Weg van Christendemocratische principes, op naar linkse doelen

We vergeten vaak dat onze verzorgingstaat niet de realisatie is van echte linkse idealen, maar sterk beïnvloed is door Christendemocratische principes. Het doel van de sociale zekerheid is niet herverdeling maar het is een verplichte verzekering tegen inkomensverlies, omdat je niet meer kan werken omdat je te oud of te ziek bent bijvoorbeeld.

Sterker nog, dit stelsel staat in de weg van linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten: het moedigt bedrijven aan om in Nederland geen werknemers in dienst te nemen; het vraagt een gelijke bijdrage van een onderwijzer en een bankier. En het creëert ongelijkheid tussen een werknemer en een ZZP’er die op verschillende manieren hun werk organiseren.

Het kernidee van het Christelijk-sociale denken is dat werknemers en werkgevers naast de overheid een aparte verantwoordelijkheid hebben. Niet alles moet door de staat geregeld worden. Mensen moeten zelf betalen voor zulke verzekeringen. Maar omdat mensen niet goed zelf keuzes kunnen maken moet de overheid hen wel verplichten zich te verzekeren. De kern van de sociale zekerheid is dus niet een eerlijke verdeling van arbeid en inkomen maar verplichting en verzekering

Dat klinkt als mooie principes maar ondertussen is de uitvoering van de sociale zekerheid verbureaucratiseerd en is het allang al niet meer echt een gedeeld verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers. Het is een andere vorm van belastinginning geworden. Een die mensen werkloos houdt, inkomensverschillen in stand houdt en mensen die hetzelfde werk doen anders behandelt

Het verzekeringsstelsel maakt arbeid onnodig duur

Het idee achter het Christelijk-sociale verzekeringsstelsel is vrij simpel. We verzekeren ons verplicht voor ouderdom, ziekte en werkloosheid. Voor het gemak int de belastingdienst de verzekeringskosten. Het grootste deel van de lasten die mensen met een laag inkomen betalen zijn niet belastingen maar premies van volksverzekeringen.(1) De lasten voor de werknemersverzekeringen worden voor iedere werknemer, door werkgevers, maar opnieuw als percentage van het uitbetaalde loon.

De volks- en werknemersverzekeringen worden bijna geheel gefinancierd arbeidskosten. Op die manier maken we datgene wat we waardevol vinden, namelijk dat mensen kunnen werken, duur. In crisistijd moeten werkgevers mensen ontslaan, omdat arbeidskosten een groot deel van hun begroting beslaat. Arbeidsintensieve productie verschuift naar landen met lage arbeidskosten. In de zorg zien we dat menselijk contact vervangen wordt door machines. Dat is  goedkoper voor de zorginstantie maar tegelijkertijd verliezen ouderen sociale contacten.

Het legt de zwaarste lasten niet bij de sterkste schouders

Bovendien is de redenering achter het Christendemocratische verzekeringsstelsel dat omdat je je verzekert voor een ongeval of ongeluk, iedereen evenveel moet betalen. Het is een verplichte verzekeringspremie: een premie die voor iedereen gelijk is, behalve voor mensen met een laag inkomen, zij betalen wel 30% van hun inkomen aan premies. Maar mensen met een laag inkomen betalen nauwelijks belasting. Voor belastingen geldt namelijk de sterkste schouders de zwaarste lasten. Bij sociale verzekeringen geldt juist dat de bankier en de onderwijzer evenveel betalen en niet fundamenteel meer dan de schoonmaker.

Als we de socialeverzekeringspremies zouden afschaffen zou dat twee positieve gevolgen hebben:

1) We maken arbeid en met name laagbetaalde arbeid veel goedkoper. Daardoor kunnen bedrijven meer mensen in dienst nemen. Zo kunnen we de groeiende werkloosheid bij de wortel aan te pakken: de prijs van arbeid.

2) En we verdelen de lasten eerlijker. Mensen met een laag loon hoeven minder lasten af te dragen en gaan er aan het eind van de maand op vooruit. Werk gaat weer lonen.

GroenLinks heeft een uitgebreid programma van belastingvergroening, progressieve belasting en vermogensbelastingen om de achteruitgang van de overheidsfinanciën te compenseren.

Het creëert ongelijkheid tussen mensen

Als we het verouderde verzekeringsstelsel afschaffen, maken we tegelijkertijd een eind aan de rechtsongelijkheid die daarmee geïnstitutionaliseerd is.

Omdat we nu de werknemersverzekeringen laten betalen door werkgevers worden mensen die niet in loondienst zijn hiervan uitgesloten. Dat is met name een probleem als kleine zelfstandigen arbeidsongeschikt of ziek worden. Voor hen is er nauwelijks sociale bescherming. Dat was logisch omdat werknemers en werkgevers in de Christelijk-sociale visie een andere verantwoordelijkheid hadden. Maar dat is een raar onderscheid in de huidige arbeidsmarkt: we zien in veel sectoren, zoals de bouw, dat mensen die eerst in dienst waren van een bedrijf het zelfde werk bij het zelfde bedrijf kunnen doen als zelfstandige. Dat is fijn voor de werkgever omdat deze minder lasten hoeft te betalen en flexibeler kan reageren als de vraag plotseling toe- of afneemt. Maar dat is minder fijn voor de tot het ondernemerschap veroordeelde ex-werknemer. Want hij heeft minder werkzekerheid, de opdrachten kunnen opdrogen, en minder sociale zekerheid: als hij als werknemer van een dak af valt komt hij in de WIA, als hij als zelfstandige van het zelfde dank af valt, is er geen vangnet.(2)

Als we de arbeidsongeschiktheidsuitkering betalen uit de algemene middelen is het gerechtvaardigd om zowel werknemers als ondernemers hier recht op te geven. De overheid verzorgt universele bescherming tegen inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid, onafhankelijk van wat je deed om je inkomen te verdienen.

Een aparte werkloosheidsuitkering voor werknemers kan ik me wel voorstellen, want als werknemer ben je afhankelijk van je werkgever, maar een  arbeidsongeschiktheidsregeling die alleen voor werknemers geldt, is niet meer van deze tijd.

Als we afstappen van het verouderde Christendemocratische verzekeringsprincipe en dan kunnen we linkse doelen als een eerlijke verdeling van arbeid, inkomen en sociale rechten bewerkstelligen. De Christelijk-sociale uitgangspunten leken in 1953 misschien eerlijk, maar houden anno 2013 in de praktijk ongelijkheid, armoede en werkloosheid in stand.

(1) Onder de 20.000 euro betaalt iemand 6% van zijn inkomen aan belastingen en 30% aan verplichte socialeverzekeringspremies.

(2) Natuurlijk is de aannemer wel aansprakelijk als het op zijn terrein gebeurt, maar het punt is dat de een wel toegang heeft tot de WIA en de ander niet.

 

Dick’s Dialectische Denken

1 februari stopte Dick Pels als directeur van het Wetenschappelijk Bureau. Voor zijn afscheid gisteren zocht ik naar de rode draad in zijn denken: zijn Marxistische methodologie.

In zijn jonge jaren was Dick modieus Marxist en natuurlijk lid van de CPN. Hoewel typische Marxistische geloofsartikelen als de socialisering van de productiemiddelen en de klassenstrijd in zijn denken niet meer naar voren komen, is er een typisch Marxistisch element dat nog steeds in Pels’ denken terugkeert: de dialectiek.

In de Marxistische dialectiek is er eerst een positie (these). Daartegenover kan een tweede positie gesteld worden (antithese). De tegenstelling tussen deze twee polen wordt opgeheven door de synthese. De synthese verenigt de twee ogenschijnlijk tegengestelde polen met elkaar in een derde vernieuwende positie.

In zijn meest recente monografie Het Volk Bestaat Niet staat de spanning tussen de elite en het volk centraal. De klassieke Nederlandse regentendemocratie werd uitgedaagd door het populisme van Fortuyn. Dick zoekt de synthese in een wisselwerkingsdemocratie: politici moeten durven om vooruit te lopen en burgers moeten politici terug kunnen roepen als ze te ver gaan.

Maar dezelfde dialectiek is ook zichtbaar in Zwak voor Nederland. Dick onderzoekt hier de spanning tussen de Islam en haar liberale critici zoals Ayaan Hirsi Ali. Hij vindt in deze tegengestelde posities een grote gelijkenis: de absolute waarheidspretentie. Zowel de fundamentalistische Islam als het Verlichtingsfundamentalisme denken de absolute waarheid in handen te hebben. Pels vindt dan ook de synthese in een kritisch relativisme, dat zich verzet tegen harde zekerheden van de gelovigen en atheïsten en uit gaat van twijfel en onzekerheid.

Dick laat zich graag inspireren door het sociaal-individualisme van Jacques de Kadt. In deze positie worden ook twee posities met elkaar verenigd. Tegenover het liberale individualisme ontstond een socialistische tegenbeweging. De Kadt en Pels verenigen dit in een ‘socialisme ter wille van het individualisme’. Dit brengt de individuele vrijheid van het liberalisme samen met het gelijkheidsideaal van het socialisme. Een eerlijke verdeling van inkomen en kansen is nodig om persoonlijke autonomie voor iedereen mogelijk te maken.

Later voegde Dick aan deze dialectische driehoek een nieuwe dimensie toe: het paternalisme. Persoonlijke autonomie dreigt te ontaarden in de hufterigheid van de dikke ikken. Het roept zo een conservatieve tegenreactie op. Pels komt met een synthese: vrijzinnig paternalisme. Mensen weten niet altijd wat het beste is voor hen zelf. Maar ook de overheid weet niet altijd wat het beste is voor het individu. Eén van de oplossingen die Pels biedt, is de democratische dialoog waarin samen onderzoeken wat het goede leven is.

En zo brengt Pels twee schijnbaar tegenovergestelde posities samen: een Marxistische scholing, waarin het dogma van het Marx centraal staat, en een vrijzinnige houding, die uitgaat van de vrijheid om anders te denken, om te twijfelen aan gevestigde ideeën en overtuigingen. Marxistische dialectiek en vrijzinnig relativisme verenigd.

Religieuze voorrechten en gelijkheid voor de wet

Martijn Samsom verdedigt op de website van de Trouw vandaag religieuze voorrechten, zoals het recht van Joden en Moslims om hun kinderen te besnijden en hun vee onverdoofd ritueel te slachten. Klopt de argumentatie? Is traditie een reden om privileges uit te delen?

Er zijn aardig wat sterke argumenten om besnijdenis en onverdoofde rituele slacht te verbieden. Toch laten ‘religieuze voorrechten’ zich wel degelijk verdedigen. Besnijdenis en onverdoofde rituele slacht worden bijvoorbeeld niet uitgevoerd om te mishandelen, maar als onderdeel van een traditie. Veel mensen horen het niet graag, maar verminking is een relatief begrip.’

Het cruciale punt van Samsom is dat een kleine inbreuk van de fysieke integriteit van het kind en beperkte leiden van het rund opweegt tegen het respecteren van een culturele traditie. In mijn ogen is dat een onterecht uitruil. Burgerrechten zijn geen kleren van H&M die je zomaar mag omruilen.

‘Als iedereen decennialang zijn kleine teen laat afhakken, spreken we niet meer zozeer van verminking, maar vooral van traditie. Voor Joden en moslims is besnijdenis geen verminking, precies zoals het heel ver oprekken van oorlellen in veel culturen ook geen verminking maar traditie is.’

Die kleine teen is een uitermate slecht gekozen voorbeeld, dat de discussie geheel kan afleiden. Want we hebben niet zomaar zonder reden een kleine teen. Dat is geen zinloze appendix. Een kleine teen is uitermate belangrijk om te balanceren. Als we iemand’s kleine teen afhakken doen we schade aan zijn of haar vermogen om te lopen. Volgens mij kunnen we verminking definiëren als een inbreuk op essentiële menselijke vermogens.

‘Nu kun je natuurlijk niet alles verdedigen met een beroep op ‘traditie’. Een traditie die extreme ellende voortbrengt moet worden gestopt. Maar volgens mij is bij besnijdenis noch bij ritueel slachten sprake van extreme ellende.’

Het cruciale begrip dat Samsom hier introduceert is het begrip ‘extreme ellende’. We mogen tradities verbieden als ze leiden tot extreme ellende. Ik zou hier kunnen voorstellen om de keel van Samsom door te snijden en hem te laten dood bloeden. En hem daarna te vragen wat extreme ellende is. Gelukkig mag dat niet. Ik zou kunnen stellen dat de term ‘extreme ellende’ niet hanteerbaar is, en het alternatief ‘essentiële vermogens’ kunnen introduceren. Dat lijkt me gezien de laatste stand van de ontwikkeling van de filosofie een beter principe (omdat we niet geluk c.q. ongeluk centraal stellen zoals in de doodlopende weg van het utilisme, maar vermogens zoals in de nieuwe capabilities-stroming). Doodbloeden is extreme ellende en ‘essentiële vermogens’ zijn wat het leven waardevol maakt en wat we dus niet mogen schaden.

Dan komen we terecht in een discussie of besnijdenis een inbreuk is op essentiële vermogens. Dat vrouwenbesnijdenis een inbreuk op essentiële vermogens is, staat volgens mij buiten kijf. Hierbij worden de genitialen van vrouwen zo verminkt dat allerlei vermogens (urineren, seks, baren) ernstig bemoeilijkt worden. Maar geldt dat ook voor mannenbesnijdenis? Het schijnt seksualiteit niet plezieriger te maken.

Maar dat gaat allemaal uit van de verkeerde assumptie. Namelijk dat het rechtvaardig zou zijn om mensen toe te staan dingen te doen met een verwijzing naar traditie, behalve als dat ernstige schade doet (in welke vorm dan ook). Maar volgens mij is het de rol van de overheid om het maatschappelijk leven te ordenen. Zij maakt hierbij regels die voor iedereen gelden. ‘We laten het lichaam van kinderen heel, behalve als een inbreuk nodig is voor de gezondheid van het kind’ is zo’n regel. Als mensen vanwege religieuze tradities uitzonderingen zouden krijgen op die regels, toon je geen respect voor religie. Waarom niet? Als je dingen toe staat voor religieuze mensen die niet voor ongelovige mensen gelden, dan moedig je dus eigenlijk mensen aan om of lid te worden van een religie als ze bepaalde voordelen willen, of om hun eigen religie op te richten. Dat betekent dat mensen religie gaan veinzen om daar voordeel van te hebben. En dat moet je nooit willen. Religie is alleen waardevol als het een vrije keuze is.

‘Inderdaad, bij het maken van de keuze of je baby religieus besneden moet worden, staat het kind buitenspel. Is dat erg? Je zou kunnen zeggen: voor baby’s en kinderen worden duizenden besluiten genomen die veel ingrijpender zijn. Wie je ouders zijn, heeft bijvoorbeeld een erg grote invloed op het verloop van je leven. Aan dergelijke factoren kunnen we nauwelijks iets veranderen – niet op persoonlijk en niet op politiek niveau. Willekeur en beslissingen door anderen spelen nu eenmaal een grote rol in ieders leven.’

Dit is een curieus standpunt. Eigenlijk zegt Samsom hier: ouders kunnen besluiten hun kinderen op andere manieren te verminken, dus dan valt dat besnijden nog best mee. Maar een ouder heeft een bijzondere verantwoordelijkheid. Hij of zij voedt het kind op, in relatieve vrijheid, naar eigen inzicht. Dat kind staat daar relatief willoos tegenover. De overheid heeft een rol om kinderen te beschermen tegen mishandeling, ondervoeding en andere vormen van kindermisbruik. De grens van de ouderlijke autoriteit is het belang van het kind. Als dat geschaad wordt, dan eindigt de ouderlijke autoriteit. Je kan een gelijkenis trekken met de macht van de Chinese keizer. Hij mocht voor zijn volk beslissen. Hij wist het beter. Maar als hij de belangen van zijn volk schaadde, dan mocht het volk in opstand komen. En omdat kinderen niet in opstand kunnen komen, hebben we een overheid die hun belang verdedigt, als hun ouders verzaken.

‘Wie (zoals de Partij voor de Dieren of de Duitse rechter die besnijdenis ‘mishandeling’ noemde) strikt rationeel naar dit soort problemen kijkt, ziet enkel fysiek leed. Dat is maar de helft van het verhaal. Rituelen zijn ook een kwestie van religie en cultuur, van zaken die ons maken tot wat we zijn. Als we mensen dat ontnemen, dan ontnemen we ze een deel van hun identiteit en vrijheid. Een goede reden om religieuze voorrechten niet zonder meer af te schaffen.’

Dit is in mijn ogen het cruciale punt van Samsom. Traditie is niet op zich waardevol, maar waardevol omdat het mensen identiteit en zelfs vrijheid geeft. Cultuur vormt ons. Zonder cultuur zijn we niemand. Cultuur is het kompas in ons leven dat ons richting geeft. Zonder cultuur weten we niet wat we willen.

Dit is de kern van het multiculturele denken. Culturen vormen mensen. Het is de rol van de overheid om een minderheidscultuur te verdedigen tegen de conventionele cultuur. En ik kan daar een stuk in meegaan. Ik vind dat we best kinderen in Friesland Fries mogen leren op school, om die taal te beschermen. En als een Sikh geen helm wil dragen op een scooter, omdat hij zijn tulband op wil houden, prima.

Het Fries-voorbeeld gaat om kinderen, net als de besnijdenis. In beide gevallen houden we een traditie in stand, namelijk het spreken van een taal en het mishandelen van kinderen. De vraag is waarom zijn die twee anders? Ieder kind moet onvermijdelijk taalonderwijs krijgen om te kunnen communiceren, terwijl besnijdenis geen ander doel dient dan de godsdienstige traditie. De eerste is een traditie-respecterende inkleuring van een bestaande maatschappelijke functie; de ander is een uitzondering op een nogal belangrijke maatschappelijke regel (ouders dienen het belang van hun kind) met geen andere grond dan het respecteren van traditie.

Het Sikh-voorbeeld gaat om de individuele vrijheid van iemand om zijn eigen leven op het spel te zetten. Daar heeft niemand anders last van. Vergelijk dit met het voorbeeld van de rituele slacht. Dat betekent dat we juist een ander wezen laten lijden, vanwege een godsdienstige traditie. Als we rituele slacht verbieden, verbieden we niemand om zijn of haar geloof te beleiden. Het zorgt er alleen maar voor dat religieuze mensen geen vlees kunnen eten. Het is geen inbreuk van de godsdienstvrijheid van vleeseters, maar een inbreuk van het recht om vlees te eten voor godsdienstigen. En dat laatste recht staat niet in de Grondwet (en terecht!).

De vrijheid van godsdienst is in Nederland geperverteerd: hij was ooit bedoeld om mensen te beschermen tegen een overheid die bepaalde handelingen verbood vanwege het enkele feit dat ze religieus waren. Die vrijheid is in mijn ogen inderdaad rechtvaardig. Nu wordt voorgesteld om handelingen die anders verboden zijn, toe te staan vanwege het enkele feit dat ze religieus zijn. Dat is volgens mij onrechtvaardig. De kern van een rechtsstaat is gelijkheid voor de wet voor iedereen, niet het privilege van enkele.

Wilskracht

Sommige vrienden van mij roken. En eerlijk gezegd ik kan de aantrekkelijkheid ervan wel inzien: je hebt wat in je hand om mee te spelen en je kan met een andere roker altijd en gesprek aangaan. Het schijnt ook nog heel rustgevend te zijn.
Maar het grote probleem is roken is ontzettend smerig als je het voor de eerste keer doet. Om je zelf te verslaven aan roken moet je echt een hobbel over. En dat vind ik raar: je weet het is slecht voor je (longen, huid, tanden, levensverwachting), je weet dat het verslavend is en het is vies om te doen. Waarom begin je daar dan aan?
Hetzelfde geldt ook voor alcohol: wijn en bier zijn verschrikkelijk vies als je het de eerste keer drinkt. Ik hoor mensen altijd zeggen: doe mij maar fruitige zoete wijn. Fruitig en zoet dat klinkt top! Maar dan krijgen ze een zure wrange drank. Ja, het is vast heel fruitig als je aan de wrange zure smaak gewend bent. Dan is er vast een heel spectrum te proeven. Maar waarom zou je daar aan beginnen: we weten allemaal dat het niet gezond is. Slecht voor je brein en je lever en alcohol is nog zwaar verslavend ook. Het is voor mij toch altijd een beetje alsof mensen slootwater drinken. De eerste keer is dat heel goor maar na een paar keer proef je het verschil tussen het zilte Zeeuwse slootwater, het zoete Hollandse kleiwater en het fruitige Drentse veenwater.

Ik kan me ook goed voorstellen dat het lastig is om ergens mee te stoppen wat vanaf het begin aan heel lekker is: chocolade kan ik bijvoorbeeld lastig laten staan. Maar kleine kinderen zijn vanaf het begin dol op alles wat zoet en romig is – dat zal wel iets te maken hebbe met moedersmelk. Je moet wel van goede huize komen om iets wat zo lekker is te weerstaan. Ik kan me ook goed voorstellen dat mensen dingen eten die niet goed voor ze zijn maar wel gezond: het is een kwestie van wilskracht om over je natuurlijke afkeer heen te komen en te doen wat goed is. Close your eyes and think of Engeland.

Maar je wilskracht in zetten om je over natuurlijke weerstand heen te zetten, zodat je je kan verslaven aan iets wat je in de eerste plaats vies vindt en waarvan je weet dat het verslavend is, vind ik echt absurd.

725 and counting

725 blogs heb ik geschreven in de laatste vijf jaar. Dat is wel heel veel. Wat is de centrale boodschap? Wat zijn de beste stukjes? Ik schrijf over vier (aan elkaar gerelateerde) onderwerpen: GroenLinks, Nederlandse politiek, politieke filosofie en politieke fictie. In mijn ogen heb ik daar wel een consistente lijn in: vanwege mijn eigenzinnige links-liberale politieke filosofie voel ik me verbonden met de progressief-linkse partij GroenLinks die een bijzondere plek in het politieke landschap heeft. De vijf artikelen met een (*) worden bijzonder aangeraden.

1. GroenLinks
GroenLinks is gevormd als een fusie van de links-socialistische dissidentenpartij PSP, de proto-groene PPR, de communistische emancipatiepartij CPN en de progressief-Christelijke EVP. GroenLinks lijkt ideologisch sterk op de PPR, maar heeft veel oud-PSP’ers in zijn gelederen, heeft een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als de Deense PSP en heeft een vergelijkbare partijcultuur als de PSP. Van de CPN is weinig zichtbaar. De naam GroenLinks was een compromis tussen de PPR-leden die een vernieuwende groene beweging wilden vormen en de PSP-leden die machtsblok links van de PvdA wilde vormen. Het groene profiel van GroenLinks was deels een strategische zet (* – luister ook naar dit debat op radio 1). Het progressieve profiel dat GroenLinks zich in de laatste jaren heeft aangemeten staat in spanning en in lijn met de vrijzinnig-Christelijke en links-socialistische traditie waar GroenLinks uit voorkomt. Het progressieve profiel van GroenLinks is deels gekomen door een veranderende politieke realiteit, maar is ook aangemeten om GroenLinks een geloofwaardige coalitiepartner te maken. De opvallendste draai: GroenLinks was de grootste tegenstander van Paars maar nu de partij van Paars+.

De discussies binnen GroenLinks gaan vaak over samenwerking met andere linkse partijen, terwijl andere partijen niet noodzakelijkerwijs met GroenLinks willen. GroenLinks is een van de weinige groene partijen in Europa die nog niet heeft geregeerd. En hoewel, GroenLinks nog nooit aan de macht geweest is, zijn de schandalen van de laatste jaren, schandalen van de macht. GroenLinks moet niet gaan regeren met CDA, VVD en D66 of toch wel?

GroenLinks wordt soms verweten een moraliserende elitepartij te zijn, dat lijkt me niet het geval: GroenLinks is een radicale systeempartij (*). Ik heb het GroenLinks-prisma ontwikkeld om na te denken over de positionering van GroenLinks op verschillende onderwerpen: democratie, kunst, sport en veiligheid. GroenLinks moet haar Kamerleden balanceren tussen groene Europarlementariers, tolerante Senatoren en linkse Tweede Kamerleden.

GroenLinks moet zich niet richten op het electorale midden. GroenLinks is uitgesproken sociaal, tolerant en groen, maar op ieder van die onderwerpen niet de meest uitgesproken partij. GroenLinks moet zich als groene partij profileren en niet als tolerante partij. GroenLinks moet meer oog hebben voor de dagelijkse problemen van gewone mensen.

In de politiek worden, de cruciale beslissingen genomen door de mensen achter de schermen en daar lijkt politiek verdacht veel op het echte leven.

2. Politiek
Het Nederlandse politieke landschap is aan verandering onderhevig: wat ooit links was, is nu rechts en vice versa. Maar die analyse is misschien iets te simplistisch: er ontstaat een nieuwe tegenstelling over economische en Europese onderwerpen tussen progressief en populistisch, terwijl de links/rechts tegenstelling steeds meer gaat over culturele onderwerpen (naast economische en ecologische) (*). En juist progressieven moeten kiezen tussen links en rechts. Dat populisme is niet nieuw: zowel de sociaal-democraten als Christen-democraten hebben hun wortels als populistische bewegingen

3. Politieke filosofie
Centraal in mijn politieke filosofie staat het socratische idee van aporeia. De erkenning dat we fundamentele kennis missen. Ik noem mijn filosofie daarom ook wel epistemisch liberalisme: omdat we het niet eens zijn wat het goede leven is, moeten we kiezen voor een neutrale overheid (*); omdat er inkomen is dat niemand verdiend heeft, moeten we kiezen voor verdelende rechtvaardigheid (*); en omdat we het niet eens zijn over wat rechtvaardig is, moeten we kiezen voor een democratische overheid. Dat idee van aporeia moet ik wel iets nuanceren als ik geloof in mijn eigen ethische normen.

Op culturele thema’s ben ik uitermate liberaal: juist omdat godsdienst meer is dan een mening, hecht ik aan godsdienstvrijheid en daarom ben ik bijvoorbeeld voor het verbod op ritueel slachten, maar juist tegen een verbod op het rijden door rouwstoeten. Als liberaal ben ik skeptisch over een idee als de ‘ontspannen samenleving‘, omdat dit utilisitsch en niet liberaal isPaternalistisch optreden van de overheid is alleen maar gerechtvaardigd om individuele vrijheid te vergroten. Zo zijn herkenbare homoseksuele rolmodellen goed voor homo-emancipatie. We moeten oppassen voor diegenen die ons met kleine stootjes de juist kant op willen sturen, want wie bepaalt waar heen we gestuurd worden? Ook op sociaal-economische onderwerpen, moet neutraliteit uit het uitgangspunt zijn.

Ik beschouw mijzelf als heel links, maar ik ben daarom tegen het minimumloon, tegen het aanpakken van topinkomens en tegen kunstsubsidie (daarover heb ik niet altijd even subtiel geschreven). Ik ben voor privatisering van de publieke omroep, van het onderwijs (dat moet overigens gericht worden op individuele ontplooing) en van de zorg. Al die (links-)liberale verhalen ten spijt, betekent dat niet dat ik me niet ook verbonden voel met het socialisme. Want uiteindelijk zijn socialisten consequente liberalen.

Ook milieubeleid is uiteindelijk liberaal gerechtvaardigd, dat geldt zeker voor dierenrechten. Overheidsingrijpen is voor milieubescherming wel noodzakelijk, daarbij zou ik kernenergie niet uitsluiten.

Ik heb de laatste tijd ook geschreven over veiligheid: ik vind straffen vanwege vergelding barbaars en zie meer in herstelrecht en in grotere openbaarheid van het strafproces. Als liberaal ben ik een groot voorstander van liberale democratie en dus tegen radicale democratie (en dat zou GroenLinks ook moeten zijn).

Het is filosofisch toch het leukste om een verhaal van iemand anders uit te pellen en de interne contradicties weer te geven: neem Dick Pels over het basisinkomen of Rutger Claassen over de consumptiemaatschappij. FIlosofisch gezien heb ik niets met Nietzsche, die wel hecht aan vrijheid, maar niet aan gelijkheid en met mensen die vinden dat je alles correct moet spellen.

4. Politieke fictie
Ik vind politieke fictie fascinerend. Ik onderscheid hierbij drie genres: science fiction, wat een mogelijkheid geeft tot social science fiction het uitwerken van politieke utopieen. Mooi gedaan in Star Trek: Deep Space Nine. Politiek drama, wat de mogelijkheid geeft om politiek achter de schermen te laten zien. The West Wing kwam wel heel dicht bij de werkelijkheid. En alternative history: een kleine stap had de geschiedenis van GroenLinks een heel andere kant op kunnen sturen.

En als we het dan toch over fictie hebben, minder politiek, maar niet minder geniaal, Wes Anderson: “When one man, for whatever reason, has an opportunity to lead an extraordinary life, he has no right to keep it to himself

Paternalisme, Arbeid en Inkomen

In de bundel Vrijzinnig Paternalisme pleiten verschillende progressief-linkse auteurs voor een groen en links beschavingsproject. De overheid moet het debat aan gaan met burgers over wat het goede leven is. De auteurs, geleid door Dick Pels, willen hiermee een correctie aan brengen op de liberale koers die GroenLinks onder Femke Halsema heeft ingezet. Zij zou de moraal te veel hebben overgelaten aan het individu.

Het opvallende is dat waar het gaat om praktische politiek de voorstellen van Pels uitermate liberaal zijn en onderbouwd zijn met liberale argumenten. Dit zal ik illustreren aan de hand van het hoofdstuk “Werk, Sociale Zekerheid en Het Goede Leven” waarin Pels samen met Femke Roosma pleit voor het invoeren van een basisinkomen. Ze breken hiermee met de koers van Femke Halsema. Zij schrok in Vrijheid Eerlijk Delen, het stuk waarin ze haar sociaal-liberalisme praktisch uitwerkte, niet terug voor een paternalistische voorstel onderbouwd met paternalistische argumenten: iedereen moest werken omdat dat beter voor hen is. De centrale vraag is: hoe paternalistisch is het vrijzinnig paternalisme van Pels en hoe liberaal het sociaal-liberalisme van Halsema?

Liberalisme? Paternalisme?

Liberalisme houdt in dat de overheid strikt neutraal moet zijn ten opzichte van ideeën van het goede leven. Alle liberalen vinden dat de overheid mensen moet beschermen tegen inbreuken op hun formele rechten. Links-liberalen vinden dat de overheid daarnaast de materiële voorwaarden voor ontplooiing eerlijk moet verdelen.

Paternalisten geloven dat de overheid niet neutraal mag blijven ten opzichte van ideeën van het goede leven. Burgers moeten de ‘juiste keuzes’ maken, omdat dat goed is voor burgers zelf. In essentie zeggen paternalisten: “de overheid weet beter dan mensen zelf hoe ze hun leven moeten inrichten.” Harde paternalisten willen dwang inzetten om mensen daartoe te zetten. Vrijzinnig paternalisme varieert op een van twee manieren op dit thema: ten eerste, omdat vrijzinnig paternalisten niet zeker weten wat het idee van het goede leven is. Zij werpen dit echter niet terug op het individu maar willen een maatschappelijk, democratisch debat over wat het goede leven is. Ten tweede, omdat vrijzinnig paternalisten mensen niet dwingen, maar duwtjes in de goede richting geven: mensen hebben het recht om de verkeerde keuzes te maken, maar ze worden gestimuleerd om de juiste keuze te maken.

De centrale assumptie van Roosma en Pels is dat ieder sociaal stelsel mensen stimuleert om hun leven op een bepaalde manier in te richten. De sociale zekerheid geeft altijd richting aan een idee van het goede leven.  En op dit moment ligt de focus op werk. Roosma en Pels willen door het basisinkomen te introduceren mensen een andere richting geven.

 

Een Vrijzinnig Paternalistisch Pleidooi voor het Basisinkomen

Een basisinkomen is een door de overheid gegarandeerd minimuminkomen dat iedereen krijgt onafhankelijk van of hij of zij werkt of niet. De beste manier om het uit te leggen is dat de AOW-gerechtigde leeftijd verlaagd wordt naar 18. Mensen kunnen daarnaast bijverdienen zoveel als ze willen, maar als ze door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar ook bijvoorbeeld omdat ze willen zorgen voor hun familie, of gewoon omdat ze lui zijn, (tijdelijk) niet werken kunnen ze altijd rekenen op een inkomen.

De vrijzinnig paternalisten Pels en Roosma hebben een agenda voor het goede leven: dat goede leven bestaat uit een juiste balans tussen werk, vrije tijd, ontwikkeling en de zorg voor anderen. Het basisinkomen kan daarbij helpen omdat het ruimte biedt voor ontplooiing, zorg en scholing. Mensen kunnen de tijd nemen voor scholing, voor de opvoeding van hun kinderen, het verzorgen van hun ouders of zich richten op sport, kunst en wetenschap en toch een (minimum)inkomen hebben. Het kan voor mensen met een baan een manier zijn om arbeid en zorg beter te combineren. Voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt geeft het basisinkomen de vrijheid om slecht werk te weigeren. In de huidige arbeidsmarkt kunnen mensen eigenlijk slecht werk niet weigeren omdat ze dan hun inkomen verliezen.

Roosma en Pels vinden hun voorstel paternalistisch omdat het ervan uitgaat dat het legitiem is voor de overheid om zich het welzijn van mensen te bemoeien. Maar die bemoeienis is beperkt. In essentie verandert het basisinkomen de manier waarop we keuzes maken over werk en inkomen. Als mensen besluiten om niet te werken, is het alternatief nu geen inkomen, met het basisinkomen kunnen mensen rekenen op een vast inkomen. Maar voor Roosma en Pels is het basisinkomen niet alleen een financiële maatregel, het is een normatief signaal: de overheid wil dat mensen zich onthaasten. Het voorstel is volgens Roosma en Pels vrijzinnig omdat er geen belemmeringen zijn om slechte keuzes te maken.

 

Het Basisinkomen langs een Vrijzinnige Maatlat

De kern van het betoog van Roosma en Pels is keuzevrijheid. Roosma en Pels willen mensen vrijmaken van arbeidsdwang. Het basisinkomen dwingt niemand om te werken, voor hun kinderen te zorgen of tijd te nemen voor scholing en ontspanning. Het maakt al deze keuzes serieuze opties. Dit gaat uit van een rijker begrip van dwang. Je kan stellen dat de overheid mensen alleen maar dwingt iets te doen, als mensen die zich niet aan de opdracht van de overheid houden, strafrechtelijk vervolgd worden. De overheid dwingt mensen om belasting te betalen: doen we dat niet dan kunnen we worden opgepakt. Je kunt stellen, dat een verzorgingsstaat en de vrije markt op een andere manier dwingt: het wel of niet verkrijgen van een inkomen is daar het beste voorbeeld van. De huidige verzorgingsstaat en arbeidsmarkt dwingen mensen om te werken. Als mensen niet werken, dan hebben ze geen inkomen, en zijn ze veroordeeld tot honger en armoede. In puur formele zin, bestaat de vrije keuze om niet te werken wel, maar is dat geen reële keuze. Mensen moeten werken want anders kunnen ze niet in hun basisbehoeften voorzien. Dat is in mijn ogen ook een vorm van dwang. Door een inkomen te verzekeren heft het basisinkomen deze vorm van dwang op. Het maakt daarmee allerlei opties reëel die slechts formeel bestonden. Mensen kunnen nu besluiten om zich helemaal te richten op de zorg voor hun kind, zonder zich zorgen te maken over de huur. In de kern vergroot het basisinkomen de reële keuzevrijheid van mensen.

Het basisinkomen is vooral goed voor mensen met weinig inkomen: mensen met weinig spaargeld, mensen die net rond komen, zij zitten nu een tredmolen van werk, werk, werk. Ze kunnen niet terugvallen op spaargeld of verlofregelingen als ze uit die tredmolen willen stappen. Als ze het niet redden komen ze in de WW of de bijstand. Deze regelingen gaan uit van het principe van reciprociteit, voor een uitkering staat een tegenprestatie: in de WW moet je solliciteren en dat werk accepteren en in de bijstand geldt steeds meer het principe van work first. Mensen mogen niet uit hun werkritme vallen, want anders komen ze nooit meer aan het werk. Het basisinkomen biedt de zwaksten op de arbeidsmarkt volgens Pels en Roosma meer bestaanszekerheid, maar vooral ook meer keuzevrijheid en grotere autonomie, zonder dat daar de verplichting van een tegenprestatie tegenover staat.

Het basisinkomen kan positieve maatschappelijke gevolgen hebben: onthaasting,meer  tijd voor het gezin, meer ruimte voor scholing, meer actieve beoefening van kunst, sport en wetenschap en beter werk voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar dit gebeurt niet door het principe van dwang, maar door het principe van vrije keuze. Het basisinkomen kan dit gevolg alleen hebben als we uitgaan van een sociaal-liberaal vertrouwen in mensen: als mensen in vrijheid keuzes maken dan zullen dat de juiste keuzes zijn. Vrije mensen kiezen voor zorg, kunst, scholing en onthaasting. Als je mensen vrij maakt dan zullen ze niet kiezen voor niets doen, niet voor televisie, drank en drugs om de verveling door te komen. Mensen zijn van nature geneigd tot ‘het goede’ alleen de samenleving dwingt mensen nu om verkeerde keuze te maken.

Paternalisme (met of zonder bijvoeglijke bepalingen) kunnen we niet bij Roosma en Pels aantreffen: de overheid weet niet beter hoe mensen hun leven moeten inrichten. Als je mensen de vrijheid geeft, dan maken ze de goede keuze. De overheid dwingt mensen nu de verkeerde keuze te maken, door eenzijdig de nadruk te leggen op werk.

 

Een Paternalistisch Pleidooi voor Werk

Ik kan me op het gebied van werk en inkomen wel paternalistischere voorstellen bedenken dan het basisinkomen. Je zou je kunnen voorstellen dat iedereen na een jaar werkloosheid een baan krijgt aangeboden en als ze die niet aannemen de uitkering dan wordt gestopt. Je zou dat kunnen doen omdat je vindt dat mensen economisch zelfstandig moeten zijn, omdat werk goed voor ze is, of omdat je vindt dat niemand uitgesloten mag worden van de voordelen van werk. Dat is de kern van Vrijheid Eerlijk Delen van Halsema. Ik heb al eerder laten zien dat dat voorstel veel dingen is, maar niet liberaal. Roosma en Pels geven de argumenten voor Vrijheid Eerlijk Delen goed weer: de verdedigers hiervan stelden dat mensen niet het recht hebben om geen deel uit te maken van de samenleving. Die deelname maakt ons tot betere mensen. Meedoen is goed voor je. Je onttrekken aan de samenleving is slecht. En een betaalde baan is het hoogste goed. Hiermee sluit Halsema naadloos aan bij het huidige denken over de arbeidsmarkt: iedereen moet (mee) werken. Vrijheid Eerlijk Delen was in de kern een paternalistisch voorstel, waarbij Halsema beter wist wat goed voor mensen was dan de mensen zelf. Neem vrouwen die besluiten om niet te werken als hun kinderen jong zijn. Die keuze hebben vrouwen nu omdat er uitzonderingen zijn in de bijstand voor vrouwen met jonge kinderen. Halsema vond dat vrouwen hiermee hun eigen toekomst op het spel zetten. Door die vrouwen toe te staan te zorgen slaat de overheid een gat in hun CV, waardoor ze als hun kinderen groot zijn, geen werk meer kunnen vinden. Ze missen dan de werkervaring, het werkritme en de opleiding om weer aan de slag te komen. De overheid moet vrouwen behoeden voor de verkeerde keuzes.

 

Liberalisme, Paternalisme en het Basisinkomen

De discussie binnen GroenLinks over Vrijheid Eerlijk Delen ging inderdaad langs de lijnen van liberalen versus gemeenschapsgezinden. Hierbij stond de vraag of mensen moesten werken niet ter discussie: liberaal Halsema en de vakbondsvleugel waren het daarover eens. Halsema was liberaal omdat ze voor het stimuleren van de werkgelegenheid liberale middelen wilde inzetten als ontslagrechtversoepeling. De gemeenschapsgezinden paternalistisch omdat ze mensen wilden beschermen tegen precair werk.

De paternalistische assumpties van het betoog van Halsema zijn slechts door enkelen benoemd. Door te werken ontplooien mensen zich, als mensen beslissen om niet te werken maken ze een ernstige vergissing, waartegen de overheid hen met dwang en drang moet behoeden. Het is opvallend dat het juist Pels, die de liberale koers van Halsema in vrijzinnig paternalistische richting wil bijsturen, het voorstel doet voor het basisinkomen. Dit zou een ontspannen samenleving stimuleren. Maar let wel: een basisinkomen doet dit via de band van vrijwilligheid: als we mensen bevrijden van een door de markt en overheid aangemoedigde arbeidsdwang dan zullen ze de ‘juiste’ keuze maken voor zorg, ontspanning, ontwikkeling en kunst.

Hun voorstel helt wel door naar de vrijzinnigheid en neemt grote afstand van het paternalisme: het basisinkomen vergroot de reële keuzevrijheid van mensen, en in vrijheid zullen ze de juiste keuzes maken. Ik ben, als links-libertair, een groot voorstander van het basisinkomen. Nu de paternalisten van de traditie Halsema nog.

Vrijzinnig Paternalisme onder de loep

In hun bundel Vrijzinnig Paternalisme pleiten vijftien denkers voor een herontdekking van het paternalisme door progressief-linkse partijen als GroenLinks. Door het paternalisme vrijzinnig in te vullen kunnen individuele vrijheid en onze collectieve belangen met elkaar verenigd worden. De redacteuren Pels en Van Dijk stellen zo wijziging voor op de liberale koers van Femke Halsema. Het boek mist echter een heldere gedeelde notie van Vrijzinnig Paternalisme. Pels en Van Dijk definieren zelf drie vormen van vrijzinnig paternalisme maar een groot deel van de bijdrages hanteren niet een van deze drie definities van vrijzinnig paternalisme.

Ik definieer in navolging van Claassen paternalisme als het gebruik van overheidsingrijpen die erop gericht zijn om mensen te dwingen iets te doen omdat het in hun eigen belang is. Mensen moeten gestimuleerd worden om de juist keuze maken voor zichzelf. In het klassieke paternalisme behandelt de overheid haar burgers als een ouder zijn kinderen behandelt: hij dwingt ze voor hun eigen bestwil hun boontjes op te eten. De ouder weet het beter. In een strict liberaal perspectief zijn er twee gronden om op te treden: in de eerste plaats als mensen niet autonoom zijn. Kinderen zijn een kernvoorbeeld van niet-autonome wezens. Paternalisme is dan volgens liberalen als Claassen gerechtvaardigd. De tweede reden om als overheid in te grijpen is om de vrijheid van anderen te beschermen: dan is er geen sprake van paternalisme, maar van overheidsingrijpen ten bate van een derde partij. Als je vader voorkomt dat je je broertje stompt is dat geen paternalisme: hij doet het niet ten bate van jou, maar ten bate van je broertje.

Vrijzinnig paternalisme varieert op dit thema. De auteurs stellen drie manieren voor waarop het paternalisme vrijzinnig kan worden ingevuld.

  1. nudges. In navolging van het concept van libertarian paternalism van Sunstein en Thaler pleiten de auteurs ervoor mensen door nudges te stimuleren om de juiste keuze te maken. Een nudge is een aanpassing van de manier waarop keuzes gepresenteerd worden. In tegenstelling tot klassiek paternalisme is er geen sprake van dwang. Sunstein en Thaler gaan ervanuit dat mensen niet rationeel beslissen. Marktwerking is geen instrument dat past bij Sunstein en Thaler.
  2. Je kan de overheid vervangen door de democratische gemeenschap. Hun paternalisme is vrijzinnig omdat wat “de juiste keuze” is, open is voor democratische deliberatie. In hun bijdrage pleiten Swierstra en Tonkens ervoor om mensen te binden aan normen die door democratische deliberatie zijn vastgesteld.
  3. Je kan “omdat het in hun eigen belang is” ook vervangen door “wat noodzakelijk is om autonoom in een open samenleving te functioneren” Mensen worden niet als autonome wezens geboren, maar moeten worden opgevoed om zelf-sturend te zijn. Kinderen moeten opgevoed tot burgers. Ik heb dit paternalisme omwille van het liberalisme genoemd.

De simpele vraag die ik hier wil beantwoorden is of de overige tien bijdragen behoren tot een van deze drie varianten van vrijzinnig paternalisme. Is er sprake van overheidsingrijpen dat erop gericht is mensen te dwingen dan wel te nudgen om in hun eigen belangte handelen, waarbij dat eigen belang al dan niet democratisch is gedefinieerd dan wel noodzakelijk is voor autonomie.  Ik zal hier kort de bijdragen doornemen. Hiermee doe ik altijd de complexiteit van de bijdrage tekort, maar de grote lijn is vaak genoeg voor deze toets.

Hoe vrijzinnig paternalistisch zijn de bijdragen?

De eerste bijdrage is van Ganzevoort. Hij schrijft over de vrijheid van godsdienst en in het bijzonder die gevallen waarin we de vrijheid van godsdienst willen beperken ten bate van minderheden binnen religieuze minderheden. Bijvoorbeeld: mogen gereformeerde scholen homoseksuelen weigeren als docent? Het kan hier dus in geen geval gaan om vrijzinnig paternalisme. Het gaat hier om overheidsingrijpen ten bate van een derde groep: de vrijheid van gereformeerde scholen wordt beperkt, niet in hun eigen belang maar in het belang van homoseksuelen in gereformeerde kring.

De tweede bijdrage betreft prostitutie. Hierin pleiten Pels en Lacroix voor de recriminalisering van pooierij. Het moet verboden worden voor derden om seksuele diensten van anderen aan te bieden voor geld. Pels en Lacroix willen zelfstandige prostituees toestaan maar prostituees als werknemer niet. Zij zien te veel misbruik, dwang en mensenhandel in de vrije prostitutiesector. Wederom gaat het hier om overheidsingrijpen ten bate van een derde groep, in dit geval vrouwen; zij worden beschermd tegen pooiers.

De derde bijdrage van de hand van Van Dijk betreft het bestrijden van overgewicht. Zij pleit er onder anderen voor om mensen beter te informeren over wat ze eten, en om gezond voedsel goedkoper te maken ten opzichte van ongezond voedsel. Dit doet ze om obesitas te bestrijden. Deze ingrepen kan je verdedigen op paternalistische gronden. Maar het prijsmechanisme is een instrument dat Thaler en Sunstein juist niet onder libertair paternalisme vatten, het prijsmechanisme gaat uit van mensen als rationele actoren. Je kan, zoals ik eerder heb gedaan, het prijsmechanisme juist ook verdedigen zonder terug te vallen in paternalisme. Zoals Van Dijk zelf laat zien in haar hoofdstuk hebben mensen met overgewicht meer zorgkosten. Die worden nu deels gecollectiviseerd door ons verzekeringsstelsel, je kan deze kosten ook privatiseren door ze in de prijs te verrekenen.

Meijers en Smithuijsen pleiten voor het verheffingsideaal in de kunsten, Wiersma pleit voor het verheffingsideaal in de publieke omroep. We betalen allemaal voor deze culturele sectoren. De auteurs vinden dat deze sectoren verantwoord moeten programmeren: kunst kan bijdragen aan een zelf- en maatschappijkritische houding, de publieke omroep de plek moet zijn waar het publieke debat wordt gevoerd. Zeker, het pleidooi van Meijers en Smithuijsen sluit goed aan bij de notie van paternalisme om wille van het liberalisme: kunst is bevrijdend. Echter het is in de kern niet paternalistisch: niemand wordt gedwongen om naar het museum te gaan of naar de publieke omroep te kijken. Mensen hebben die mogelijkheid maar niet de verplichting. In strikte zin is het niet paternalistisch. We moeten we er wel aan bijdragen via de belastingen, of we er nu gebruik van maken of niet. Dat is misschien onrechtvaardig, maar niet paternalistisch.

Eikelenboom wil van ouders meer betrekken bij de ontwikkeling van hun kinderen: hen versterken bij het opvoeden van kinderen. En dat is natuurlijk een typisch geval van een situatie waarbij een derde betrokken is. Ouders moeten betere ouders gemaakt worden voor hun kind. Dat is dus geen paternalisme, want er is een derde partij bij betrokken.

Van der Lans, die al bijna twee decennia pleit voor een linkse heruitvinding van paternalisme, heeft een rijke bijdrage. Ik wil op een voorstel van hem bijzonder inzoomen: de eigen krachtconferenties. Dit is een nieuwe invulling van het maatschappelijk werk dat de focus verlegt van professionals naar burgers. Als er sprake is van een opvoedingsprobleem (losgeslagen kinderen, murw geslagen ouderen) dan moet normaal het maatschappelijk werk ingrijpen. Van der Lans pleit voor eigen krachtconferenties: de omgeving van het kind zelf, onder leiding van een speciaal getrainde leek (geen professional) gaat samen opzoek naar een oplossing. Het gaat hier weer om kinderen, dus in die zin is er geen sprake van paternalisme dat een probleem is voor liberalen. Er zijn duidelijk vrijzinnige aspecten: de eigen krachtconferenties gaan in de kern om mensen zelfredzaam maken (‘samenredzaam’ in de woorden van Pieter Hilhorst) en daarnaast staat sociale deliberatie over wat wel en niet acceptabel gedrag is centraal. Echter een belangrijk aspect van paternalisme mist: door de nadruk te leggen op de sociale omgeving van een kind, is er geen sprake van overheidsdwang. En dus in de strikte zin van wat hierboven is geponeerd geen paternalisme. Maar dat is misschien wel wat retorisch.

Over het stuk van Roosma en Pels heb ik een uitgebreider stuk geschreven: dat zicht kort laat samen vatten als ”het voorstel van Roosma en Pels om een basisinkomen in te voeren is geen nudge (want een financiele maatregel die uit gaat van economische rationaliteit), het gaat niet uit van een ideaal van het goede leven (sterker nog het is een manier om mensen zelf in staat te stellen om te kiezen hoe ze hun leven willen vorm geven) en mensen leren er niet beter van hoe ze moeten omgaan met vrijheid.”

Eickhout en Thomas pleiten in hun bijdrage voor klimaatpaternalisme. Mensen moeten gedwongen worden om hun huis te isoleren. Goed voor hun eigen bankrekening, maar bovenal is het goed voor toekomstige generaties. De reden dat we klimaatpolitiek bedrijven is toch vooral omdat we verantwoordelijkheid willen nemen voor toekomstige generaties. En daarmee is het voorstel in de kern niet paternalistisch: de bijdrage aan de bankrekening van burgers is leuk maar de overheid grijp in omdat ze derden wil beschermen.

Ten slotte de bijdrage van Verbeek. Hij richt zich op de mogelijkheid om techniek in te zetten om mensen te stimuleren zich aan de regels te houden. Een automatische snelheidsbegrenzer in een auto bijvoorbeeld die mensen dwingt om zich aan de maximumsnelheid te houden. Vader Staat delegeert zijn paternalistische taken naar technische middelen. Het gaat hier vaak om paternalistisch ingrijpen en vaak om vrijzinnig paternalisme omdat er ook nudge-achtige middelen tussen zitten, zoals een auto die vervelend piept als je rijdt maar niet bent ingeriemd.

 Conclusie

Zijn alle bijdragen in de bundel vrijzinnig paternalisme vrijzinnig paternalistisch? Nee, ze voldoen lang niet allemaal aan de kenmerken hiervan.

  • Verbeek’s voorstel om mensen met techniek te stimuleren aan verkeersregels te voldoet is een echte nudge. En Van Dijk’s pleidooi om de prijs gezond en ongezond eten met elkaar in balans te brengen zijn vrijzinnig paternalistisch omdat het keuze laat bestaan maar de juiste keuze stimuleert (zij het niet met een nudge).
  • In het geval van Van der Lans en Eikelenboom gaat het paternalisme in het onderwijs en de opvoedingsondersteuning. Van der Lans die de nadruk legt op samenredzame gemeenschappen geeft hier een vrijzinnige draai aan. Maar zeker in het geval van Eikelenboom gaat het om het welzijn van het kind waar ouders beter voor moeten zorgen.
  • Wiersma, Meijers en Smithuijsen komen dichtbij het ideaal van paternalisme omwille van het liberalisme: de publieke omroep en de kunsten dragen bij aan die dingen die we nodig hebben om een goed burger te zijn. Echter hier wordt niemand gedwongen of ook maar genudged. De mogelijkheid wordt geboden. Wat de bundel opvallend genoeg mist is een bijdrage over de gevolgen van vrijzinnig paternalisme voor onderwijs. Het onderwijs is de manier om (jonge) mensen een bepaald beschavings aan te leren. De bundel van S&D, het blad van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, over verheffing ging hier juist uitgebreid op in.
  • In veel gevallen is er wel sprake van dwang maar niet van paternalisme omdat er een derde groep is: Eickhout en Thomas laten ons isoleren vanwege toekomstige generaties,  Pels en Lacroix willen pooierij verbieden om prostituees te bevrijden van seksuele slavernij. Ganzevoort wil religieuze gemeenschappen stimuleren om oog te hebben voor hun minderheden.

Vrijzinnig paternalisme laat zich niet vatten in een definitie, maar heeft drie varianten. Een groot deel van de bijdrages in het boek past niet in een van deze drie varianten. Het is een diverse bundel, vol rijke bijdragen, maar het mist een heldere overkoepelende agenda.