Religieuze voorrechten en gelijkheid voor de wet

Martijn Samsom verdedigt op de website van de Trouw vandaag religieuze voorrechten, zoals het recht van Joden en Moslims om hun kinderen te besnijden en hun vee onverdoofd ritueel te slachten. Klopt de argumentatie? Is traditie een reden om privileges uit te delen?

‘Er zijn aardig wat sterke argumenten om besnijdenis en onverdoofde rituele slacht te verbieden. Toch laten ‘religieuze voorrechten’ zich wel degelijk verdedigen. Besnijdenis en onverdoofde rituele slacht worden bijvoorbeeld niet uitgevoerd om te mishandelen, maar als onderdeel van een traditie. Veel mensen horen het niet graag, maar verminking is een relatief begrip.’

Het cruciale punt van Samsom is dat een kleine inbreuk van de fysieke integriteit van het kind en beperkte leiden van het rund opweegt tegen het respecteren van een culturele traditie. In mijn ogen is dat een onterecht uitruil. Burgerrechten zijn geen kleren van H&M die je zomaar mag omruilen.

‘Als iedereen decennialang zijn kleine teen laat afhakken, spreken we niet meer zozeer van verminking, maar vooral van traditie. Voor Joden en moslims is besnijdenis geen verminking, precies zoals het heel ver oprekken van oorlellen in veel culturen ook geen verminking maar traditie is.’

Die kleine teen is een uitermate slecht gekozen voorbeeld, dat de discussie geheel kan afleiden. Want we hebben niet zomaar zonder reden een kleine teen. Dat is geen zinloze appendix. Een kleine teen is uitermate belangrijk om te balanceren. Als we iemand’s kleine teen afhakken doen we schade aan zijn of haar vermogen om te lopen. Volgens mij kunnen we verminking definiëren als een inbreuk op essentiële menselijke vermogens.

‘Nu kun je natuurlijk niet alles verdedigen met een beroep op ‘traditie’. Een traditie die extreme ellende voortbrengt moet worden gestopt. Maar volgens mij is bij besnijdenis noch bij ritueel slachten sprake van extreme ellende.’

Het cruciale begrip dat Samsom hier introduceert is het begrip ‘extreme ellende’. We mogen tradities verbieden als ze leiden tot extreme ellende. Ik zou hier kunnen voorstellen om de keel van Samsom door te snijden en hem te laten dood bloeden. En hem daarna te vragen wat extreme ellende is. Gelukkig mag dat niet. Ik zou kunnen stellen dat de term ‘extreme ellende’ niet hanteerbaar is, en het alternatief ‘essentiële vermogens’ kunnen introduceren. Dat lijkt me gezien de laatste stand van de ontwikkeling van de filosofie een beter principe (omdat we niet geluk c.q. ongeluk centraal stellen zoals in de doodlopende weg van het utilisme, maar vermogens zoals in de nieuwe capabilities-stroming). Doodbloeden is extreme ellende en ‘essentiële vermogens’ zijn wat het leven waardevol maakt en wat we dus niet mogen schaden.

Dan komen we terecht in een discussie of besnijdenis een inbreuk is op essentiële vermogens. Dat vrouwenbesnijdenis een inbreuk op essentiële vermogens is, staat volgens mij buiten kijf. Hierbij worden de genitialen van vrouwen zo verminkt dat allerlei vermogens (urineren, seks, baren) ernstig bemoeilijkt worden. Maar geldt dat ook voor mannenbesnijdenis? Het schijnt seksualiteit niet plezieriger te maken.

Maar dat gaat allemaal uit van de verkeerde assumptie. Namelijk dat het rechtvaardig zou zijn om mensen toe te staan dingen te doen met een verwijzing naar traditie, behalve als dat ernstige schade doet (in welke vorm dan ook). Maar volgens mij is het de rol van de overheid om het maatschappelijk leven te ordenen. Zij maakt hierbij regels die voor iedereen gelden. ‘We laten het lichaam van kinderen heel, behalve als een inbreuk nodig is voor de gezondheid van het kind’ is zo’n regel. Als mensen vanwege religieuze tradities uitzonderingen zouden krijgen op die regels, toon je geen respect voor religie. Waarom niet? Als je dingen toe staat voor religieuze mensen die niet voor ongelovige mensen gelden, dan moedig je dus eigenlijk mensen aan om of lid te worden van een religie als ze bepaalde voordelen willen, of om hun eigen religie op te richten. Dat betekent dat mensen religie gaan veinzen om daar voordeel van te hebben. En dat moet je nooit willen. Religie is alleen waardevol als het een vrije keuze is.

‘Inderdaad, bij het maken van de keuze of je baby religieus besneden moet worden, staat het kind buitenspel. Is dat erg? Je zou kunnen zeggen: voor baby’s en kinderen worden duizenden besluiten genomen die veel ingrijpender zijn. Wie je ouders zijn, heeft bijvoorbeeld een erg grote invloed op het verloop van je leven. Aan dergelijke factoren kunnen we nauwelijks iets veranderen – niet op persoonlijk en niet op politiek niveau. Willekeur en beslissingen door anderen spelen nu eenmaal een grote rol in ieders leven.’

Dit is een curieus standpunt. Eigenlijk zegt Samsom hier: ouders kunnen besluiten hun kinderen op andere manieren te verminken, dus dan valt dat besnijden nog best mee. Maar een ouder heeft een bijzondere verantwoordelijkheid. Hij of zij voedt het kind op, in relatieve vrijheid, naar eigen inzicht. Dat kind staat daar relatief willoos tegenover. De overheid heeft een rol om kinderen te beschermen tegen mishandeling, ondervoeding en andere vormen van kindermisbruik. De grens van de ouderlijke autoriteit is het belang van het kind. Als dat geschaad wordt, dan eindigt de ouderlijke autoriteit. Je kan een gelijkenis trekken met de macht van de Chinese keizer. Hij mocht voor zijn volk beslissen. Hij wist het beter. Maar als hij de belangen van zijn volk schaadde, dan mocht het volk in opstand komen. En omdat kinderen niet in opstand kunnen komen, hebben we een overheid die hun belang verdedigt, als hun ouders verzaken.

‘Wie (zoals de Partij voor de Dieren of de Duitse rechter die besnijdenis ‘mishandeling’ noemde) strikt rationeel naar dit soort problemen kijkt, ziet enkel fysiek leed. Dat is maar de helft van het verhaal. Rituelen zijn ook een kwestie van religie en cultuur, van zaken die ons maken tot wat we zijn. Als we mensen dat ontnemen, dan ontnemen we ze een deel van hun identiteit en vrijheid. Een goede reden om religieuze voorrechten niet zonder meer af te schaffen.’

Dit is in mijn ogen het cruciale punt van Samsom. Traditie is niet op zich waardevol, maar waardevol omdat het mensen identiteit en zelfs vrijheid geeft. Cultuur vormt ons. Zonder cultuur zijn we niemand. Cultuur is het kompas in ons leven dat ons richting geeft. Zonder cultuur weten we niet wat we willen.

Dit is de kern van het multiculturele denken. Culturen vormen mensen. Het is de rol van de overheid om een minderheidscultuur te verdedigen tegen de conventionele cultuur. En ik kan daar een stuk in meegaan. Ik vind dat we best kinderen in Friesland Fries mogen leren op school, om die taal te beschermen. En als een Sikh geen helm wil dragen op een scooter, omdat hij zijn tulband op wil houden, prima.

Het Fries-voorbeeld gaat om kinderen, net als de besnijdenis. In beide gevallen houden we een traditie in stand, namelijk het spreken van een taal en het mishandelen van kinderen. De vraag is waarom zijn die twee anders? Ieder kind moet onvermijdelijk taalonderwijs krijgen om te kunnen communiceren, terwijl besnijdenis geen ander doel dient dan de godsdienstige traditie. De eerste is een traditie-respecterende inkleuring van een bestaande maatschappelijke functie; de ander is een uitzondering op een nogal belangrijke maatschappelijke regel (ouders dienen het belang van hun kind) met geen andere grond dan het respecteren van traditie.

Het Sikh-voorbeeld gaat om de individuele vrijheid van iemand om zijn eigen leven op het spel te zetten. Daar heeft niemand anders last van. Vergelijk dit met het voorbeeld van de rituele slacht. Dat betekent dat we juist een ander wezen laten lijden, vanwege een godsdienstige traditie. Als we rituele slacht verbieden, verbieden we niemand om zijn of haar geloof te beleiden. Het zorgt er alleen maar voor dat religieuze mensen geen vlees kunnen eten. Het is geen inbreuk van de godsdienstvrijheid van vleeseters, maar een inbreuk van het recht om vlees te eten voor godsdienstigen. En dat laatste recht staat niet in de Grondwet (en terecht!).

De vrijheid van godsdienst is in Nederland geperverteerd: hij was ooit bedoeld om mensen te beschermen tegen een overheid die bepaalde handelingen verbood vanwege het enkele feit dat ze religieus waren. Die vrijheid is in mijn ogen inderdaad rechtvaardig. Nu wordt voorgesteld om handelingen die anders verboden zijn, toe te staan vanwege het enkele feit dat ze religieus zijn. Dat is volgens mij onrechtvaardig. De kern van een rechtsstaat is gelijkheid voor de wet voor iedereen, niet het privilege van enkele.

Een congres zonder vuurwerk

De NOS wist het wel. Het GroenLinks congres was the place to be. De kandidaten die de procedure hadden overleefd stonden klaar om elkaar aan te vallen. Grashoff en El Fassed wilden naar een zekere plek. Daardoor kregen Voortman, Klaver en Van Tongeren het ook op de heupen.
Mooie televisie: kandidaten die vechten voor een plek. Campagnes, filmpjes, flyers, t-shirts, steunverklaringen. Kandidaten die zeggen: “het congres wil iets te kiezen hebben.” Het conflictframe aan, nuance uit: “Gevecht om de hoogste plekken bij GroenLinks.”
Niet was minder waar: het congres wou geen chaos. Eerst nam ze integraal het advies over van het partijbestuur op 240 van de 244 amendementen. Voorstellen van DWARS haalden geen meerderheid. Die voorstellen riepen overigens stuk voor stuk op om de bestaande situatie te behouden -wel een basisbeurs, geen referendum. Men vraagt zich af serieus af wat er gaande is in de jongerenorganisatie. De voorstellen die het wel haalden zoals een verbod op alcoholconsumptie onder de achttien of een verbod op het afsteken van vuurwerk, laten zien dat GroenLinks kiest voor een verantwoordelijke, iets minder libertaire koers. GroenLinks kiest niet voor het D66-achtige minder regels betekent meer vrijheid, en juist voor de gezondheid van onze kinderen. Een toefje vrijzinnig paternalisme in een voorts groen, sociaal en progressief programma. Een kleine conservatieve afwijking door een vrij volgzaam congres.
Dat zelfde geldt voor de kandidatenlijst. Het congres zet bam in een keer Bram op #2. Daarop volgde het groene gezicht Liesbeth van Tongeren en Jesse Klaver, die door Jos van der Lans werd vergeleken met Barack Obama (dat gaat mij misschien wel weer wat ver) en Linda Voortman. Precies zoals de kandidatencommissie had geadviseerd. De kandidaat op 6 van de advieslijst was de altijd vrolijke Niels van den Berge. De zesde plek ging echter naar Rik Grashoff (die van Natuurmonumenten een groene zetel had gekregen). De zevende plek ging naar Arjan El Fassed (met 267.665 twittervolgers). Het congres koos voor zittende Kamerleden, op volgorde van het advies van de kandidatencommissie. Ook hier dus is een afwijking in een behoudende richting te zien in een voorts volgzaam congres.
Eigenlijk begon dit proces al met de lijsttrekkersverkiezingn waarbij 84% van de leden Jolande Sap koos boven Tofik Dibi, na een twitstorm om inspraak. Je mag een Groenlinkser nooit het recht ontzeggen om zelf op zijn eigen voorwaarden zijn volledgie steun uit te spreken voor de GroenLinks-top.
Een conservatief, volgzaam congres dus, dat ervoor koos om de rijen te sluiten. Dat kwam misschien wel het best tot uiting in deze endorsement van Paulus de Wilt (een van de voormannen van Kritisch GroenLinks) door Harmen Binnema (een nogal progressief-liberale GroenLinks’er): “ik ben het eigenlijk heel vaak inhoudelijk met je oneens, maar echt boos op je worden kan ik ook niet”.
En dat is mooi, want eenheid is de allerbelangrijkste voorwaarde voor een goede uitslag op 12 september. En als dat betekent dat een paar NOS-journalisten een wat saaie zaterdag voor hebben gehad (zonder vuurwerk!) dan neem ik dat op de koop toe.

Het Wijering-quotum

In zijn speech als campagneleider op het GroenLinks congres stelde Jesse Klaver een soort Wijeringquotum voor. Hij had in drie weken drie mensen aan GroenLinks gebonden. Als ieder GroenLinks-lid in de komende tien weken per week één iemand kan overtuigen GroenLinks te stemmen halen dan haalt GroenLinks 10 zetels, volgens de campagneleider. Klopt dit?
In 2010 waren er 9.416.001 geldige stemmen. De kiesdeler 62.773 stemmen. 10 zetels is 10 keer de kiesdeler: 627.730 stemmen. In de laatste peilingen staat GroenLinks op zes zetels. Dat is 6 keer de kiesdeler: 376.638 stemmen. GroenLinks moet dus nog vier keer de kiesdeler halen: 251.092 stemmen. GroenLinks had op 1 januari 26.505 leden. Dat betekent dat GroenLinks per lid 9.47 stem extra moet halen.
Wiskundig gezien is er geen speld tussen te krijgen. 9 mensen overtuigd per GroenLinks-lid. Dat lijkt me alleszins te doen. Ik heb zin in de campagne

De wilde veren van de Partij voor de Dieren

Dierenrechten liggen niet meer in de etalage van de Partij voor de Dieren. In de etalage ligt vlees, natuurlijk wel onder een hoger BTW-tarief.

Focus

Ik heb een grote bewondering voor de Partij voor de Dieren. Ze hebben iets wat bijna alle Nederlandse partijen missen: focus. Een scherpe, inhoudelijke focus. Er is geen partij geweest in de geschiedenis van de Nederlandse politiek die zo sterk gefocust is op één onderwerp, in haar verkiezingsprogramma’s én haar parlementaire werk.

Met die strategie heeft de partij heel wat bereikt. Niet door haar eigen moties, amendementen of wetsvoorstellen. Die zijn bijna allemaal verworpen. Maar door aandacht te vragen voor dierenrechten dwingt ze de andere partijen meer te doen op dit onderwerp. Er was geen convenant geweest over rituele slacht als Thieme de wet tegen de rituele slacht niet had ingediend. De partij noemt zichzelf graag een haas in de marathon: door haar aanwezigheid in de race moeten de andere partijen harder lopen voor dierenrechten. De Partij voor de Dieren is, zeker gezien haar beperkte grootte, de meest succesvolle nieuwe partij in de Nederlandse geschiedenis. Door haar exceptionele focus heeft zij het onderwerp dierenrechten bovenaan op de agenda van het Nederlandse parlement gekregen.
En dat is een lovenswaardig, want de manier waarop mensen dieren behandelen is misselijkmakend. Dieren hebben intrinsiek waarde: hun leven moet niet ten dienst staan van ons leven. Dieren hebben rechten omdat ze net als wij levende wezens zijn die pijn, angst en honger kunnen voelen. De Partij voor de Dieren en GroenLinks zijn groene bondgenoten waarbij de eerste wat meer focust op dieren en de tweede op groene economie die niet stilstaat op kolen en olie, maar draait op zon en wind.

Dierproductierechten

Wat wil mijn verbazing toen ik het programma van de partij doorlas: het woord ‘dierenrechten’ is in het programma niet meer terug te vinden. Wel het woord ‘dierproductierechten’. Een dierproductierecht is het recht van een boer om een bepaald aantal dieren te houden. De enige diergerelateerde rechten die het programma van de Partij voor de Dieren beschrijft zijn rechten van mensen, niet van dieren. De Partij voor de Dieren deze kafkaësque beleidstaal overgenomen: ze verzet zich niet tegen de term, maar wil dat het systeem van dierproductierechten wordt uitgebreid.

Dieren nemen überhaupt een ondergeschikte positie -en dan bedoel ik niet alleen in de samenleving maar ook in het  programma van de Partij voor de Dieren: de eerste drie hoofdstukken gaan over voedsel, natuur en energie. Dan pas is er een hoofdstuk dat alleen maar over dieren gaat. Landbouwdieren komen aan de orde in het hoofdstuk over voedsel. Het eerste voorstel in dat hoofdstuk is om de BTW op vlees, vis, zuivel en eieren te verhogen. Ik vind dit een curieuze keuze van een partij die zich profileerde als dierenrechtenpartij: ze lijkt hiermee de abjecte situatie te accepteren dat wij mensen op een beestachtige manier dieren houden voor ons eten.
Het programma biedt een beter uitgewerkte agenda voor Nederland, dan in voorgaande programma’s. De Partij voor de Dieren wil dus de BTW verhogen op vlees en vis; natuurgebieden verbinden in een Ecologische Hoofdstructuur; een klimaatwet die de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk reduceert; een positieflijst voor dieren die als gezelschapsdieren gehouden mogen worden; meer geld voor ontwikkelingssamenwerking; een door de raad gekozen burgemeester; en een flexibelere arbeidsmarkt. Deze agenda is herkenbaar – maar al te herkenbaar: al deze punten zijn ook terug te vinden in het GroenLinks-programma Groene kansen voor Nederland. Programmatische verschillen tussen GroenLinks en de Partij voor de Dieren zijn er nauwelijks. En als ze er zijn zitten ze in de intensiteit van de standpunten: kies je voor 40% of voor 30% reductie van CO2 in 2020?

Dieren instrumenteel of intrinsiek?
GroenLinks, maar ook de PvdA, D66, de ChristenUnie en SP delen in grote mate de groene en sociale agenda van de Partij voor de Dieren. De unique selling point van de partij, haar focus op dierenrechten, lijkt op de achtergrond geschoven. De vraag rijst: wat is er aan de hand met de dierenpartij?

Om te begrijpen wat er speelt, kunnen we het best teruggaan naar de oprichting van de Partij voor de Dieren. Thieme, wiens naam op de oprichtingsstatuten staat, en Koffeman, die het idee voor een dierenpartij al vroeg in de jaren ’90 had bedacht, hebben een andere verklaring voor de oprichting van specifiek een dierenpartij. Volgens Thieme zijn de bestaande partijen one-issue partijen, omdat zij zich slechts richten op de financiële belangen van mensen.1 De Partij voor de Dieren heeft radicaal, niet-antropocentrische programma. De bestaande partijen negeren dieren. Het is de rol van de Partij voor de Dieren om de bestaande partijen uit te dagen zich meer in te inspannen voor dieren.2
Thieme heeft de Partij voor de Dieren misschien opgericht, maar Koffeman heeft het idee bedacht, bijna een decennium eerder. Hij geeft een heel andere reden om specifiek een dierenpartij op te richten: journalisten zijn niet geïnteresseerd in nog een partij met een breed programma voor duurzaamheid en welzijn. Door in te zoomen op het specifieke vraagstuk van dierenrechten trekt de partij de aandacht van journalisten. Op deze manier kunnen ze hun bredere groene en sociale boodschap naar het publiek brengen. Zelfs de keuze voor de naam ‘Partij voor de Dieren’ was strategisch, volgens Koffeman. De partij zou zich ook ‘partij voor het milieu’ of ‘partij voor dieren en kinderen’ kunnen noemen, maar dat beklijft niet.3
Deze argumenten zijn deels tegengesteld: aan de ene kant zou de partij een breed groen en links programma nastreven en het onderwerp dieren gebruiken om media-aandacht te krijgen (lijn-Koffeman). Aan de andere kant lijkt het een partij te zijn die zich profileert op het onderwerp dieren omdat -indirect- de dierenlevens te redden (lijn-Thieme). Zijn dieren dus intrinsiek waardevol voor de partij of slechts een instrument om aandacht te krijgen?

Dieren als middel

Als we kijken naar het nieuwe programma van de Partij voor de Dieren lijken de dieren geïnstrumentaliseerd. De verhouding tussen dierenonderwerpen en mensenonderwerpen is in dit programma stevig verschoven richting mensen. Het programma stelt “mensenrechten zijn erom te worden nagestreefd” en het zwijgt vervolgens in alle talen over dierenrechten. Het eerste hoofdstuk van het programma richt zich op gezonde landbouw en duurzaam voedsel, niet op het afschaffen van de veehouderij. Let wel: van een radicale verandering in de posities van de Partij voor de Dieren is geen sprake, De Partij voor de Dieren onderschrijft de intrinsieke waarde van dieren nog wel, maar dat is weggestopt: op pagina 14, paragraaf 5.

Het is een teken aan de wand van een veranderende focus. Het radicale dierenrechtenprogramma dat de intrinsieke waarde van dieren centraal stelde, is ingeruild voor een breed groen en sociaal programma met oog voor mens, milieu en dier.
De partij volgt de lijn-Koffeman. De dieren hebben hun nut gehad om de aandacht van journalisten te trekken. Maar nu is het blijkbaar tijd voor andere onderwerpen: voedsel, energie en natuur. Het lijkt toch een beetje op mijn buurmeisje van twaalf dat een konijn wilde omdat alle populaire meisjes dat hadden. Nu ze mee mag doen met populaire meisjes en heeft ze geen aandacht meer voor het konijn. Dat hupst nu vereenzaamd in zijn kooi.
Het programma van de Partij voor de Dieren heet Hou vast aan je idealen, of die titel de lading dekt is maar zeer de vraag: de Partij voor de Dieren heeft haar wilde, ideologische veren afgeschud. Ze lijkt haar unieke karakter op te geven. En dat vind ik een groot gemis voor de Nederlandse politiek.

noten
1
Thieme, M. 2006. De eeuw van het dier. Antwerpen: Houtekiet.
Van Heese, R. and I. Weel (2009) “”Wij zijn Partij voor de Duurzaamheid” Partijcongres PvdD-fractievoorzitter Thieme wil verder kijken dan de belangen van de westerse mens” in Trouw March 21, 2009
2 Thieme, M. 2006. De eeuw van het dier. Antwerpen: Houtekiet.
3 Van Os, P. “Dierenmanieren; portret Partij voor de Dieren”. NRC Handelsblad 17 April, 2010,
“”Wij worden gedomineerd” Partij voor de Dieren-senator Niko Koffeman gruwt van CDA “Beschaving zou los moeten staan van welvaart””. De Telegraaf, 2 Juli, 2007
“‘Wij worden groter dan GroenLinks'”. De Pers, 31 Maart, 2008.

Populisten, progressieven en de verzorgingsstaat

De aankomende verkiezingen zullen over twee onderwerpen gaan: hervormingen van de verzorgingsstaat en de Europese Unie. Dit geeft populistische partijen, die zich hier altijd tegen verzetten een rol. Daarom is Populisten in de Polder van Lucardie en Voerman een tijdig boek.

In hun boek beschrijven de historicus Voerman en de politicoloog Lucardie (verbonden aan het Documentatiecentrum Politieke Partijen) de geschiedenis van het Nederlands populisme tot 2012. Alle grote populisten komen langs: Boer Koekoek, Janmaat, de Leefbaren (zoals Westbroek en Nagel), Marijnissen, Fortuyn, Verdonk en Wilders. Interessant zijn ook de reflecties over het vroege populisme dat te vinden is bij de anti-revolutionair Abraham Kuyper en socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Deze vroeg-twintigste eeuwse politici zijn geen volledige populisten, maar hun gedachtegoed had wel populistische trekjes. Zo verzetten socialisten en anti-revolutionairen zich tegen de liberale elite. Ook het gedachtegoed van de andere partij en partijleiders wordt gewogen: is het echt populistisch? Hierbij wordt er gekeken naar standpunten over de partij over democratische vernieuwing, de reactie van partijleiders op de term populisme en de mens- en maatschappijvisie. Het meest pure populisme vinden Lucardie en Voerman bij Verdonk: zij stelde als geen ander het deugdzame verenigde volk tegenover de kwaadaardige elite, die hen zelfs het Sinterklaasfeest wou ontnemen. Verdonk nam het populisme ook als geuzennaam op.

Lucardie en Voerman vatten het populisme nauw op: centraal staat de roep om meer invloed van het volk. Radicale democraten verschillen van populisten in hun opvatting van dat volk. Zij zien een veelkleurig geheel van burgers, terwijl populisten een homogeen, verenigd volk zien. In deze definitie volgen de auteurs, klassieke politicologische auteurs als Paul Taggart en Cas Mudde. Hiermee verdwijnen echter andere eigenschappen die veel populisten delen uit het oog: Euroskepsis bijvoorbeeld, maar ook verzet tegen sociaal-economische hervormingen.

Lucardie en Voerman hanteren het onderscheid tussen linkse en rechtse populisten, waarbij de SP in het linkerkamp valt en de PVV in het rechterkamp. Echter gezien de verenigde opstelling van deze partijen wat betreft de zorg, de pensioenen en recent het lenteakkoord is het maar zeer de vraag of deze tweedeling nog standhoudt. De gelijkende standpunten van PVV en SP op deze onderwerpen lijkt namelijk meer te zijn dan toeval of strategie. Hieronder ligt een gemeenschappelijke visie: de Haagse elite wil u uw baan en uw pensioen afnemen. Het gaat de populisten dan niet alleen maar om inspraak maar om economische belangen. Bij de verkiezingen van 2006 en 2010 werd al duidelijk dat er naast de klassieke links/rechts-tegenstelling een tweede tegenstelling in de Nederlandse politiek is. Namelijk die tussen hervormers die ervoor kiezen om de verzorgingstaat te hervormen om eerlijker en duurzamer te maken en behoudende partijen die zich verzetten tegen hervorming. Je kan dit zien waar het gaat om de arbeidsmarkt, de pensioenen en de zorg. De partijen die zich hiertegen verzetten zijn ook de meest felle Euroskeptische partijen. Immers de Haagse elite levert ons over aan de Brusselse Eurocraten, die niet het belang van ons volk dienen. Tegelijkterijd zijn het voortdurend twee progressieve partijen die stelling kiezen tegen de populisten: D66 en GroenLinks. Zij verzetten zich tegen de xenofobe opvatting van populistisch rechts, de populistische politieke stijl, maar bovendien tegen het sociaal-economisch conservatisme van de populisten.

De vraag die Lucardie en Voermans onbeantwoord laten in hun boek is of deze gelijkenis in de sociaal-economische koers van SP of PVV meer is dan toeval: de aartsvader van het Nederlandse populisme (Fortuyn), bijvoorbeeld, lijkt bijvoorbeeld niet helemaal in dit plaatje te passen. Aan de ene kant was ook hij Euroskeptisch en wou hij de AOW’tjes van oudere sparen, juist hij pleitte voor verregaande hervorming van de zorg.

Ontstaat er in Nederland naast de bestaande sociaal-economische tegenstellng een nieuwe tegenstelling tussen progressieven en populisten? Een tegenstelling die niet gaat over politieke stijl of bestuurlijke hervormingen als het referendum, maar gaat over de grote economische vragen waar Nederland nu voor staat en Europese integratie? In het boek van Lucardie en Voerman blijft deze vraag onbeantwoord. Met de vrij nauwe definitie van populisme en de strakke verdeling tussen linkse en rechtse populisten missen Lucardie en Voerman een belangrijke gelijkenis tussen populisten van links en rechts.

Dit artikel verscheen ook in verkorte vorm in het GroenLinks Magazine van Juni 2012.

Stem Wijzer voor de GroenLinks-Lijst

Daar is hij dan weer! De kandidatenlijst van GroenLinks! En dan dus uiteraard ook weer de stemwijzer kieswijzer. Welke profiel heeft jouw ideale kandidaat? En hoe zwaar telt het advies van de kandidatencommissie? En dan krijg je een advieslijst van 1 tot 25. Zet jij de betrouwbare Bram op #2, kies je Klaver, is het het liefst Linda, of natuurlijk Niels?

Hoe werkt dit? Beantwoord de vragen door een 1 op de plek van het antwoord te zetten in de groene vakjes deze .xlsx in de rode vakjes krijg je een ordening van 1 tot 25.

Ik hoor vooral graag wat jullie ervan vinden!

Meer Overheid, Meer Vrijheid.

Het klinkt als een mooi axioma: “meer overheid, minder vrijheid”. Ieder ingrijpen van de overheid beperkt de individuele vrijheid van mensen. Ieder regel die afgeschaft wordt, betekent dat we vrijer worden. Of zoals D66’er Pieter Rietman stelde op DeJaap: “minder ambtenaren betekent minder regeltjes en dus meer vrijheid.”

De vrijheid van de moordenaar en de vrijheid van het slachtoffer

Vrijheid is een goed, een groot goed. Hoe meer hoe beter dus. Maar is iedere regel een gevaar voor de vrijheid? Er zijn een boel regels die de vrijheid beschermen Het verbod op moorden, volgens mij vrij oncontroversieel, bijvoorbeeld, beperkt de vrijheid van de moordenaar, maar beschermt de vrijheid van zijn potentiële slachtoffers. Uit dit verbod spreekt een belangrijk principe: sommige vrijheden hebben prioriteit boven andere vrijheden. Het recht op leven heeft prioriteit boven het recht op vrije beroepskeuze (voor zover moordenaar een beroep is).
Dit voorbeeld klinkt misschien absurd, maar een groot deel van het overheidsingrijpen is volgens mij rechtvaardig omdat het op deze manier fundamentele vrijheden beschermt. Een overheid die regels oplegt aan de vervuiling die bedrijven produceren, kan dat doen om dat het recht op een gifvrij leven van de burgers belangrijker is dan het recht op vrije ondernemingsgewijze productie van ondernemers.
Het is onvermijdelijk dat regels vrijheden beperken, maar regels zijn volgens mij voor liberalen rechtvaardig waar die vrijheden die minder prioriteit hebben beperkt worden ten bate van fundamentele vrijheden. Kwesties zoals het verbod op rituele slacht, zijn zo lastig omdat daar fundamentele vrijheden met elkaar botsen (het recht op een lijdensvrij leven van een dier en de godsdienstvrijheid van de gelovige).

Bestedingsvrijheid

Maar dat is eigenlijk niet wat Rietman bedoelt. Hij stelt even verder op welke vrijheid hij het belangrijkst vindt: “inkomstenbelasting verder omlaag zodat er ook meer bestedingsvrijheid voor consumenten ontstaat.” Zijn ideaal is duidelijk: “Lachende mensen (…) met heel veel eigen geld in hun eigen zakken.”
Volgens mij is het rechtvaardig om belasting te betalen (en daarmee de bestedingsvrijheid te beperken) als we daarmee ambtenaren, zoals politieagenten, rechters, brandweermensen en militairen, kunnen betalen die onze fundamentele vrijheden beschermen. Minder belasting betekent volgens mij dus niet automatisch meer vrijheid. Als Rietman hier nog steeds wel van overtuigd is, verwijs ik hem vriendelijk naar landen als Somalië waar er geen centrale overheid is en het volgens mij met de vrijheden van mensen (om te leven vrij van geweld) een stuk slechter gesteld is.
Volgens mij als je deze lijn consequent doortrekt, is er een derde grond om belastingen en overheidsingrijpen te rechtvaardigen. Als we bepaalde fundamentele vrijheden prioriteren boven bestedingsvrijheid, moet je je volgens mij ook afvragen of alle bestedingsvrijheden gelijk zijn. De euro waarmee een weeskind in de derde wereld een dag in zijn levensonderhoud kan voorzien, heeft volgens mij prioriteit boven de euro die bijdraagt aan de Jaguar van iemand in het Westen. Volgens mij is het rechtvaardig om belasting te gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen in hun levensoverhoud kunnen voorzien: zowel op wereldschaal als in Nederland. Het recht om hongervrij te gaan slapen heeft volgens mij prioriteit boven het recht om Jaguarbehoefte-gestild te gaan slapen. Je kan je afvragen of inkomensoverdrachten de meest efficiënte manier zijn om duurzaam armoede te bestrijden. Onderwijs is misschien een betere manier om daarvoor te zorgen. Volgens mij is het dus rechtvaardig als de rijke volwassenen meebetalen aan het onderwijs van arme kinderen, omdat je er daarmee voor zorgt dat zij een veel grotere kans hebben om zelf te kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud in de toekomst.

Vrijheid en overheid

Kortom: minder regels betekent volgens mij niet meer vrijheid. Onze vrijheid als consumenten om gifvrij te leven wordt beschermd door de vrijheid van ondernemers om gif te dumpen te beperken. Minder ambtenaren betekent volgens mij niet meer vrijheid. Politieagenten en brandweermannen beschermen onze vrijheid door deze regels op te handhaven. Minder belasting betekent tenslotte ook niet per definitie meer vrijheid. Herverdeling van inkomen en kansen betekent volgens mij meer vrijheid, omdat bevrijding van armoede zwaarder telt dan extra bestedingsvrijheid aan de top.

Veilige afstand

Fossiele brandstoffen worden het niet. Daar kunnen rechts en links het over eens zijn. Rechts biedt kernenergie als alternatief en links kiest voor windenergie. Eigenlijk verschillen die twee opties niet zoveel, behalve dat links kiest voor de veilige weg.

Eigenlijk is een kernreactor best een simpel apparaat. Door een kernreactie(1) wekken we heel veel warmte op. Met die warmte brengen we water aan de kook. Dat water komt langs een windturbine. Een daarmee wekken we energie op.

Nu staat er op een grote afstand van de Aarde een grote kernreactie(1) die door warmte te produceren allerlei lucht op de Aarde in beweging zet. Dat ding heet de zon. Het enige verschil tussen een kernreactor en een windmolen is dat wij mensen bij de kernreactor zelf de reactie ingang zetten, terwijl de windmolen draait op een al bestaande kernreactie.

We kunnen helaas uit de geschiedenis van kernenergie zien hoe verschrikkelijk gevaarlijk het is om zelf een kernreactie op te wekken: plaatsen als Three Mile Island, Tsjernobyl en Fukushima herinneren ons eraan dat een door de mens begonnen kernreactie niet altijd door de mens in de hand gehouden kan worden. Gelukkig waren die kernrampen op veilige afstand van Nederland, maar is het niet een idee om de kernreactor op veilige afstand te zetten van de gehele mensheid? Wat dacht je van 149597870.700 kilometer?

(1) De zon draait op kernfusie en een kernreactor draait op kernsplitsing. Maar ze leveren allebei heel veel warmte op.

Hoe betrouwbaar is Maurice de Hond?

Politici zijn allemaal verslaafd aan peilingen. En opiniepeilers als Maurice de Hond voorzien Nederlandse politici, commentatoren en journalisten wekelijks van een peiling. Die verschuivingen worden groot uitgemeten. Het is in politiek-wetenschappelijke cirkels bon ton om af te geven op deze peilingen en hoe journalisten hiermee omgaan: of in elk geval bij politicologen als Tom Louwerse en Tom van der Meer. Het voornaamste punt is: een peiling heeft altijd een foutmarge. Een verschuiving van een of twee zetels kan nog wel eens in die foutmarge liggen.

Als je 1000 willekeurige gekozen mensen vraagt naar hun partijvoorkeuren krijg je daarmee een schatting van hoe de politieke voorkeuren van de hele bevolking zijn. Echter als je een tweede groep willekeurig gekozen mensen vraagt, kan je nog wel eens een andere uitslag krijgen. Om dat in te bouwen is de foutmarge uitgevonden. Dat zegt: je hebt een steekproef getrokken van 1000 mensen. Daarin had laten we zeggen de PvdA 200 stemmen. Als je 100 steekproeven zou trekken, dan zullen 95 daarvan de PvdA een uitslag tussen 175 en 225 stemmen geven. Zonder die foutmarge kunnen we verschuivingen nog wel eens verkeerd interpreteren. 20% betekent dus in een steekproef van 1000 mensen: ik weet met 95% zekerheid dat het percentage tussen 17,5 en 22,5% ligt. En dat betekent dat 30 zetels in een peiling dus eigenlijk betekent dat een uitslag tussen de 26 en 34 zetels in ligt (afhankelijk van restzetelverdeling!).

Geen enkel Nederlands peilingsbureau rapporteert foutmarges. In die zin zijn peilingsbureaus niet van elkaar te onderscheiden: zowel De Hond als Synovate voorzien het Nederlandse publiek (twee)wekelijks van een peiling waarvan iedere verschuiving zelfs op serieuze programma’s als Nieuwsuur breed uitgemeten wordt, terwijl dat voor een partij van 30 zetels pas significant wordt als dit meer dan drie zetels is.

Bij Synovate kan iedere enigszins statistisch onderlegde burger zelf een foutmarge berekenen: alles dat je daarvoor nodig hebt zijn de percentages en het aantal respondenten. Zo kan je zien: ligt de verschuiving in de foutmarge? De formule staat op wikipedia en is tamelijk simpel.

Bij De Hond is dat niet mogelijk hij rapporteert noch het aantal respondenten, noch het precieze percentage. Hij geeft in zijn peilingen altijd alleen maar het aantal zetels. Dat laatste lijkt geen bezwaar: immers als ik klaag over het feit dat verschillen te breed worden uitgemeten waarom zou ik dan cijfers achter de komma willen zien? Door restzetelverdeling kan het verschil tussen twee zetels en vier zetels nog wel eens kleiner zijn dan we denken

Ik weet dus niet hoe betrouwbaar de peilingen van De Hond zijn. Hij schijnt iedere week uit een database van duizenden Nederlanders een steekproef van 2000 mensen te trekken te trekken. Dat zou een heel goed resultaat op kunnen leveren, maar dat is gebaseerd op verhalen en niet op ee goede statistische onderbouwing. Ik weet gewoon niet of het zo is, omdat De Hond niet rapporteert hoe onzeker hij is over zijn eigen schattingen. Er zijn nog wel dingen waar we alleen maar naar kunnen gissen. Is het zelfgeselecteerde panel van De Hond echt representatief voor alle Nederlandse kiezers? Of is het zo dat jongeren en mensen met een hoge politieke interesse erin zijn oververtegenwoordigd? Hoe gaat De Hond om zulke vertekeningen in zijn data? Waarom stelt De Hond soms zulke suggestieve vragen? Dat zijn nog grotere onbekenden bij De Hond dan bij andere peilingsbureaus.

Kortom: hoe betrouwbaar is Maurice de Hond? Ik weet het niet. En dat is geen pre als het gaat om betrouwbaarheid.

Voor het behoud van de Raad van State

In zijn nieuwe boek De Nieuwe Democratie pleit Willem Schinkel voor ideologische vernieuwing van Nederland. In zijn ogen is de ideologische uitputting in Nederland zichtbaar doordat ‘we kleurenblind zijn voor alles wat ‘groen’ en ‘links’ is.’ Een boek dat het groene en linkse gedachtegoed verdiept en verbreed is in deze tijd zeer welkom.

Volgens Schinkel is Nederland in een energiecrisis. Dat is meer dan een crisis van natuurlijke grondstoffen, het is een crisis van geestelijke grondstoffen. Het denken is verstard: Nederland mist vernieuwende ideeën en een revolutionaire geestdrift. En Schinkel wil dat bieden zijn boek. Een korte boekbespreking kan geen recht doen aan de ambitie van het boek. Daarom kies ik ervoor om een specifiek voorbeeld uit te lichten om zo de vernieuwende ideeën van Schinkel te wegen.

Schinkel stelt voor de Raad van State te ontdoen van zijn rechtsprekende en bestuurlijk-adviserende functies en een agenda-zettende functie te geven. Schinkel stelt dat de media (en daarmee de markt) bepaalt wat er in de Kamer wordt besproken. Volgens hem moet de Raad van State gevuld worden met kunstenaars, wetenschappers en religieuze leiders die zo voorstellen kunnen doen voor de agenda van de Tweede Kamer. Zo bieden ze een tegenwicht voor de macht van de media om de agenda van de Tweede Kamer te bepalen.
Dit is een bijzonder raar voorstel en wel om twee redenen: het onderschat welke rol de Raad van State speelt als tegenwicht van populistische politiek; en het overschat de rol van de media als agenda-zetter.

Bewaker van grondrechten

De Raad van State heeft onder anderen de functie om de regering te adviseren of wetten deugdelijk, grondwettelijk en uitvoerbaar zijn.1 Schinkel stelt voor deze functie over laten aan de ambtenarij. Een onderschatting van het belang van deugdelijk advies over wetgeving. Tijdens de laatste kabinetsperiode stonden de Raad van State en het gedoogkabinet-Rutte regelmatig tegenover elkaar. Dit kabinet had een uitermate rechtse agenda zeker op het gebied van integratie, immigratie en Islam. De Raad van State was een tegengewicht tegen de populistische politiek van symboolmaatregelen en het uitsluiten van mensen.
Zo gaf de Raad van State een kritisch advies tegen het burqaverbod. De Raad van State had principiële en praktische bezwaren tegen zo’n verbod: het beperkt de keuzevrijheid van mensen te dragen wat ze willen. Het wetsvoorstel doet dit onder meer om de veiligheidsgevoelens van mensen te vergroten. De subjectieve veiligheidsgevoelens van mensen zijn geen grond zijn voor een algemeen verbod, aldus de Raad van State. Het doordachte, genuanceerd advies van de Raad van State is een welkom tegengeluid in een tijd dat een vrijheidspartij de vrijheden van mensen wil beperken en de onderbuikgevoelens zwaarder lijken te tellen in de politiek dan de principes van rechtsstaat of de feiten die volgen uit wetenschappelijk onderzoek. Wat Nederland nu volgens mij meer dan ooit nodig heeft zijn mensen die tegenwicht kunnen bieden tegen een regering die met de kleinst mogelijke meerderheid de rechten van minderheden wil opgeven.
Ik zou bijna zeggen: versterk de rol van de Raad van State om de regering niet alleen een zwaarwegend advies te geven over de kwaliteit van wetgeving maar de regering ook haar huiswerk opnieuw te laten maken, als zoals in het geval van het burqaverbod het voorstel onder de maat is: een opschortend veto-recht voor het meest eminente college van juristen van Nederland.

De dans tussen media en politiek

Schinkel wil deze functie van Raad van State uitkleden en in plaats daarvan de Raad van State vullen met wetenschappersm religieuze leiders en kunstenaars die mede de agenda van de Tweede Kamer kunnen bepalen. In de ogen van Schinkel is de Tweede Kamer een debatvereniging die onderwerpen bespreekt die in het nieuws zijn. Dat nieuws wordt nu bepaald door commercieel ingestelde kranten en omroepen.
Maar de Kamer is niet zomaar een debatclub: zij controleert de regering en maakt wetten. Als de regering steken laat vallen, pikken de media dat op: als de regering een incident verkeerd aan heeft gepakt dan zal de media daarover rapporteren, ook als de overheid niets kon doen om een incident te voorkomen, omdat zij daar de middelen niet heeft, zal de media daar bericht van doen. Dat lijkt misschien op incidentgedreven politiek: politiek die zich alleen maar laat voordrijven op de golven van mediahypes. Maar dat onderschat de rol van politici. It takes two to tango. Een politicus zal altijd dat nieuws uit kiezen om vragen over te stellen of initiatieven over te nemen, dat past in zijn verhaal. Een artikel over de misstanden in de bio-industrie zal leiden tot een Kamervraag van een GroenLinks-Kamerlid en niet van een VVD-Kamerlid.
En de Kamer reageert niet alleen maar op wat er in de krant staat. Kamerleden gaan met liefde het land in om de hand te kunnen schudden van ondernemers en onderwijzers – immers dat zijn potentiële kiezers en zo’n werkbezoek kan altijd worden gebruikt als voorbeeld in een betoog. Kamerleden krijgen zoveel emails van burgers dat er speciale afdelingen zijn in Kamerfracties om die vragen te beantwoorden en door te spelen. En de wetenschap staat niet aan de zijkant: een goed proefschrift of zelfs een scriptie kan best een Kamervraag opleveren.
Kortom: welk probleem wil Schinkel eigenlijk oplossen? De Kamer is nog nooit zo responsief geweest op de noden van burgers als nu, laat wetenschappelijk onderzoek zien. De media zijn een belangrijke bron van informatie voor Kamerleden, maar lang niet de enige, daarnaast Kamerleden zijn geen willoze wezens die meegaan met iedere mediahype, ze selecteren vaak die berichten die passen bij hun eigen verhaal. En groot deel van het Kamer werk is niet debatteren over maatschappelijke onderwerpen, maar wetten maken en begrotingen goedkeuren.

Het specifieke voorbeeld van de Raad van State laat zien dat Schinkel onderschat wat het politieke handwerk eigenlijk inhoudt: de Kamer is geen praatsociëteit. Zij is mede-wetgever en controleert de regering. In tijden van populistische politiek, heeft de Kamer de huidige Raad van State die wetten controleert op hun kwaliteit en grondwettelijkheid, meer dan nodig.