is iets over de kwaliteit van de democratie. Wouter Veenendaal heeft in een recent proefschrift laten zien dat een te kleine kloof tussen burger en politiek ook niet goed is. Maar naar mate het aantal inwoners toeneemt, wordt de kloof ook groter.
Ten tweede, de reden dat er een grens ligt aan het aantal Kamerleden is efficiency. Je kan maar met zoveel mensen efficient vergaderen. Er lijkt een harde bovengrens te zijn: alleen China heeft meer dan 800 Kamerleden.
Ten derde, ik vond de recente brief van minister Plasterk (… en Koninkrijksrelaties/PvdA) waarin hij het voorstel om het aantal Tweede Kamerleden terug te brengen naar 100, terug trekt, wat summier. Bij deze dus: als je in internationaal vergelijkend verband kijkt, dan zou het aantal Kamerleden in Nederland niet teruggebracht moeten worden maar met 25 tot 75 Kamerleden uitgebreid.