Topinkomens, Ontslagrecht en Autogestion

"Bos ontkent uitruil topinkomens en ontslagrecht" kopt de Volkskrant op hun site. De twee gecompliceerde kwesties (een flexibelere of een rigider arbeidsmarkt en beloningsstelsel voor top managers?) worden door Bos expliciet niet met elkaar verbonden. Het frame van koehandel dat de media ook al opriep bij de Europees Hervormingsverdrag wordt weer door de PvdA ontkent. Het opvallende is dat de weigering van de PvdA om dossiers uit te wisselen er tot nu toe voorzorgt dat zij voortdurend verliest van het CDA: geen onderzoek naar Irak, geen Europees Referendum.

Volgens mij is er wel een enkele oplossing voor beide nettelige dossiers: meer macht voor werknemers binnen bedrijven.
Kijk als je een systeem van inspraak maakt waarbij de werknemers moeten instemmen met de arbeidsvoorwaarde van alle werknemers, dus ook de topmanagers, dan zullen exhibitionistische bonussen alleen nog voorkomen als de werknemers er mee instemmen, als de hele CAO in hun voordeel is. Er is volgens mij dan geen bezwaar meer te maken tegen de salarissen aan de top, als de ongelijke verdeling van inkomen, in Rawlsiaanse termen, in the interest of everyone zijn.
Likewise, als werknemers meer te zeggen krijgen over de bedrijfsvoering dan zullen massa-ontslagen alleen nog maar plaats vinden als het echt gaat om het voortbestaan van het bedrijf als geheel. Als je ervoor zorgt dat ook bij re-organisaties alle werknemers (of hun vertegenwoordigers) in moeten stemmen dan zal dat alleen gebeuren als het ook in het voordeel is van de median werknemer is. Waarom zou je, als je ervoor zorgt dat bedrijven in the interest of hun werknemers handelen, dan nog een rigide arbeidsmarkt willen behouden?

Als het aan mij zou je in bedrijven de macht tussen aandeelhouders en werknemers gelijk moeten verdelen: een mengvorm van autogestion en de dictatuur van het kapitaal. Scherp gesteld: als je mensen zelf echt verantwoordelijk maakt voor hun eigen toekomst, kan je een boel paternalistische verzorgingsstaat, bureaucratische staatsinterventie en rigide wetgeving opdoeken.

Een zondsvloed aan idealen

Vandaag was ik als subpanel beginselen-lid uitgenodigd bij de GroenLinks strategie dag in Utrecht. Ik was bij een discussie over de stand van zaken van mijn panel. We hebben ons enige tijd bezig gehouden met beleidsmatige dilemma waar GroenLinks voor staat: bv. participatie of ontspannen, of allebei? De aanwezige leden, met name van andere panels vonden dat wij ons meer op de idealen/beginselen/uitgangspunten/doelstellingen moesten richten en minder de spanningen in het beleid.

Ik ben een groot voorstander van een focus op beginselen/idealen/uitgangspunten/doelstellingen. Ik denk dat er twee centrale vragen zijn op dit vlak: wat zijn de idealen van GroenLinks en  hoe verhouden die zich tot elkaar. Ik zal hier proberen te kijken wat antwoorden zouden kunnen zijn op de eerste vraag.

Het huidige beginselprogramma noemt zes uitgangspunten, die overigens vrij slecht in het stuk worden uitgewerkt:

  1. democratische rechtsstaat
  2. leefbaar milieu/ecologisch evenwicht
  3. rechtvaardige verdeling van macht, kennis, bezit, arbeid en inkomen
  4. behoorlijke bestaanszekerheid voor allen
  5. verzet tegen onderdrukking

Dit is een klassiek rijtje, dat sterk zijn basis heeft in de jaren ’70/’80. Het nadeel van deze vijf is dat ze niet allemaal van het zelfde type zijn: sommigen zijn dingen die we niet willen (uitbuiting/onderdrukking), anderen juist dingen die we wel willen. Een aantal zijn vrij beleidsmatig geformuleerd (bestaanszekerheid, verdeling).  Ik vind de de term "democratische rechtsstaat" altijd erg dubieus als politiek-filosoof, het herbergt twee stromingen binnen de democratie theorie: de liberale democratie en de radicale democratie. Opvallend genoeg mist een expliciet vrijzinnig ideaal: dat wordt negatief (tegen onderdrukking) geformuleerd.

Geleidelijk zien vier centrale GroenLinks idealen ontstaan in de partijtop, met name onder Rosemuller:

  1. ecologische duurzaamheid,
  2. culturele openheid,
  3. sociale rechtvaardigheid
  4. en internationale solidariteit.

Ik heb mijn twijfels bij de formulering van deze vier idealen. Inhoudelijk zijn ze zo amorf… Ik vind dat het woord "rechtvaardigheid" niet bij kernidealen gebruikt kan worden. De reden daarvoor is puur analytisch. Rawls stelt "Justice is the first virtue of institutions" daarmee zegt hij: rechtvaardigheid is (gedefinieerd als) wat primair goed kan zijn een instituut. Dit houdt in dat je alle idealen, die je kan hebben, kan vervangen door "justice", want dat is de  al-omvattende term voor goede kenmerken van instituties. Als je sociale rechtvaardigheid gebruikt zeg je dus: goede kenmerken van instituties voor zover ze betrekking op sociale vraagstukken. Zonder te specificeren wat dat dan is. Maar waarom zeg je dan voor de rest niet: "economische rechtvaardigheid", "internationale rechtvaardigheid", "economische rechtvaardigheid" etc. Iedere combinatie van een beleidsveld met rechtvaardigheid is dan een ideaal, maar zonder inhoudelijke omschrijving: economische rechtvaardigheid is voor een sociaal-democraat staatsinterventie en voor een liberaal staatsonthouding.
Daarnaast, ik begrijp gewoon weg niet wat er precies met "culturele openheid" (soms ook wel "democratische openheid") bedoeld wordt: het klinkt als of er geduid wordt op een soort Popperiaanse Open Society, wat zoveel inhoudt als een samenleving die er rekening meehoudt dat zij niet de wijsheid in pacht heeft, maar dat het absolute politieke ideaal (nog) niet bepaald is. Als zodanig is het de antithese van een politiek ideaal.
Ik vind het hoogst dubieus om wel internationale solidariteit te hebben als ideaal maar niet nationale solidariteit. We zijn dus alleen solidair met mensen buiten Nederland (?!).
Het probleem van het woord "duurzaam" is dat het, net als rechtvaardig, de pretentie heeft een een overkoepelende waarde te zijn: alleen als economie, samenleving en milieu met elkaar in balans zijn is er sprake van een duurzame situatie. Door te zeggen dat je alleen naar ecologische duurzaamheid streeft, zeg je dat sociale en economische duurzaamheid niet relevant zijn.

DWARS heeft vijf centrale idealen:

  1. Duurzaamheid
  2. Solidariteit
  3. Vrijheid
  4. Vrede
  5. Democratie

De DWARSe idealen zijn ook niet zalig makend. Het woord duurzaamheid komt weer terug (zie kritiek boven). Solidariteit is voor DWARS grenzeloos (maar ook binnen Nederland geldig!). Ik vind dat het woord "vrijheid" niet taktisch gekozen is. Vrijheid is een kenmerk van een individu, net als gelijkheid, duurzaamheid, solidariteit, vrede en democratie van een samenleving. Een "vrije samenleving" is een samenleving die niet door een andere samenleving wordt overheerst, een  samenleving bestaande uit vrije individuen wordt volgens mij gekenmerkt door het ideaal "diversiteit". DWARS heeft vrede als een streefdoel geformuleerd: wij streven naar een wereld zonder oorlog, hoe je daar komt (wel of niet militair ingrijpen om een ergere oorlog te voorkomen?) is een kwestie voor ons verkiezingsprogramma. Democratie is voor mij een side constraint. Het is geen streefdoel op zich maar een vereiste: iedere politieke beslissing die genomen wordt moet democratisch tot stand komen.

De Global Greens hebben er zes "pillars". De eerste vier behoren overigens ook tot de originele pillars van die Gruenen/B’90

  1. Ecological Wisdom
  2. Social Justice
  3. Participatory Democracy
  4. Non-violence
  5. Sustainability
  6. Respect for Diversity

Hier spelen op nieuw een aantal problemen: wat is ecologische wijsheid? En is wijsheid een ideaal of een deugd van politici (dat laatste volgens mij). social justice (zie boven). Non-violence is eerder iets wat je niet wat dan wat je wel wilt en daarnaast meer een side-constraint van je handelen dan een doel dat je nastreeft, sustainability (zie boven), respect voor diversity impliceert dat diversiteit bestaat en wij daar eerbied voor moeten hebben, niet dat we het stimuleren.

De Zweedse Groenen noemen drie vormen van solidariteit:

  1. Met dieren en het ecosysteem
  2. Met toekomstige generaties
  3. Met alle wereldburgers

Ik vind het een uiterst esthetisch rijtje. Enige nadeel: het is weinig vrijzinnig: vrijheid/culturele openheid/democratie hebben geen ruimte we zijn solidair maar niet divers.

De Amerikanen hebben er 10 "key values":

  1. Grassroots democracy
  2. Social Justice & Equal Opportunity
  3. Ecological Wisdom
  4. Non-violence
  5. Decentralization
  6. Community-based economics & Economic Justice
  7. Feminism & Gender Equity
  8. Respect for Diversity
  9. Personal & Global Responsibility
  10. Future Focus and Sustainability

In Amerika is alles groter en meer, maar niet per definitie beter. De 10 Key values mengen allerlei verschillende niveau:  Grassroots democracy, violence en decentralization geen doelen zijn maar -altijd noodzakelijke- beperkingen. Ecological Wisdom is een kenmerk van goede beleidsmakers. Community-based economics is erg christen-democratisch. Social & Economic justice hebben volgens mij geen betekenis. Het noemen van Feminism en Gender Equity is niet eerlijk ten opzichte van andere emanciperende groepen (LBGT, moslims, christenen, mannen, gehandicapten). Ik weet niet precies wat er met "personal and global responsibility" bedoeld wordt. Future focus klinkt goed: maar wie pretendeert niet gericht te zijn op de toekomst?

Laten we ze naast elkaar leggen

  1. Idealen mbt besluitvorming: democratische rechtsstaat (GL ’91) Democratie (DWARS) Participatory Democracy (GG& B’90/DG) solidariteit met dieren, het ecosysteem en toekomstige generaties (MdG) Grassroots democracy (GPUS) Decentralization (GPUS)
  2. Idealen mbt de grenzen aan ontwikkeling: leefbaar milieu/ecologisch evenwicht (GL ’91) ecologische duurzaamheid (GL ’98) duurzaamheid (DWARS) Ecological Wisdom (GG& B’90/DG) Sustainability (GG) Ecological Wisdom (GPUS) Future Focus and Sustainability (GPUS)
  3. Idealen mbt de verdeling van goederen: rechtvaardige verdeling van macht, kennis, bezit, arbeid en inkomen (GL ’91),behoorlijke bestaanszekerheid voor allen (GL ’91) sociale rechtvaardigheid (GL ’98) solidariteit (DWARS) Social Justice (GG& B’90/DG) Social Justice & Equal Opportunity (GPUS) Community-based economics & Economic Justice (GPUS)
  4. Idealen mbt de vrijheid van individuen: verzet tegen onderdrukking (GL ’91) culturele openheid (GL ’98) Vrijheid (DWARS) Respect for Diversity (GG) Feminism & Gender Equity (GPUS) Respect for Diversity (GPUS)
  5. Idealen mbt internationale verhoudingen: internationale solidariteit (GL ’98) solidariteit met alle wereldburgers (MdG) Vrede (DWARS) Non-violence (GG& B’90/DG) Non-violence (GPUS)
  6. Ruis: Personal & Global Responsibility (GPUS)

Laat ik dit tenslotte in overweging mee geven: waarom zoveel? Volgens mij kun je als progressieve en linkse partij, als anarchist, vrije socialist of linkse liberaal af met twee idealen, zolang je ze maar precies definieert: vrijheid en gelijkheid. In Rawlsiaanse/Dworkiaanse terminologie:

We streven naar een samenleving waarin iedere burger een zo groot mogelijke set rechten heeft zolang die te verenigen is met een identieke set van rechten voor ieder andere burger en een zo groot en gelijk mogelijke bundel interne en externe middelen om die rechten te kunnen gebruiken. Dit principe is onafhankelijk van grenzen en generaties van toepassing.

Een beginselprogramma in drie regels.

Dilemma’s voor GroenLinkse politiek IV

En dan ten slotte een herschrijving/synthese van de dilemma’s voor GroenLinkse politiek waar het de democratie betreft.

GroenLinks komt voort uit de democratiseringsbeweging van de jaren ’60/’70. Dit geluid klinkt sterk door in het huidige beginselprogramma, waarin wordt gepleit voor radicale democratisering en decentralisatie. Het idee is dat er in de democratische samenleving geen onrecht kan zijn: immers iedereen kan haar of zijn stem laten horen als er ontrecht tegen haar of hem wordt begaan.
Waar het gaat om democratie zijn er twee dilemma’s: rond directe en indirecte democratie, personen- of partijendemocratie en democratie. Hieronder ligt een fundamentele vraag: wat het GroenLinkse ideaal van burgerschap is.

Direct of indirecte democratie
Een van de manieren waarop GroenLinks uiting geeft aan haar radicaal-democratische gezindheid is door te pleiten voor het toepassen van directere vormen van democratie binnen het kader van de representatieve democratie, voorbeelden hiervan zijn (lokale) referenda.
Het inbrengen van deze directe vormen van democratie lijkt consistent met de GroenLinkse idealen: als radicale democraten vinden wij directe participatie in democratische besluitvorming een doel op zich. Een grotere nadruk op directe democratie kan echter ook wringen met andere idealen die we na streven, met name diversiteit en duurzaamheid: Diversiteit: in de meeste vormen van directe democratie telt de meerderheid. Naar de minderheid wordt per definitie niet geluisterd. Het wringt als je als partij enerzijds opkomt voor de positie van minderheden en anderzijds voor directe democratie. Duurzaamheid: in de democratie telt alleen de mening van de huidige generatie en van de inwoners van dit land: immers alleen zij kunnen zich uitspreken. Het wringt als je partij enerzijds opkomt voor volgende generaties en internationale solidariteit en anderzijds voor directe democratie.
Dit hangt samen met een praktische reden om te twijfelen aan de toepassing van meer directere vormen van democratie: politieke besluiten zijn niet eenvoudig en zeker genuanceerde GroenLinkse standpunten zijn moeilijk te verwoorden in de stelling van een referendum. Besluitvorming over complexe aangelegenheden, waarbij meerdere belangen moeten worden af gewogen kan je het best overlaten aan (gekozen) specialisten: kamerleden.

Personen- of Partijendemocratie

Er is in de samenleving een merkbare trend naar personalisering van de politiek. Nieuwe politieke bewegingen worden gevormd rond charismatische lijsttrekkers. De media richt zich op personen. Maar ook binnen oudere politieke partijen komt een grotere nadruk te liggen op de persoon van de politiek leider (“ Femke on Tour”). Politieke partijen worden door sommigen gezien als een onderdeel van een verouderd politiek stelsel. Op lokaal niveau komt deze trend tot uiting in directe verkiezingen van de burgemeester. Er is een verschuiving van ‘ partijen met programma’ naar ‘ idolen met ideeen’.
De vraag is hoe GroenLinks als progressieve politieke partij hiermee om moet gaan. Moeten wij ingaan tegen deze trend ingaan en pleiten voor een gedepersonaliseerde politiek? Een voorbeeld hiervan is het voorstel in het concept-verkiezingsprogramma 2006 om de burgemeester af te schaffen, en in plaats daarvan een eerste wethouder tot politiek leider van een gemeente te maken: een vertegenwoordiger van het politieke compromis van de coalitiepartijen.
Of juist deze “moderne” trend ondersteunen en juist persoonlijk democratische elementen in de huidige partijendemocratie integreren. Het pleidooi om de kiesdrempel voor voorkeursstemmen te verlagen valt hier bijvoorbeeld onder.

Burgerschap
De onderliggende vraag bij beide dilemma’s is hoe wij over burgerschap denken, met name wat wij van de burger verwachten en waar wij willen dat haar loyaliteiten liggen: denken we dat de burger eigenlijk alleen om haar eigen belang geeft en moeten we dus politieke instituties zo instellen dat het streven naar het eigen belang van allen ook in het algemeen belang is. Of willen we juist dat de burgers zelf gericht zijn op het algemeen belang en belangen over grenzen en generaties heen. Maar ook eisen we van burgers dat ze zich verdiepen in partijprogramma’s en complexe sociale problemen of laten we toe dat ze hun vertrouwen geven aan een bepaald idool?
De onderliggende tegenstelling tussen een (klassiek-)liberaal beeld van de burger (“egoistisch en gemakzuchtig”) of een veel republikeinser beeld van de burger als gericht op het algemeen belang en geinteresseerd voor de publieke zaak.

Dilemma’s voor GroenLinkse politiek III

Een vernieuwde versie van mijn eerdere dilemma’s voor GroenLinkse sociale politiek, met nieuwe tegenstellingen en syntheses. Alle commentaar is welkom!

Binnen de GroenLinkse sociale politiek bestaan er twee spanningsvelden: tussen ontspanning en participatie en tussen eigen verantwoordelijkheid en paternalisme.

In 1991 streefde GroenLinks naar een samenleving waarin iedereen die daartoe in staat is moest kunnen deelnemen aan betaalde arbeid. Geleidelijk is de positie iets veranderd. Het laatste verkiezingsprogramma streefde naar een samenleving waarin  iedereen die daartoe in staat is moet deelnemen aan de samenleving, door betaalde arbeid, vrijwilligerswerk of een opleiding te volgen. Tegenover dit ideaal van de participatie samenleving staat het ideaal van de ontspannen samenleving: mensen moeten juist minder willen gaan werken en niet meer. De kritiek richt zich met name op de ‘ratrace’ die de huidige economie kenmerkt. Mensen hebben geen tijd voor zorg, ontspanning, vrijwilligerswerk en zelfontplooiing: ze leven om te werken. GroenLinkse sociale politiek zou juist moeten staan voor onthaasting: meer rust, ontspanning en eerlijkere verdeling van arbeid binnens- en buitenshuis. Er is een spanning tussen participatie en ontspanning: willen we zoveel mogelijk mensen dwingen om aan de ratrace mee te doen of willen we juist mensen de kans geven om zich te richten op dingen die echt belangrijk zijn.
Deze tegenstelling kan opgelost worden door een nadruk op eerlijk delen: van arbeid en zorg, binnen een mensenleven, van vrije tijd en arbeidstijd, tussen mensen in de ratrace en mensen die uitgesloten zijn van participatie. Het probleem van het huidige sociale stelsel is niet het gebrek aan arbeidsparticipatie maar een oneerlijke verdeling hiervan. De vraag is hoe zo’n sociaal stelsel, waarin deze drie idealen (eerlijk delen, ontspanning, participatie) allemaal gelijkelijk worden verwezenlijkt er uit ziet. Hoe kunnen deze idealen verenigd worden? En op welke van deze leg je de nadruk?

Een andere vraag bij het vorm geven van dit sociale stelsel is burgerschap: wat kan de overheid van haar burgers verwachten? Is het bieden van kansen genoeg of moet de overheid soms mensen dwingen hun kansen te grijpen? Hebben burgers een eigen verantwoordelijkheid voor hun eigen emancipatie? Zijn burgers dan ook zelf verantwoordelijk voor hun eigen falen? Mogen burgers zelf bepalen hoe zij vorm geven aan hun leven?
Er ligt dan een tegenstelling tussen een (klassiek-)liberaal ideaal van burger als verantwoordelijk voor zijn eigen leven en een sociaal-democratisch ideaal van de staat die bepaalt wat in het eigen belang van burgers is en hen ondersteunt  (lees: dwingt) om dat te bereiken: een vorm van paternalisme.

Door de tegenstelling tussen ontspanning en participatie en eigen verantwoordelijkheid en paternalisme met elkaar in verband te brengen krijg je vier posities.

  • Als je de nadruk op participatie en paternalisme met elkaar verenigd krijg je een positie die mensen zal dwingen meer te participeren: participatie/betaalde arbeid is goed voor je en de overheid zorgt ervoor dat iedereen dat ook doet.
  • Een systeem dat de nadruk op participatie met eigen verantwoordelijkheid eigen verantwoordelijkheid verenigd is de nachtwakersstaat: de afwezigheid van een sociaal stelsel stelt iedereen in staat om zelf te kiezen hoe hij zijn eigen leven vorm geeft en dwingt iedereen te werken.
  • Een nadruk op ontspanning en paternalisme is een tendens die de ontspannen samenleving met zich mee draagt: te veel werken is niet goed, de overheid moet ervoor zorgen dat, bijvoorbeeld door algemene arbeidstijdverkorting, iedereen gedwongen wordt minder te gaan werken.
  • Een systeem dat eigen verantwoordelijkheid en ontspanning met elkaar verenigd is het basisinkomen: mensen kunnen zelf kiezen om een ontspannen of een ingespannen leven te leiden. Mensen zijn zelf verantwoordelijk om meer dan het sociale minimum te verdienen, dat de overheid voor allen verzekert.

My life as a …

Ik had het deze hele week verschrikkelijk druk en ben niet aan bloggen toegekomen, ik heb min-of-meer de hele week van 9u ‘s ochtends tot 12u ‘s avonds gewerkt: deadlines voor onderzoeksvoorstellen, gewone deadlines voor papers, papers na kijken, colleges voorbereiden, college volgen, college geven, sollicitatiebrieven schrijven, sollicitaties afnemen, GroenLinks AVs,  radio-interviews, opleidingscommissies, voorbespreking, nabespreking, indringende gesprekken over mijn academische toekomst. Opvallend genoeg zitten er een heleboel gespiegelde activiteiten tussen: ik geef nu zelf twee werkgroepen, maar volg ook nog college, ik zit nu als student-lid in een sollicitatie-commissie voor een universitair docent, maar ben ook zelf bezig met wat ik na mijn studie ga doen.

Genoeg materiaal voor blogs dus. (Ik heb dit idee gewoon keihard van mede planeet-groenlinkser Margreet gestolen – overigens). Misschien dat ik er een aantal nog wel een keertje uitwerk.

Bewust consument?
Zaterdag werd ik als bewust consumerende GroenLinkser geinterviewd over mijn consumptiepatronen door het GroenLinks magazine. De andere geinterviewdem waren nog bewuster bezig dan ik zelf: weinig consumeren, niet funshoppen, niet veel spullen hebben. Terwijl voor mij het hoogtepunt was kleren kijken in Nuku–hooloovoo–humuhumunukunukuapua’a–hiva, de winkel van Floortje Dessing: echt mooie en duurzame kleding: "Zou zo’n soort t-shirt me staan?"

Boeddhistische Psychologie
Vervolgens door naar een verjaardag van een goede vriend van mij in Utrecht. Met een andere vriend daar een serieus gesprek gehad over een onderwerp waar ik me al weer een tijdje niet meer mee bezig had gehouden: hoe werkt onze geest? Bestaat mijn "ik" wel? Is het erg als dat niet zo is? Over hoe verschillende situaties sterk invloed hebben op hoe je je gedraagt en hoeveel zelfvertrouwen je hebt. Ik heb een lans proberen te breken voor mijn eigen combinatie van Boeddhistische psychologie en Hume’s Theory of Mind. 

Participatiecontract is dwangarbeid?
Maandag ochtend werd ik wakker met het voor mij inspirerende radio bericht "Inwoner beschuldigt gemeente Arnhem van dwangarbeid". Work First-achtige projecten waar ook GroenLinks voor is zijn een vorm van dwangarbeid en dus niet in overeenstemming met het internationale recht, claimt een "slachtoffer". Die claim zou ik niet zo willen maken, maar het idee van arbeidsdwang stuit me zeer tegen de borst. Aangezien dat het posten van een ander paper van mij hier ook zo’n succes was, denk ik dat ik ook in de nabije toekomst mijn bachelorscriptie over dit onderwerp van anderhalf jaar geleden post met een kleine inleiding.

Valentijn tussen man en vrouw
Dinsdagavond gekeken naar de indrukwekkende documentaire Valentijn over een heel moedig en mooi mens, dat zich niet thuis voelde in het lichaam waarin hij geboren is. Nu wordt ze gedwongen te kiezen tussen man of vrouw door een samenleving die het moeilijk vindt om mensen te begrijpen die niet meteen in te delen zijn.

"Kritische AV herkiest Partijraadslid"
Woensdag was de AV van GroenLinks Leiden. Ik ben herkozen in de partijraad. Een tegenkandidaat  vond dat hij te weinig van mij had gehoord. Ik had geprobeerd met te profileren op mijn ervaring in de partijraad, terwijl mijn tegen-kandidaat tegen wie ik na een eerste ronde zonder winnaar het moest opnemen zo nieuw was dat ze nog net voor de verkiezingen zich definitief kandidaat had gesteld. Het lot heeft het in de tweede ronde tussen ons besloten: gelijke stemmen. Daarna werd ze, als mijn collega voor de tweede Leidse plek gekozen. De rest van de vergadering was besloten, interne zaken van de fractie, de val van het Leidse college en informatienieuws.

Normale PJO’s zijn klein en zielig
Donderdag tijdens/vlak na een gesprek met een docent over mijn toekomstperspectieven als filosoof gebeld door Jesse over een artikel in de NRC "Politiek Jongerenclubs zijn klein en zielig". zowat iedere PJO had wel wat aandacht in het artikel behalve DWARS, of ik daar iets slims over te zeggen had: nou gezien de normalisering van DWARS als PJO (weer zo’n onderwerp voor een blog) denk ik dat je kan stellen dat DWARS van klein en excentrisch, als activistengroep tussen politiek en kraakbeweging in nu wel steeds meer klein en zielig is, net als het CDJA (het toonbeeld van klein en zielig).

Links-liberaal of progressief socialistisch?
Vervolgens daarnet nog even op de Leidse lokale radio, gemaakt door studenten: wat drijft je als jongere in de politiek? Waar staat GroenLinks voor? Wat zijn de verschillen met de SP? Is strijden voor een wereld gekenmerkt door vrijheid en gelijkheid niet erg liberaal? Of juist anarchistisch? Maakt het uit want GroenLinksers, socialistisch, liberaal of anarchistisch zijn progressief en links. Wat zijn nou eigenlijk de verschillen tussen die begrippen en hoe zinnig zijn die?

En nu ga ik, geloof ik, eindelijk slapen en morgen "dolce far niente" ….

Onderwijsplan DWARS

Geen van de huidige partijen heeft een visie op onderwijs, roept DWARS
manmoedig. En dus komt zij met een plan. Een plan wat als je er naar
kijkt verdacht veel lijkt op wat er nu al gebeurd. Er zijn twee
aspecten van het onderwijsplan waar ik echt over in zit: de elitaire
orientatie en zijn haagse visie.

De hele onderwijsvisie focust op de HAVO/VWO met het ideeen om
een soort basisvorming en profielen te combineren (wat overigens erg
lijkt op het huidige stelsel). Het grootste probleem in het
huidige onderwijs is echter niet de HAVO en het VWO, maar het VMBO: het
onderwijs van de minst kansrijke jongeren. Hier is schooluitval het
hoogste en werken nu de minst goed opgeleide leraren, onder de zwaarste
druk. Terwijl er een grote brand woedt op een
etage, gaat DWARS op een andere etage de kamers anders inrichten.
De
opzet gaat, net als het huidige stelsel, van bepaalde leerlingen uit:
de VWO scholier. Op het VMBO werkt een stelsel van een brede
basisvorming, zoals het huidige niet. Je kan mensen die praktisch zijn
ingesteld niet dwingen om dag achter dag theorie te gaan op slurpen.
Als je respect hebt voor mensen die goed zijn in techniek, of in
verzorging of in landbouw, dan moet je hen de kans geven zich daarin te
ontplooien.

Dit soort grootste visies op onderwijs waren, tot enkele jaren geleden, met name populair bij de PvdA. Namelijk vanuit Den Haag en toen nog Zoetermeer een onderwijs
model over iedereen is uitgooien: one size fits all onderwijs. Er is
geen ruimte voor experimenten, voor onderwijssystemen die door de
Haagse beleidsmaker niet bedacht heeft of voor innovatie. DWARS doet
aan deze cultus mee en legt een nieuw model op, nu geinspireerd door
diversiteit en wereldburgerschap, maar het blijft een van bovenafopgelegde visie. DWARS
heeft, net als het ministerie eerder, de waarheid in pacht over hoe het
onderwijs georganiseerd moet worden. Als er een ding in het onderwijs
moet veranderen is het het idee dat het ministerie weet wat goed voor mensen
is. Er moet meer ruimte komen voor experimenten.

Het is mijn
mening dat je het huidige stelsel op een ander punt moet aanpakken,
namelijk de financiering. Hiermee worden beide bovengenoemde aspecten geaddresseerd. Ik heb daarover eerder dit plan

geschreven (overigens een draft-versie in het Engels, je kan het stuk over Roemer, Dworkin en Rawls scannen, skimmen of skippen). Het basis idee is dat iedere leerling vanaf het begin van de basisschool een bepaalde hoeveelheid vouchers krijgt om onderwijs mee in te kopen op scholen die zelf bepalen wat ze doceren. De hoeveelheid vouchers is gebaseerd op de toekomstperspectieven van de leerling: leerlingen uit arme of laagopgeleide gezinnen krijgen meer vouchers dan leerlingen uit rijke, goedopgeleide gezinnen. Hiermee krijgen kansarme mensen de kans om beter en intensiever onderwijs te kopen. Daarnaast verdienen leerlingen die het goed doen tijdens hun school carriere meer vouchers om meer onderwijs in te kopen (met name vervolg onderwijs). De scholen, die onafhankelijk van de centrale overheid het onderwijs organiseren, worden gefinancieerd op basis van het aantal vouchers dat ze krijgen. De scholen zijn vrij om het onderwijs vorm te geven, als ze willen. Leerlingen zijn vrij om zelf te kiezen waar zij onderwijs in willen en hoe dat gegeven wordt. Geen model dat van boven af wordt opgelegd maar eigen keuze voor de leering en de school. Daarnaast gaat in dit model, de meeste aandacht (financiering) naar die studenten die dat het meest nodig hebben.

Dilemma’s voor GroenLinkse politiek-II

Het centrale dilemma bij het thema democratie is of GroenLinks wel moet streven naar meer gebruik van vormen van directe democratie.

GroenLinks komt voort uit de democratiseringsbeweging van de jaren ’60/’70. Dit geluid klinkt sterk door in het beginselprogramma, waarin wordt gepleit voor radicale democratisering en decentralisatie. Het idee is dat er in de democratische samenleving geen onrecht kan zijn: immers iedereen kan haar of zijn stem laten horen als er ontrecht tegen haar of hem wordt begaan. De huidige GroenLinkse politiek volgt het beginselprogramma en komt op voor vormen van directe democratie, met name het referendum.
Er bestaat binnen GroenLinks echter ook een zekere twijfel over dit soort vormen van directe democratie. Ze staan namelijk in tegenstelling tot andere idealen zoals diversiteit en duurzaamheid.

  • Diversiteit: in de meeste vormen van directe democratie telt de meerderheid. Naar de minderheid wordt per definitie niet geluisterd. Het wringt als je als partij enerzijds opkomt voor de positie van minderheden en anderzijds voor directe democratie.
  • Duurzaamheid: in de democratie telt alleen de mening van de huidige generatie en van de inwoners van dit land: immers alleen zij kunnen zich uitspreken. Het wringt als je partij enerzijds opkomt voor volgende generaties en internationale solidariteit en anderzijds voor directe democratie.

De twijfel over directe democratie is echter ook veel dieper en basaler: GroenLinks gaat tegen het maatschappelijk klimaat in. Terwijl grote groepen in de samenleving zich willen afsluiten voor Europa, zien veel in voor meer repressie en stellen zich intolerant op. De vraag is of we in zo’n klimaat GroenLinkse politiek kunnen bedrijven door directe vormen van democratie te versterken.
Ten slotte, burgerparticipatie bij referenda (maar ook burgermeestersverkiezingen) valt sterkt tegen. Ze geven vaak niet eens weer wat de wil van de meerderheid is, maar wat de wil van de meerderheid van diegene die participeren is. Dat is vaak een minderheid van de bevolking.

Dilemma’s voor GroenLinkse politiek

Het begeleidingspanel beginselen is in subbegeleidingspanels uiteen gegaan. De subbegeleidingspanels houden zich bezig met het debat binnen GroenLinks op bepaalde thema’s. Mij is de eer om in het subbegeleidingspanel sociale politiek en democratie & rechtsstaat te zitten. De panels zijn nu bezig om op basis van het debat weekend dilemma’s te formuleren.

Bij deze (een opzetje van) het door mij geformuleerde dilemma over sociale politiek. Kritisch mee denken over de formulering van het dilemma wordt gewaardeerd. Ik zal snel ook het opzetje van mijn dilemma over democratie & rechtsstaat posten.

Het centrale dilemma bij de hervorming van de verzorgingsstaat is of GroenLinks moet streven naar een ontspannen samenleving of een participatiesamenleving.

In 1991 streefde GroenLinks naar een rechtvaardige verdeling van bezit, arbeid en inkomen in Nederland en naar behoorlijke bestaanszekerheid voor ieder mens. GroenLinks vond dat iedereen die daartoe in staat is moet kunnen deelnemen aan betaalde arbeid. Hiervoor moest er worden herverdeeld tussen betaalde en onbetaalde arbeid (met name tussen man en vrouw) en moest de arbeidstijdverkort worden.
Geleidelijk is de positie iets veranderd. Het laatste verkiezingsprogramma (deels gebaseerd op Vrijheid Eerlijk Delen) streefde naar een samenleving waarin  iedereen die daartoe in staat is moet deelnemen aan de samenleving, door betaalde arbeid, vrijwilligerswerk of een opleiding te volgen. De nadruk is komen te leggen op de arbeidsmoraal: mensen moeten werken. De redenen hiervoor zijn veelvoudig: GroenLinks wil een progressief links antwoord geven op de hervorming van de verzorgingsstaat: er moet niet bezuinigd worden om de vergrijzing te kunnen betalen, maar juist geinvesteerd worden in een vergroting van de arbeidsparticipatie.
De huidige verzorgingsstaat (en ook een systeem van een basisinkomen) schrijft mensen af: ze krijgen een uitkering maar geen kans om een betere positie te krijgen in de samenleving. Hiermee worden vooral de kansen van vrouwen, laagopgeleiden, (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten en allochtonen (de ‘outsiders’) op een volwaardige positie (lees: betaalde arbeid) in de samenleving beperkt. Een uitkering maakt mensen niet vrij, maar afhankelijk.

Tegenover dit ideaal van de ‘participatie samenleving’ staat het ideaal van de ‘ontspannen samenleving’. Volgens dit ideaal moet je juist minder willen gaan werken en niet meer. De kritiek richt zich met name op de ‘ratrace’ die de huidige economie kenmerkt: mensen hebben geen tijd voor zorg, ontspanning, vrijwilligerswerk en zelfontplooiing: ze leven om te werken. GroenLinkse sociale politiek zou juist moeten staan voor onthaasting: meer rust, ontspanning en eerlijkere verdeling van arbeid binnens- en buitenshuis. Daarnaast ligt in de huidige maatschappij te veel de nadruk op consumptie en economische groei.
Het huidige GroenLinkse sociale politiek staat op gespannen voet met deze nadruk op een ontspannen samenleving. Het wil zoveel mogelijk mensen dwingen om aan deze ratrace mee te doen: mensen moeten werken en niet genieten van hun vrije tijd. Daarnaast waardeert de huidige sociale politiek het deelnemen aan de economie te veel: de nadruk ligt op meer werk, dus meer produceren en meer consumeren.
Let wel, het huidige verkiezingsprogramma en Vrijheid Eerlijk Delen proberen beide idealen, participatie en ontspanning met elkaar te verenigen: iedereen moet werken, maar er zijn meer verlofregelingen, betere kinderopvang en flexibelere arbeidstijden. De idealen lijken dus te verenigen. Het probleem is echter waar je de nadruk op legt, bijvoorbeeld: een belangrijk argument om de huidige hervormingsstaat te hervormen is de vergrijzing opvangen door grotere arbeidsparticipatie. In een ontspannen samenleving zou er juist minder gewerkt moeten worden. De vraag is dan: hoe betaal je voor de vergrijzing?

Minister van goede intenties

Ik vind haar eigenlijk wel schattig die Minister Cramer. Ze is nog niet helemaal uitgevlakt door media training en lijkt oprecht bezorgd voor klimaatverandering. Ze was ook bijna GroenLinks-kamerlid… Maar dan kijk je naar wat ze voor’n beleid onderneemt: goede intenties hoor dat klimaatbeleid van dit kabinet, maar iedere keer als haar wordt gevraagd wie het moet doen, zegt ze: ik niet. Zelfs als de Stichting Milieu & Natuur met een oproep komt meer licht ‘s nachts uit te doen, zegt ze: ik ondersteun deze oproep. Niet "ik ga er wat aan doen", maar "wat een goede idee". En als het er dan op aankomt, laat ze kolencentrales bouwen, die zoveel energie produceren dat er geen ruimte meer is voor duurzame energie!

Maar misschien is ze minder erg dan Minister Plasterk, weer zo’n PvdA-minister, die dus op mijn sympathie kan rekenen. Maar hij heeft tot nu toe in slechte intenties gedebiteerd, waarbij de dreiging van hogere collegegelden of lagere of alleen geleende studiebeurzen nu wel de meest slechte is. Eerder al dat schellinkje wat in het theater moet worden ingevoerd. Deze supposedly sociaal-democratische minister roept eigenlijk alleen maar op tot rechts-liberaal beleid. Hij lijkt een aanhanger van het profijtbeginsel: als je er voordeel van hebt, moet je het maar zelf betalen. Voor solidariteit en het stimuleren van kunst en wetenschap is geen ruimte.

Het is dan maar goed dat dit kabinet tot nu toe al ruim 3/4 jaar alleen nog maar bezig is geweest met intenties: coalitie-akkoord, 100-dagenplan, begroting, proefballon, goede intentie daar, domme opmerking hier. Als ze nou zo ook de volgende drie jaar vol maken?

Friluftsliv

Wat is Friluftsliv dan? vraagt Joep. Diep groene politiek heeft een sterk morele component. Het zegt iets over wat het goede leven is. In het idee van de "ontspannen samenleving" zit deze morele component ook.

Het boek op het gebied van diep groene politiek (van Arne Naess) heet dan ook "Ecology, Community, and Lifestyle". Diep groene politieke filosofie gaat over de verandering van de levenswijze van mensen (AGALEV: Anders Gaan Leven). Het doel daarvan is om mensen dichter te brengen bij de natuur. Hun eigen natuur ("essentie") en hun natuurlijke omgeving.

Friluftsliv, op wikipedia wat lafhartig vertaald als "out door activities" is een manier om dit te doen. In Scandinavische landen is outdoor recreation een belangrijk onderdeel van de nationale cultuur. Je mag wandelen en kamperen waar je wilt, overal door het platteland zijn huisjes waar je kan slapen.  Volgens Naess is dit een manier om dichter te komen bij onze menselijke natuur. Mensen leven slechts een paar duizend jaar in steden, daarvoor leefden we in de vrije natuur. Het stadsleven vervreemd ons van onze menselijke natuur. Regelmatig recreeeren in de natuur kan ervoor zorgen dat wij de connectie houden met onze menselijke natuur.

Halsema impliceert als ze lovend spreekt over recreatie in de natuur, in de rust, stilte en natuurlijke schoonheid, dat ze zo’n idee van friluftsliv aanhangt. Mensen moeten uit de stad en in de natuur om in contact te komen met hun menselijke natuur. GroenLinks wordt eindelijk diepgroen.